Een nieuw samengesteld gezin keek verbaasd,
naar haar vinger, die leek te wijzen naar de uitgang
Die was verborgen door het grote doek
Dat was neergelaten om afscheid te nemen
Van hun vorig leventje, dat ze gulzig hadden omarmd.
Ontdaan van hun masker was er de waarheid,
Bijna naakt en rouw, eenzaam met vier,
Stonden ze daar te kijken als spiegels gedraaid,
Zoekend naar het licht, zoals kinderen die worden
verplicht te kijken, naar wat voor hun ligt.
