Achterover gescharnierd in ingenieuze stoel,
kijk ik naar een regenwoud van wolken.
Zacht geleid door wind die ik niet voel,
waterdragend naar meer oostelijke volken.
Zich van vracht verlossend klinkt er plots geklater.
Het doet burgers vloeken als boerengebeden worden verhoord.
Sijpelt door zanderige bodem terug naar open water.
Dreigt onderweg door menselijk gif te worden vermoord.
Om uiteindelijk weer door zee gezouten en door zon bestraald,
verdampend te herrijzen tot een nieuwe vriend van vroeger.