Heinrich
De herfst kleedt zich langzaam uit. De loden lucht verplettert de dorre velden. Als de wind door het oude gras waait, lijkt het of in de verte kolonnes bruinhemden marcheren. Weldra is de wereld naakt. Niet de ronde naaktheid van mollige vrouwen voor het slapengaan, maar de hoekige van de levende skeletten uit zijn nachtmerries.
Heinrich staat voor het venster, kijkt naar de vale wereld. Hij weet: dit wordt mijn laatste november. Weer breken de beelden doorheen zijn zorgvuldig opgebouwde schild: hoe hij wegrende van het kamp, hoe hij struikelde over het lijk langs de weg, hoe hij kleren en papieren wisselde en dan overgaf. Over de cyaankali capsule twijfelde hij, maar hij stak ze tenslotte toch maar in zijn zak. Pas toen hij het braaksel van zijn mond gewreven had, was de spijt in zijn lijf beginnen sijpelen. Waarom had hij zich in godsnaam laten meeslepen door die glanzende blonde bende die toen zingend door de straten trok?
Een andere naam had hij al, het andere lichaam kwam langzamerhand, tijdens zijn wekenlange vlucht doorheen het kapotgeschoten land. Tegen de tijd dat hij bij de half ingestorte hoeve aankwam, was zijn lijf uitgeteerd en grijs, zoals die op de stapels achter hem.
Toch lachte de jonge vrouw op het erf hem toe. De zon vonkte goud in haar krullen.
'Kom, meneer, ik heb nog wat soep.'
Hij gehoorzaamde. Bevel is bevel. In het begin herinnerde elke hap eten hem aan de zwarte open monden. Maar hij vermande zich, want hij wou leven. Hij bouwde zijn nieuwe bestaan zorgvuldig op. Werken op de boerderij, trouwen, kinderen krijgen met blauwe ogen en blond haar. Toch bleef al die jaren zijn geluk vermengd met de smaak van as.
En nu, vanmorgen op de radio: een zekere Wiesental gaat op jacht naar het verleden.
'Kom Pavel, we gaan eten.' Zijn blonde Hildegarde legt haar hand op zijn schouder, zacht als altijd. Gehoorzaam draait hij zich om en sloft achter haar aan. Een bevel blijft een bevel, in welke toonaard het ook wordt uitgesproken.
Bijna een halve nacht schrijft hij aan de brief. Naargelang de woorden op het papier verschijnen, druppelt de opluchting naar binnen. De naam Heinrich Schloss komt na al die jaren maar aarzelend uit zijn pen.
Zodra Hildegarde de volgende morgen de deur uit is, legt hij de brief op haar hoofdkussen. Dan gaat hij aan zijn kant liggen, deftig in zijn zwarte pak. Hij wrijft nog één keer over haar kant van het bed. Dan bijt hij de capsule door.