Aan de manier waarop Kurt de voordeur behandelde bij het binnenkomen, kon Liesbeth al horen dat er iets mis was. Niet omdat hij hem extra hard dichtsloeg ofzo –dat zou hij nooit doen. Kurt was een man van nuances en Liesbeth had geleerd dat rimpelingen op het water zijn equivalent waren van een storm. Telkens hij thuiskwam, spitste ze haar oren en nam de opeenvolging, het ritme en de amplitude van de geluiden op die aangaven dat haar man de deur opende en sloot, zijn jas aan de kapstok hing en zijn schoenen verwisselde voor zijn pantoffels. Wanneer hij even later de keuken binnenkwam, wist ze al in welke stemming hij was en aan de toon waarop hij “hallo lieverd” zei, hoorde ze de bevestiging van haar vermoeden.

“Hallo lieverd.”

Er was inderdaad iets heel erg mis.

“Dag schat, hoe was je dag?”

Hij keek haar aan met een strakke blik en legde een opgevouwen krant op de keukentafel.

“De cartoon op pagina twaalf,” zei hij, “daar moet je eens naar kijken.”

Liesbeth veegde haar handen schoon aan een vaatdoek, nam de krant en vouwde hem open.

Oh-oh...

De spotprent was onmiskenbaar een afbeelding van haar man: zijn scherpe kin, hoge haardos, de aanzet van bakkebaarden. Die zware maar welgevormde wenkbrauwen. Een mooie karikatuur eigenlijk, alles welbeschouwd. Ware het niet dat hij er poedelnaakt op stond. Op een kroontje en een scepter na dan.

Liesbeth keek op en zag dat haar man moeite had zijn kalmte te bewaren nu hij de tekening weer onder ogen kreeg.

“Het is maar een parodie, lieverd,” zei ze sussend, “de nieuwe kleren van de keizer, iedereen kent dat verhaal. De mensen zullen wel begrijpen dat...”

“O, met parodiëren heb ik geen problemen,” onderbrak Kurt zijn vrouw terwijl hij de krant uit haar handen nam. “Maar wie mij zomaar naakt te kijk zet, die kan een telefoontje verwachten.”

Hij bladerde tot hij het colofon van de krant gevonden had en toetste een nummer in op zijn mobieltje.

“Je ziet bijna niets, schat,” probeerde Liesbeth nog. “Je... je onderdelen zijn maar heel subtiel weergegeven.”

Maar hij was de keuken al uitgelopen.

“Goeiedag, ik zou uw hoofdredacteur willen spreken,” hoorde ze hem vanuit de woonkamer zeggen.

Beleefd, bedaard en even zeker van zichzelf als een leeuw die op het punt staat een gewonde antilope te bespringen.

 

Jacqueline keek verwonderd op toen de bel ging. Ze verwachtte niemand; iedereen wist dat ze op dit uur van de avond meestal zat te werken en niet gestoord wilde worden. Met een zucht legde ze haar penseel neer en nam de trap naar beneden. De kat kwam haar op hoge pootjes tegemoet gelopen en streek langs haar benen.

“Wie zou dat kunnen zijn, Poekie?” zei ze tegen de rosse kater. “Heb jij soms pizza besteld?”

Bij de voordeur gekomen ging ze op haar tenen staan om door het spionnetje te kunnen kijken, en schrok zich een ongeluk toen ze zag wie er aan de andere kant stond.

Fuck!” fluisterde ze met ingehouden ontzetting. “Fuck, fuck, fuck, wat komt die hier doen!”

Er werd weer aangebeld –kort, maar met aandrang- en Jacqueline besefte dat er niets anders opzat dan haar bezoeker onder ogen te komen. Ze trok snel haar schort uit, streek haar jurk glad en duwde haar bruine krullen naar achteren. Daarna opende ze voorzichtig de voordeur.

“Goedenavond, juffrouw,” zei Kurt, “ik ben op zoek naar de tekenaar die voor De Standaard tekent onder de naam Jacky.”

Jacqueline kuchte even.

“Goedenavond, eh, mijnheer de minister. Die tekenaar, dat ben ik.”

Ze stak haar hand uit.

“Jacqueline Deprez. Aangenaam.”

De minister leek heel even verwonderd, misschien zelfs een fractie van een seconde uit zijn lood geslagen. Maar aan zijn stevige handdruk kon Jacqueline voelen dat hij zich ogenblikkelijk herpakte.

“Kurt De Volder. Maar dat wist u natuurlijk al. Mag ik even binnenkomen?”

Hij stapte over de drempel, waarbij hij zich moest bukken om onder de deurstijl door te kunnen. De tekenares keek beschaamd naar hem op. Het was voor het eerst dat ze hem in werkelijkheid zag. Wat een aantrekkelijke man. Bedwelmd door de charme die hij uitstraalde, zag ze in een flits een nieuwe tekening voor zich: een elegante, grijze wolf in een zwart pak, die diep voorovergebogen een Efteling-huisje binnenstapt.

“Ik ben hier omwille van de cartoon die vanmorgen in de krant stond. Maar ook dat is vermoedelijk geen nieuws voor u.”

De jonge vrouw schudde verslagen het hoofd.

“Het spijt me als ik u beledigd heb,” begon ze bedeesd. “Ziet u, ik...”

De minister hief zijn hand op om haar het zwijgen op te leggen.

“Waar is uw atelier?”

Jacqueline wees in de richting van de trap.

Samen klommen ze de smalle trap op, zich een weg banend tussen de stapels papier en kartonnen dozen die langs weerszijden de al zo beperkte oppervlakte van de treden innamen. Bovengekomen ging Jacqueline haar gast voor naar de kamer die ze als atelier gebruikte. In het midden stond de schildersezel met daarop de aquarel waar ze aan bezig geweest was toen de bel had gerinkeld. Ze duwde de ezel opzij om wat meer plaats te maken, maar de minister legde een hand op haar schouder om haar tegen te houden.

“Nee, laat die maar staan. En neemt u maar een nieuw blad papier.”

Met een brandende linkerschouder en een wild kloppend hart keek ze toe hoe de minister zich daarna tegenover haar posteerde en zijn broeksriem begon los te gespen.

En haar in alle rust en kalmte van de wereld zei:

“U hebt namelijk iets recht te zetten.”

 

Toen Liesbeth die avond haar man hoorde thuiskomen, liet ze het magazine dat ze aan het lezen was op haar schoot rusten en spitste ze haar oren, aandachtig speurend naar de signalen van het conflict dat ongetwijfeld had plaatsgevonden tussen hem en die vrijpostige tekenaar. Maar tot haar grote verwondering wees alles wat ze hoorde erop dat haar man weer zijn gelijkmoedige zelf was. Meer dan dat, hij leek zelfs vrolijk. Hij liep de woonkamer in en gaf haar een kus op haar voorhoofd.

“Hallo lieverd.”

Onder zijn arm droeg hij een kartonnen buis.

“Dag schat, hoe was het?”

“Alles in orde. Ik heb het geregeld.”

Hij wandelde zijn werkkamer in en toen hij er weer uit liep, was de buis verdwenen.

“Ik ga even een douche nemen,” zei hij.

Een halve minuut later hoorde Liesbeth hem vanuit de badkamer fluiten.

Kurt, fluiten?

Ze zette grote ogen op.

Kordaat liep ze naar zijn werkkamer, waar de kartonnen koker uitdagend diagonaal over de voor het overige zo ordelijke werktafel lag te wachten. Er zat een papier in, opgerold zoals je met een poster zou doen. Ze schudde de buis krachtig op en neer tot de inhoud eruit gleed. Voorzichtig rolde ze het zware papier open. Het was een tekening. Dezelfde cartoon waar haar man vanmiddag zo overstuur van was geweest, Kurt De Volder in zijn blootje, als de keizer uit het sprookje, met zijn zogezegde nieuwe kleren, compleet met scepter en kroontje, zij het ditmaal in groot formaat. Maar er was nog een verschil.

Een groot verschil.

Liesbeth´s mond zakte open.

Waar op de cartoon in de krant haar man met een micro-penis bedeeld was geweest, bleek hij op deze tekening voorzien van een groot, zwaar lid. Zoals dat trouwens ook in werkelijkheid was. Vol consternatie keek Liesbeth naar het afgebeelde geslacht van haar echtgenoot. De proporties klopten. De vorm van de eikel klopte. Zelfs de moedervlek was naar waarheid weergegeven.

Ze rolde de tekening langzaam weer op en schoof hem voorzichtig in de koker.

Boven haar hoofd hoorde ze het water van de douche stromen.

Godzijdank was het fluiten opgehouden.

Geschreven door Kathleen Verbiest op 01/11/2013 - laatst aangepast op 11/03/2014

  • proza

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home