Anne Mari Marcel
_____
Met potlood.
7 november 2002
Gànzhōu, China
In de hoop dat mijn leven uitwisbaar is, schrijf ik, Chén Shuĭ, mijn dagboek met potlood. Ik ben een verkreukelde vrouw en mijn stem krast. Dokters zeggen dat ik moet drinken, ik weet dat ik moet schrijven.
Vouwlijnen.
1
Gisteren meldde ik me aan bij een verzorgingstehuis. In de hal lag een tapijt met franjes van stofvlokken. Op de deuren plakten verschenen posters waarop dames stonden die je vriendelijk commandeerden om de stilte te respecteren en je handen te wassen. Ik passeerde een zaal met drie rijen ijzeren geraamtes, bedden waarin arbeiders ook sliepen. Dit gebouw was vroeger een fabriek, een van de zovele hier in China. Aan een muur hingen nog hendels en één lopende band was bewaard gebleven om spullen op te zetten. Een band in stilte, hier loopt men niet, hier bewaart men oude mensen.
Ze zochten vrijwilligers om de ouderlingen ’s middags te voederen en ik zou me kandidaat stellen. Hopelijk kan ik, nu ik vierenzeventig ben, eindelijk voor mensen zorgen. Toen ik op mijn kleine broertje moest passen liep het mis. Gespannen ging ik door de gang. Mijn strak gekamde haren vormden een dot en gaven me hopelijk een zekere waardigheid. Bijna botste ik tegen een openstaande deur.
2
Vanmorgen zat ik in de kille refter. Met rechte rug, bevende handen en een glimlach. Ik was vrijwilligster en moest initiatief nemen terwijl van de bewoners niet meer dan geduld gevraagd werd. Het rook er naar opgedroogde urine, bezweet nylon en bouillon. Enkele buislampen zorgden voor een streep licht. Op de tafel stonden kommen en naast me zat een wat scheefgezakte man met zijn mond lichtjes open. Dat is gemakkelijk, dacht ik en goot voorzichtig wat soep in de opening. Iemand werd binnengereden. Dat het een vrouw was kon ik enkel opmaken uit haar met bloemen bedrukte blouse want haar haren waren kort geschoren alsof ze luizen had. Aan het bed sleurde en sjokte een verpleegster. Ik stond op en trok mee aan het krakende gevaarte. De ogen van de bedlegerige vrouw leken vastgeroest. Voor haar is alles zwart, vermoed ik, een eeuwige nacht. Ik wou haar diep in de ogen kijken, wuiven voor haar gezicht of zelfs haar ogen aanraken.
Toen ik nog klein was, was ik gefascineerd door de verfrommelde oogleden van een oude man. Ze leken op vaak gebruikt origamipapier. De man was blind en zat regelmatig buiten op een stoel in de straat waar ik woonde. Hij ontwarde koord. Ik ging dan bij hem zitten en wou zien wat hij zag. Zo hard ik kon kneep ik mijn ogen dicht.
Een vrijwilligster stopte een kussen onder het hoofd van de vrouw en haalde een kom soep. De man voor wie ik zorgde helde diagonaal over de leuning van zijn stoel. Ik stutte zijn schouder, bracht hem terug in eetpositie en keuterde met de lepel tussen zijn lippen. Zijn uitgezakte onderlip leek wel een reservoir. Ik keek opzij naar het bed- naar de vrouw- naar haar hand- naar haar linkerhand- naar haar duim. Er gutste wat soep op mijn broek. Haar duim had geen nagel. Mijn gedachten stotterden. Ik sprak een verpleegster aan. Wie is deze vrouw? Waar woonde ze vroeger? Hoe oud is ze? Had ze kinderen? De stem van de verpleegster weergalmde zoals in een warenhuis. Ze dreunde dat er geruchten rondgingen dat deze vrouw van Gànzhōu zou zijn en Xiǎo werd genoemd. De oudjes knikten onbeheerst, het leek een verouderd akkoord. Haar naam zei me niets maar die duim was voor mij het bewijs. Ik nam haar vroeger vast bij haar linkerduim, die was het zachtst. Zij is mijn moeder, stamelde ik. Niemand keek verbaasd. Ik slikte. Verdriet krijgt hier de diagnose van melancholie, bij ouderen te verwaarlozen. Na meer dan zestig jaar had ik mijn moeder terug.
Je biologische moeder is de vrouw uit wie je geboren bent. Zij blijft, vind ik, enkel je moeder indien ze voor je zorgt. Zonder verantwoordelijkheid is ze de titel niet waard. Het voelde alsof ik mezelf sloeg. Ik ben hard, verbitterd. Zo wil ik niet zijn. Wie ben ik, wie is zij? Rond de jaren vijftig waren er veel valse paspoorten in omloop. Wie van buiten de stad migreerde kreeg toen een nieuwe naam. Je werd wie zij wilden. Wie was deze vrouw werkelijk?
‘Wie nog soep?’
Ik ging naar huis en liep dicht tegen de huizen aan. Mijn moeder nam ik niet mee.
Ik zocht haar niet eens. Met mijn jas nog aan, zit ik aan tafel. Ik plooi het schrift open en wrijf met mijn vuist stevig over de bladzijde. Schrijven, ik wil schrijven. Kinderen kan ik niet meer op de wereld zetten maar mezelf wel. Ik neem het potlood.
3
- Ik ben hier geboren, in Gànzhōu, in de meest zuidelijke provincie Jiangxi. Ik kreeg de naam Shuĭ, wat ‘water’ betekent. Water is wendbaar, water is belangrijk. In de fabriek was de taak die ik uitvoerde cruciaal maar ikzelf was vervangbaar.
In de jaren zestig bestond ik reeds op papier. Ik was een dochter van twee Nationalisten en ontving daardoor minder loon dan andere arbeiders. Op een ochtend moest ik me aanmelden bij een gebouw, een eind van de loods waar ik werkte. Bij de deur hing een rode vlag. De kleur die ik het eerst leerde herkennen moet rood geweest zijn. Ik denk dat wij Chinezen spleetogen hebben zodat we niet veel anders kunnen zien. Er werd vooral naar mij gekeken en geroepen. Ik moest me draaien zoals bij een keuring. De glimmende muren en de gemarmerde vloertegels deden me duizelen. Ik kreeg een ‘slechte klassenachtergrond paspoort’, zoiets ging generaties lang mee.
Toen ik in de fabriek aan de lopende band werkte wist ik niet hoe het eindresultaat eruitzag of wat ik exact maakte. Met een mechanische hefboom moest ik een metalen rand losduwen uit een stalen schijf. Duwen-draaien-doorschuiven, duwen-draaien-doorschuiven heel de dag. Ondertussen weet ik dat we wapens en kogels produceerden. Ik schaam me voor mijn eigen handen. Een werkdag was om wanneer het lawaai zweeg. We aten en sliepen op enkele meters van de fabriekshal. In een zaaltje dat op een kantine leek speelden we regelmatig gezelschapspelen. Mahjong deed ik het liefst. Behendigheid en snelheid waren mijn troeven. Wie won kreeg de eer. Een man slenterde rond met een geblutste thermosfles en schonk thee uit. Mijn handen roken ranzig. Gitzwarte olie zat vast in de poriën van mijn huid, mijn handpalm was een ets. Ik probeerde er tekens in te ontdekken en zocht twee lijnen die alsnog zouden samenkomen.
Als kind was mijn leefwereld niet groter dan de lengte van mijn moeders armen en moeders groeien niet. Ik verkende trots mijn vierkante meter vol kiezels, zand en takjes. Zand was niet lekker, stenen klakten tegen je tanden en takjes waren fijn speelgoed. Op een dag zag ik mannen met rode vlaggen door de straat marcheren. Ze beukten tegen deuren en sleurden aan onze kleren. Wij moesten verhuizen. Ander zand, andere stenen, weinig takjes die veel te snel braken. In de winter kreeg ik een blikken vuurpot ter grootte van een rijstkom, er paste juist een kooltje in. Heel de dag was ik bezig met het brandende te houden. Ik hield het stevig vast aan het touw en wiegde er zachtjes mee om de vlammen aan te wakkeren. Het was alsof het vuur inademde als een opgejaagde draak. Minutenlang zat ik gebogen met mijn ruwe vuile handjes bij het vuur, mijn wangen prikten. Hoopjes hurkende kinderen, dat was het straatbeeld. Er ontstonden plassen in de sneeuw waarvan ik slurpte. Ik had honger. Met mijn wollen broek waggelde ik dan de keuken binnen. Hete dampen uit de kookpot sloegen in mijn gezicht. We aten altijd rijst en van het weinige wat we hadden gaven we nog wat aan de buurman. Wij konden niet rekenen maar wel delen.
Toen ik vijf was leerde mijn vader me tellen. Het klonk als een liedje waarbij een sierlijke vingerdans hoorde. Eerst kwam de pink, één, dan de volgende vinger, twee enzoverder. Wanneer ik nu tel begin ik vanaf mijn duim.
Ik zet een streep en kras met de potloodpunt. Naast de scheur is het flinterdunne papier verrimpeld alsof het zijn wenkbrauwen fronst.
Wanneer mijn ouders thuiskwamen, kon ik aan hun handen zien dat het avond was en plukten ze mij van de straat. De smalle, tussen de huizen slingerende steegjes, de vele drempels en ongelijke plaveien, de greppels waarin meestal water stroomde en slordig gemetste muurtjes vormden een ideaal speelterrein. Ik ravotte samen met de buurtkinderen. We lachten meer dan dat we praatten. Een lang stuk touw bonden we vast tot op heuphoogte en dan probeerden we ernaar te schoppen door één been voor en achterwaarts te zwaaien. Wie omviel lag eruit. Kleinere kinderen zoals mijn broertje werden in huis vastgebonden. Met een touw om de enkel kroop hij in de kamer rond. Meestal vond ik hem leunend tegen het gammele houten rek. Met zijn ruggetje bonkte hij tegen de planken. Een snor van opgedroogd snot plakte onder zijn neus, hij lachte altijd naar mij.
Die dag hoorde ik een harde knal. Ik rende ons huis in, gevolgd door de andere kinderen. De verstikkende geur van natte kleren vulde meteen de kamer. Het was doodstil. Door het sjokken tegen de plank was de zinken teil die bovenop het rek stond naar voor geschoven, uit evenwicht geraakt en gekanteld. Hij lag op de grond. Ik trok mijn broer er onderuit en kuste hem overal op zijn lijfje, lachte naar hem en aaide hem over zijn haartjes. Het bleef stil. Met mijn broer in mijn armen rende ik naar buiten. Een oude vrouw keek, ik herinner me nog die vieze smaak in mijn mond omdat ik op mijn lippen gebeten had. Na drie korte bewegingen met haar hand waaierden de kinderen uiteen en kropen weg tegen de gevels. Ze boog zich over mijn broer en jammerde terwijl ze zacht heen en weer wiegde. Dan schudde ze met hem en sloeg op zijn ruggetje. Tranen gutsten uit mijn ogen. Ze blies lucht in hem, legde haar hand op het voorhoofdje en aaide over zijn gezicht. Plots leek het alsof hij sliep. Met opengesperde ogen keek ik, ik wou het moment dat hij zijn oogjes opende niet missen. De vrouw schepte met haar ene arm onder mijn billen en zette me bij haar op schoot. De vrouw wiegde zachtjes, ik nestelde mijn gezicht in haar hals. Ik moet geslapen hebben terwijl er, zoals gewoonlijk, spreuken dreunden door de straten.
Hij werd begraven onder het zand, naast de greppels en bedekt met stenen vlakbij ons huis. Buiten spelen was nooit meer hetzelfde. Wanneer mijn moeder het zinken bad vulde met water wou ik er niet in.
Mijn ouders sloegen me. Uit gewoonte beschermde ik mijn gezicht met mijn bovenarm, mijn reflexen werden steeds beter. Tot op een dag, mijn moeder mijn pols vastgreep, mijn arm naar beneden wrong, me in de ogen keek en sloeg. Ik huilde, haar greep versterkte. Ik beet op mijn tanden. Het deed pijn. Mijn kaak gloeide en iets dat brandt krijgt een korst, dat wist ik. Stil kroop ik weg en wachtte. Moeder keek niet. Langs de muur sloop ik dichterbij maar ving haar blik niet op. Misschien hingen haar haren voor haar ogen.
Kinderen moesten gehoorzamen en discipline was de enige weg ernaar toe. Alsof er telkens nieuwe stippellijnen getrokken werden waarop je moest plooien. Ook grote mensen werden voortdurend gemanipuleerd, anoniem en willoos. Het was een spel waarbij alleen de leiders lachten. Het communisme maakte mensen onzichtbaar. We waren zo naamloos, zij en ik. Blinde vlekken.
4
Het is donker. Herinneringen slapen niet.
Moeder en ik stonden in de keuken. Mijn vader ging langzaam naar de deur, keek om, knikte en verdween samen met alle geluiden. Mijn moeder staarde naar de onderste plank van de deur, ik hield haar duim vast. We hoorden plots wat gestommel in de straat, dichtslaande deuren en dan opnieuw die stilte.
Mijn vader moest gaan vechten, dat duurde heel lang. Te lang voor wat ik mij kon voorstellen bij een gevecht. Het werd steeds vroeger donker en toch keek moeder, terwijl de rijst dampte in de kookpot, altijd eerst even naar buiten. Overdag ging zij werken en ik speelde oorlogje. De jongens sloten de meisjes op en droegen maskers van krantenpapier, dat vond ik eng. Ze hielden ons gevangen in een smerige schuur en riepen alle lelijke woorden die ze kenden. De meeste vriendinnetjes gilden maar ik niet, ik hield mijn hoofd naar beneden want dat deden vrouwen in oorlogstijd. Vaak had niemand een afloop van het spel bedacht en dan begonnen we midden in de strijd te overleggen. Daarna keerde iedereen naar huis terug. Hoopvol. Aan tafel was er steeds die stilte en het kijken naar de lege stoel. Zonder me aan te kijken schoof moeder een kommetje naar me toe wat betekende dat we vandaag niet zouden wachten.
Ik hoorde dat mijn vader tot een groep behoorde die De Lange Mars ging tegenhouden. Dat klonk als een spannend spel. Ik stelde me voor dat de soldaten in één lange rij aanschoven en dat mijn vader ze versloeg maar dat ze terug overeind kropen en weer achteraan aansloten. Oorlogen waren absurd. Mijn vader was sterk. Hij kon houten manden vol water de helling opdragen. Maanden later kregen we bericht over een nederlaag in het moeras, mijn vader was verdronken. Ik kroop weg tussen het rek en het zinken bad.
Op een avond, ik was bijna zeven en doolde door de stegen, buiten handbereik van mijn moeder. Langsheen de huizen liep ik mijn eigen lange mars, mijn protest. Onaangekondigd, zo hoort dat. Met de buurt was ik nog niet vertrouwd omdat we door het bewind voortdurend verplicht werden om noordelijker te verhuizen. De plassen bepaalden mijn route en toen ik me omdraaide herkende ik niets meer. Overal zag ik waterplassen. Niemand zwaaide naar me, niemand riep mijn naam. Met mijn mouw veegde ik over mijn gezicht. Ik bleef stil staan zodat ik ingehaald kon worden maar ik werd niet ingehaald. Naast een pan vol groenten raapte ik wat rauwe restjes op. Die avond sliep ik in een gierstveld, getroost door de warmte van overdag die nog tussen de stengels hing. Daar zou ik maar één nacht slapen. De volgende dag werd ik gered.
Op een binnenkoer zaten enkele mensen op lage bankjes rond een oude man die fluisterde. Hij had zijn ogen dicht omdat wijsheid vanbinnen zit, dat wist ik gewoon. De groep knikte vriendelijk toen ik op mijn knieën dichterbij kroop. Regelmatig antwoordde iedereen hetzelfde woord dat ik niet begreep. Ze wiegden er zachtjes bij. De wijze man keek rond en wees met zijn vinger. Snel dook ik weg achter de rug van een mollige vrouw. Zij zat gehurkt met haar voeten breed uit elkaar. Zo zat ik ook vaak in het zand. Ze nam een boek en toonde een bladzijde. Iedereen mompelde een beetje zangerig. Ik schuifelde tot op de bank en zag hoe iedereen zijn mond gelijktijdig bewoog. In het boek dat de vrouw naast me openhield zag ik minuscule tekeningetjes. Bootsten zij die na met hun lippen?
Later begreep ik dat ze de gebeden niet luidop mochten zingen. Ik ontdekte dat die tekens woorden waren en wilde leren lezen en schrijven. De binnenkoer werd mijn woonplaats en school. De eerste maanden hield ik de poort in het oog en probeerde flink te zijn. Ik wachtte op het moment dat mijn moeder me zou vinden, ik moest geduld hebben. Maar dat geraakte op. Gelukkig was er een lieve vrouw die me les gaf. Ik probeerde alles te lezen en kerfde pijlen met mijn naam erbij in hout en in het zand. Geluidloos praten. Ik noemde haar Mǔqīn wat moeder betekent. Ze droeg haar haren in een knot die ze vastzette met een houten speld. Ze had ook rode wangen. We leken een beetje op elkaar zoals dat ook is bij echte moeders en hun dochters.
Op gewone dagen aten wij, en dan bedoel ik de christelijke gemeenschap, rijst met een smaakje. Bij het eerste nieuwjaar dat we samen vierden bereidde Mǔqīn Jiǎozi. De vulling was loeiwarm. Ik at smakkend en slurpend, net een jonge hond. Iedereen danste met mij. Overal liepen kinderen met felgekleurde papieren lampionnen en ik hoorde mensen zingen en lachen. En tafels vol heerlijk geurende kommen. Zo leerde ik feesten, maar iets wat je niet onderhoudt verleer je. Door de rantsoenering konden we nog weinig traditionele gerechten bereiden. Zelfs eraan denken leek strafbaar want gedachten wogen in China even zwaar als daden. We waren altijd op onze hoede. Steeds was er controle of we geen ingrediënten van op de zwarte markt gebruikten. Zo stoomden we eens enkele broodjes van rijstmeel dat we heel de week opspaarden. Ze geloofden ons niet. Het deeg dampte in het zwarte zand. Ik durfde niets op te rapen.
Herinneringen hebben geen houdbaarheidsdatum.
5
Het is ochtend. Krampachtig kantel ik me recht en wacht op een spontane ruimtelijke ordening. Zo help ik mezelf.
De bedsprei ligt roerloos op het matras. Ik vul een kleine teil. Met twee vingers waad ik de witte lap doorheen het bad, gelatenheid drijft als zeepresten. Ik dep, traag en minzaam en probeer mijn moeder naakt voor te stellen. Mijn hersenen lijken nog maar de helft van elke minuut te registreren. De tijd ontglipt mij.
Met een warme kop soep zit ik aan tafel en blader in mijn dagboek. Die gescheurde bladzijde moet eruit. Ik probeer te lezen wat er op de andere kant geschreven staat. Het gaat over de teil die van het rek viel. Geluiden hoeven er niet te zijn om ze te kunnen horen. Ik schrijf in één ruk op hoe de dag vandaag verliep van op het moment dat ik vanmorgen de voordeur dichttrok.
Het straatbeeld leek op een vaag aquarelschilderij. Voortdurend struikelde ik of schuurde met mijn mouw langs de gevels. Bij het verzorgingstehuis aangekomen duwde ik moeizaam met beide handen de logge voordeur open. In de hal stonden enkele mensen te fluisteren. Ik voelde me een indringer en ontmaskerde me door mijn sjaal los te knopen, die ik over mijn hoofd gedrapeerd had. Met een zekere zuinigheid knikten ze naar me.
Dan zag ik voor mij in de gang een bed. Er lag iemand op, volledig toegedekt met een wit laken. Roerloos bleef ik staan. Binnen in mezelf oefende ik: vaarwel moeder, vaarwel moeder. Een stille strijd. Was zij nu niet groter of lag ze op een kleiner bed? Lag ze hier al lang? We zijn langer dood dan dat we leven. Onder het bed stond een kleine doos vol bezittingen. Plots voelde ik een hand op mijn schouder. ‘Hij had een zwak hart.’
Alles tolde alsof een windhoos me meenam. De verpleegster haakte haar arm in de mijne en begeleidde me naar de eetzaal. Ze fluisterde dat het beter zo was en dat het bij het leven hoort. Een knarsend geluid deed me opkijken. De soep werd binnengereden gevolgd door een parade sloffende senioren. De verpleegster wees andere plaatsen aan dan gisteren zodat de oudjes een ander uitzicht hadden, een doordachte methode. Je ziet ofwel de betegelde binnenkoer of het schilderij van een landbouwtafereel of wie er binnenkomt. Het was wel de bedoeling dat ik die man van gisteren soep serveerde, vertrouwen opbouwen overstijgt de eentonigheid, ook een vaste regel. Met een wazige blik keken deze mensen naar hun overgebleven omgeving. Troebel, omdat hun bril sinds ze daar verblijven niet meer was aangepast, of door de damp van de hete soep.
De deur ging open. Ik verwachtte een rijdend bed met daarop die vrouw die mijn moeder bleek te zijn maar het was een verpleegster. Ze keek vluchtig op de klok, zuchtte en kwam bij me zitten.
‘Klopt het dat u familiebanden heeft met Xiǎo? ‘
Ik keek langs haar heen naar de deur. ‘Ik kan dit verblijf niet betalen.’
‘De meeste bewoners hun kinderen zijn geëmigreerd of omgekomen
maar u kan haar gewoon thuis verzorgen. Traditie is traditie.’ In haar hals verschenen rode vlekken.
Ik zei: ‘Maar ik heb haar niet lang als moeder gehad.’
‘Financieel gezien zou het een oplossing zijn. ‘
‘Voor u’
‘Het gaat niet eenvoudig zijn de eerste dagen want haar lichaam is versleten maar dat is normaal op haar leeftijd. Horen doet ze nog tamelijk goed maar haar ogen reageren enkel nog op licht. We voorzien medicatie voor twaalf dagen.’
‘Moet dit een troost zijn?’
Ze rechtte haar rug. ‘Ik ben eerlijk.’
Het viel me op dat in de refter niemand slikte, roerde of kuchte.
‘Ze glimlachte toen ik over u vertelde.’
‘Hebt u mij haar dochter genoemd?’
‘Ik heb gezegd dat u misschien voor haar wil zorgen.’ Ze bloosde.
‘Het was mijn bedoeling om hier’, met mijn wijsvinger tikte ik driemaal kort op de tafel, ‘als vrijwilligster te werken en wie zal haar trouwens naar boven dragen?’
‘Ik kan u daarbij helpen en stel voor dat er een extra verzorger meegaat. Onderweg gebruiken we de rolstoel. Het blijft droog vanmiddag dus misschien is dit wel het ideale moment.’
Ik ondersteunde mijn hoofd.
‘U mag er nog over nadenken maar de weergoden zijn ons vandaag gunstig gestemd.’
Ik keek recht de gang in.
‘Wij moeten doen wat het beste is voor Xiǎo.’ De vlekken in haar hals hebben zich verenigd. ‘Is het dan zo in orde voor u?’
Ik ondertekende het formulier en keek naar de soep die op de tafel was neergezet naast de scheefgezakte man.
‘Ja, geeft u hem nog maar eerst rustig zijn soep dan ga ik uw moeder halen. Zij heeft al wat vroeger gegeten voor het geval dat u haar zou meenemen, tegen het spuwen onderweg dat begrijpt u wel.’
Na de soep duwde de verpleegster mijn moeder binnen in een rolstoel, klaar voor vertrek. Twee knokige knieën leunden naar links. Een paar dunne armen liggen in haar schoot. Haar ogen keken langs me heen. Ik wachtte op het vertreksignaal van de verpleegster, zij kende de weergoden. Een kleine zak met mijn moeders bezittingen stond bij de deur en daarnaast de extra drager.
De verpleegster duwde de rolstoel, hij droeg de zak en ik doolde er omheen. Bij elke boordsteen, brede groef of oneffenheid klapten moeders ledematen open en toe als een harmonica. Wanneer we aankomen boog de man met rechte rug door zijn knieën, schepte mijn moeder uit de rolstoel en greep haar vast in een veilige houding. Hij droeg haar naar boven terwijl de verpleegster met haar ene hand moeders hoofd ondersteunde en met de andere haar rug stutte. Ik wilde ook eens gedragen worden. Trede voor trede volgde ik en zuchtte luider dan anders. Ik ben ook oud. Mijn moeder legden ze meteen op bed. Vanaf nu slaap ik dus op de bank bij het raam, het gaat er kouder zijn. De verpleegster grabbelde enkele kussens uit de zetel en schoof deze onder moeders benen. Ze vergat dat ik ook benen heb die steun kunnen gebruiken. Dat is beter en ook gemakkelijker voor de bedpan, gebaarden ze. Mijn ogen volgden de handelingen alsof ik naar mensen keek die een kast in elkaar zetten. In de zak zaten wat kleren, een haarspeld, pillen en iets dat voor bedpan kon dienen. Na nog wat instructies schreden ze achterwaarts tot in de deuropening. Ze stonden geklemd in de deurpost en glimlachten.
‘Zo, wij wensen jullie beiden het beste. Wij vertrekken nu de zon nog schijnt.’
Ik bedankte hen en wenste beide beleefd een droge aankomst toe.
‘Shuĭ’.
Wil ze mij of wil ze water? Haar stem ruist en reutelt. Zou ze ’s nachts snurken? In de slaapzaal ergerde ik mij aan het simultaan ademhalen. Daar was ik de vijfde van de tweede rij links. Hier ben ik de vierde vanop het derde. Of, wij zijn nu de vierde vanop het derde. Zij in bed en ik in de zetel, er kleeft zurig zweet tegen de leuning en in het kussen huist een gore dierlijke geur. Ik ken de vorige eigenaar van dit meubel niet.
‘Shuĭ.’
Moeizaam slof ik naar de keuken en vul een glas. Er sijpelen druppels langs haar mondhoeken tot in haar hals. Met mijn nagels trek ik een stugge haar uit op haar kin. Haar wang trilt onbeheerst. Met beide handen duw ik stevig op haar kaken. Ik hou mijn adem in. De schokjes minderen.
‘Slaapwel moeder, tot morgen.’
Patronen
Het daglicht dringt scherp de kamer binnen. Alles wat ik bezit is strak omlijnd, ook mijn moeder. Vorige dagen was dit bed nog het mijne.
Ik sla de bladzijde om. Elke handeling ga ik opschrijven, onmiddellijk. Details vormen bewijzen.
6
Deze kamer had zo’n veertig kubieke meter zuurstof voor mij alleen. Heel mijn leven heb ik lucht gedeeld. En in de fabriekshallen waar ik werkte herkende ik tussen honderden blauwe armen en benen de mijne niet meer. Toen ik dit tweekamerappartement huurde, nam ik al de lucht er graag bij. De tafel waaraan ik schrijf staat geprangd tussen het bed en de muur. De overige ruimte is mijn schuifelruimte, zij blijft in bed. De lamp boven de tafel is mijn licht. De deuropening naar de keuken die ook de badkamer is, scherm ik af met een karton. Bij vochtig weer wordt het soepel en ik stram. Ik wrijf over mijn knieën. De verticale plooi in mijn broekspijpen verdoezelt mijn kromme benen. Rokken draag ik al lang niet meer, de vluchtige strelingen van de stof irriteren me. Vaak loop ik rond in een gebloemde blouse met ronde kraag. Het wordt moeilijk om die minuscuul kleine knoopjes tot bovenaan te sluiten met handen die constant een kopje lijken vast te houden.
In de keuken bereid ik soep van ajuinen en erwtenscheuten. Ik leg moeders pillen klaar en tel de overige. Wanneer het water kookt voeg ik fijne reepjes Chinese kool toe. Mijn moeder ligt met haar handen in elkaar gehaakt op haar buik. Haar lippen maken een plakkerig geluid. Moeder prevelt zoals Mǔqīn dat deed. Ze stopt. Ze heeft bredere lippen dan de mijne. Ik snuif en wil haar geur herkennen. Met mijn mond raak ik haar voorhoofd aan, tuit lichtjes mijn lippen en kus.
Het matras is droog. Het is warm onder haar lichaam. Rakelings strijk ik over haar been en haar heup waar ik, toen ik nog kind was, vaak tegenaan wilde leunen. Ontelbare keren heb ik mij bezeerd aan dat harde bot. Rond haar enkels zijn haar benen wat gezwollen en schilferig. De huid over haar voetbeentjes is glazig en haar hiel past perfect in mijn handpalm, een puzzel die klopt. Onderaan zijn haar voeten opgezwollen als opgeschudde kussens, daarop wordt al lang niet meer gelopen. Ik strop haar broek op, er groeit geen enkel haartje op haar benen, zo naakt, zo niets meer. Ze heeft donkere vlekken, overal, ook op haar gezicht. Haar voeten liggen naar buiten gedraaid op 45°. In tai chi was dat een bepaalde houding maar ik herinner me er weinig van. Dan haal ik wat warm water, dep met een katoenen doek in haar hals en leg deze opgeplooid over haar voorhoofd. Ze glimlacht. Haar ene hand glijdt van haar lichaam en een stel ijskoude vingers raakt de mijne. Haar oogleden zijn dicht maar het voelt alsof ze alles ziet, mij bespiedt. Met mijn vingers duw ik haar wangen omhoog zodat ze opbollen. Zo gelijkt ze op Mǔqīn. Ik was haar armen, haar handen. Ze wil iets grijpen. Ze raakt mijn arm aan en ik vraag:
‘Weet u nog? Het zinken bad waarin wij werden gewassen, de warme damp die de muren deed blinken, hoe u met een mes enkele schilfers van de zeep schraapte, hoe u zong terwijl wij spetterden. Weet u dat nog? En dat houten rek, het ongeluk?’ Ik slof naar de keuken en giet het water weg.
‘Shuĭ?’
‘We eten soep.’
7
Het vriest buiten en de lucht is leeg. Als wolken net zoals trekvogels naar warmere oorden vliegen, dan zouden de mensen ook verlangen naar hun terugkomst. Ik beleef alles vanop het derde. Ik zet het kartonnen schutsel tussen de tafel en het bed en ga weer zitten. Links karton, rechts bepleistering. In deze beschutte ruimte schrijf ik verder. De witte muur is hier en daar beschadigd, het lijkt op een sneeuwlandschap vol voetsporen.
Ik weet nog hoe ik in de winter al huppelend mijn vaders voetafdrukken volgde. Onderweg zongen ze, dus hoorden ze me niet. Bij de rivier keek ik naar de mannen die het ijs in stukken hakten om te smelten. Hun wenkbrauwen waren wit en aan hun snor bungelden ijspegels. Ik wist dat het niets voor meisjes was. Hun ruggen kraakten net zoals het ijs. Soms veerde ik recht en zwaaide naar mijn vader. Hij knikte en lachte, ik glunderde.
Zo zat ik vroeger ook wekelijks op straat te kijken naar een man die met een hamer zeer bedachtzaam op keramieken kommetjes klopte. Ik was nog een kind, aangetrokken door kwetsbare klanken. Ik schoof voorzichtig dichterbij, nam een steen, een ijzeren stang, ik miste geen enkele handeling. Zorgvuldig verbond hij met krammen de verhakkelde scherven. Zijn ruwe handen polijstten de barsten. Ik applaudisseerde al voordat hij er regenwater inschepte.
Ik kijk opzij langs de schutting, moeder lijkt tevreden.
In de christelijke gemeenschap werd er goed voor mij en de andere kinderen gezorgd. Toen ik ouder werd mocht ik Mǔqīn helpen. Constant zeulde ik rond met een klein jongetje op mijn arm, hij lachte altijd naar mij. Regelmatig hoorde ik kinderen aan de poort. Dan sloop ik dichterbij terwijl ik als mos tegen de muur plakte. Het waren meisjes, hun gegiechel vlinderde langs het hek. Ik wilde bij hen zijn, nieuwe vriendinnen maken. We zouden even oud zijn en fluisteren dat er al haar groeide tussen onze benen of dat ongesteld worden pijn kon doen. Sinds Mǔqīn me vertelde over de cyclus van de maan, verbood zij me om nog met de andere kinderen te baden. Ze dreigde om me te slaan indien ik het wel deed. Aan dat patroon wou ik ontsnappen. Ik was veertien en wou geld verdienen, dan zelf moeder worden en mijn kinderen niet slaan. In de eetplaats stonden warme broodjes klaar die ik vroeg in de ochtend al had gestoomd voor iedereen. Zo wilde ik afscheid nemen. Mǔqīn zat buiten op een bank. Ze volgde mij met haar ogen. Met mijn handen in mijn zakken stak ik de binnenkoer over. Ik ging achterwaarts verder, ik kende elke oneffenheid. Zij beet op haar onderlip. Ik ging. Zoals ik gekomen was zou ik ook vertrekken, over het muurtje, al leek het moeilijker dan voorheen.
Ik ging werken in een stoffenatelier. Samen met de andere arbeidsters woonde ik in gammele koterijen naast de fabriek. In de zomer kraakte het hout en in de winter was het spiegelglad. We hielden grote houten spoelen draaiende. De meterslange natte stroken stof wogen loodzwaar. Om het overtollige water eruit te persen torsten we de opgerolde repels. Gekleurd sap sijpelde langs onze handen, zwarte klauwen waren het. Vanop het dak konden we de ellenlange lappen over stokken draperen. Wiegende sluiers in de wind. Dan was het wachten op hoevengetrappel. Stiekem tuurden we tussen de stoffen om een glimp op te vangen. We giechelden als vriendinnen en wreven zenuwachtig over onze kleren. Ik voelde tintelingen op de vreemdste plaatsen. Elke maand kwam een knappe man de opgestapelde stoffen halen. Zwierig klom hij van het paard en wandelde blinkend van het zweet het atelier binnen. Hij corrigeerde zijn bles of zwaaide naar ons. De hoeven klakten op de vloer wanneer hij zwaarbeladen vertrok.
Toen ik zeventien was mocht ik zelf een levering wegbrengen in een grote mand op mijn rug. Als zwaarbeladen stapelvrouw waggelde ik langs de weg met de geur van zompig gras. Ik dacht aan mijn vader, dood in het moeras. Ze hebben hem nooit teruggevonden. Een zeurend schuldgevoel drukte op mijn heupen. Die dag op dat pad voelde het alsof ik mijn vader droeg. Op de terugweg zong ik liefdesliedjes die mijn collega’s me hadden geleerd. Aan hun gezichten zag ik dat zij de liefde begrepen. Zij konden er zalig over vertellen. Indien oren konden staren dan deden de mijne dat.
Toen verschillende arbeidersgroepen verplicht werden overgeplaatst naar een nieuwe fabriek in de bergen miste ik hun verhalen. Uiteengerukte gezinnen bevonden zich op het dek van de verschillende boten, die op drijvende schoenzolen leken. Wat was ik graag ontsnapt aan deze rommelige mensenmassa.
Als kind hield ik ook niet van gedrum. Weet u dat nog moeder? U vond dat vervelend omdat u wou blijven op bijeenkomsten en door mijn schuld naar huis moest. U kneep zo hard in mijn hand zodat ik dacht dat u mij haatte.
Ik had nog nooit gevaren dus ook geen oversteek gemaakt. De enige overkant die ik kende was de overzijde van de straat. Strak omwonden pakken met kleren vormden zitplaatsen. Ik zocht tussen de bundels en benen naar ruimte. Met een schok bereikten we de oever. Het water, de lucht, de mensen, allemaal blauwe plekken in mijn herinnering. De fabriek leek op een robuuste blok die tegen de berg stond. Ik probeerde te zien wie tegen wie aanleunde. De boot lag onrustig te wiebelen.
Ik schuif het karton opzij. Roerloos ligt ze op mijn matras. Met beide handen duw ik tegen het bed. Moeders romp wiebelt. Ik denk aan de boot en schud harder, het bed klakt tegen het behang, haar lichaam schokt. Ik ga weer aan tafel zitten.
Mannen in uniformen schreeuwden woorden, hun klanken kapseisden. Ik weet nog hoe bang ik werd door de onverstaanbaarheid. De menigte kwam overeind. Waarom voelde steunen ook als duwen? Vrouwenarmen grabbelden op heuphoogte naar vertrouwde schoudertjes. Ik kneep in mijn duim. Kinderen huilden, ze grepen broekspijpen vast om hun tranen te drogen. Verbaasd keek ik rond. Ik wankelde over het plein. Iedereen was zo stuurloos. De bomen die het fabrieksterrein afbakenden hadden geen bladeren maar scherpe pinnetjes. Ik dacht aan prikkeldraad.
8
Ik prik een punt achter de zin. Het blijft een gaatje, ook in de bladzijde eronder. Twee letters zijn weg. Alles en iedereen ontglipt mij. Ik kijk naar haar. Op een schaaltje ligt naast wat potloodslijpsel een mes. De punt is scherp. Ik wil haar raken, snijden, laten ervaren hoe ik mij voelde. Alleen, onthecht, niet gemist. Splinters die er nog steeds zitten en ontsteken. De huid geeft mee. Op de ene plaats al wat meer dan op de andere. Ik snijd, kriskras als bij een schets. Doet dit pijn? Opnieuw. Er verschijnen stippeltjes bloed. Ik blaas over mijn arm, druppels worden streepjes in de plooien van mijn huid. Moeder zucht. Met mijn vinger volg ik de rimpels in haar gezicht, haar neus voelt koud aan. Ik leg een warme sjaal op haar hoofd. Even maar, knijp hem dan tot een bal en knal hem de zetel in.
Toen ik jong was rolde ik één kant van een deken op en propte dat tegen mijn rug zodat het voelde alsof er iemand naast me lag. Zo droomde ik van de liefdesverhalen die de arbeidsters me vertelde. Ze vertelden ook tragische legendes over de troostmeisjes. Tot veertig keer per dag moesten Chinese vrouwen de Japanse soldaten bevredigen. Niemand die de meisjes verzorgde of hen in bescherming nam. De Japanners hebben zich nooit verontschuldigd. Toenaderingen kunnen pijn doen, huid tegen huid. Seks was voor mij maar een verhaaltje. Als mensen een bodem hebben dan is het daar waar seks je raakt.
9
Grijze vilten pantoffels verwarmen mijn voeten. Bijna alles is zwart of egaal grijs, onopvallend alsof onze kleding wil aangeven dat we wanneer we ouder worden beter stilaan verdwijnen. In de keuken dool ik rond. Het stoommandje vul ik met spinazie en daikon en de soep warm ik op. Ik druppel wat hoisinsaus in de twee kommen en laat haar proeven. De zoute smaak zint haar wel al eet ze weinig. Daarna eet ik. De felgroene spinaziebladeren klem ik tussen de stokjes en zuig ze geruisloos in mijn mond.
Aan tafel voel ik dat mijn kousen te kort zijn. Ik slof naar de zetel, plof neer en trek het deken tot over mijn dijen. Twee toegedekte vrouwen.
Eind jaren tachtig nestelden het communisme en het kapitalisme zich ook onder één deken. Een spel waarbij het speelbord onder de pionnen verschoof. Meer dan 200 bergdorpen liet men overstromen om elektriciteit op te wekken, een snelstromende vooruitgang. Families dreven letterlijk uit elkaar.
Moeder hoest.
‘Wilt u drinken, shuĭ?’
Eén van de buurten waar ik terecht kwam had straten waarin stalen sporen blonken. Wanneer de stoomlocomotief passeerde bibberden de huizen en grinnikten de kinderen. Mijn handen bleven trillen, wat het fijne werk in de weverij waar ik toen werkte, bemoeilijkte. Armoede, honger en hard werken stonden dagelijks op de planning en alle drie duurden ze de hele dag. Mijn zicht verminderde waardoor ik fouten maakte en ontslagen werd. In een schooltje vond ik nog werk. De jongste groep heette De Kleine Rode Soldaten. Om hun land te dienen werkten ze minstens een half uur per dag. Ik hielp hen bij het vouwen van zakken uit oud krantenpapier of met het opruimen van rommel op de straat. Ze dansten de geschiedenis als een mooi sprookje, ik zag hoe plooibaar kinderen wel waren. Van een leerkracht kreeg ik een bril, zo zou ik de kinderen kunnen helpen bij het lezen.
10
Van aan deze tafel, binnen deze vierkante meter wou ik vier jaar geleden mijn blik verruimen. Via een advertentie ontmoette ik Bie, zij werd mijn juf. Ze was jong en gedreven en kwam uit België, een petieterig land dat op de kaart verdween onder de stip die de hoofdstad aanduidde. In zo’n klein land kon niemand een kant uit wanneer het oorlog was, bedacht ik. Maar oorlogen en mensen passen zich altijd aan. Zo wist ik dat Mao’s soldaten de Dadu rivier doorwaadden. Bij een vernielde brug klauterden ze via kettingen naar de overkant. Ze spanden zelfs samen met de Nationalisten om de Japanners te overmeesteren.
Bie en ik vormden een hecht duo. Zij lachte altijd naar mij. Hoe ik ook sukkelde of hakkelde ze bleef geduldig en vriendelijk. Met mijn tong maakte ik nooit eerder uitgevoerde kronkels en als ik vergat te slikken riep ze ‘Shuĭ’ en dan depte ik de bladzijde droog en proestten we het uit. Ik hoorde haar graag mijn naam uitspreken. Zeer geconcentreerd volgde ik haar mond, onze lippen leken verbonden. De losse letters betekenden niets, we moesten er woorden mee maken. Bie articuleerde zo uitgesproken dat elke zin spannend klonk evenals bij sprookjes maar die werden meestal door moeders voorgelezen. Ik leerde Engels, zo sloeg ik letterlijk een andere richting in. De lettertekens oogden strakker maar zaten vol mogelijkheden en leidden me naar de westerse literatuur. Dankzij Bie kreeg mijn leven nauwgezet de juiste woorden. Zij leent me veel boeken. Sommige bladzijden lees ik wel drie keer.
Bie was enthousiast over mijn plan om bij bejaarden te gaan helpen. Maar wat gaat ze hiervan vinden? Ik kijk naar mijn moeder. Nu ligt zij hier en kan alles horen. ‘Moeder?’ Ze slaapt niet echt. ‘Moeder!’ Ik wil venijnig in haar vel knijpen en bij elke kneep sissen. ‘Luistert u?’ Ik pits met mijn duim en wijsvinger en geef niet op. De weerstand van elke vezel doet me harder duwen. Onder mijn nagels kleurt het wit. Tussen mijn vingertoppen plet ik de stof van haar mouw.
Het is stil. Wat ik opgeschreven heb, ga ik haar voorlezen, woord per woord. Ze zal zich kunnen inleven alsof ze erbij was maar voor spijt is het nu te laat. Nog elf pilletjes van elke soort. Een half uur na het gele is het tijd voor de bedpan dus ik schrijf verder. Ik wil in één ruk doorschrijven en begin bovenaan de bladzijde.
Die ene avond, het was laat zomer, ging ik de straat op, ik was eenentwintig. Ik ging iets kopen wat ik met mijn lichaam zou betalen. Goedkoop, dacht ik nog. Wat ik wilde was ervaren wat iedereen al kende, even bijbenen in het leven alsof alles valt in te halen. Ik blijf me ervoor schamen.
Daar stond hij, leunend tegen een muur. Zijn smerig vel zat strak over zijn ene ontblote heupbeen. Hij keek me scherp aan. Houterig zette ik een stap naar voor. Ik zakte door mijn enkel, herstelde mijn evenwicht en glimlachte kinderachtig. Brandende wangen. Mijn handen gleden onder mijn kleren. Ik betastte mezelf en rilde als een koortsig kind. De man draaide zijn hoofd opzij, het was weer aan mij. Subtiel verplaatste ik mijn benen iets wijder en wiegde met mijn heupen. Kijken, ik moest hem aankijken. Hij kwam dichterbij. Onrust. Iets trok me achteruit. Met mijn schouders spande ik mijn borsten op. Blijven ademen. Eén stap. Zijn lichaam stonk. Ik zag zijn ruige kin en rood doorbloedde ogen. Mijn handen schoven langs mijn schouders, hij greep mijn polsen vast en duwde me naar achter. Zijn haar blonk. Mijn hielen raakten een houten palet. Met een knal lag ik neer, hij hing over mij, zijn keel ronkte. Hij kneep stevig en legde mijn armen naast mijn hoofd. Het eelt op zijn handen voelde als schroefdraad. Met zijn brute vingers kneedde hij mijn borsten. Met zijn lichaam wrong hij mijn benen open en snoof. Hij was een beest. Zijn zweterige vel op mijn huid gaf een walgelijk gesmak. Hij stootte en duwde. En toen kreeg ik het plots koud. Voetstappen kraakten op het grint. Ik opende mijn ogen en kronkelde over het palet op zoek naar een manier om overeind te geraken. De binnenkant van mijn dijen was geschaafd alsof ik naakt had paardgereden. In mijn mond proefde ik iets weeïg en durfde niet te slikken. Mijn lippen voelden verschroeid en mijn billen plakten. Mijn respect voor het leven was op. Ik wou gaan zoals wanneer je niet terugkomt.
Met een deken over mijn schouders ga ik aan het hoofdeinde op het bed zitten. Ik moet me tegenhouden om niet weg te glijden.
Zij ademt rustig.
Ik klop met mijn vuist op het bed en zeg: ‘Ik ben nooit ver weg geweest. Luistert u? Verschillende keren ben ik van werk veranderd, soms vrijwillig soms gedwongen maar nooit was ik ver weg van uw huis. Hoogstens vijf dagen stappen. Begrijpt u mij? Overal scandeerden mensen: Mao is dood, leve Deng. Iedereen mocht reizen. Bent u toen weggegaan? Ik ben hier gebleven. Op straat riep ik u en zocht u tussen al die blauw geklede mensen met donkere haren. Ik vervloekte hoeken, auto’s en gebouwen, achterstraatjes en drukke pleinen.’ Mijn adem stokt.
Moeder legt haar hand op haar borst. Ze schud met haar hoofd, ze wil iets zeggen maar uit haar mond komt enkel speeksel.
Ik word rustiger.
Ze glimlacht.
‘Bent u blij?’
Ze raakt me aan.
‘U bent blij dat u mij ontmoette?’
Ze knikt. Ik kijk weg. Waarom zeg ik niet ‘Ik ook’? Ze beweegt haar duim en knikt. Ik buig, haar duim raakt mijn voorhoofd. Ze fluistert en tekent iets. Het kietelt.
Wanneer alles opgeruimd is, leg ik me neer in de zetel en doe het licht uit. Twee vrouwen zien niets meer maar voor herinneringen heb je geen ogen nodig.
11
Vandaag schijnt de zon, ik wil naar buiten. Boodschappen doen en gauw terug. Even weg zoals de wolken. Moeder slaapt nog.
Er wordt aan de deur geklopt. Bie komt binnen maar blijft bij de deur stil staan. Voorhoofd gefronst en mondhoeken omhoog. Ik haal mijn schouders op. Dan neemt ze zoals gewoonlijk het krukje uit de keuken. Ze komt bij me aan tafel zitten. Moeder slaapt ongestoord verder. We fluisteren. Wie is dat?- Mijn moeder.-Je moeder? Ik dacht dat zij dood was.- Ik ging daar vanuit.- Hoe heeft ze jou gevonden?- Ik heb haar gevonden toen ik ging helpen in het bejaardentehuis.- Ben je zeker?- Over wat?- Dat zij jouw moeder is.- Haar linkerduim heeft net zoals bij mijn moeder geen nagel, ze komt uit Gànzhōu. –Sterk verhaal.- Hoezo?- Hoeveel Chinese vrouwen bestaan er niet met dat profiel?-
We kijken samen naar die vrouw in mijn bed.
‘Ik nam haar mee omdat zij mijn moeder is.’
Bie glimlacht, ze lijkt na te denken.
'Ik heb nog veel geschreven. Over vroeger en nu, alles noteer ik.'
Ik neem mijn dagboek en lees het stukje over onze eerste lessen. Die typische
onwennigheid en onzekerheid doen ons giechelen.
‘Jij was toen nog niet zolang in China.’
‘En jij wou op je achtenzestigste een andere taal leren.’
Getik op de bedrand. Ik kijk naar moeder, ze wijst.
‘Bie is hier, mijn vriendin, zij leerde me Engels.’
Moeders hand beweegt. Ik zie Bie knipogen.
Bie stelt voor om boodschappen te doen en wijst naar de zak bij de deur. Ik kieper moeders bezittingen op de tafel. Bie vertrekt. Gewoon wat groenten en kip, meer heb ik niet nodig. Ze zou ook bij haar thuis passeren om wat boeken voor me mee te brengen.
In moeders kleren kleeft haar naam -Xiǎo/Gànzhōu- dat doen ze daar zo. Ik bekijk alles alsof ik in een boek blader. Een gebloemde blouse, een blauwe grof geweven broek, wollen sokken, en een trui met rolkraag. De halsopening is te nauw, dat is niet praktisch. Netjes plooi ik alles op en ontdek een houten haarspeld met ook een klevertje er op. Had mijn moeder lange haren? Ik denk terug aan de momenten waarop ik naar mijn moeder keek terwijl ze aan het koken was. Er hing altijd veel damp. Ik denk wel dat ik mijn moeder knap vond mits alle jonge kinderen hun moeder mooi vinden. Misschien liet zij haar haren groeien toen ze ouder was. De haarspeld is prachtig. Bij de spiegel houd ik hem eerst links, dan rechts. Neen, deze draag je bij een opgestoken dot.
12
‘Shuĭ, ik heb boeken voor je bij.’ Bie duikt in de boodschappentas en haalt vanonder de kip enkele boeken tevoorschijn.
Ik stop ondertussen moeder warm onder. ‘Dankjewel voor de kip.’ De boeken leg ik opzij. Lezen is moeilijk in moeders nabijheid.
‘Graag gedaan. En indien je wil dat ik eens hier blijf terwijl jij buiten gaat, dan vraag je dat maar.’
Ik knik.
Bie raakt mijn beide schouders aan en zwaait terwijl ze buiten gaat. Haar lippen tonen nog: tot morgen.
Het is bijna middag. Moeder is wakker. Ik moet haar mijn dagboek voorlezen. Nu. Over hoe ik als kind mijn vuurtje brandende hield en hoe ik het vertrek van mijn vader herinner. Ik lees over de blindeman en het telrijmpje en geloof dat ze luistert. Wanneer ik vraag of zij kan lezen lijkt ze het niet gehoord te hebben. Ze schaamt zich of wil het niet toegeven. Ik lees verder over mijn kindertijd. Over de spelletjes die we speelden en hoe mijn broertje stierf. En over mijn rode wangen en waarom die zo dik waren. Dat zij mij sloeg.
In de keuken warm ik wat soep op. Bie vertelde me eens dat toen ze net in China verbleef, ze eraan moest wennen om ’s morgens soep te eten. Ik ondersteun mijn moeder met kussens uit de zetel. De lepel vul ik maar half want moeder slikt amper. Er sijpelt soep langs haar lippen terug in de soepkom die ik onder haar kin houd. Zo gaat het lang duren. Tussendoor slurp ik even van mijn eigen kom. Wanneer moeders mond dicht blijft leg ik haar arm in mijn schoot, neem mijn dagboek van de tafel en begin luidop te lezen. Hoe ik verdwaalde en door Mǔqīn werd opgevangen. Opgewonden vertel ik over het bidden en het geheime zingen. En dat ik jiǎozi proefde. Mijn stem schiet alle kanten uit. Moeders ademhaling doet het deken deinen, ze lijkt opgewonden.
Op een keukenplank snijd ik wat gemberwortel in fijne stukjes en stop ze in een linnenzakje. Dat leg ik in een bad met heet water. Ik ruik de scherpe geur. Wanneer mijn moeder vroeger gember sneed likte ik achteraf stiekem aan de snijplank en sprong dan met mijn tong uit mijn mond rond, moeder lachte dan zodat ik nog gekker danste tot het teveel lawaai werd.
Ik knoop moeders vest en de blouse bovenaan open. Haar huid is flinterdun en verrimpeld. Of zij vroeger ook zo mager was weet ik niet meer. In mijn herinnering was Mǔqīn een mollige vrouw maar dat kan ook aan haar kleren gelegen hebben. Als kind weet je vaak niet de oorzaak van de dingen die je ziet. Ik wring het theedoek goed uit en leg het warme kompres voorzichtig op haar borst. De damp en de geur maken me loom. Moeders wangen krijgen wat meer kleur, ik lees verder. Het stukje over het kappen van het ijs lees ik snel. Ik vertel over mijn werk in het stoffenatelier, over de kleuren en over de man op zijn paard. Ik praat steeds sneller alsof ik zelf galoppeer. De overtocht, de troostmeisjes Ik hakkel en herneem zinnen.
‘Moeder, luister alstublieft.’
Moeders benen bewegen met kleine schokjes.
‘Moeder ik miste u.’
Ik leg het dagboek weg en wrijf over mijn knieën.
‘Moeder ik was zo bang.’
In de zetel nestel ik me tussen wat kussens. Door de wind raakt de regen het raam niet en bij de buren hoor ik geen beweging. Het woord doodstil vermijd ik liever. Moeder ziet zo bleek, haar linker mondhoek hangt wat lager, ze zal moe zijn van het luisteren. Het deken lijkt op een lap deeg die over haar smalle schouders en haar breed uitwaaierende voeten ligt. Ik besef dat ik glimlach. Liefde is dat waar je als kind zo flink voor bent.
Ik kijk naar mijn moeder en denk aan marsepein. Het geringe licht op haar gezicht maakt haar huid mat. Haar lippen trekken scheef. Ik wil haar aanraken maar hou me in. Met mijn ogen halfdicht probeer ik me voor te stellen hoe zij een jonge moeder was met lange haren bijeen gebonden tot een dot.
13
Het is namiddag. Een scherpe geur dringt in mijn neus. Na wat gewriemel draai ik me om met mijn hoofd aan de andere kant. Stinkt de zetel aan die kant harder of zijn het moeders voeten? Die liggen vlakbij en vormen twee afgeplatte heuveltjes waarachter haar lichaam zich uitstrekt. Met mijn wijsvinger duw ik beurtelings een neusgat dicht om de stank te oriënteren. Rechts. Ik snuit mijn neus en voel dat ik naar haar kijk zoals je naar een afgedankt meubelstuk kijkt. In mijn hoofd brandt de schroothoop. Maar zij blijft nog, ze heeft nog pillen. Ik draai me weer om in de zetel. Vanavond zal ik haar voeten wassen.
Ik word wakker en slof naar het toilet. Het is nog licht. Terug in de kamer twijfel ik of ik wel heb doorgespoeld en ga kijken. Vanwaar komt toch die zure geur? Ik open het keukenraam, warm wat soep op en doe er voor de smaak wat stukjes kip bij. Voor mijn moeder schep ik alleen wat van de zuivere bouillon. Haar enkele tanden zijn zo broos als puinsteen. Een teentje look glijdt in haar soepkom. Ik staar ernaar en bedenk hou het in haar keel zou schuiven. Hoe ze zou rochelen, hulpeloos en angstig.
Het geluid van de stoelpoten, de lepel, mijn stem, moeder reageert niet. Ze heeft nog steeds die scheve mond. Ik blaas steeds sneller in de soep tot ik duizel. Haar wijsvinger steekt onder het deken uit. Een lichte schok, mijn rug plakt kaarsrecht tegen de leuning. De nagel is blauw. Ik veeg de lepel schoon en hou hem voor haar mond, hij dampt niet aan. ‘Moeder!’ Mijn hart bonst. Ik zweet. Onwennig wrijf ik over mijn kleren. Ik raak haar hand onder het deken aan, het matras is nat. Heb ik gemorst? Onder het deken zie ik de verkleuring. Wat moet ik doen? De hulpdiensten verwittigen? Alles is wazig. Schudden, ik wil met haar schudden. Haar wang voelt koud aan. Dan zie ik dat haar oogleden een beetje open zijn alsof ik mag binnenkijken. Mijn hand leg ik op haar borst en druk, ze is zo broos. Komaan duwen, nog eens en nog eens. Godverdomme! Dan wat harder. Mijn ogen, mijn neus, mijn mond…alles druppelt. Mijn schouders schokken. Dan is het doodstil. Bij het keukenraam huil ik als een kind.
14
Moeder ligt hiernaast in bed. Mijn hele leven ging ik ervan uit dat ze dood was maar toch raakt het mij. Ik heb haar amper twee dagen verzorgd, haar amper achtenveertig uren in leven gehouden. Wanneer ik zit, trillen mijn benen en als ik rechtsta wankel ik. Mijn blik flitst door de kamer alsof er gevaar dreigt. Moet ik kaarsen branden of wierook? De naderende donkerte drukt tegen het venster. Nu is het voor echt, u bent echt dood. In mijn leven was u dat al langer. Dan kon u mij niet zoeken. Opgelost. En nu ligt u hier. Niets beweegt nog. U neemt enkel nog de ruimte in die gelijk is aan uw volume. Indien ik rechts vanuit de keuken de kamer inkijk zie ik u niet, dan zie ik het schilderij. De bergen, het water, de horizon en het strand. Maar u zit in mijn gedachten zoals een vlek op de lens van een camera. Ik wrijf en knipper zonder resultaat. U bent overleden, over uw leed heen. U wel.
Ik moest u nog voorlezen dat wist u. Laat mij maar achter met nog een extra schuldgevoel, daar bent u goed in. U neemt naar mij toe geen verantwoordelijkheid. Ik besef dat ik roep. In de oorlog heet dat deserteren. Ik giet de kommen soep leeg. Brokjes kip liggen in de gootsteen. Met mijn vinger plet ik ze door de gaatjes, feest voor de ratten. In haar kom plakt nog dat stukje look. Ik vermorzel het tussen mijn tanden.
15
De buitenlucht doet deugd. Het schemert op weg naar het bejaardentehuis, het personeel daar heeft ervaring met doden. De autolichten flitsen in mijn ogen. Er zitten verkopers op de stoep op plastic stoelen. Gedroogde zeepaardjes en verschrompelde dierenonderdelen liggen te koop op rode doeken. Boven hen hangen houten kooien met tsjirpende vogels in vele tinten. Dood en leven zijn hier strikt gescheiden. De vele parasols, luifels en bungelend wasgoed aan de gevels kleuren het straatbeeld. Oude mannen spelen pingpong op openbare tafels, krachtig slaan en opvangen. Rijen kinderen in uniformen, geel met blauw, steken zingend de straat over. Ik keer terug naar huis. De bedrijvigheid verplet mij.
Onderweg stop ik bij een stoffenwinkel. Als een verdwaalde toerist kijk ik rond. Overal stoffen en glanzende zijde met aan de randen sierstiksels en franjes. De verkoper kijkt me vriendelijk aan. Ik wijs naar achteraan in de winkel, daar liggen witte stoffen. Drie jonge bengels rennen tussen de balen stof. Het doffe geroffel van hun voeten op het hout doet me aan paardenhoeven denken. De man houdt een wit laken strak voor me als een testbeeld dat mijn droom doorbreekt. Het is mooi afgebiesd. ‘Enkel of dubbel?’ De man is sneller en beslist. Het kost me meer dan ik wou uitgeven maar ik knik dankbaar en vraag nog waar ik het dichtstbij jade kan kopen. Om de hoek.
Thuisgekomen bedek ik haar met de glad gesteven stof. Het laken is veel te ruim, het is voor twee. Het is lastig om het strak te krijgen. De stukjes jade leg ik op de tafel. Ik ben bang om haar aan te raken. Laat ik haar hoofd nog vrij? Gelukkig komt Bie me morgen helpen. Moeders kleren liggen klaar. Dat ze zou sterven wist ik maar er waren nog pillen. Ik had nog voorleesmomenten gepland. Dit is een punt midden in de zin.
Ik aarzel, neem de stukjes jade van de tafel en wentel ze in mijn hand. Voorzichtig sluit ik met de brokjes haar mond, neus en oren af zodat haar ziel niet kan ontsnappen, nog niet. Ik blader terug tot bij die man die tegen de muur aanleunde en begin luidop te lezen, steeds harder.
‘Hij greep mijn polsen vast, duwde mij! Hij neep, kneedde, wrong, stootte!!’ Ik roep en roep nog harder, klink schor. ‘Geschaafd, verschroeid!!!’ Mijn stem kraakt, ik breek.
Mijn oogleden lijken niet meer over mijn gezwollen oogbollen te passen. Ik sta recht en verschuif het witte laken tot over haar gezicht. Dag moeder. Dat zeg je wanneer je iemand ontmoet én wanneer je afscheid neemt. Ik wil duidelijker zijn, onomkeerbaar afscheid nemen. Vaarwel moeder. Alsof ik haar wil sussen met die gedachte dat het beter zo is. Alsof afscheid nemen een begin zou zijn.
Het venster moet open, dan is de geur draaglijk. Ik plaats het karton tussen de zetel en het bed, ik wil slapen zonder zicht op een dode, me afschermen voor verdriet. Een koude luchtstroom vanuit de keuken vult de kamer. Ik plet mezelf tegen de rugleuning en trek het deken tot over mijn hoofd. Twee verdoken vrouwen.
16
Om Gànzhōu volledig te doorkruisen heb je enkele weken nodig maar ik hoop dat de afstand die wij moeten overbruggen op 1 of maximum twee dagen mogelijk is. Bie kan me bijstaan en misschien willen nog wel mensen helpen indien ik hen ervoor betaal. Ik heb minstens vier mannen nodig om de kist te dragen, vier reserve dragers die stoelen meenemen om op uit te rusten. Vroeger groeide zo’n ritueel uit tot een heuse optocht. We moeten ook proviand meenemen. Het gaat koud zijn. Kan ik dat nog wel? Hoe wil zij begraven worden? Ik kijk lang naar het witte laken in de hoop dat het antwoord erop geschreven staat.
17
Het is ochtend. Ik kijk haar aan, lang en intens, wachtend op beweging. Een trilling van het ooglid, haar lippen die zuinig van de lucht nippen, een miniem schouderschokje. Niets. Ik staar, neem afstand met mijn ogen.
Wat later zit ik op de grond in de keuken tussen twee openstaande kastdeuren. Ik sleep een stenen kookpot tot vlakbij mijn knieën. De sleutel klikt, de deur gaat open en zacht terug toe. Even stilte dan geschuifel. Bie fluistert lange zinnen zoals in een klaagzang. Dan hoor ik niets, draai me om en zie het betraande gezicht van Bie.
‘Shuĭ?’
Ik kijk naar de grond. ‘Moeder bereidde rijst altijd in een stenen pot.’
Bie heft de pot op het vuur, schept er enkele lepels rijst in en overgiet alles ruim met water. Druppels op het aanrecht. Ik tel ze telkens opnieuw, steeds meer. Ondertussen kookt het water. Het wordt melkachtig. De rijst zwelt. Er ontstaat een eiland in het midden. De damp is heet. Ik draai het vuur uit. Dan neemt Bie mij vast. Mijn hoofd rust schuin op haar schouder waardoor mijn tranen eruit lopen. Mijn twee armen hangen naast mijn lichaam. Ik ruik bloemenparfum en wasverzachter. Zo staan we daar. Met mijn lippen zoek ik troost in de rimpels van haar jas. Ze rijkt me haar zakdoek aan en wurmt zich uit haar mantel. Samen kijken we naar het bed.
‘Wanneer is ze overleden?’
Ik haal mijn schouders op.
‘Het spijt me dat ik niet bij je was.’
Opnieuw die schouders.
Bie snuit haar neus. ‘Dit is echt zo jammer.’
Het voelt alsof ik alleen nog maar schouders heb.
‘Voordat jij in het bejaardentehuis ging helpen, ging ik daar al langs. Ik informeerde naar wie er verbleef en kreeg de bevestiging dat zij er was.’
Mijn kin rust tegen mijn schouder.
‘Zij heeft zoveel jaren voor jou gezorgd. Ik was zeker dat jij haar zou herkennen.’
Ik kan moeilijk slikken.
‘Ik ben een aantal weken geleden naar Zuid-Gànzhōu gereisd omdat ik wilde weten waar jij vroeger woonde. Het gebouw waar vroeger de christelijke gemeenschap leefde is nu een school. Daar ontmoette ik een oude leraar. Hij kende Mǔqīn, de vrouw die jou heeft opgevangen. Hij vertelde dat zij daar nog lang gewerkt had maar dat ze ziek werd. Ik wou dat je haar ontmoette.’
Ik zak neer in de zetel.
‘Jij bent zo bodemloos,’ zucht Bie
Mijn schouders schudden.
‘Jouw idee om vrijwilliger te worden in dat tehuis kwam als een zegen, je zou haar terugzien.’
Bie komt naast me zitten, ik schuif op. Zo zitten we daar, onaanraakbaar.
Bie draait zich om en probeert me aan te kijken. ‘Deze vrouw is jouw moeder niet.’
Mijn schouders bevriezen.
Vouwen.
Gisteren heb ik niet geschreven. Ik schuifelde telkens weer achterwaarts van het bed naar de deur. Ook de wolken schoven voorbij. Verschillende keren schuurde ik met mijn heup langs de stoelleuning of stootte met mijn dij tegen de tafel. De vrouw in mijn bed zou Mǔqīn zijn. Ik smeet een bord op de grond en klopte met mijn vuisten tegen de muur vlak naast het schilderij.
18
Met een vork in de hand zat ik vanmorgen achteraan op het bed. Rechts van me twee dode voeten, links de muur. De kamer rook naar nat papier. De spons waarmee ik het behang bevochtigde lag naast me. Ik hoorde voetstappen in de gang, gewriemel met de sleutel. Ik herinner me nog hoe Bie binnenkwam. Ze keek verbaasd.
Een lange strook ritste los.
‘Shuĭ stop daarmee.’
‘Alles wat door de dode is aangeraakt gaat mee in de kist, dat moet zo’
‘Mǔqīn heeft die muur toch niet aangeraakt.’
Ik wrikte met de vork en een stuk bezetting kwam los. In de keuken hoorde ik Bie rommelen. Dan stond ze bij me.
‘Sorry.’
‘Ga weg!’ Ik wees bruut met de vork naar de deur. Gekletter.
Bie schrok.
Ik raapte mijn vork op.
‘Ik wou je alleen’-
‘Ik moest voor mijn moeder zorgen, zo is de traditie.’ Ik wrikte met de vork onder het behang.
De schouder van Bie raakte de mijne. Ze stond te dicht. ‘Ik wou je helpen.’
‘Hoe durf jij te zeggen dat zij mijn moeder niet is?’
Bie doolde doelloos rond in de kamer. ‘Ik moest het je zeggen.’
‘Nee!’ ik klonk rauw.
Bie bleef kalm. ‘Sorry.’
Ik keek naar het behang en hoorde achter me de deur. Het werd stil in de gang.
Nu staar ik naar het schilderij. Het puntje van de berg verdwijnt onder de rand en de strook bomen deelt het geheel in twee. Het water kabbelt onderaan in de omlijsting zoals alleen water dat kan.
In de late namiddag word ik wakker. Bie staat in de deuropening. Het valt me op hoe klein ze is, echt Chinees formaat. Tussen ons een leegte. We kijken elkaar aan.
‘Shuĭ, zullen we haar wassen?’
‘Ja.’
19
Bie waste Mǔqīn alsof ze dat dagelijks deed, ik focuste op de slanke vingers van Bie. Ik wilde de herinnering aan Mǔqīns mollige bakkershanden bewaren, hoe ze daar deeg mee kneedde en mijn wangen streelde. Ze roken zo zoet.
Mijn potlood ruikt naar vochtig hout, lichtjes zoet. De punt glijdt over het papier, ik ben rustig. De traditie wil dat we haar veel kleren boven elkaar aantrekken als symbool voor de lange weg die haar te wachten staat. Van alles twee stuks, meer hebben we niet. Wanneer we klaar zijn legt Bie het witte laken over haar heen, streelt over mijn rug en vertrekt naar het rustoord om de aankoop van de kist te regelen. Het leek alsof haar hand bij mijn rug bleef. H