Wat je deelt raakt niet stuk. Dat zei je me bij de laatste croissant. Je brak het broodje in tweeën, gaf me de helft en gooide de kruimels naar de meeuwen. Gelieve de meeuwen niet te voederen, daar trok jij je niets van aan. Al die woorden, zei je, neem ze maar allemaal met een korrel zand. Tot het laatste moment had je iets luchtigs om je heen.
Ik borg de restjes in de picknickmand op, wierp een blik over de duinen en veegde het zand van mijn voeten. Alleen de angst om je te verliezen bleef aan me kleven.
In de auto was het stil. Je zei geen woord. De lucht verkleurde, de dag nam langzaam afscheid van het licht. Je zocht rust in je hoofd. Tevergeefs. Met het einde in zicht, sloot je zacht je ogen.

Zeven maanden later wurm ik me nog steeds door de dag. De tijd balsemt veel te traag. Af en toe kom ik hier terug, dan kijk ik de zee recht in het gezicht. Een vlieger worstelt met de wind, een labrador molesteert een rubberen bal, het onmetelijke strand dwingt me tot gepeins. In de verte sleept een eenzame boot zich over het onrustige water. De noorderwind maait het zand onder mijn voeten. Elke stap brengt me dichter bij dat wat ik vrees. Een ongedurig hart. Een lege hand. Ik heb alleen nog verweesde kruimels in mijn oude vest. Waar zijn die verdomde meeuwen als je ze nodig hebt?

 

 

Geschreven door Gino Dekeyzer op 15/04/2019 - laatst aangepast op 15/04/2019

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home