Er vloog een meeuw in haar keel

Terug naar het overzicht

Er vloog een meeuw in haar keel. Ze voelde hem zitten, hij was op haar strottenhoofd geland en streek er nu zijn veren glad. Hij was schoon en zacht, met plukken dons in zijn verentooi. Ze probeerde er kleuren in te onderscheiden, maar er was alleen wit. Wittig beige net als de muren van haar kamer in de stad aan het water. De meeuw keek haar met een kraaloog aan en even leek het alsof het zwart haar opslokken zou. Ze wilde hem grijpen en net toen ze haar handen uitstak om de vogel uit haar keel te trekken opende hij zijn snavel en riep luidkeels dat het over was.

Ze was bezweet. Haar haar plakte aan haar hoofd en nek en toen ze erdoor streek bleef een pluk aan haar hand kleven. Ze schudde de klit van haar vingers. Het was donker, het maanlicht priemde doorheen de blinden en onttrok flauwe schaduwen aan de bank naast de boeken. De boeken. Hij kocht ze op de markt, toen die net open was op een vroege winterochtend en het kraakte onder hun voeten. Het kraakte toen ook onder hun wereld. Ze kende elke letter uit het hoofd al las ze nooit een woord. Hij las ze voor. Ochtenden en avonden versmolten op het ritme van zijn adem en wanneer de nacht hun lichamen zwart kleurde bleef ze roerloos hopen dat ze wakker was.

Toen was er nog alles. Hij en haar en de beige kamer in de stad aan het water. Nu was er alleen nog diezelfde kamer, het bed waarop ze lag en het legpuzzelschilderij aan de muur. Het was er stil. Zij was stil. Ze hield haar adem in om het nog stiller te maken en sloot haar ogen. Ze dacht aan het strand. Er moest licht zijn en water, maar toen zij er stond was het donker geweest, koud, en vooral te stil. Ze had de haai in de golven gezien, maar hij had haar bloed niet geroken. Dat was vroegtijdig in haar aderen gestold toen haar hart versteende bij het dichtslaan van de deur. Bij het uitademen vervloekte ze de kortstondige ademloosheid. Ze sloeg haar ogen op naar het schilderij uit duizend-en-één stukken dat ze samen legden. Het was een kamer voor twee, met niets dan een bed met houten spijlen met van die draaiknoppen op waar je niet aan draaien kan.

Ze dacht aan haar terras en aan het zonlicht dat er nu vast opviel. Fel, direct, zonder vrees neerzengend op de al verdorde planten. Dor was niet dor genoeg. Het beeld van een zomer die er niet was kleefde op haar netvlies. In gedachten liep ze weg, weg van haar kamer in de stad aan het water, over kusten nergens, want er was niets meer, alles was weg, net als zij. Alleen het stallinkje van kerst stond nog naast de bank met een opgebrande kaars ernaast.

Ze dacht aan het gras en hoe groen het nu was, zo groen als hoop zijn kon of nog groener misschien, als pas verschenen lentegras dat nog volop denkt seizoenen te overleven. Door de blinden heen waaide nu een flauwe zucht wind. Ze rilde even, ook al was de wind warm en zuiders. Het laken waarop ze lag verdroeg haar huid niet meer. Toen ze haar arm om zich heen legde viel Jezus uit zijn kribbe op de koudbruine vloer. Het stof brak zijn val en zijn kroon.

Daar ergens in de stad was hij, net als zij, maar waar zij was was niets meer en waar niets meer was wou zij zijn. Ze waarden rond haar, de geesten, zoals enkel geesten rondwaren kunnen in gedachten en hoofden van mensen die op bedden liggen en staren naar wat was. De wind waaide weg uit haar kamer in de stad aan het water. Het was beige daar, en stil.

Geschreven door Sara Greet op 30/11/2013 - laatst aangepast op 15/03/2017

  • proza
  • poëzie

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home