In de zomer van 1943 moest Gurkje op een namiddag eieren brengen naar een oom en tante die met hun kinderen uit Rotterdam waren gekomen, na de bombardementen. Ze waren in het huis naast de smidse getrokken, waar de oude Matse had gewoond.

Ze liep traag, haar benen voelden zwaar. Oom en tante deden uit de hoogte, alleen maar omdat ze uit de stad kwamen. Altijd was ze bang iets doms te doen als ze bij hen was. En dan was neef Fer er nog, bij het vechten met de andere jongens dreigde hij met een mes. Huu. Hij was al vijftien en had een snorretje, een beetje een vies snorretje.

Ach, misschien waren de nichtjes er wel. Hè, haar lange wollen kousen kriebelden zo achter haar knieën. Zou het vanavond weer helemaal rood zien, net als gisteren? Nou, ze smeerde er heus geen karnemelk op hoor. Niet nog eens. Moe kon dat wel zeggen, maar het was erg gaan stinken. Bah. Het kwam vast door de warmte dat die kousen zo kriebelden.

 

De keukendeur was open, Fer zat aan de keukentafel. Eigenlijk was er niks mis met zijn snorretje als je hem zo rustig zag zitten lezen.

‘Vader en moe zijn er niet,’ zei hij.

Ze voelde haar hart bonzen, heel raar, niet alleen in haar keel maar ook ergens diep in haar buik. Daar zat haar hart toch helemaal niet?

‘Ik kom eieren brengen, de kippen hebben goed gelegd.’ Ze zette het mandje op tafel. Zou ze verder nog iets tegen haar neef moeten zeggen? Hij was best wel knap, zoals hij daar aandachtig naar haar zat te kijken.

‘Je bent toch een mooi meidje, voor in zo’n stom boerengat,’ zei hij. Ze wiebelde een beetje, van haar tenen naar haar hielen en terug, zijn stem klonk zo vreemd; stoer en beslist maar ook vriendelijk. Er kriebelde iets, maar het waren niet haar kousen en het kriebelde ook niet aan haar benen. Ze wist niet goed waar het wel kriebelde.  Zou dit nou vleien zijn, wat hij daar deed? De nonnen op school waarschuwden voor vleiende mannen. Maar hij was haar neef, of is dat ook een man. Fer stond op, nu kon ze niet meer naar buiten, haar neef en zijn stoel blokkeerden de weg tussen tafel en gootsteen. Wou ze dan weg? Nee, ze wou weten hoe het verder ging. Ze schuifelde naar achteren. Hè, ze moest plassen en het gemak was buiten, in de tuin.

De kraan drupte, ze duwde haar bovenbenen steviger tegen elkaar. Fer had toch een mooie glimlach, zo volwassen, alsof hij alles wist. Gek dat ze dat niet eerder had gezien. Wanneer zou ze eigenlijk borsten krijgen? Oei, wat een rare gedachte, waar kwam die nou weer vandaan. Het was misschien wel een zondige gedachte. Zou het? Moe had ook borsten.

Toen deed Fer zijn broek naar beneden, zonder iets te zeggen. Zijn piemel was dik en paars en stond omhoog. Ze voelde een zweetdruppeltje van tussen haar haren omlaag naar haar neus lopen en maagzuur dat naar boven kwam. Nu moest ze wel weg, straks ging ze nog zo over die piemel spugen. Ze loerde naar het keukenraam en de deur. Het lukte haar niet om te bewegen en er wou geen geluid uit haar mond komen. De jeuk achter haar knieën werd erger en ze moest nog steeds plassen.

Plots werd de stilte van die zomermiddag verbroken door het gerammel van emmers bij de buren. Er ging een schok door Gurkje heen, ze keek van de tafel naar de deur, dook in elkaar en schoot onder de tafel door naar buiten. ‘Huh’, zei Fer. Hij stond nog bij de tafel toen ze door de tuin rende. Bij het hekje voelde ze dat ze in haar broek pieste. Een beetje maar.

 

Ze rende naar de nonnenschool, die was vlakbij. Achter de kapel kon niemand haar zien, de struiken daar stonden vol in blad. Ze schortte haar rok op, deed haar onderbroek naar beneden en hurkte. Ze voelde de pis naar buiten sproeien. In haar onderbroek zat een natte plek maar die zou met dit weer wel drogen.

Weer aangekleed bleef ze daar nog wat staan. Het bonzen van haar hart nam af, haar maag werd rustig. Ze wreef over de jeukende plekken achter haar knieën. Vanuit de kapel hoorde je de nonnen zingen en bidden. Misschien moest ze iemand vertellen wat er gebeurd was, maar wie dan. En wat als ze Fer zijn dinges zou moeten beschrijven of als ze vroegen wat ze allemaal had gedacht.

‘Et in saecula saeculorúm, Amen,’ klonk het. De nonnen zouden zo naar buiten komen en daarna was het al bijna spertijd. Ze kon beter naar huis gaan. Gurkje kroop door de struiken naar de kant van de sloot. Hè, ze had het mandje vergeten, het stond nog op de keukentafel bij Fer. Nou kreeg ze natuurlijk een standje.

Geschreven door Marijke Scholten op 04/08/2017 - laatst aangepast op 01/10/2017

  • proza
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home