De naden van de katoenen stof schuren tegen haar hals en in haar oksels. Hardop verwenst Elise de verpleegster die de lange mouwen veel te strak heeft aangetrokken. ‘En mijn hoofdkussen heeft ze niet opgeschud en het ligt teveel naar rechts!’ Haar zinloze gekrijs slaat te pletter tegen de kamerdeur. Enkel het Christusbeeld boven de wastafel kan haar verwensingen horen.
Elise maakt een dikke vlok speeksel aan en slikt die door, maar de kleffe smaak van de avondeten, wortelpuree met worst, krijgt ze maar niet weg. Onvoorstelbaar hoe de kok er hier in slaagt om frisse groenten om tot toveren tot een dergelijke brij.
Elise probeert zich te beheersen, probeert na te denken. Ze kijkt rond. Alles in deze kamer is wit, kaal, inspiratieloos. Haar ademhaling wordt regelmatiger, rustiger. Ze glundert als ze terugdenkt aan de stagiaire die ze de vorige keer geniaal om de tuin heeft geleid. Elise bleef ontkennen dat zij Elise was en hield vol dat de dwangbuis niet voor haar was, maar voor de vrouw in de volgende kamer. Wie was er overigens het langst in deze instelling, zij of de stagiaire? Dus wie kon het best weten? Het onnozele wicht geloofde haar. Voordat de misleiding aan het licht kwam zat Elise al in de bus, huiswaarts.
Vandaag rest haar niet veel tijd. Straks zal ze de twaalf kille voetstappen op het naadloze vinyl tellen, vanaf de lift met het cijferslot tot aan haar kamer. Haar dagelijkse dosis pillen zal ze onder toezicht moeten doorslikken, drie gele, een grote witte en twee kleine paarse. Die laatste hebben een brakke smaak en zorgen er voor dat haar oogleden ongewenst maar zeker zullen dichtvallen.
Met een druk op de lichtschakelaar zal de nachtverpleegster Elises dag beëindigen, de deur op slot draaien en verder stappen naar de volgende kamer, zoals elke dag.
Haar gedachten dwalen af, ze denkt aan Miel. ‘Zonder mij en mijn acteertalenten had Miel het nooit zo ver gebracht. Gelukkig voor hem.’
Elise en Miel, hun gezamenlijke passie had hen samengebracht. Negenenveertig jaar waren zij ongehuwd maar ook onafscheidelijk geweest. Zag je Miel, dan zag je Elise. Tot Elises ergernis had Miel zich de laatste vijf jaar dagelijks urenlang afgezonderd in de kleine achterkamer die ze voor hem hadden heringericht. Tussen zijn stapels notities, boeken, tijdschriften en videobanden kwam de theatervoorstelling tot stand die hij al jarenlang voor ogen had. Het zou een meesterwerk worden, zijn Magnus Opus. Emile-Hubert Delachapelle, Miel, was er van overtuigd dat hij zijn carrière als regisseur hiermee glansrijk zou kunnen afsluiten. Onder de allerbesten zou hij zijn acteurs en musici streng selecteren. Ook Elise ging ervan uit dat zij van Miel een belangrijke rol zou krijgen, de hoofdrol zou haar zelfs niet verbazen.
Ondertussen liet Miel ogenschijnlijk niemand toe in zijn wereld. In tegenstelling tot eerdere producties praatte hij deze keer zelden met Elise over zijn vorderingen of twijfels. De laatste maanden ging Miel alsmaar meer alleen het huis uit en sloot terwijl de deur van het achterkamertje. Na zijn afwezigheid kwam vaak hij pas diep in de nacht thuis. ‘Ik heb repetities en vergaderingen met de belangrijkste acteurs, je begrijpt dit niet meer.’ antwoordde Miel toen Elise daar terloops een opmerking over maakte.
Toen ze een kans zag, glipte ze ongemerkt zijn heiligdom binnen. De angst door Miel betrapt te worden schreeuwde het uit in haar hoofd terwijl ze op zoek ging naar zijn lijst van geselecteerde acteurs. Haar desillusie was groot.
De dag nadien keek Miel haar indringender en zwijgzamer aan dan voorheen, of beeldde ze zich dat enkel in? Het achterkamertje heeft ze nooit meer willen betreden. Elise keek daarom vol verwachtingen uit naar de dag van de première. Het zou voor haar een opluchting zijn als het doek zou vallen, dan zou ze Miel eindelijk weer voor haar alleen hebben.
Volgens Miel had Elena de hoofdrol schitterend neergezet, maar haar zenuwen hadden haar tijdens de première parten gespeeld. Miel wou absoluut nog even napraten met Elena, terwijl Elise en de overige achtenveertig leden van het gezelschap vertrokken naar het feest. Dat feestje mocht er nu wel zijn; na de première was de staande ovatie van alle driehonderdtweeënvijftig toeschouwers overdonderend geweest. De critici waren uitzonderlijk lovend geweest, de collega’s verbluft.
Het feest was op volle gang en Elise werd door iedereen aangesproken, want ook zij had geschitterd. Uiteindelijk had Miel voor haar alsnog een kleine bijrol voorzien. Hij had er tijdens de repetities bij Elise meermaals op aangedrongen om iets minder provocerend uit de hoek te komen, maar Elise vertikte het en gaf haar eigen interpretatie aan haar rol, met succes. Haar bescheiden optreden was dankzij haar talent niet onopgemerkt gebleven. Miel had er zich uiteindelijk bij neergelegd en maakte er geen punt meer van, zolang Elena maar deed wat hij verlangde.
Van zijn langdurige afwezigheid op de receptie was Elise zich niet bewust geweest, tot iemand haar kwam vertellen dat ze hem hadden gevonden. Meer dan drie uur had hij daar gelegen, tussen de coulissen, ontkleed en dood. Ze geloofde het niet, keek rond in de zaal en zag Miel nergens tussen de feestvierders. Toen liet ze haar kristallen champagnecoupe uiteenspatten op de grond.
Het licht in haar kamer gaat uit, Elise schrikt op. ‘En nu hebben ze me naar hier ontvoerd, net toen ik eindelijk kon bewijzen dat ik gelijk heb.’ schreeuwt ze.
De avond voor haar zoveelste opname had ze de antieke keukentafel driemaal afgeveegd. Ze begon altijd aan de kant van deur - daar zat vroeger Miel altijd - en draaide met de klok mee. De zes donkereiken keukenstoelen, drie aan elke zijde van de tafel, had ze met de achterste poten op één lijn geplaatst met de voegen van de koningsblauwe tegelvloer. De vaas met de takken gele brem had ze tot aan de rand met water gevuld en precies in het midden van de tafel geplaatst. Ze had de kokos deurmat uitgeklopt en net niet tegen de rand van de drempel aangelegd. Na het sluiten van de deur had ze de sleutel in de rechterzak van haar lichtgele kamerjas laten glijden. Gerustgesteld had ze nog eens rondgekeken. Twijfel was niet meer mogelijk.
’s Morgens had ze opnieuw broodkruimels gevonden op de keukentafel. De vaas met de gele brem was omgestoten en één van de stoelen stond niet meer in het gelid. De keukendeur was ontgrendeld, er lag zand op de deurmat. Nu was ze er zeker van, ze duwde de deur verder open en keek de tuin in. De zon had moeite om de mist te overwinnen en die kilte overviel Elise.
Ze stapte blootsvoets het grijze tegelpad af, tot helemaal achterin de tuin. Dit stuk van de tuin was haar onbekend. Het onkruid tussen de tegels was uitgebloeid; tuinonderhoud was een taak van Miel geweest.
Ze kwam terecht tussen de vaalgroene sparren achter het vervallen tuinhuis. Modder en mos baanden zich een weg tussen haar tenen. Met een broodkorst in zijn bek fladderde een mussenjong geschrokken op van tussen de klimop. Ze loerde naar een lage afsluiting. Die was stuk, iemand is haar voor geweest, ze kon er gemakkelijk overstappen.
Even verder lag haar lichtgele kamerjas. ‘Hier, hier,’ schaterde ze luidkeels, ‘Heel zeker hier.’ Huppelend te midden van de rottende bladeren danste ze rond de holle boomstronk. Haar vuisten kneep ze dicht. Eindelijk had ze ontdekt waar Miel zich verstopte.
Anthony Meersman, dokter in de anesthesie, zag vanuit de keuken de naakte buurvrouw in zijn achtertuin ronddansen. Hij zette zijn vers kopje espresso op het aanrecht, kuchte, schoof de knoop van zijn das wat strakker en draaide zich om. ‘Schat,’ zuchtte hij, ‘bel jij straks de dienst internering nog eens ? Het is weer zover.’
