Wat je wilt, duurt nooit voor altijd
Het is middag. Dertien uur twee-en-veertig om precies te zijn. Het is een doordeweekse dinsdagmiddag. Zo’n dinsdag die ik haat. Want dinsdag ligt al te ver van het weekend om stil en gniffelend na te genieten, en nog te vroeg in de week om al uit te kijken naar het volgende weekend. Wel, op zo’n dinsdag neem ik graag verlof. En dan doe ik graag niets. Want iets, dat doe je al meer dan genoeg op alle andere dagen. Dus zit ik op een terras en aanschouw ik de Mensheid.
Daar, voor mij. Een dame zit op een stoel. Ze draagt een salopette en een witte blouse met zwarte strepen. Ze draagt een zonnebril. Daardoor kan ik haar blik niet zien. Ze staart voor zich uit, onbeweeglijk. Dat zie ik wel. Er is iets triest aan de manier waarop ze daar zit. Als een treurwilg waarvan enkel de takken rustig wiegen van links naar rechts. Haast onbeweeglijk. Ze draagt sandaaltjes. Niet van die lompe, uit de kluiten gewassen sandalen met grote metalen sluitingen en een zool waarmee je iemand naar het hoofd kan gooien. Maar fijne sandalen, met smalle riempjes en afgewerkte voeringen. ‘Wat zit je zo te kijken?’, zegt ze. ‘Ik kijk naar je schoenen’, zeg ik. ‘Die zijn mooi’, voeg ik er nog aan toe.
Zelf vind ik het verschrikkelijk als mensen iets gezien hebben, zonder hun mening kenbaar te maken. ‘Oh, je bent naar de kapper geweest zie ik. Wat kort!’. ‘Ja’, zeg ik, wat zeg je anders. En dan wacht je. Op een aanvulling. Voor mijn kop niet zal ik vragen ‘En, vind je’t mooi?’. Dus dan blijft het maar stil. En dan weet je het ook wel.
De dame met de salopette reageert niet op het compliment over de schoenen. Trut. Gelukkig zijn er rond mij massa’s andere interessante mensen om te observeren. Het is een aangename lentedag. En dan zijn de terrasjes goed gevuld.
Naast mij zit een oud koppel. Van leeftijd, want oud, dat mag je niet meer zeggen. Zij, ruikt naar een zolder waar al lang niemand meer is geweest. Hij, ziet eruit alsof hij sport. Niet dagelijks, maar toch vaak. En zo gebeurt dat met mij. De beelden komen vanzelf. Bonzend en wild tekeergaand in een te spannende wielerbroek op zijn hometrainer. Het zweet gutst van zijn verrimpelde lijf. Ik probeer dwangmatig aan iets anders te denken. Want het beeld van een overactieve zeventiger, dat is nu niet meteen het beeld dat ik associeer met een terrasje in de lentezon.
Ik zie een jongen. Hij moet zeventien zijn. Misschien iets ouder. Hij houdt een meisje vast. Ze zitten samen op een bankje. Ze praten, giechelen, fluisteren iets. Zoals jonggeliefden dat kunnen als geen ander, samen op een eiland, nooit nog naar het vasteland. Zij ziet er jonger uit, veertien misschien. Hoe ze daar samen zitten, zo samenzweerderig. Het lijkt alsof niemand het mag weten. Elke blik, geheimzinnig en vol codetaal. Ik ben ooit zelf weggelopen van huis, om bij mijn Grote Liefde te kunnen zijn. Uren treinen, om te zijn waar ik wilde zijn.
‘Ik wou dat we hier voor altijd konden blijven’, zei ik tegen mijn Grote Liefde. Toen de deurbel ging, en mijn stiefvader met zijn gloeiend rode kop voor de deur stond. Mijn geheime uitstap was uitgekomen, en ik moest mee naar huis.
‘Ik wou dat we hier voor altijd konden blijven’. Wat je wilt, duurt nooit voor altijd.