Voor Otto Frener was het leven een kermis. In zowel de letterlijke als de symbolische betekenis van het woord en alle schakeringen daar tussenin. En er zijn drie belangrijke dingen die je over hem moet weten vooraleer we verdergaan: hij had een hekel aan onnodige dramatiek, zijn smoutebollen waren bijna even memorabel als de hittegolf van 2003 en na de dood van zijn vrouw waren er krakjes beginnen ontstaan. En Otto had humor, zelfs zakken vol ervan. Bij de geboorte van zijn zoon had hij zo lang aangedrongen dat zijn arme vrouw er akkoord mee was gegaan het kind Fred Frener te dopen. Enkele jaren daarvoor, bij de opening van zijn smoutenbollenkraam, had hij naar eigen zeggen de wonderbaarlijke ingeving gekregen het de naam “Smottobollen en meer” te geven. Otto Frener was dan wel niet te vinden voor dramatische gebeurtenissen, als het op plezier maken aankwam hadden veel mensen iets van hem te leren. Je moet ook weten dat Otto een heel wijze man was, van de soort intelligentie die bekrompen zielen niet zouden toeschrijven aan een simpele marktkramer. Otto’s kraam had een vaste plaats op het dorpsplein en gedurende het hele jaar werd het vaak bezocht door dorpelingen en passanten. Wanneer de warmere maanden aanbraken en er in naburige dorpen een kermis op poten werd gezet, ging ‘Smottobollen en meer’ naar goede gewoonte ieder jaar de andere kraampjes en tal van attracties vergezellen. Toen kleine Fred drie jaar oud was spoorde Otto hem aan om in een straal van een vijftigtal meter met een stel macarenas al kierend mensen aan te klampen en reclame te maken voor zijn goede oude heer die even verderop boven de frituurketels stond te zwoegen. “Ach Anja,” zei hij dan wanneer zijn vrouw protesteerde, “die jongen groeit zo snel dat het ons ontgaat.” En enkele woorden zoals deze waren dan genoeg om zijn lieve Anja gunstig te stemmen.

 

Het groeien ging zo snel dat het verouderen aan zowel Otto’s als Anja’s aandacht was voorbijgegaan. Voordat ze het goed en wel beseften was de kleine Fred een stevige jongeman van twintig geworden en waren hun eigen lichamen begonnen aan een trieste aftakeling. Want dat was het enige woord dat Otto eraan gaf: triest. Zijn wangen waren doorheen de jaren ingevallen, er lagen donkere kringen onder zijn ogen en zijn dunne haar was geleidelijk begonnen aan de vergrijzing. Anja had het moeilijker met de hele zaak. Het vet aan haar buik begon stilaan meer en meer over haar broeksrand te hangen en fijne rimpeltjes sierden haar grijze ogen. ‘Wat heb ik nu eigenlijk aan mijn jonge jaren gehad?’, vroeg ze Otto een keer toen de twee zich aan het klaar maken waren om naar het trouwfeest van een achternichtje van Anja te gaan. Ze draaide enkele keren rond haar as voor de spiegel en probeerde het riempje rond haar jurk nog een gaatje strakker te steken. ‘Waarom heb jij mij nooit ten huwelijk gevraagd? Ik heb vroeger nooit de kans gekregen om met mijn strakke troeven te pochen in een trouwjurk, boerke!’ Otto had met zijn ogen gedraaid en zijn das wat losser getrokken. ‘Omdat ik geloofde dat er nog mensen zijn die uit welwillendheid bij elkaar blijven.’ En met die woorden in zijn achterhoofd waren ze ten slotte vertrokken. En toen had Otto nog maar eens een keer tegen zichzelf gezegd dat hij een hekel had aan discussies zoals deze. (het was allemaal minder serieus dan hoe het hier op papier klinkt) Een jaar later waren ze vertrokken naar het huwelijk van Fred. Anja’s buik was nog meer gaan uitpuilen, Otto was haar beginnen te verliezen, en hun kibbelen was blijven verdergaan zoals het pruttelen van het frituurvet in zijn kraam: steeds luider, maar makkelijker te negeren met het verstrijken van de jaren. En hoewel ze hun goede en slechte tijden kenden, Otto was altijd een beetje trots geweest op zijn keuze om niet te trouwen. Want wit was toch nooit Anja’s kleur geweest.

 

 

Na zijn middelbare school afgemaakt te hebben was Fred vrijwel direct begonnen met fulltime in het kraam te werken. Het had niet minder dan logisch geleken, zoals het had moeten zijn. Otto genoot altijd van het reizen en zeilen in zijn kraam, maar pas wanneer ze naar een kermis in de buurt trokken had hij de tijd van zijn leven. Hoe ouder Otto en Anja werden, hoe meer Fred en zijn vrouwtje Sarah het werk op zich namen. ‘Waar is die oude rakker?’ vroeg men dan bij het bestellen van een portie smoutebollen of Brusselse wafel. Meestal haalde die twee dan hun schouders op. ‘Hij vindt het leuk om alle attracties uit te proberen’, zeiden ze dan uiteindelijk. En natuurlijk, na verschillende ritjes in de wildste attracties achter de rug te hebben kwam Otto dan altijd weer aangesloft bij zijn kraam. ‘Fred, geef je vader eens een keer een portie van 12, de sfeer zit goed vanavond.’ En zoals een zoon dan gehoord was om te doen, luisterde ook Fred naar zijn oude vader, terwijl hij zich steeds weer afvroeg waarom Otto dikwijls met een paar macarenas in zijn ene en zijn smoutebollen in de andere hand op wandel ging. Die man zat vol mysteries en grappen, en Fred had geen idee tot welke categorie dit rare voorval toebehoorde.

Anja stierf in januari 2006. Het plein met de vaste plaats van “Smottobollen en meer” transformeerde in een zee van bloemen. Otto besloot om zich een paar dagen in stilte terug te trekken achter zijn voorgevel, maar na een kleine week stond hij erop zijn werkschort weer aan te trekken en smoutebollen te frituren zoals hij nog nooit eerder had gedaan. Telkens wanneer Freds blik de zijne kruiste keek een oude man met een aantal krakjes terug. ‘Kijk niet naar mij alsof ik elk ogenblik neer kan vallen,’ zei hij op een dag tegen hem. En met die woorden strooide hij een hoeveelheid bloemsuiker op een bestelling die het dochtertje van de vrouw aan de andere kant van de toonbank deed kirren van plezier. Voor Otto Frener was het geen optie zich gewonnen te geven aan de tol van zijn drukke jaren, hij had nog zoveel dingen te beleven.

 

‘Er valt nog zoveel te beleven, Fred.’ Wanneer hij het fotoalbum neerlegt en zich omdraait, staat Otto in de deuropening. Er blinken pretlichtjes in zijn ogen en zijn zoon kan zien dat zijn gedachten elders zijn. Wanneer Fred de auto aan het plein parkeert begint de middagzon net door de wolken heen te breken. Otto haalt zijn sleutelbos tevoorschijn en begint de sloten van het kraam te openen. ‘De sfeer gaat goed zitten vanavond, Fred,’ zegt hij opgewekt. ‘Waarover had je het daarnet?’ vraagt die nieuwsgierig. Otto kijkt hem even aan alsof hij hem net heeft gevraagd hoeveel één plus één is. ‘Wat ik zei, jongen! Er valt nog zoveel te beleven, en mijn zoon zit zijn tijd te verdoen met oude fotoalbums door te bladeren en herinneringen op te halen van lang vervlogen tijden. Leef in het nu, zoon, da’s wat ik je zeg.’ Na die woorden bond Otto al fluitend zijn schort om en liep het kleine trapje af om het bord recht te zetten, terwijl Fred zich afvroeg of zijn vader briljant of seniel verward was. Hij gokte op de middenweg. Tegen de avond was het plein gevuld met allerhande kramen van de jaarlijkse kermis in Otto’s dorp. Vrijwel alle marktkramers begaven zich na aankomst naar “Smottobollen en meer” om hun oude vriend te begroeten en iets lekker mee te pikken na hun vaak lange reis. ‘Ottoman!’, schreeuwde een gezette man met een walrussnor en Nederlandse toonval enthousiast vanaf 30 meter afstand. ‘Hoe gaat het met mijn favoriete ouwe oliebol?’, vroeg hij toen hij Otto in een stevige omhelzing nam. ‘Ik kan wel een stevige portie van je bollen gebruiken man, dat verkeer was niet te doen vandaag!’ Otto klopte hem amicaal op de rug en begon enthousiast te vertellen. Na nog enkele nieuwsuitwisselingen nam de man afscheid en liet Otto beloven dat ze straks samen een glas zouden drinken. Otto ging samen met Fred weer aan de slag en mompelde nog wat gelukzalig na over zijn weerzien met een oude vriend. ‘Zorg dat hij je niet onder tafel drinkt straks,’ grinnikte Fred. Otto lachte en gooide een pannenkoek de lucht in. “Zeg maar tegen je moeder dat ik laat thuiskom vanavond.”

 

Als alles goed ging was er lawaai. Gelach en getier, met een glimlach en geamuseerd handgebaar. Als het goed ging waren ze met drie als een geoliede machine. Er was een logica en herhaald patroon terug te vinden in hun handelingen. Otto nam vanzelfsprekend de charismatische taak op zich. ‘Ze komen niet alleen voor de calorieën, benjamins,’ zei hij op een avond tegen zijn zoon en schoondochter toen het laatste groepje klanten was weggeslenterd. ‘Er is meer nodig dan suiker om mensen zoet te houden.’ En met die uitspraak reikte hij hen beiden een gekarameliseerde appel aan die hij bij het vallen van de avond stilletjes opzij had gelegd. Bij kermissen was het altijd goed, was er altijd lawaai en meer terug te vinden. In de dagelijkse sleur slopen er met het verstrijken van de jaren meer en meer slechte dagen. Op een zomerdag, enkele jaren na Anja’s dood, begonnen Otto’s handen te trillen. ‘Dat is de elektriciteit die hier in de lucht hangt’, grapte hij dan als er vrouwelijk schoon aan zijn kraam stond. ‘Het kan geen kwaad om wat af te bouwen, vader’, haalde Fred op een zondagmorgen voorzichtig aan. Otto en hij maakten naar goede gewoonte een wandeling naar de bakker voor keizerpistolets. ‘Doe het een beetje rustiger aan, zoek misschien een hobby. Ik heb gehoord dat ze in het café op de hoek nog iemand zoeken voor te kaarten.’ Otto wimpelde zijn voorstel met een groot handgebaar weg. ‘Doe niet zo dwaas Fred Frener, mijn kraam is de beste hobby die ik kan hebben.’ Om zijn woorden kracht bij te zetten versnelde hij zijn pas en ging met zijn handen in zijn zakken voor zijn zoon uit lopen. Na een minuutje draaide hij zich om en liep achterwaarts verder. ‘Ik zal je nog meer zeggen: mijn zoon is een hannes die denkt dat ik mijn vervaldatum nader en schrik heeft dat ik binnenkort met mijn verwarde hoofd in een driftige bui op mijn toonbank ga staan en in een pruttelende frituurpan urineer. Wel, vandaag trilt alles.’ En na die uitspatting, die voor Otto Freners karakter bijzonder ongewoon was, liep hij het eerstvolgende zebrapad over en ging een supermarkt binnen. Want uiteindelijk was een doos ontbijtgranen even goed voor hem.

 

Er zijn altijd zaken die het verdienen om onthouden te worden maar toch in de vergetelheid terecht komen. Bijvoorbeeld de manier waarop Anja haar lippen stiftte en hoe ze zich na een lange dag gelukzalig in de sofa uitrekte. Of de euforie van een kleine Fred wanneer de zomervakantie begon, zonnestralen leken nog nooit zo warm. En er begonnen dagen voor te vallen waarop Otto in een te lage versnelling leek vast te zitten. Dan leek de damp in het kraam nog nooit zo heet en het kabaal nog nooit zo luid. Bij de plaatselijke kermis in de zomer van 2011 was er een dieptepunt en het begon allemaal met die verdomde appelbeignets. Een vrouw van middelbare leeftijd, het type waarvan men na één blik kan afleiden dat ze aan bloemschikken doet in haar vrije tijd en graag tripjes maakt naar plaatsen als Zurich, had een portie churros en enkele gekarameliseerde appels bestelt. Nu moet je weten dat de familie Frener in de loop der jaren een duidelijke taakverdeling had ontwikkeld. Hoe ouder Otto werd, hoe vaker hij Fred de opdracht gaf vooraan te staan en hem om de zoveel tijd enkele bestellingen toe te roepen. Het was geen poging om zichzelf te ontlasten van het harde werk, het was simpelweg Otto die na het lange zeuren van zijn oude lichaam inzag dat hij niet langer het meeste werk op zichzelf kon nemen. En natuurlijk waren er mensen die zich dan afvroegen waar die fervente verkoper van lekkernijen naartoe was gegaan, en met een simpel gebaar kwam hij dan vanachter het achterste keukenmateriaal vandaan. Op de dag dat de dame in kwestie bij ‘Smottobollen en meer’ stond, was het ook haar bestelling die Fred zijn vader toeriep. En met zijn arme verwarde hoofd had Otto per ongeluk een portie appelbeignets klaargemaakt. Zoals elke bestelling die hij op zich nam gaf hij ook deze zelf af aan de klant, wat hem die dag een verontwaardigde blik opleverde. ‘Ik heb zoveel over deze tent gehoord,’ had de bloemenschikster met een opgeheven neus gezegd, ‘en dan blijkt er hier zo weinig verschil tussen appels met karamel en appelbeignets te bestaan? Misschien had ik in dat geval beter een stroopwafel kunnen bestellen, dan waren die appels misschien toch in orde gekomen.’ Na die kleine uitval had ze de zak appelbeignets uit Otto’s trillende handen gegrist en hem ontzet achtergelaten, terwijl de jingles van de nabije attracties hem luider en luider in de oren klonken en er niets anders dan schaamte door hem heen ging. Later die avond, op een moment dat het rustig was en de gewoonlijke drukte al even voorbij was, mompelde hij tegen Fred dat hij een luchtje ging scheppen en liep het kraam uit. De avondlucht leek zuiverder en koeler dan anders, ook al hingen er verscheidende kermisgeuren in de lucht. Hij had geen bestemming, maar besloot om niet terug te gaan vooraleer hij zich beter voelde. Hij dacht aan Anja en al die keren dat haar lach aan zijn zijde had geklonken. Alles was heel ver weg, zelfs de schort die hij nog steeds aanhad was niet van hem. En dan zag hij plots de vrouw van de appelbeignets, slenterend aan de arm van haar man. Hoewel ze nog relatief ver weg was zag Otto restjes bloemsuiker aan haar mondhoeken hangen. ‘Ik heb een kraam, geen tent,’ fluisterde hij tegen zichzelf. En op dat moment wist hij heel zeker dat hij dat moment nooit mocht vergeten.

 

Ik vraag mij af waar het ophoudt, denkt Otto wanneer hij de zoveelste donkere hoek omslaat. Pas toch op ouwe vent, heb je dat geraamte niet zien staan? Otto grijpt naar zijn borstkas en lacht. ‘Je had me er bijna bijgelapt, knul!’, roept hij over zijn schouder. Ergens ver achter hem breken opgewonden kindergilletjes door. Vanaf het plafond strijken metalen schakelkettingen over zijn kalende kruin en in de wanden licht regelmatig schemerige rode neonverlichting op. Gewillig laat de oude Otto zich op zijn handen en knieën zakken. Na een paar meter buigt de grond stijl af naar beneden. ‘Ik verwacht een prijs straks,’ mompelt hij voor zich uit, vooraleer hij op zijn zij naar beneden rolt. Na nog een kleine vijf minuten het donkere parcours gevolgd te hebben en een schouderklopje te hebben uitgedeeld aan een jongedame die zich voordeed als Bloody Mary, staat Otto weer buiten in de drukte. Een groeiende rij wachtenden kijkt hem aan. Hij maakt een buiging en loopt om hen heen naar het kleine loket toe. ‘Ik hoop dat er volgend jaar weer een paar zombies zijn. Die rakkers zijn pas eng,’ fluistert hij het tweetal achter de kassa met een knipoog toe. Als hij zijn weg vervolgt maakt Otto een zwierige pirouette. Het spookhuis is een favoriet van hem.

 

Het leven is zoeken en opnieuw kwijtraken. Ik ben altijd aan het broeden op iets. Een gezicht dat mij bekend voorkomt; iets dat ik twee minuten geleden wou zeggen en me nu ontglipt is; bepaalde puinhopen die ik maar niet uitgeklaard krijg; het vinden van een iets dat wacht. Er zijn momenten van sereniteit en er zijn dagen van paniek. En ik wil praten over de gaten in mijn leven en het zoemen in mijn hoofd. Ze willen mij doen bedaren en begraven, suiker was nog nooit zo nutteloos. Ik loop rond en rond en zonnestralen zijn zo heet dat alles koud is. En dan uiteindelijk gaat iedereen te snel voor een oude marktkramer die onzin uitkraamt en begint vast te roesten in een iets dat al lang vervlogen is. Maar er is een schoonheid die ik niet kan thuisbrengen en mij daaraan vasthouden is het enige dat mij nog zekerheid kan brengen. Hoeveel dagen zijn er nodig om weg te schemeren? Zelfs een spookhuis voelt als ongrijpbare rook. Gelukkig zullen er altijd jingles zijn om op te dansen.

 

Otto voelt een hoestbui opkomen en laat het gaan. Hij moet een paar keer in het gras spugen om er helemaal vanaf te geraken. Het is een warme dag en hij zoekt met zijn ogen steeds weer het weerkaatste zonlicht op het wateroppervlak van het meer op. ‘Het is goed zo,’ mompelt hij. Anja maakt zich los van haar eigen gedachten en kijkt hem van opzij aan. ‘Wat? Wat is goed?’ Otto wacht even met antwoorden en raakt vluchtig haar hand aan. ‘Het nu. En alles wat nog komen zal.’ Hij gooit de laatste stukjes brood naar de kwetterende eendjes en zet zich neer in het gras. ‘Soms doe jij toch zo’n zotte uitspraken.’ Anja komt naast hem zitten en probeert een moedige eend wat dichterbij te doen komen. Otto bekijkt de lucht, die blauw en eindeloos is, en kan een glimlach niet onderdrukken. Zot is hij altijd al een beetje geweest.

 

Als er een getolereerde manier zou zijn om het einde van verhalen te verklappen, zou dit het moment zijn waarop een lang verwachte aap uit de lapjesmouw komt. Want er zijn veel anekdotes van Otto die de moeite waard zijn om te vertellen en minstens evenveel woorden die het verdienen om te worden geciteerd, maar niemand is onvervangbaar. En natuurlijk sterft onze lieve vriend Otto ergens tussen deze regels. Pif poef paf, deze kous is allang af. Voor Otto lag er schoonheid in zijn kluwen van vervlogen tijden en gingen liefde en zotheid hand in hand. Voor sommige mensen is het leven een jacht en er zijn ongetwijfeld schatten die de moeite waard zijn, terwijl anderen rondslenteren op een kermis van kleurpaletten die uiteindelijk durven vervagen. En oud worden leek nog nooit zo moeilijk en makkelijk nu Otto zijn schort aan één of ander haakje heeft weggehangen. Want er is niets meer zinvol dan te leven met teveel zaken om allemaal in handen te houden. Bestaan is niet loslaten en leven is vasthouden, en met die geruststellende gedachte heeft Otto Frener uiteindelijk alles laten gaan.

 

 

 

 

 

 

 

Geschreven door Cara Jacobs op 06/07/2017 - laatst aangepast op 23/08/2017

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home