Zoals beukende baren de branding berijden,
Vrij en symmetrisch tig maal
Echoënd het lede lijf kastijden
Met wielingen als krioelend signaal.
Wartaal die raast en daast in het nu.
Elfendertig comités in linies als
Herhaling, déjà vu, residu, kukeleku.
De blingbling en pingping wals.
Het radeloos grijpen naar misschien
Eén vinger van de golvenruiter,
Almachtige nietsnut, niksnut, niets-gezien:
Over het paard getilde flierefluiter.
Zo slobber slokt de gulzige guts kierewiet, pierewiet geld stinkt niet.
Schaaft en schrijnt ze stugge steen tot enkel zand overschiet.