En jij, jij komt binnen met verwilderde ogen en verwaaide haren
Ik peil je blik en weet al lang niet meer hoe dat moet
Wij zijn vergeten dat donderdagen van ons zouden zijn
Dat deze witte muren enkele maanden geleden nog rood waren
Dat wij hier gekomen zijn om iets te vinden dat al jaren weg is.
Ik zing een lied voor je, iets zelfverzonnen, je hoort het niet meer, de deur klapt.
Dit is een tijd van wachten en vergeten,
van kijken hoe maïs ploft tot popcorn,
van harde klappen
en een droge klik
van woorden die dat nauwelijks zijn,
van veel goedbedoeld maar ach.