Ramen kraken open in de bevroren zomer, roestbruine scharnieren piepen in de langzame beweging van mijn bestaan. Herinneringen aan opgedroogde dauwdruppels in de ochtend doen pijn. Tranenregen wordt prijsgegeven in mijn natte ogen.
Ik kijk over de velden waar onze liefde groeide, hoor ik jullie stem telkens weer.
Jullie sporen zijn versteend in mijn heimwee.
Ik probeer de herinnering te omhelzen in een tastbaar hart.
Droom schapenwolken in een zachtblauwe lucht, waar afscheid huilt in een turkooise waterstroom.
Ik omhels de zonnestralen die jullie achterlieten voor mij en vlecht de onvoorwaardelijke liefde eeuwigdurend in de vlucht voor morgen.
Mijn hart versplinterd, zoekend naar de plek waar jullie zijn.
Op een dag zijn we weer samen mijn lieve meisjes, willen jullie me vasthouden en niet meer loslaten?