Als de mensen op de straat zouden liefhebben als apen en haviken zonder linkerteen, zou ik beven, de vibrators verwijten als varkens aan het speen. Als mensen van het vuur zouden schreeuwen, zouden klaarkomen als pornosterren aan het plafond, zou ik weifelen en winken, hoesten en tranen met duimbreed verpinken.
Als vliegen tegen stoten zouden kunnen, zou er geen haan meer naar kraaien, zou ik slapen zonder oordoppen, de nachtrust resoluut naar de haaien. Zou ik mogelijks wiemelen tussen en in kleren mij niet meer fit gepast, zou ik hem buitensjotten en denken van hey, o jij, ja da-ag, gast.
Als de mensen aan de ramen zouden hijgen bij het zien van kooplustigen zonder geld, zou ik denken bij mezelf wat de worst dan wel mag wezen. Zou ik dammen bij de pier en oude mensjes de kamasutra lezen. Al het goede dat mijn pelsenjas de lucht toebindt, de gerstenat tussen mijn oren, de papillen ruimschoots welgezind.
Als de mensen op de straat zouden liefhebben als apen en haviken zonder rechterteen, zou ik beven, de straatlantaarns verwijten te geeuwen als nooit voorheen. Als de nacht zou berusten met hongerige ogen, zou ik klaarstaan met gedroogd fruit en tot ergernis betogen. Over alles waar ik vol van loop en in verdrink, over de krijg me fit-rituelen en de stereotiepe Guido-bink. Want gauw zullen ze verzwegen worden, de namen van de stranden waar maagdenvliesjes ontnomen zijn, waar zusters in alle ongereptheid verpoosden met latinlovers en bekers plasticzakkenwijn.
De mannen in mijn leven zullen geen nummers trekken, adviezen zullen ontdooien, verliefdheden zullen spierloos rekken. Slakken op de klimop aan mijn huis van weleer zullen hun dakje achterlaten bij zeeën van slijm en viesdoenerij, de gazelle zal giechelen in steegjes van getrek en hard gerampetamp kom dan toch naar mij. De jockeys van de disc zullen nooit meer naar me mogen kijken, strijkkwartetten zullen vergaan en de verdoemenis ontwijken. Bemoeiallen zullen moe worden van hun eeuwige gezeik, paters zullen blijven tappen, hun bier verheffen tot het nieuwe gistenrijk.
Als de mensen op de straat zouden liefhebben als apen en haviken zonder poten, zou ik beven, de millenniumbaby’s vragen waar ze in godsnaam úit zijn ontsproten. Want als misschien in de toekomst ver, ik nooit meer zal kunnen hallucineren, zal ik moeten nuchter blijven in de liefde, altijd dicht maar nooit ter harte gedragen. Zal ik misschien De Wijsheid op een kraslot winnen en nooit meer moeten gissen en bedenkelijk vragen.
Ooit zal de jockey van de disc, echt ik zeg het u, een voortreffelijk man, de moed bijeensprokkelen en vragen of ik hem beminnen kan. Dan zal ik zeggen van meneer met je mooie grijze haren, wat vraag je me nu, wil je me alstublieft onmiddellijk heel zorgzaam bedaren? Maar goed, de mijmeringen en de spinnenkoppen aan de klok kakelen luid. Beste lezer, tantenonnetje, veel gebrak en geblaat ten spijt, maar mijn verhaaltje is uit.