Mijn grootvader praat niet veel. Hij houdt zijn spreektijd graag beperkt, meet zijn volzinnen op het woord af. In zijn tweeënnegentigjarige leven heeft hij nooit veel gepraat — behalve na de sporadische dosis alcohol, dan staat zijn snavel niet stil, verzekerde mijn praatgrage grootmoeder mij steeds. Hij is niet van het hardvochtige zwijgzame type; eerder van het bescheiden zwijgzame. Zo iemand die zijn woorden wikt en weegt voor hij ze de wijde wereld instuurt. Als iedereen z’n meninkje heeft verspreid, z’n zegje heeft gedaan, intervenieert hij, de ouderdomsdeken van de familie. Niet omdat hij zijn mening extra cachet wil geven door een strategische bedenkperiode in te lassen, noch omdat hij z’n opinie belangrijker acht dan dat van menigeen ander. Het is eerder een ingesleten bescheidenheid, een besef van de nietigheid van z’n mening in deze wereld vol opinies, die hem noopt tot bedachtzaamheid en stilte.
Toen mijn grootmoeder na 83 jaar en drie donkere nachten er voor altijd het zwijgen ertoe deed, trof ik mijn grootvader in nachthemd aan onder het gelige licht van de keukenluster. Ze was de verbale tegenpool van m’n grootvader. Met haar opmerkzaam oog speurde ze haar omgeving af, keurde af en goed, met de nodige West-Vlaamse spitsvondigheid. Die nacht, toen ik voor hem zat, stopte hij niet met praten, en tegen de woorden die hij anders zo op afstand kon houden, leek hij nu geen verweer te hebben. Ze overspoelden hem. Geruggensteund door een pater van West-Vleteren praatte hij over hun lief en leed en leven. Zijn hart was vol van haar en zijn mond liep over. Mijn grootmoeder was verkeerd toen ze zei dat enkel alcohol mijn grootvader doet praten. Liefde voor haar eveneens.