de hotels zijn vol in bethlehem
om de hoek dendert een bulldozer over het huis van een palestijn
hij staat op de drempel met een koran onder de arm
de papavers gedroogd tussen de pagina’s
zijn dochter bungelt aan de laatste klink
hij roept: stop maar, lief, het is allemaal op slot
zij haakt aan de rups, langszij, naar beneden
het reuzenrad gedeukt
en het gruis op de grond braakt
slaapbollenrood
kijk, meisje, vuurwerk
cassiopeia schildert een veeg naar de stal
op de drempel ligt een hijab
stijf van de behangerslijm
er staat gewoon iets in brand
drie mannen in oosterse dracht informeren naar een geboorte
ze hebben zich vergist van toevluchtsoord
stoppen een opiumpijp, vragen waarheen
de palestijn wijst naar de stad
‘hana azar’