Mijn handen grijpen, knijpen in het stuur, strelen het rubber, nog niet geheel omgeschakeld naar sociaal wenselijk gedrag. Ik druk mijn voet in de pedaal. Zintuigen op scherp, blik op de weg onder de wielen en het panorama van de straat. Het is al lang dag, maar hier op de fiets zindert de nacht nog na. Er is slechts geur en tactiele ervaring. Ik ruik nog naar een ander. En ik koester de stank als een grote persoonlijke verworvenheid. De geur is een extra laag gewaarwordingen, nog heel even over heel mijn lijf verspreid, die ik bij elke diepe inademing doelbewust opneem. Het zweet, klam door de koude ochtendlijke buitenlucht, loopt in slierten over mijn rug. De adrenaline doet me bewegen aan een razend tempo. Weer adem ik hem in.
Het duurt maar even. Weldra neem ik door middel van een douche, een dagtaak en een ingewikkelde verzameling sociale conventies afstand van de fysieke uitwerking van een warm lijf.
Ik zal thuis aankomen en de knopen uit haar mijn borstelen, lijfelijke herinnering aan twee handen en een eerder ruwe muur. Ik zal mij wassen en met veel tegenzin de sporen verwijderen, alsof mijn lichaam de plaats is waar een moord heeft plaatsgevonden. Ik zal met zachte hand over mijn gezicht gaan en kijken naar de subtiele verkleuringen op mijn wangen en in mijn nek en vloeken op mijn overgevoelige huid, het open doek van mijn gevoelens en gevoeligheden.
Dat is later. Er rest mij nog enige afstand, een ruw kruis op een zacht zadel. Mentale activiteit bundelt zich in flarden tot verwarrende gedachten. Het is een poging tot reconstructie van alles wat vooraf ging. Variaties op een klassiek scenario. Ik kijk naar links, niet naar rechts, steek over.
Alle elementen zijn aanwezig. Er is de alcohol. Er is veel alcohol. Sine qua non van de later betreurde gebeurtenissen. Er is de subtiele afzondering van de groep, de eerste aftastende aanraking. Dan de subtiele verwijdering van de groep en, in een vlaag algehele zinsverbijstering, een eerste grensoverschrijdende aanraking, die de gebruikelijke afstand tussen twee individuen volledig vernielt. We verkennen elkaars gedachten op de tast, lezen slechts irrationaliteit en slaan vervolgens genadeloos toe. Alles wat voorheen aan bezwaren bestond, wordt in die ene seconde achterwege gelaten. Wat volgt is een waas van aanrakingen gehuld in een tot voordien onderdrukt en net daardoor zeer hevig verlangen. Altijd hetzelfde stramien.
Nog twee straten na het park. Ik gun mijzelf het idee van secundaire verantwoordelijkheid. Het idee slechts in te staan voor mijn eigen daden en niet die van een ander. Ik was niet, heb niet bestaan en ruil de waarheid van mijn herinnering in voor hun intacte idylle. Met elke trap verwijder ik mezelf van hem die ik amper gekend heb, alweer bijna volledig klaar de dingen te hervatten. Er is ook niet de druk van een verbintenis. Niet de zwaarte van een stapel te retourneren boeken en niet de lichtheid van een relativerende koffie in de ochtend achteraf. En er is één zekerheid, de wetenschap nooit of te nimmer vermeld te zullen worden. Niet te bestaan in het narratief van de geslaagde relatie. Ik ben de anomalie in het verhaal dat hij aan haar en de buitenwereld vertelt. Ik weiger toe te geven aan het schuldgevoel, dat het zijne zou moeten zijn. Stap af, open twee deuren en laat het warme water lopen. Ik wil de goesting zijn, maar niet het geweten.