Die ochtend, de confituurpot draaide mijn hand een kwartslag naar rechts.
'Het had anders gekund', zweeg ik (het vel strakker rond de pezen), 'tussen ons.'
We smeerden een glimlach van melk naast onze mondhoeken.
Wat moesten we anders dan doen alsof we goed waren in het doen alsof
- naast elkaar zitten?
Ik dacht aan een beeld in de verte (een opgedroogd meer aan de top van een berg; het pigment van een uitgesmeerde iris tegen de vlakte), vroeg me af hoe we tot het compromis waren gekomen over de goudvis en ons geloof dat vissen uitblinken in het vergeten, als was het een voorbode van ons breken, zich voltrekkend in die verte; de uitdroging, het nefaste levensloze en de man die moedeloos toekeek van bovenaf.
Het getik van uw gekromde middenvinger tegen de purperen bodem,
waarna het geluid van lucht onder het deksel en
gij die vroeg hoe ik de dag had ontmoet,
eerder dan hoe ik had geslapen,
brachten me terug
- heel even.