Een zomerliefde.
Mijn melancholie begon toen we de Provence binnenreden. De paarse kleuren en geuren van de lavendelvelden maakten me weemoedig. Vreemd: het was 19 jaar geleden dat ik deze streek van Frankrijk voor het laatst had betreden en nu weer een zware steen in mijn maag of waren het die lang vervlogen vlinders van toen? Ik wist het niet. Mijn hoofd was dan ook licht.
Ik zie mezelf zitten achter op de bank van mijn vaders auto, samen met m'n één jaar oudere zus. Het is de eerste keer dat we in het buitenland zijn en zij kan dan ook haar mond niet dicht houden van opwinding. Ik ben ook opgewonden en kijk met grote ogen naar de bergen, immens blauwe lucht, met gesloten mond. Suzanne is nu hardop Franse zinnen aan het opzeggen uit haar schoolboek om indruk te maken op vader. Vader kijkt voor hem naar de weg. Een glimlach rond zijn lippen. Suzannes uitspraak is ronduit slecht, maar ik zeg niks want ik ben per slot van rekening haar kleinere broertje dat het onmogelijk beter kan weten. Ik probeer me voor te stellen hoe het dorpje eruit zal zien. Een dorpje op een berg.
Pap, hoe heet dat dorpje ook alweer waar we naartoe gaan?
Saint Geniez. Een piepklein dorpje bovenop de berg bij de stad Sisteron. We zitten midden tussen de Fransen, geen enkele andere buitenlanders alleen wij.
Dat is een mooie gelegenheid om je Frans te oefenen, voegt m'n moeder er aan toe.
Om m'n Frans te oefenen…pfff, ik ga liever gewoon dood. Het is immers vakantie en dat betekent voor mij vrijheid, niet te hoeven denken aan Franse les of wat voor les dan ook.
Hoelang is het nog rijden? , vraag ik. Ik wil graag uit de auto. Het is bloedheet en mijn zus kan niet ophouden met Frans praten tegen ons. Ik verlang naar een ruime plek waar ik in alle rust een jointje kan roken.
Nog een uurtje en dan zijn we er.
Twee uur later rijden we Saint Geniez binnen. Mijn eerste indruk is niet best. Niemand te zien op het plein waar een kerkje staat en een restaurant annex café. Geen mens te zien. Maar het is dan ook het middaguur als we aankomen. Het was daar tijd voor de uitgebreide warme maaltijd lunch zou ik later begrijpen.
Het eerste wat we doen is het huisje verkennen. Het huisje behoort aan onze buren in Nederland dat we voor twee weken mogen betrekken. Het is een eenvoudig huisje wat we te zien krijgen. Het ruikt er een beetje muf. M'n moeder vliegt naar binnen en zoekt haar weg naar alle ramen die open kunnen. De voordeur zit aan de linkerkant van het huisje. Rechts in de hal gaat een klein trappetje naar de keuken. Rechtdoor naar de woonkamer die een zithoek en een eettafel heeft en een opengeklapt raam waar we zo enkele bergen en een golvend weiland kunnen zien. Links de trap naar de slaapkamers.
Het huisje zag er nog precies hetzelfde uit als negentien jaar geleden. Het dorpje was ook niet echt veranderd, op wat kleine details na.
Mijn dochter en ik laden de auto uit, die voor het huisje bij het plein is geparkeerd.
Wat is het hier heerlijk rustig, merkt ze op.
Mm, is alles wat ik zeggen kan, maar voor me zie ik Cédric, met zijn halflange donkerbruine haren. Hij heeft een jeu-de-boules bal in zijn hand en gaat net gooien.
Sta nou niet te dromen pa, ik wil zo gauw als mogelijk de buurt verkennen.
Ik glimlach naar haar en breng een koffer het huisje in. Het ruikt er muf dus zet ik enige ramen open, bijna op de manier als mijn moeder deed 19 jaar geleden.
Wanneer de laatste koffer binnen is, gaat Christa er meteen vandoor. Ik blijf achter in het huisje en besluit mijn koffer uit te pakken.
Het was echt het beste voor je. Mijn vaders stem uit het verleden.
Na mijn koffer uitgepakt te hebben, pak ik meteen m'n schetsboek, shag, en wiet en laat iedereen alleen. Rechts van het rijtje huizen is een voetpad en dat besluit ik te volgen. Het leidt naar een landweggetje aan de rand van het dorp. Ik hoor de vogels zingen. Het grind kraakt onder m'n schoenen. De zon staat hoog aan de hemel en de kerktoren slaat eenmaal. Weldra kom ik aan bij een fonteintje. Hier besluit ik te gaan zitten in het gras en het landschap van de bergen en het weiland vast te leggen. Maar eerst een jointje want dat brengt me inspiratie.
Diep inhaleer ik een paar keer, daarna pak ik mijn schetsboek en een stukje houtskool.
Ik word al wat lichter in mijn hoofd. De blauwe lucht wordt intens, violet. De bruine groene bergen worden groter, de vogels fluiten een symfonie. En zo teken ik het ook op papier. Het knalt er vanaf.
De grindweg begint te kraken. In de verte zie ik Suzanne in mijn richting lopen. Ik gooi het laatste stukje van mijn joint in het fonteintje en kom overeind.
Is het hier niet heerlijk?, zegt ze.
Geweldig, antwoord ik.
Kom je zo lunchen? Mamma is de tafel al aan het dekken.
Ik kom eraan. Ga jij maar alvast.
Okay, zegt ze gehoorzaam.
Terwijl ze zich omdraait kijk ik verbaasd naar haar en ik begin te lachen. Suzanne is namelijk op dit moment zo meegaand en kinderlijk enthousiast dat het op mijn lachspieren werkt. Eerst was ze vreselijk irritant en nu vind ik haar aandoenlijk.
Terwijl ze terugloopt, draait ze haar hoofd naar me toe met een geïrriteerd gezicht wat tot gevolg heeft dat ik begin te schaterlachen, de vogels doen mee.
Lach niet meneertje.
Nadat ik mijn koffers had uitgepakt en een kopje koffie gedronken besluit ik de tafel te dekken; Christa zal zo wel terug komen van haar verkenningstocht en heeft ongetwijfeld trek in een stuk stokbrood.
Stokbrood, Franse kaas, tomaatjes, komkommer, sardines, ei zet ik op tafel en gesteriliseerde melk. M’n timing is perfect zoals gewoonlijk. Na een uurtje dat Suzanne vertrokken was komt ze binnen gewandeld.
Het is hier prachtig, zegt ze. Zo ontzettend rustig.
Dan valt haar blik op de gedekte tafel.
Ah, daar ben ik wel aan toe.
We nemen plaats aan de tafel en ik schenk melk voor ons in
Weet je, wat ik gezien heb?
Nou, zeg ik geïnteresseerd. Ik verwacht dat ze met een anekdote komt over een of andere Franse jongen die ze tijdens haar wandeling ontmoet heeft. Maar nee, ze komt met een totaal ander verhaal.
Ik heb in de verte buiten het dorp een nederzetting gezien. Volgens mij is het Paleolithisch. Zullen we straks een kijkje nemen?
Is goed. Pokergezicht, maar van binnen ben ik onrustig. Ik loop weer door het weiland en ik zie achter de heuvel een tentenkamp. Mannen in de bloei van hun leven zijn druk bezig in de nederzetting aan het graven. Naarmate ik nader, komt een man met donkerbruin krullend halflang haar overeind en kijkt me glimlachend aan.
Na de lunch gaan vader en Suzanne boodschappen doen in Sisteron. Ik besluit bij moeder te blijven en help haar met afwassen. Na het afwassen besluit mijn moeder te gaan borduren en ik besluit een wandeling te maken. Voor de zekerheid neem ik mijn tekenpapier mee en natuurlijk stiekem m’n shag. Ik loop weer dezelfde route. Het fonteintje besluit ik dit maal achter me te laten en loop verder over de grindweg. Rechts en links weiland. De warmte van de zonnestralen op mijn hoofd maakt me suf. Ik doe mijn kakikleurige overhemd uit en sla hem om m’n hoofd zoals de bedoeïen van de Sahara hun hoofd bedekken. Zo dat is een stuk beter. Nu kom ik bij een driesprong en besluit rechtsaf te slaan naar het zuiden. In de verte zie ik een groepje tenten staan. Een Camping?
Naarmate ik dichter kom zie ik vijf tenten staan in een halve cirkel met in het midden een vuurplaats. Iets verderop zie ik mensen bezig met graven in de hitte van het middaguur. Wat zou dat kunnen betekenen? Ik besluit een kijkje te nemen. Van nature ben ik een verlegen jongen. Het jointje heeft echter nog effect en ik voel me minder geremd. Ik stap van de weg af het weiland in richting het tentenkamp. Een Bernard Zenner begint te blaffen en holt op een drafje naar mij toe. Ik schrik een beetje van die grote hond maar herinner me dat je hard moet praten tegen een hond en laten weten dat jij de baas bent en niet andersom. Wanneer hij voor me staat steek ik mijn hand uit en hij ruikt eraan. Dan is het goed. Hij likt m’n hand en ik aai hem over zijn kop.
Louis ici!, roept een stem. Een jonge man met halflang gekruld haar.
De hond wil echter niet luisteren, blijft waar hij en danst om me heen.
Dan komt de jongeman eraan.
Hallo, zegt hij in het Engels. Sorry. We hebben hier een prehistorische nederzetting gevonden en we zijn erg opgewonden en Louis, mijn hond ook. Iedereen steekt elkaar hier aan. Een brede glimlach op zijn mond en ik zie zijn smetteloze witte tanden. Om zijn hals een ketting van bloedkoraal.
Ik glimlach terug geloof ik. Ik weet het niet zeker want zijn verschijning heeft de cannabis uit mijn lijf getrokken. Ik weet zo een, twee, drie niet wat ik moet zeggen.
Ik ben Cédric. En hij steekt zijn hand uit.
Lucas. Ik beantwoord zijn hand met een stevig maar vrij klamme handdruk en schaam me dood.
Het is heet, niet? Ik knik en hij vraagt vervolgens of ik wil kijken naar hun gevonden “schat”.
We lopen naar de andere student archeologie en Louis holt vooruit.
Wat ik zie zijn gewoon een paar stenen, die min of meer een dezelfde vorm hebben.
Dat is geen toeval, zegt Cédric en hij legt uit dat het schrapers en snij stenen zijn die de mensen in het Stenen Tijdperk maakten en gebruikten. Het ziet er enorm primitief uit maar Cédric maakt me duidelijk dat het een kunst op zichzelf was om een steen in vorm te maken.
Natuurlijk had zo’n steen al een beetje door de natuur zijn vorm gekregen maar als je ziet wat ze toch nog zelf er aan hebben vormgegeven is het vrij knap.
Wat doen jullie met deze voorwerpen?, vraag ik in mijn beste Engels.
We nemen ze mee voor onderzoek en we tekenen ze na.
Ik teken. Cédric kijkt me verwonderd aan. Daarom haal ik mijn tas van mijn schouder en haal mijn laatste tekeningen eruit. Hij bekijkt ze aandachtig. Denkrimpels op zijn voorhoofd.
Ze zijn erg goed. Heb je nog meer?
Nee…euh ja, nou thuis natuurlijk. Ik teken eigenlijk…nou ja…ik teken wanneer ik tijd heb en zin heb en ja, dat is erg vaak geloof ik.
Houden zo. Talent moet je koesteren. Het is een gave en daar moet je wat mee doen.
Dat ben ik helemaal met Cédric eens alleen m’n vader geeft geen zier om kunst, denk ik. Geen droog brood mee te verdienen.
Dan lopen we naar de anderen. Iedereen stopt meteen met graven, borstelen, en wat dies meer zij en komen me begroeten. De meesten spreken Engels; weliswaar met een zwaar Frans accent. Ik versta ze echter wel met wat meer concentratie. Het lijkt me zo op het eerste gezicht een hecht groepje.
Cédric zegt wat in het Frans en wenkt me naar zijn tent; een professionele legertent waar je makkelijk rechtop in kan staan. Bij de bedekte opening staat een tweepits gasstel, een houten kampeertafel met vier opklapbare stoelen, gereedschap die ik zo een twee drie niet kan thuisbrengen. In de tent zelf staat op een ander tafeltje een compleet schaakspel. Verder: olielampen, een andere eettafel en een stuk of vier veldbedden. Aan een van de ondersteunende palen hangt aan een gerafeld bruin touwtje een masker uit Afrika.
Cédric pakt de fles wijn van het tafeltje. Hij glimlacht, ik loop rood aan, maar voel dat het goed is.
Het is nu siësta, zegt hij. Wil je ook een glas wijn Lucas?
Waarom niet. Ik had tot nu toe nooit wijn gedronken en wilde geen spelbreker zijn.
Hij schenkt vier limonadeglazen in. Ik pak er twee en breng ze naar buiten en zet ze op de tafel. Sommigen van de hechte groep zijn nog bezig met de schrapers. Anderen zitten al aan tafel met de wijn, brood en kaas. Cédric neemt plaats en wenkt me om ook te gaan zitten. Tegenover me zie ik vooral zijn gezicht met zijn zwarte wenkbrauwen, wimpers en koolzwarte ogen, zijn sensuele volle lippen. Ik zoen ze in mijn gedachten.
Een knipoog, een blos van mijn kant. De spanning is om te snijden.
Tijdens de lunch vraagt Cédric of ik mee ga zwemmen. Het werk voor vandaag zit erop.
’s Middags zijn hij en zijn vrienden vrij. Ik neem de uitnodiging graag aan. Hij vertelt me dat ik wel een zwembroek van hem aan mag doen.
We stappen in de deux-chevaux van Stéphane, rijden vervolgens door het dorp. In een waas zie ik mijn vader op het pleintje bij de moerbeiboom. Snel kijk ik de andere kant op. Het is stil.
Stéphane is zo’n beetje de beste vriend van Cédric wat al gauw duidelijk wordt in de auto. Ze praten honderduit in het Frans. Louis legt zijn kop in mijn schoot. We rijden nu over een grindweg, op sommige plaatsen is er afval gestort in de kloven van de bergen. In de achteruitkijkspiegel kijk ik naar hem. Hij knipoogt en een blos van mijn kant. Het duurt niet lang voordat we een vallei in rijden. Hierin stroomt een vrij grote beek met ijskoud water, zou ik later voelen.
Achter de deux-chevaux kleden we ons om en ik kan ‘t niet helpen om een blik te werpen naar Cédrics geslachtsdeel dat slap tussen zijn benen hangt terwijl hij zijn zwarte zwembroek over zijn bruine behaarde benen trekt.
Het is te warm in de zon en het water is veel te koud om er helemaal in kopje onder te gaan, dus struinen we wat door ondiepe gedeeltes. Cédric en Stéphane nemen de leiding. Iets verderop gaat de rivier onder een bergwand heen met genoeg ruimte daarboven om ook ons er door te laten. Daarachter komen we in een kloof. De kracht van de stroming neemt toe en ook de diepte. Louis begint te piepen; hij kijkt met grote ogen naar zijn baasje die voor ons zwoegt, maar reageert. Cédric draait zich om komt naar Louis en mij toe en samen tillen we Louis op in deze woestenij en dragen hem tot we bij een fantastisch mooi stuk oever komen. Iedereen gaat naar de oever. Louis die is zo blij dat hij weer aan land is dat hij van blijdschap heen en weer rent, springt en blaft. Maar niemand let op hem; iedereen is te moe om nog wat te doen. We blazen uit, liggen in de zon en glimlachen.
Waar was je nou?, vraagt Christa toen ik de woonkamer binnen kwam.
Was aan het wandelen.
Kon je dat niet met mij doen?
Sorry dochter, ik had er niet over nagedacht. Herinneringen komen naar boven. Ik wist niet dat ze zo heftig waren. Je kan beter de waarheid vertellen.
Daarom zijn we hier hé? Je wilt me wat vertellen? Ik kijk haar vragend aan en besef dat ze gelijk heeft. Ik heb m’n dochter hier niet mee naar toe genomen voor een leuke vakantie. Waarom dan wel? Het zit ligt er dik bovenop dat ze gelijk heeft.
Terwijl Christa aan het tafel dekken is besluit ik haar de waarheid te vertellen.
Uit mijn koffer in de slaapkamer pak ik de enige foto die ik heb van de jonge Cédric. Ik loop terug, maar bij de kamer deur sta ik stil, ik twijfel. Moet ik haar hele leven omvergooien voor iets dat zich lang geleden heeft afgespeeld? Suzanne stopt en kijkt me aan.
Ah!, zegt ze. Het is zo ver.
Ik loop naar haar toe. Met iedere pas die ik door de kleine kamer maak word ik roder en roder in mijn gezicht en nek.
Je hoeft niet te gaan blozen hoor!, zegt ze lachend. Zo erg kan het toch niet zijn?
Dan sta ik naast haar. Ik overhandig haar de foto van Cédric. Zij pakt hem aan en draait de foto om en kijkt naar een lachende jonge man met donkere krullen.
Hoe heet hij?
Cédric. Ik heb hem negentien jaar geleden hier ontmoet. Het was….
Ik stamelde. Hoe kon ik tegenover mijn eigen dochter vertellen dat mijn huwelijk met Monique, haar moeder, een farce was geweest. Opgedrongen door mijn vader die werkelijk dacht dat ik te genezen was van dit ‘modeverschijnsel‘.
Liefde op het eerste gezicht. Nou pa, je hebt wel smaak zeg.
Ik lach als een schaap.
Wat neem je dit goed op, zeg ik haar.
Ik heb altijd wel een donkerbruin vermoeden gehad.
Een blos op mijn wangen.
Heb je hem daarna nog gezien? Of was het alleen hier. Heb je niet geprobeerd hem om te zoeken?
Waar was je nou?, zegt mijn moeder terwijl ze samen met mijn zus aan het afwassen is. M’n vader zit in de woonkamer van het huisje een Nederlandse krant te lezen. Hij kijkt niet op of om.
Ik heb kennis gemaakt met een paar studenten archeologie vlak uit het dorp. Ze hadden me uitgenodigd om te gaan zwemmen, dus ben ik meegegaan.
Je vader was bezorgd. Volgende keer moet je het vragen Lucas.
Ze pakt een bord voor me en schept een Provençaals groenteschotel naar eigen recept op.
Als het aan je vader lag, vond je nou de hond in de pot.
Ik pak het bord aan en eet het op in de keuken, en vertel honderd uit over Cédric. Dat hij zo cool is en relaxed dat hij zegt dat ik heel goed kan tekenen. Dat zijn hele vriendenkring relaxed en cool is en zo aardig is. Mijn moeder heeft een glimlach rond haar mond.
Na het eten besluit ik hen weer op te zoeken; Suzanne wil tot mijn ontsteltenis mee, maar ik sputter niet tegen.
Wanneer de kerktoren elf uur slaat komen jullie naar huis, zegt vader.
We knikken. Ik kijk om mijn horloge; het is negen voor acht. Nog ongeveer drie uur te gaan. God, wat heb ik het te pakken.
In het tentenkamp zijn ze nog bezig met koken. Iedereen is bezig; Cedric is uien aan het schoonmaken in de halve cirkel van gras voor de tenten.
Bonsoir, zegt hij tegen ons.
Bonsoir, antwoord Suzanne. Je m'appelle Suzanne. Je suis le soeur de Lucas.
Ze komt naar voren en steekt haar hand uit.
Je ne comprend pas. Cedric doet deed of hij haar niet verstaat en geeft mij een knipoog.
Suzanne gaat nu overdreven langzaam praten.
Je…..m'appelle…Suzanne
Hi, I am Cedric, antwoordt hij en steekt z’n hand uit.
Ik moet lachen. Suzanne loopt rood aan. Geeft mij een por in mijn middel wat tot gevolg heb dat ik helemaal niet meer bij kom van het lachen. Cedric moet ook lachen. Suzanne trekt een boos gezicht en geeft me een mep op m'n bovenarm.
De avond is tot nu toe niet echt bijzonder te noemen en ik wijt het aan Suzannes zelf uitnodiging. Een bezoek aan Cedrics wereld op het weiland. Ze is bepaald niet verlegen, mengt zich in het gesprek, doet alsof ze iedereen al jaren kent terwijl, achter haar gezicht gekke bekken worden getrokken. Niet dat me dat deert maar alleen al het gegeven dat ik nu weer haar kleine broertje ben, althans zo voelt het.
Het wordt donker. Een kampvuur wordt aangestoken. De kerktoren slaat tien uur. We gaan bikkelen. Ze leggen ons uit hoe het moet en al gauw krijg ik de smaak te pakken. Tussen de beurten door draait Cedric een joint en overhandigd het mij. Voor mij is het een meer dan zomaar een joint maar een soort van symbool dat ik er bij hoor en misschien belangrijker een afzet tegen de positie in het gezin waarin ik verkeer. Terwijl ik hem aanpak kijkt Suzanne bedenkelijk; ze weet dat ik rook; maar wiet had ze niet verwacht. Toch zegt ze niets. Kennelijk wil ze ook relaxed overkomen. En dan geen moment later komt er een pakje sigaretten uit haar broekzak en steekt er een op. Met grote ogen kijk ik haar aan, ze geeft me een knipoog.
Het bikkelen, gaat verder terwijl er wijn wordt geschonken in kunststof bekertjes. Ik heb nog nooit wijn gedronken maar vind mezelf nu oud genoeg om me te wagen aan dit aromatische druiven drankje. Het is niet lekker maar de aanhouder wint denk ik.
Is het de wijn, de wiet of mijn puberteit dat ik aan het duivelse plan kom om Suzanne alleen naar het huisje terug te laten gaan? Mijn ouders zijn altijd vroeg onder zeil dus kan Suzanne net doen alsof ik ook thuis ben gekomen. Meestal komen ze niet uit hun bed wanneer we ons melden. Moeder zit dan voor de honderdste keer Anna Karina te lezen en vader zijn Michener. Ik besluit het erop te wagen.
Dan slaat de toren elf uur. Twee minuten later staat Suzanne klaar om te gaan. Ik sta op en loop met haar mee tot het landweggetje en vertel haar mijn plan. Ze stribbelt eerst tegen.
Lucas, doe dat nou niet. Je weet hoe vader is. Als hij erachter komt is het huis te klein. Dan word je vast voor drie dagen geschorst en dan heb je helemaal geen vakantie meer. En trouwens morgen is er weer een dag, toch?
Morgen is er weer een dag. Ja, maar morgen gaan we naar Sisteron het zwembad opzoeken terwijl ik eigenlijk niet de berg af wil, denk ik. De nacht is nog jong en er kan veel gebeuren.
Ik zeg dat ze me mag verachten en zo en smeek haar bijna dat ze alleen naar het huisje gaat. Dan gaat ze akkoord. Met een chagrijnig gezicht loopt ze het landweggetje af; ze vergeet helemaal ‘dag’ te zeggen. Ik loop terug naar het kampement, zoek de ogen op van Cedric; hij zit nog altijd waar hij zat; geeft me knipoog en een fabuleuze lach terug; mijn lendenen gloeien.
De torenklok slaat één keer, half twaalf, terwijl Cédric en ik aan het schaken zijn in zijn tent.
Zijn vriend Stéphane slaapt al. Ik kan me niet concentreren op het spel en verlies dan ook gigantisch. Cedric staat op, schenkt nog wat wijn in en gaat op zijn veldbed zitten. Wat moet ik doen? Dit is het moment denk ik, maar zit helemaal versteend. Dan staat Cédric weer op en loopt de tent uit. Ik loop achter hem aan. Het kampvuur smeult. Cedric nipt van zijn wijn.
Ik ga naast hem staan.
Volgens mij kan je het beter.
Weet ik, zeg ik. Concentratieverlies.
Hoe zou dat nou komen, zegt hij. Hij slaat een arm om me heen. Ik keek hem aan; onze ogen en lippen zijn op kus afstand. Ik kijk recht in zijn ogen en hij bij mij. Een verlegen glimlach. Dan heel vlug, geeft hij een zoen op mijn mond. Ik kijk hem aan, en antwoord met mijn lippen op de zijne. Zijn mond gaat open en mijn tong verdwijnt erin. Tongen draaien en wrijven tegen elkaar. Rillingen gaan door mijn lichaam. Cédric trekt zich terug, kijkt me aan, glimlacht, gaat met z'n wijsvinger langs mijn voorhoofd, over mijn neus, lippen en adamsappel. Dan houden we het niet meer, we zoenen elkaar als bezetenen. Zijn handen glijden van mijn schouders naar de onderkant van m'n rug. Ik begin te trillen zoals ik nog nooit heb gedaan. Ik 'bid' dat hij door zal gaan en zich er niet aan zal storen. Hij pakt mijn overhemd vast vlak boven mijn broek en trekt hem zachtjes uit mijn broek. Knoop voor knoop maakt hij hem open. Te voorschijn komt een haarloze, gespierde torso. Ik masseer nu zijn warm aanvoelende schouders, ga met mijn vingers over zijn sleutelbeen en leg uiteindelijk mijn lippen op zijn harde rechtertepel en lik en zuig. Cédric kreunt zachtjes. Mijn mond volgt zijn borstbeen en buikspieren naar beneden. Ik maak zijn kaki broek los en laat die op zijn enkels vallen. Zijn lid drukt tegen zijn onderbroek aan. Dan sta ik weer op. Cédric doet ook mijn broek uit. Ik weet dat dit echte liefde is, dit is écht. Naakt staan we elkaar te zoenen. Met zijn rechterhand op mijn buik en zijn linker onder mijn rug duwt hij m'n zachtjes naar beneden, op de grond. Ik vertrouw hem.
De volgende morgen slaat de klokkentoren acht uur wanneer ik wakker word. Ik besef nu dat ik in mijn eigen bed in het huisje behoor te slapen en niet ergens met een jongen een veldbed te delen. Ik spring overeind, raap mijn kleding bij elkaar, neem afscheid van Cédric en haast me weg. Net als ik de tent uitga staat vader voor mij neus.
Wat denk je wel niet, dat je aan het doen bent? Waarom ben je niet thuisgekomen? Waarom heb je hier geslapen?
Ik weet geen woord uit te brengen. Mijn hoofd gaat gloeien.
Ik moet in slaap zijn gevallen, antwoord ik.
Je gaat nu mee naar huis, commandeert hij. Op dat moment komt Cédric met zijn slaperige hoofd de tent uit.
En wie is hij? Je vriendje?
Cédric, die er geen woord van verstaat want alles gaat in het Nederlands, kijkt hem vragend aan.
Vader pakt me bij mijn arm en sleurt me uit het tentenkamp. Op het landweggetje laat hij me los. Ik schik me in m'n lot.
Liefde is als wiet; eens geprobeerd en je wilt meer en meer. In Sisteron is het vreselijk warm. Het bezoek aan het zwembad is dan ook meer dan welkom. Vader zegt de hele dag niks tegen me en Suzanne speelt mooi weer. Moeder weet kennelijk niks; haar gedrag is hetzelfde als altijd.
De volgende avond mag ik voor straf het huisje niet uit. Ik zat in mijn kamer te lezen, kon me echter niet concentreren, mijn hart riep. En daar gaf ik uiteindelijk gehoor aan. Langzaam schoof ik het raam open. De avond valt. Buiten zijn ze op het plein nog steeds pétanque aan het spelen. Ik klim door het raam naar buiten heel voorzichtig zonder al te veel lawaai te maken.
Ik loop langs het weggetje richting het tentenkamp met bonkend hart bang dat ik Suzanne, of erger mijn vader tegen het lijf loopt. Dichterbij merkt Louis me op en rent blaffend op me af. Een welkome begroeting volgt door tegen me aan te springen en me te besnuffelen. In het kamp brandt een vuurtje. Een paar van Cedrics vrienden zitten rond het kampvuur. Sommigen alleen, anderen tegen elkaar aanleunend, glas in de hand. Cédric zie ik niet en voor een moment knijpt m’n maag samen. Ik begroet iedereen en loop naar zijn tent. Daar zie ik hem staan terwijl hij een paar olielampen aansteekt.
Daar ben je weer. Een glimlach. Ik heb je gemist, zegt hij.
Hij zet de olielamp op een tafeltje, loopt vervolgens op me af, een zoen volgt en een innige omhelzing. Daar blijft het niet bij; we laten ons gaan en eindigen op de grond.
In zijn armen doezel ik in.
Je gehoor blijft het langst alert als je gaat slapen. Maar ik en Cédric moesten zo diep hebben geslapen dat we mijn vader niet hebben gehoord. Hij scheen als een politieagent het kamp te zijn binnengedrongen schreeuwend; Lucas, Lucas! Ik wil je hier niet hebben. Kom tevoorschijn. Hij drong tent na tent binnen waarop mensen gingen gillen. Toen hij eindelijk in de tent van Cédric en Stéphane was sleurde hij mij uit bed. In een klap waren we wakker.
Cédric keek verschrikt.
Meekomen. Hier heb je niks te zoeken bij die flikkers. Jij doet hier niet aan mee. Al is het in de mode. Ik ben met stomheid geslagen weet geen woord uit te brengen. Cédric wel. Hij begint te vloeken en wil mij losmaken uit mijn vaders armen. Dat had hij beter niet kunnen doen, want vader duwt hem weg. Cédric valt tegen de olielamp aan. Deze valt om. Verder zie ik niks want ik word de tent uitgesleept.
Lopen, zegt vader, naar het huis! Ik loop voor hem uit, kijk nog eenmaal over m’n schouder heen en zie de tent in vuur staan. Hoge vlammen slokken het op.
Cédric hoor ik de anderen schreeuwend waarschuwen. Tranen. M’n vader geeft me een duw; het gaat hem waarschijnlijk te langzaam.
De lucht trekt donkere wolken.
Wanneer we het huisje binnenkomen, delegeert hij me naar mijn kamer.
We gaan naar huis!, schreeuwt vader naar mij en de anderen.
We gaan naar huis!
Hij doet de deur dicht; ik ben alleen met het angstaanjagende gevoel dat Cédric iets is overkomen. Wat een gewetenloze man en etterbak denk ik, om zo weg te lopen wanneer iemand in gevaar is. Ik ijsbeer in mijn kamer terwijl donkere wolken zich verzamelen boven Saint Geniez. En het gaat sneller en sneller, de wind wakkert aan; het licht maakt plaats voor donker in een gordijn van zilveren regen. Voor de tweede keer besluit ik te ontsnappen. Ik klim weer door het raam naar buiten laat me op een al doorweekt grasperkje vallen, kom overeind en hol als een bezetene naar Cédric. Doorweekt kom ik aan. Mijn vaders sporen zijn duidelijk aanwezig; het ruikt nog steeds naar brand, Cédrics legertent is compleet uitgebrand met alles er in. Resten van as smeulen nog na.
Cédric! Cédric!
Ik wacht even. Dan gaat even verder een flap van een tent open: Cédric.
Ik loop naar hem toe.
Ik vertel hem met paniek in mijn stem dat mijn vader vandaag nog terug wil naar Nederland.
Ik blijf maar doorratelen. Hij laat me niet uitpraten en sust me door zijn lippen op de mijne te drukken. Ik zwijg. Daarna glimlacht hij, doet zijn bloedkoraal ketting af en geeft die aan mij.
Kom hem maar eens terug brengen.
Dat zal ik zeker doen.
Dan loopt hij richting de anderen in de tent, haalt bij hen in de buurt een pen en papier, schrijft zijn adres er op en overhandigd het mij. We hebben niet veel tijd. We moeten afscheid nemen. Mijn maag draait zich om. We kussen elkaar een paar keer achter elkaar en dan verlaat ik de tent, kijk een keer achterom. Zwarte ogen kijken mij aan, daarboven denkrimpels.
Terug naar het huisje ren ik over het landweggetje terwijl ik het papiertje in mijn kontzak stop. Tenminste dat denk ik. In Nederland kom ik erachter dat ik het verloren ben, waarschijnlijk in de paniek en verdriet viel het op het grind van het landweggetje.
Mijn dochter en ik pakken onze koffers in. Ons eigenlijke doel is het Picasso Museum in Barcelona voor haar eindscriptie. Al snel stappen we in de auto en rijden weg uit Saint Geniez, het verleden achter ons latend, maar niet helemaal. De melancholie blijft zachtjes vlinderen in mijn buik. Zelfs als we Spanje binnen rijden voel ik haar nog
Weldra rijden we Barcelona in. Barcelona doet aan als Amsterdam. Een ongedwongen sfeer. Christa praat honderd uit. Het is warm in de stad. Ik heb een mooi hotel met parkeerplaatsen uitgezocht. In onze kamer relaxen we een uurtje en we gaan dan de stad bekijken met de metro.
Eerst natuurlijk het Picasso Museum. Mij spreekt Picasso niet zo aan, maar Christa heeft de tijd van haar leven. Elk schilderij wordt aandachtig door haar bekeken en geanalyseerd.
Na drie uur zijn weer buiten in de avondzon met een paar boeken. Het is inmiddels etenstijd dus gaan we opzoek naar een restaurant. Bij de haven is een restaurant met de naam Dos Hombres. Het is een klein restaurant met maar vijf tafels. Dat lijkt ons wel wat; we besluiten daar te gaan eten. Christa en ik zijn een beetje uitgeput. Een goed uitziende ober komt naar ons toe. Hij spreekt ons aan in het Engels en wijst ons een tafel bij het raam. Hij vraagt wat we willen drinken wanneer we zitten. Ik ben wel in voor een glas rosé want al is het avond, het is altijd nog erg warm. Christa neemt witte wijn. Ik kijk een beetje om me heen. De stoelen zijn van kersenhout en ongetwijfeld de tafels ook, waar mooie smetteloze witte tafellakens op liggen.
We bestellen als voorafje een tapas en als hoofdgerecht een vispannetje. Maar eerst krijgen we een amuse om de trek te bevorderen. We kletsen wat, lachen en genieten van onze vakantie.
Ik weet nog precies de Catalaanse naam voor het vispannetje: Suquet de Peix. Er zit zeeduivel in, goudbrasem, inktvisjes, mosselen. Het is een heerlijk gerecht. Omdat mijn hobby koken is vraag ik aan de ober of ik misschien het recept mocht hebben. We zijn de enige eters, het is rond zessen. De ober liep naar achteren door de klapdeur weg.
Het volgende moment dat ik me herinner is dat de kok door de klapdeur komt. Het is Cédric. Zijn haar is dunner geworden en hij wordt een beetje kaal. Hij is ook iets dikker geworden maar ik herken hem uit duizenden. Ik bloos. Hij glimlacht en loopt naar ons toe. Ik sta op en we omarmen elkaar.
Wel, kijk eens wie we hier hebben als het niet Lucas is! Hoe gaat het? Dat is lang geleden zeg! Hoe heb je me gevonden?
Ik wil deze vraag beantwoorden maar Cédric zegt wat in het Spaans tegen de ober. Deze doet vervolgens de deur op slot van het restaurant en draait het welbekende bordje om dat ‘Cerrado’, gesloten zegt.
We hebben vandaag geen reserveringen. Een brede glimlach verschijnt.
Hij geeft Christa een hand.
Christa, m’n dochter, zeg ik en wacht op een reactie. Maar hij lijkt niet verbaasd te zijn.
De ober komt er ook aan, met een fles rode wijn en een fles rosé, stelt zich voor als Emilio. We gaan zitten spreken honderd uit, dat wil zeggen vooral Cédric en ik. Christa luistert en Emilio ook.
Cedric vertelt dat Emilio zijn partner is en dat ze elkaar al twaalf jaar kennen. Hij vertelt ook dat ze zullen gaan trouwen voor de wet. Emilio zou graag ook in de kerk willen trouwen maar dat is niet mogelijk voor twee mannen of twee vrouwen.
Dan hebben we het over onze ontmoeting in Saint Geniez terwijl Cédric zijn hand legt op Emilio’s hand. Het is tussen ons verleden tijd.
En jij Lucas, ben jij getrouwd of zo?
Nee, zeg ik en leg het uit.
Je ontmoet wel weer eens iemand die je hart harder laat bonken.
Tot Christa’s plezier zegt Cédric dat ze veel op haar knappe vader lijkt.
Ik knik en glimlach naar hem. Knipoog.
We zijn de hele avond aan het praten. Het voelt zo vertrouwd. Met leuke aardige mensen kan ik dit soort tafelen tot diep in de nacht volhouden. Emilio is ook een geschikte peer. En ik zie dat hij helemaal gek is op Cedric en Cedric op hem. Hoe ze elkaar af en toe aankijken, is hartverwarmend.
Rond middernacht stappen Christa en ik op, maar eerst geef ik m’n adres in Nederland aan hen. Hij heeft ons uitgenodigd voor de bruiloft, vandaar.
De volgende dag verlaten we Barcelona en gaan op weg naar Nederland. Weldra komen we bij de Spaans- Franse grens. De melancholie is verdwenen. Een gevoel van welbehagen stroomt door m’n aderen.