Doelgroep: NT2-cursisten niveau B2 - Vantage Schriftelijk
Voorkennis: Bezoek aan het Red Star Line Museum in Antwerpen (of op zijn minst de website bezoeken) www.redstarline.be
Competenties ERK :
Lezen : Ik kan informatie halen uit een narratieve tekst.
Schrijven: Ik kan notities nemen voor mezelf en een narratieve tekst schrijven a.h.v. een schrijfplan. Ik kan gebeurtenissen chronologisch voorstellen en ik kan hierbij ondersteunende kennis gebruiken (interpunctie, conjuncties, grammaticale structuren en correct gebruik van tijden om heden/verleden aan te geven)
Vaardigheid en Competenties
(wat moet de cursist kunnen)
Strategie
(hoe bereikt de cursist dit?)
Lesfase + Materiaal
(hoe stuurt / begeleidt de docent dit?)
Tijd
Spreken en Luisteren
Ik kan zeggen hoe ik me voel.
Ik kan over een herinnering spreken.
Ik kan het woord nemen en mijn beurt afwachten.
Klas: Ervaringen uitwisselen
- Wie is er al eens op reis geweest? (waar, wanneer…)
- Waarom gaan we op vakantie? - Woordspin op bord
Groep 4
- Wat was voor jou de meest vreemde bestemming?
- Welke dingen vielen je daar op?
- Zintuigen
- Welke emotie had je daarbij?
Klas: Info bundelen op bord
10’
Lezen
Ik kan een narratieve tekst lezen en er info in vinden.
Ik kan context gebruiken als ik iets niet begrijp.
Bijlage + opdrachtenblad: ‘Japan, een reisverhaal’, (Jaap Grave)
20’
Schrijven
Ik kan notities nemen voor mezelf.
Ik kan mijn taak voorbereiden.
De cst maken een lijstje met dingen die anders zijn in België dan in hun land. Enkel woorden noteren. (vb. ‘eten’)
5’
Vaardigheid en Competenties
(wat moet de cursist kunnen)
Strategie
(hoe bereikt de cursist dit?)
Lesfase + Materiaal
(hoe stuurt / begeleidt de docent dit?)
Tijd
Lezen / Spreken
Ik kan iets uitleggen, een hypothese maken, mening geven.
Ik kan compenseren.
Groep 2: De cstn wisselen hun lijstje en raden + geven commentaar op de woorden.
Ze gebruiken hierbij ‘ik denk dat…, volgens mij…’’
vb: ‘Ik denk dat het eten in België niet zo pikant is als in…’
De cst maken samen een woordspin rond België (laptop of Groep 2). http://learningapps.org/display?v=p4isir3c201
5’
Schrijven
Ik kan instructies geven en anderen overtuigen van mijn mening.
Ik kan ondersteunende kennis gebruiken (briefvorm hanteren)
Ik kan argumenten gebruiken.
Opdracht:
De cst schrijft een brief / mail aan een vriend uit eigen land en geeft instructies waar die op moet letten als hij/zij naar België komt en legt ook uit waarom (max 1 A4).
De cst kan hierbij grammaticale ondersteuning, briefvorm en correcte stijl raadplegen.
De cst kan de gepaste taalhandelingen (argumenteren) gebruiken.
25’
Lezen / Luisteren.
Ik kan een tekst die me overtuigt van iets begrijpen.
Ik kan een verhalende tekst begrijpen.
Ik kan vragen om uitleg als ik iets niet begrijp.
1 vrijwilliger leest brief voor / docent leest brief voor
Klasgesprek met voorbeeld feedback:
- Wat boeit of intrigeert? Wat maakt je nieuwsgierig? Wat is er herkenbaar?
- Welke zinnen raken je?
- Hoe is de tekst (brief) opgebouwd? Stijl, taalgebruik, woordkeuze?
Bijlage: Formulier feedback
10’
Vaardigheid en Competenties
(wat moet de cursist kunnen)
Strategie
(hoe bereikt de cursist dit?)
Lesfase + Materiaal
(hoe stuurt / begeleidt de docent dit?)
Tijd
Lezen / Spreken.
Ik kan iets uitleggen, mijn mening geven over een bepaald onderwerp.
Ik kan reflecteren op mijn eigen leren.
Ik kan samenwerken.
Groep 4: De cstn lezen elkaars teksten (op laptop delen via Google Drive klas of docent kopieert 2 teksten per 4 cstn)
De cstn geven feedback in groep op de tekst a.h.v. een formulier. (10’ per tekst)
De docent loopt rond en stuurt bij, controleert of de schrijver iets heeft aan feedback.
De docent neemt de teksten mee en corrigeert achteraf + geeft extra feedback.
40’
Lezen
Ik kan een verhalende tekst begrijpen.
Ik kan mijn taak voorbereiden.
De cst leest een kort reisverhaal.
http://www.redstarline.be/nl/verhaal/germaine’s-korte-leven-amerika
of nog meer op:
http://www.redstarline.be/nl/verhalen
10’
Schrijven
Ik kan een verhaal schrijven over wat ik heb meegemaakt.
Ik kan mijn taak voorbereiden.
Ik heb de juiste leerattitude.
De cst denkt na over een reis / tocht naar een ander land (naar België).
De cst gebruikt een schrijfplan om de reisdag te reconstrueren.
De cst verbindt deze acties met emoties, zintuiglijke indrukken, dierbare personen of voorwerpen.
De cst schrijft zijn/haar reisverhaal
Bijlage: Schrijfplan
45’
Bijlage: Japan, een reisverhaal (Jaap Grave)
Naast ons appartement staat een lagere school. De kinderen beginnen er al vroeg en je kunt ze al van verre ‘Ohaio kosaimas’ (goedemorgen) horen schreeuwen. Dat begint al op geruime afstand, zet zich voort tot op het schoolplein waar iedereen door de hele groep en de hele groep door iedere individuele scholier wordt begroet tot ze in het klaslokaal zijn. Daar wordt nog even flink goedemorgen geschreeuwd tot iedereen moe is. Dan kan de les beginnen.
Maar soms gaan ze aan het begin van de ochtend in de buurt blaadjes rapen onder het toeziend oog van de leraar. Dat is geen gezellige man in een T-shirtje en spijkerbroek, maar een man in een pak.
Ik verdenk de Japanners ervan dat ze ‘s nachts in de bomen klimmen, voorzichtig voelen of de blaadjes al van plan zijn die nacht de reis naar beneden te maken en als dat vermoeden juist is, dat ze de blaadjes dan alvast veiligheidshalve van de takken plukken. Daarbij dragen ze witte handschoenen.
Omdat er nergens afvalbakken staan, zie je de mensen soms schichtig om zich heen kijken voor ze een sigarettenpeuk in een spleet tussen de straattegels duwen.
Terwijl het in de landen waar ik heb gewerkt gebruikelijk is dat collega’s elkaar vragen waar ze aan werken of waar ze vandaan komen, werd ik hier in de afgelopen weken aan het begin van het gesprek verrast door de vraag of ik ook drink. Die vraag is des te vreemder, omdat de meeste Japanners er zelf niet zo goed tegen kunnen. Na het tweede, toegegeven, grote glas bier begint hun hoofd al onzeker op hun romp te schommelen. Hoe meer hun hoofd schommelt, hoe slechter hun Engels wordt. Ik heb gelezen dat ze dan hun voorzichtigheid laten varen en hun ware gedachten durven te uiten. Maar die versta ik dan niet meer.
De meeste collega’s voelen zich thuis op de campus. Tussen hun werkkamer en de bibliotheek of mensa dragen ze pantoffels of handige slippers.
Halverwege de stad en de universiteit stopt de tram en zit de dienst van de bestuurder erop. Hij neemt zijn pet af en maakt een buiging naar de mensen in de tram. Zijn plaatsvervanger komt binnen met zijn pet in zijn hand, maakt een buiging en kruipt achter zijn knuppel. Zet zijn pet op, laat de bel rinkelen en we rijden weer.
De trams hebben maar één wagon en wie zit, zit. Dat jongeren opstaan voor ouderen, is een onbekende regel, het breeduit zitten van oudere mannen daarentegen zeer bekend. In de spits zijn de trams bomvol en er is maar een uitgang. Je moet bij de bestuurder je kaartje in een bakje stoppen (niet stempelen) of er een munt van 100 yen in doen.
Iedereen baant zich dus door de drukte op weg naar die ene uitgang.
Een paar weken geleden heb ik een wegwerpfiets gekocht. Ze zijn niet duur, ronde tachtig euro. Ze roesten snel en wie hem niet meer wil gebruiken laat hem gewoon ergens staan. Als zo’n fiets vervolgens ergens een tijdje staat, komt er iemand die er een formulier opplakt. Maar niemand haalt de fietsen weg.
In Nagasaki kan je niet op straat fietsen. Daarom fietst iedereen op de stoep en rijden de auto’s, niet gehinderd door fietsers op straat, hard. Nog steeds moet ik eraan wennen dat ze in Japan links rijden. Het oversteken van grote kruisingen is een avontuur en dat wordt nog versterkt doordat ik nog steeds auto’s zonder bestuurders zie aankomen of soms een bestuurder tegen het raam zie liggen slapen. Bestuurders zitten rechts.
De fietsen zijn heel klein. Ik heb allereerst het zadel zo hoog gezet dat de stang net niet uit het frame kan vallen. Kennelijk rijden alle Aziaten op kleine fietsjes. Van een collega uit Leiden hoorde ik dat daar na aankomst van een groep Chinese studenten uit Peking, die een jaar in Leiden gaan studeren, binnen enkele dagen alle kinderfietsjes uitverkocht waren.
___________________________________________________________________________
Jaap Grave is werkzaam aan de Nagasaki University in Japan en doceert er Nederlandse taal en cultuur. Deze tekst is een fragment uit een reisverhaal.
Zijn de volgende uitspraken waar of niet waar?
waar
niet waar
- In Japan is een leraar van de basisschool sportief gekleed.
2. Japanners klimmen ‘s nachts in bomen.
3. Jaaps collega’s vragen bij de kennismaking of hij alcohol drinkt.
4. In Nagasaki fietst men op het voetpad.
5. In Japan rijden ook volwassenen op kinderfietsjes.
Wat bedoelt de schrijver met de volgende uitspraken?
- Het oversteken van grote kruisingen is een avontuur.
__________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________
- Dat jongeren opstaan voor ouderen, is een onbekende regel, het breeduit zitten van oudere mannen daarentegen is zeer bekend.
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
Liggen er in Japan veel blaadjes van bomen op de grond? Waarom denk je dat?
__________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________
naar: Tekst en Uitleg1
_________________________________________________________________________________________
Bijlage:
Schrijfplan: mijn reis naar België.
Vul het schema zo gedetailleerd mogelijk in voor je je reisverhaal schrijft. Dit helpt om je herinneringen te structureren.
Gebruik de gegevens in het schema en verbind ze tot een reisverhaal.
Jaar, seizoen, dag, uur
(ochtend, middag, avond)
Setting: Actie + plaats + personen
(Wat doe je, waar ben je, wie /wat is er mee?)
Zintuigen
(Wat hoor, ruik, zie, voel, proef je?)
Gevoel + sfeer
(Hoe voel je je daarbij? En de anderen?)
Bijlage:
Feedback geven :
Geef feedback op de tekst van (NAAM) ______________________________________.
Geef een score en kruis aan.
Motiveer met voorbeelden, woorden uit de tekst.
Leeservaring
++
+
+-
-
Ik begrijp de tekst. (max 2x lezen nodig)
Ik herken situaties in de tekst.
De situaties zijn levendig beschreven.
De instructies in de brief zijn duidelijk.
Er is motivatie bij de instructies (waarom je iets wel/niet mag doen).
De tekst klinkt als een brief.
Ik vind de tekst grappig, serieus, triestig, zakelijk, optimistisch / pessimistisch, saai, overtuigend...
Schrijftechnisch
++
+
+-
-
De tekst is in briefvorm. (aanspreking, midden, eindformule)
De instructies zijn goed geformuleerd (imperatief) als advies (zou, moeten, het is best dat…)
De woordkeuze is duidelijk en er staan geen Engelse, Franse… woorden in de tekst.
De interpunctie (hoofdletters, leestekens…) en spelling zijn goed. (3-5 fouten)
De zinsstructuur is goed (hoofdzin/bijzin)
De werkwoorden (en tijden) worden juist gebruikt.