Fictieve reis - Ariane

9 mei 2016 · 1 keer gelezen · 0 keer geliket

Het thema: fictief reizen

De drie sessies vormen één geheel. Elke oefening in elke sessie is een puzzelstuk van het grotere geheel.

Omschrijving van de doelgroep met gratis scrabble-woord: kwetsbare jongeren. Specifieker: laaggeletterde, laaggeschoolde jongedames – jonge twintigers - in een doelgroepwerknemersstatuut.

De oorspronkelijk Nederlandstalige dames hebben hun middelbare school niet afgewerkt. Ze zijn gemiddeld tot het vijfde middelbaar geraakt. De voornaamste reden: “geen goesting nie meer”. De anderstaligen zijn in hun land van oorsprong naar de middelbare school geweest. Ook zij hebben hun middelbaar niet afgewerkt. In België hebben ze basiscursussen Nederlands gevolgd en daarna beroepsvoorbereidend Nederlands (niveau 2.4) bij VDAB.

Ervaring met schrijfcursussen: bijna nihil. Drie korte sessies verslagen schrijven, twee sessies mails schrijven en één sessie gedichten schrijven. Dat laatste zagen de dames niet zitten. Gedichten schrijven is “moeilijk”, “zever”, “de moeite niet”, “ik heb honger ik ga eten”. Ondertussen hebben ze een herhaling gevraagd en één jongedame wil graag een echte cursus volgen.

 

 

Sessie 1

Vakdoel:

  • de deelnemers kunnen een zintuiglijke beschrijving geven
  • de deelnemers kunnen beeldend schrijven

 

Theorie:

  • zintuiglijk & beeldend schrijven

Materiaal:

  • geurzakjes

 

Stap 1: 30”

  • Vertel wat je vanmorgen hebt gegeten.
  • Schrijf op. Hoe smaakte het? Beschrijf: hoe voelde het in je mond, wat proefde je en waarmee kun je dat vergelijken? Welk effect had dat eten op jou? Hoe voelde je je? Gebeurde er iets met je huid, met je ogen,… Gebruik “alsof”. Voorbeelden geven van”alsof”-omschrijvingen. Docent gaat langs bij de cursisten; polsen of ’t lukt en bijsturen zo nodig.
  • Voorlezen: wie wil. Uitwisseling in de groep: wat gebeurt er met jou als je de beschrijvingen hoort? Krijg je zelf zin in dat eten? Of niet? Waarom niet, waarom wel? Docent begeleidt plenair.
  • Theorie: zintuiglijk en beeldend schrijven, wat is het en welk effect heeft het.

Beeldspraak is een vorm van speciaal taalgebruik. Je omschrijft de werkelijkheid met ‘beeldend taalgebruik’, op een indirecte manier. Door dat beeldende taalgebruik kan de lezer zich iets goed voorstellen.

Bijvoorbeeld: “onze papa wil dat wij als geraniums aan de muur hangen”, “wiskunde is voor mij een doolhof”.

Schrijf met je zintuigen: wat proeft jouw personage, wat ruikt hij,… Zo kan je lezer zich inleven in jouw personage.

Bijvoorbeeld: “de geur van verschaald bier deed mijn neus krullen”, “het citroensap kneep mijn lippen samen”

  • Voorbeelden uit de literatuur Docent leest voor.

 

Stap 2: 20”

  • Snuffel aan de geurzakjes. Pik er twee uit waarvan jij vindt dat ze lekker ruiken.
  • Schrijf op. Welk gerecht ruikt er zoals de twee zakjes die jij koos?
  • Spin: maak een spin rond je gerecht, schrijf alles op wat er spontaan bij je opkomt. Leg je spin even opzij. Je hebt ’t straks nodig. Voorbeeld spin tonen.
  • Beschrijf je gerecht. Hoe ziet het er uit? Wat zit er allemaal in? Welk bijgerecht past er bij? Wat drink je er bij?

Je hebt nu het nationale gerecht van een land bereid.

  • Voorlezen: wie wil. Docent geeft feedback.

 

Huiswerk:

  1. Neem de spin die je bij je gerecht maakte. Haal er alle woorden uit die te maken hebben met landschappen, klimaat, landen,… 
  2. Beschrijf het land waarvan jij het nationale gerecht hebt gemaakt. Gebruik de woorden uit je spin. Hoe ziet dat land er uit? Hoe ziet het landschap er uit? Wat voor klimaat heerst er?
  3. Kijk de volgende dagen goed om je heen. Op straat, op de tram, op je werk,… Kijk uit naar iemand die jou opvalt. Bekijk die persoon zo goed mogelijk, zo lang als je kunt. Tip: je kunt altijd zeggen dat hij/zij erg lijkt op iemand met wie je in de kleuterklas hebt gezeten.

Je schrijft in maximum twaalf regels op wat je opviel aan die persoon. Schrijf wat je voelde bij die persoon. Wat voor karakter zou die persoon hebben? Hoe zou hij/zij zich gedragen?

Let op: je vermeldt géén haarkleur, kleur van ogen, grootte of lichaamsbouw.

Schrijf dus niet: “het is een lange magere man met zwart haar en bruine ogen”. Schrijf bijvoorbeeld “de man was gebouwd alsof hij onderweg was naar de hemel. Zijn haar had de kleur van een woeste kraai.” Gebruik beelden.

 

Sessie 2

Vakdoel:

  • De deelnemers kunnen een personage beschrijven.
  • De deelnemers kunnen volgens het “toon, vertel niet”-principe een personage laten leven.

 

Theorie:

  • Toon, vertel niet

Materiaal:

  • Kleurpotloden
  • Playmobil-figuren
  • Kaarten met historische periodes

Stap 1: 10”

  • Dit is een opwarmer!
  • Trek een kaart waarop een geschiedkundige periode staat.
  • Schrijf op. Welke periode is dit? Wat gebeurde er? Hoe leefden mensen in die periode? Maximum tien regels. Wat je niet weet, bedenk je zelf. Docent gaat langs bij elke cursist en ondersteunt zo nodig.
  • Geef door. Geef jouw beschrijving van de historische periode aan je rechterbuur. Je rechterbuur is jouw partner tijdens deze sessie. De beschrijvingen van de historische periodes houd je even opzij.

 

Stap 2: 20”

  • Geef je huiswerk met de persoonsbeschrijving aan je partner. Jij krijgt van je partner dus ook een beschrijving van een persoon.
  • Teken de persoon.
  • Wissel opnieuw. Klopt de tekening van je partner met de persoon die jij beschreef? Plenair rondje: hoe duidelijk waren de beschrijvingen, hoe goed lukte dat “tonen, niet vertellen”.
  • Theorie: toon, vertel niet-principe

Je vertelt niet wat er exact gebeurt. Je toont gebeurtenissen waardoor de lezer zelf de juiste conclusie trekt. Je knauwt de lezer niets voor. De lezer krijgt aanwijzingen en legt de puzzelstukjes samen. De lezer “doet mee”.

Bijvoorbeeld het verschil tussen:

“Hij liep naar buiten, waar het koud was.”

en

“Hij stapte naar buiten, rilde en trok zijn jas dicht.” De lezer snapt vanzelf dat het koud is!

 

Stap 3: 30”

  • Neem twee Playmobil-figuren.
  • Maak een spin: schrijf alles op wat spontaan bij je opkomt.
  • Schrijf op. Combineer je Playmobil-figuren met de historische periode die je van je partner kreeg. In wat voor huis wonen ze? Welke hobby’s hebben ze? Wat voor werk doen ze? Hebben ze een partner? Hebben ze kinderen? Hebben ze huisdieren? Laat je inspireren door je lijstje. Docent gaat langs bij elke cursist en ondersteunt zo nodig.
  • Per twee. Wissel je tekst uit met je partner. Heeft jouw partner haar figuren goed geschetst in jouw historische periode? Klopt het voor jou? Heb je tips? Plenair kort polsen hoe goed dat lukte: hoe tevreden zijn de duo’s over elkaar?
  • Voorlezen: wie wil. Docent geeft feedback.

 

Huiswerk:

Je hebt intussen:

  • een beschrijving van een land: je huiswerk van de vorige keer
  • een historische periode: die heb je van je partner gekregen
  • je hebt een beeld van enkele inwoners: jouw Playmobil-figuren
  • je kent het nationale gerecht: dat heb je in de eerste sessie bedacht

Schrijf het volkslied van dit land en zijn inwoners.

Als voorbeeld volksliederen laten horen en op specifieke kenmerken wijzen: één of andere heldendaad, een straffe figuur, de absolute superioriteit van dat land, de goddelijke appreciatie van het land, het eventuele koningshuis als summum van democratie,…

 

Sessie 3

Vakdoel:

  • De deelnemers schrijven een scène.
  • De deelnemers werken in groep.

 

Theorie:

  • De scène

Materiaal:

  • Playmobil-figuren en accessoires

 

Stap 1: 5”

  • Elke deelnemer krijgt twee accessoires bij haar Playmobil-figuren.
  • Bedenk. Waarvoor dienen de voorwerpen? Schrijf op een post-it welke accessoires jouw figuren hebben en waarvoor ze dienen.

 

Stap 2: 25”

  • Per vier.
  • Overleg samen. Stel alle figuren op in het midden van de tafel. Leg de post-its met de info over de accessoires bij de figuren, zodat de andere groepsleden ook op de hoogte zijn. docent gaat langs bij elke groep en stuurt bij als nodig.
  • Kies in overleg één historische periode en één land van één van de groepsleden.
  • Theorie: de scèneEen scène is een stuk zonder sprongen in tijd en plaats. Je beschrijft een situatie zonder wisseling van tijd, plaats en personage(s). Er gebeurt iets: de handeling. Die wordt niet onderbroken. Een scène is kort en er is actie.
  •  
  •  
  • Elke deelnemer zit aan één kant van de tafel.
  • Schrijf een scène. De scène speelt zich af in het gekozen land, in de gekozen historische periode. Baseer je op het stuk van de opstelling dat jij voor je ziet. Docent gaat langs bij elke groep en ondersteunt zo nodig.

 

Stap 3: 15”

  • Leg de vier scènes bij elkaar.
  • Je breit nu de vier scènes aan elkaar tot één verhaal. Je mag stukken schrappen, zinnen bij schrijven,… Doe dit met vier, in overleg.
  • Schrijf jullie grote scène op een groot blad.
  • Leg het blad in het midden van de tafel en leg de volksliederen van de groepsleden er bij. Docent gaat langs bij elke groep en geeft feedback.

 

Rondgang: 10”

  • De groepen gaan bij elkaar kijken.
  • Elke groep kiest ook weer in overleg het volkslied dat het best past bij de tekst. Plak een post-it op het volkslied dat jouw groep het beste vindt.

In eigen groep:

  • Welk volkslied heeft gewonnen? Ben je het eens met die keuze? Waarom wel/niet? Plenair overlopen. Wie wil, kan verduidelijking vragen over de keuze van de andere cursisten.

 

Afronding:

  • Wat is je bijgebleven van de drie sessies?
  • Wat heb je er aan gehad? Wat draag je zeker mee?
  • Wil je nog schrijfsessies volgen?

’t Zou leuk zijn om de serie af te sluiten met een kooksessie: de nationale gerechten klaarmaken.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

9 mei 2016 · 1 keer gelezen · 0 keer geliket