Niet dat het hiervoor ooit de juiste tijd zal zijn. Dat er voor zo’n wrede daad ooit een juiste tijd kan zijn. Maar het is te ver zoals het nu is. Het moet gebeuren. Vannacht.

We roken en we drinken om niet langer te voelen in welke verschrikkelijke situatie we zijn terecht gekomen. En hoewel we allebei weten hoe weinig het roken en het drinken helpt, want deze routine gingen we vaak door, doen we door. Moed hebben we nodig om te doen wat al lang moest gebeuren, moed om te ontdoen wat we deden. Daarna zullen we onszelf moeten vergeven. Vergeten is geen optie.

We discussiëren over wie er zal rijden. Het is half twee en de tijd dringt. In elk ander geval zou ik willen rijden, maar hoe minder ik moet deelnemen aan vannacht hoe beter. Zij weigert, zegt niet in staat te zijn. En ik wel dan?

Er is geen tijd om te treuzelen. Dat deden we al te lang. Al van in ’t begin.

Ik neem de sleutels.

Dan gaan we samen naar boven en nemen mijn kind, ons kind uit zijn bed. Zachtjes, zodat hij niet wakker wordt. Terwijl ze hem uit mijn handen neemt, fluistert ze mij hoe graag ze hem ziet. Hoe hij haar leven beter maakte en wat hij allemaal betekend heeft voor haar in de korte tijd sinds hij geboren is. Ik heb moeite om mijn tranen op te eten, want ik voel ieder woord, iedere toon in haar stem.

We omhelzen elkaar met ons kind tussen ons in. Een verschrikkelijk moment. Misschien dat dit gevoel nog verschrikkelijker is dan dat dat ons buiten opwacht.

Ik ga het huis uit om de auto te halen. Mijn gezicht is nat en de koude winterwind snijdt in mijn vel. Touw, stenen en een vuilniszak lagen al klaar in de koffer, daar hoef ik niet meer aan te denken.

Ik rij tot aan de deur van mijn huis, waar zij klaarstaat met ons kind, ingewikkeld in zijn donsdeken. Ik stap uit om de deur te openen voor haar, zij stapt in met het kind op haar schoot. “Waar rij ik naartoe?”, vraag ik. Dit hadden we al lang afgesproken. Ik weet niet waarom ik het vroeg. Misschien wilde ik haar zo wel vragen of ze het zeker wist.

Het spaarbekken in Wippelgem. Een plaats die ik haar had willen laten zien toen ze nog zwanger was. De onnatuurlijke manier waarop daar zoveel water op één plaats verzameld wordt, vond ik iets vreemds. Ik parkeer de auto tussen de bomen, zo dicht mogelijk bij het water. Ik haal wat we nodig hebben uit de koffer terwijl zij ons kind naar de rand van de artificiële massa water draagt .

Ik blijf denken hoe het had kunnen zijn, hoe ons kind groot had kunnen worden, hoe we het een vol leven hadden kunnen schenken. We hadden er de kracht voor. We zouden goede ouders geweest zijn.

Zij spreekt al niet meer sinds we in de auto stapten. Maar woorden waren niet nodig. Ik ken haar. Ik weet hoe ze op dit moment denkt. Net... zoals... mij...

Gelukkig slaapt hij nog.

“Dit vergeef ik mezelf nooit”, fluister ik en de stilte van de nacht breekt hard met het geluid dat het water maakt. De tijd stopt. Mijn hart raast in mijn borstkast. Ik mag niet denken aan wat ik net deed. Ik neem haar arm vast, want ze staat te wankelen en dreigt neer te vallen. Ik ondersteun haar, spoor haar aan om samen te verdwijnen. We struikelen samen naar de auto. Ik neem het stuur vast, zet de radio uit en begin te rijden.

Ik ben moe en dronken, maar we moeten nog ver.

Geschreven door Ward Sprolie op 21/01/2014 - laatst aangepast op 11/03/2014

  • proza

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home