Tip van de week

18/11: 'Niemandsland' van Marijke Roza-Scholten

Raf Njotea is freelance scenarist en presentator. Hij schreef o.a. voor Familie, Dertigers en VRT NWS. Via columns en opiniestukken neemt hij nu en dan deel aan het maatschappelijk debat, voornamelijk over thema’s zoals identiteit, diversiteit en taal.

Raf Njotea tipt deze week 'Niemandsland' van Marijke Roza-Scholten.

"De beste verhalen nemen je meteen mee. Dat is precies wat Marijke Roza-Scholten doet met die eerste, bevreemdende zin in 'Niemandsland', namelijk je compromisloos de wereld van het jonge meisje Gurkje in trekken. ‘Het grondgetal van de meidoorn is vijf.’ In die ene zin zitten meteen de dieperliggende thema’s van het verhaal vervat. De soms nietszeggende verwetenschappelijking van de grotemensenwereld (ja, ik heb ‘grondgetal’ gegoogeld), door de ogen van een kind dat daar koste wat het kost betekenis aan wil geven — haar eigen betekenis desnoods. De volharding van kinderen om het onbegrijpelijke logisch te maken.

Maar Niemandsland is in de eerste plaats een verhaal over ontdekking, avontuur en fantasie, over de onbegrensde wereld waarin kinderen leven. En hoe die jammer genoeg clasht met de wereld van de volwassenen, een onttoverde wereld, waar al te vaak een schrijnend gebrek is aan fantasie en avontuur. Het felst komt dat tot uiting aan het einde van het verhaal, wanneer (spoiler!) Gurkje zich terug lijkt te zullen moeten schikken in het leventje dat haar ouders en/of de gemeenschap voor haar voorzien. De nieuwsgierige, slimme durfal moet toch vooral zien dat ze er betamelijk voorkomt.

Als lezer vind ik dat lichtelijk unhappy end misschien ergens jammer, als schrijver kan ik niet anders dan applaudisseren voor de narratieve opbouw. Marijke Roza-Scholten weet hoe je een verhaal zo structureert dat je boodschap het hardst binnenkomt."

Foto: Sofie Silbermann

Gerelateerd

Tip

Niemandsland

 Het grondgetal van de meidoorn is vijf. Gurkje fluisterde de woorden voor zich uit. Ze zat verscholen in een forse meidoorn die haar omhulde met een bruidssluier van witte bloesem, met doorns die honden en mensen op afstand hielden en met talloze mooi gevormde, diepgroene blaadjes.Ze verplaatste een voet die op een grote tak rustte, voorzichtig, ze zat vrij hoog. Met haar hand streek ze zachte over de ruwe, verwrongen stam. Ze herhaalde de woorden, nu bijna geluidloos. Ze had ze gelezen in een boek in de schoolbibliotheek. Of eigenlijk had ze gelezen dat de eenstijlige meidoorn, net als de tweestijlige, behoorde tot de rozenfamilie. En dat het grondgetal van bloemen uit de rozenfamilie vijf was. Met haar linkerwijsvinger voelde ze aan het puntje van een doorn. Ze had verder willen lezen maar de bibliotheekjuf had het boek voor haar neus dichtgeslagen. Ze mocht de boeken ‘geschikt voor de hogere klassen der lagere school’ echt, heus nog niet inzien. De juf meende het. En of ze dat nu voor eens en voor altijd in haar oren wou knopen.Wat was er zo geheim aan het grondgetal van de een- of tweestijlige meidoorn? Ze herhaalde de woorden weer, proefde ze, liet de g’s en de r-en grommen in haar keel, maakte de ei’s en de o’s zo rond als ze kon en liet de m lekker lang hummen. Daarna zei ze ‘eenstijlig’ en ‘tweestijlig’ een beetje zingend. De bloesem rook lekker zoet en wild tegelijk. Ze snoof er eens goed aan en zocht het ritme in de woorden ‘het grondgetal van de meidoorn is vijf’. Zou het grondgetal van het ritme ook vijf zijn? Een vijfkwartsmaat. Ze kon het eens vragen bij de blokfluitles.Haar ogen volgden de takken, haar vingers gleden langs de omtrek van een blad. Een gelobd blad, zo heette dat. Net als bij eikenblaadjes. De takken vormden een warrelend patroon.Ze rekte de ij in vijf een poosje en ging er een hele toonladder mee op en weer af. Ondertussen probeerde ze tussen de vracht aan bloesems en blaadjes door naar de wereld buiten de boom te kijken. Daarbij leek het steeds, heel even maar, alsof ze een glimp van een andere wereld zag. Een wereld met vijf punten, sluiers, een sneeuwbepoederde doornenkroon. Als ze met haar hoofd of haar ogen draaide, gebeurde het. Een wereld waarin bloemen, bladeren en takken naar een middelpunt vloden of juist daarvandaan. Maar ook een wereld die ze niet vast kon houden, telkens schoof de gewone wereld eroverheen. Op een tak bovenin zong een merel. Zong die van die andere wereld? Vogels hadden veel betere ogen dan mensen.De klok van de kerk sloeg vijf keer. Als ze nu naar huis ging, was ze op tijd om de tafel te dekken en zou niemand vragen waar ze geweest was. Eenmaal op de grond keek ze of ze haar kleren niet had opengehaald en veegde ze haar handen schoon met haar zakdoek. 

Marijke Roza-Scholten
96 8

Gepubliceerd op

18 nov. 2020