in dit land van
Laan en Voer,
Ijse en Dijle
plooien
heuvelkammen
als
krolse ruggen
~
tussen bossen
en een eeuwenoud Kolenwoud
~
glooiende velden die opbollen
en zich weer
intrekken,
een langzaam ademende
buik
~
heupwiegend
wriemelen waters
zich een weg
van bron(netjes) naar mond-ing
~
en over de ochtend
rekt het land zich uit
tot het weer liggen gaat,
geeuwend,
onder een lappendeken
vol kleur