Ik ketter letters
tot gebedsvlaggetjes,
smeek vrijheid af
voor versnipperd vlees.
Haar zuchten
verkoelen mijn zinnen.
Slap neem ik haar
wapenen ter hand:
ik knutsel een kut uit woorden,
boks een beer van een lul in elkaar.
Het schuurt en schilfert,
maar baart geen jong.
De comateuze prinses verleidt me
tot een onmondige kus.
Ze kreunt, gaat gebukt
onder opgesmukt eigenbelang.
Ik bevinger haar lijf,
vind een vrouw
in een vrouw
in een vrouw.
Haar taal bezet me,
als een keizerin haar duplex.