Lezen

Ontmoetingsdagen

Het mag dan al buiten het hoogseizoen zijn, deze plek blijft  alle deelnemers bekoren, nu nog meer zonder de toeloop aan toeristen.De organisatoren van de ‘Encuentro de escritores de historias y columnas de viaje’  hebben op dit Spaanse eiland schrijvers uitgenodigd van reisverhalen en columns over vakantiebestemmingen. Een weeklang worden genodigden er in de watten gelegd.Het verwennen begint al bij aankomst. Een limousine brengt mij naar een oergezellig hotelletje. In mijn kamer met zeezicht vind ik, naast een gekoelde fles cava en een bordje tapas, het weekprogramma. Vanavond is er al meteen een bijeenkomst voor het internationale gezelschap in een nabijgelegen oude burcht.Een busje haalt mij op. Ik ben een van de laatsten, want het is al aardig vol. Ik zit naast een knappe brunette die zich voorstelt als Belinda. Zij komt uit Amersfoort. Wij kunnen dus gewoon Nederlands praten.Het zicht op de burcht is adembenemend. Het gebouw is langs alle kanten belicht. De weg ernaar toe is afgezet met fakkels. Op een groot grasveld voor de burcht staat niet zo maar een barbecue, er hangt een volledige os aan een enorm spit te draaien. Aan een van de lange tafels raak ik in gesprek met diverse collega’s.Dan is er een prijsuitreiking. Het beste reisverhalenboek wordt bekroond. De schrijver is een Nederlander die in Italië woont. Op het podium herken ik Belinda. Zij vertegenwoordigt de Nederlandse uitgeverij van de winnaar.Later op de avond tikt iemand op mijn schouder. Zij is het.“Amuseren wij ons een beetje?” vraagt Belinda.“Ik wist niet dat u een uitgeverij vertegenwoordigt”, zeg ik.“Je mag mij tutoyeren, hoor. Vertel, wat schrijf je zoal?”“Ik schrijf vooral columns, maar ik heb net een eerste jeugdboek klaar. Mag ik je vervelen met de boodschap dat ik een uitgever zoek?”

Vic de Bourg
3 1

Overduidelijk (niet)

Dit is het lulligste dat je kan meemaken. Akkoord, ik spreek hier meteen een waardeoordeel uit, alvorens u het verhaal hebt gehoord, maar ik vermoed dat het voor u geen onbekend gegeven is. Al van ver stak ik mijn hand op. Het moet van het begin van de zomer zijn geweest dat we Danny nog hadden gezien. Ik zag dat hij twijfelde, want het was een hele afstand tot waar wij wandelden. Zelfs zijn fiets had ik herkend. Maar bij het dichterbij komen groeide mijn twijfel en zakte mijn arm iets naar beneden. Danny keek rond zich en zag niemand in zijn nabijheid. Daarna ging ook zijn arm omhoog. Logisch, want er zwaaide iemand. "Die mens kent mij", moet hij hebben gedacht. “Ik zal mijn hand ook maar opsteken.” Het feit dat hij zijn hand opstak, deed me opnieuw twijfelen, maar dan in de richting van: "Het is overduidelijk Danny." "Naar wie zwaai je?", vroeg mijn vrouw. "Daar!", zei ik al wijzend. "Het is den Dan...". Ik slikte de laatste letters in toen hij passeerde. Het was overduidelijk niet Danny. Hij had zijn arm alweer laten zakken. Akkoord, een snor en een baard, maar duidelijk slanker en groter. Eigenlijk leek hij er niet op. Al was zijn fiets bijna dezelfde. Het is verschrikkelijk. Zwaaien naar iemand die je totaal niet kent. En die vervolgens kijkt met een blik van: “Wie is die man?” Maar wat doe je vervolgens? Doen alsof ik plots een kramp in mijn arm kreeg, was geen optie. Daarmee zou ik het nog belachelijker maken. Het enige positieve was dat de andere ook even  zijn hand opstak. Maar dat maakte het niet minder gênant, want ik was eerst. Zwijgend stapten we verder. Al meende ik wel dat iemand iets over een bril fluisterde. Maar ik kan me ook vergissen.  

Rudi Lavreysen
7 0

Onthoofd in Izjoem

Deze nacht droomde ik dat mensen elkaars hoofd afbeten. Het tafereel was niet bloederig, het was vooral de angst die overvloedig doorheen alles stroomde. In straten, televisiestudio’s. Doorheen kinderwiegjes, stukslaand tegen vrijende koppels. Het begon zomaar, of veranderde iets in de lucht? Scheen de zon net niet hard genoeg? Was het daglicht eigenlijk een goed vermomde duistere nacht? Mensen dwaalden door straten, met in hun hand het bengelende hoofd dat nog net met een fijn restje huid aan het lijf verbonden zat. De angst was het gif dat elke toeschouwer deed verlammen en zich gewillig op de slachtbank deed neervlijen. Een stoet van zombies marcheerde verder en verder. Meer en meer mensen zonder hoofd. Meer en meer mensen die hun kop in de handen namen. Meer en meer angst. De angstige tranen en het angstige zweet werden een rivier en uiteindelijk een zee. Ik zag het allemaal gebeuren en ik deed niks. Ik wist niet of ik ook al mijn hoofd in de handen had. Misschien was ik slechts een toevallige toeschouwer die van een hogere kracht moest aanschouwen wat zich voltrok. Kijk waar het lot je brengt, meende die kracht te zeggen. Kijk waarheen we allen marcheren. Ik keek en zag enkel een zwarte nacht. En duizenden verminkte lichamen. Na een angstdroom is het wakker worden altijd een verraderlijk moment. Is de vlek op de muur in de gang gewoon het spel van schaduwen? Bewoog het gordijn net iets teveel? Vroeger, toen ik als kind zo’n droom doorstaan had, begon ik te luisteren naar de auto’s die midden in de nacht voorbij reden. Ik telde ze. Ik luisterde of ze aan een rustig tempo doorreden. Snel rijdende auto’s zouden een teken zijn van vlucht en onheil. Het zacht zoevende geluid kalmeerde me, alsof elke auto’s toefluisterde dat het allemaal goed was. Deze nacht luisterde ik, en hoorde hoe de postbode de krant in de brievenbus van de buur duwde. Maar de droom bleef aan me kleven. Het leek op een waarschuwing voor wat er vandaag volgen zou. Oorlogsgeluiden uit het Oosten. Opnieuw zovelen naar het slachtveld die zonder hoofd zouden thuiskomen. En toen schoot het me te binnen. Ik had gisteren iets gelezen over een massagraf in Izjoem. Over een onthoofd lijk, en de quote erbij: ‘We weten wie ze is. Nu kan ze eindelijk naar huis’.

Jolien Van de Velde
0 0

Het opbod

“Gisteren zag ik een uil op klaarlichte dag”, zegt Janus diep onder de indruk: “dat brengt ongeluk.”Zijn vriend Boris kijkt hem verbaasd aan: “Heeft hij  geroepen?” “Een keer hoorde ik hem koekoek roepen.”“Ik vraag mij af wie hier de uil is, uilen roepen oehoe, niet koekoek. Hij moet trouwens drie keer roepen alvorens hij ongeluk brengt.” “Zoveel verschil is er niet tussen koekoek en oehoe. Tegen mogelijke tegenspoed heb ik vandaag een stukje oesterschelp in mijn zak gestoken. Gisteravond heb ik ook snel over mijn rechterschouder naar de nieuwe maan gekeken.”“Jij, die amper het verschil tussen links en rechts kent. Ben je zeker dat het niet jouw linkerschouder was want dat betekent pas ongeluk.”“Je bezorgt mij de daver op het lijf. Waarom lach je me telkens uit met mijn geloof in omina?”“Ach, zolang je geen haas bent tegengekomen of de eieren van je kippen pas na het donker hebt binnen gebracht valt het allemaal nog wel mee met die ongeluksbrengers. Zijn er nog andere noemenswaardige dingen gebeurd?”“Vanmorgen vlogen én een roodborstje én twee vlinders de keuken binnen en na mijn ochtendwandeling volgde een vreemde hond mij naar huis. Dat zijn drie geluksbrengers op een rij.”“Ja, maar ik zag dat je van de wandeling een ruiker hebt meegenomen met witte en rode bloemen, dat is om ongeluk smeken.”“En dat klavertje vier dan? Een teken van puur geluk.”“Je hebt niet goed geteld, kerel, het was een klavertje vijf en dat is een veeg teken.”“Zullen wij maar ophouden elkaar de loef af te steken? Heb je trouwens  nog steeds dat konijnenpootje bij je?”“Neen, Janus dat pootje heb ik gisteren naar jouw zwarte kat gegooid die mij voor de zoveelste keer voor de voeten liep.”“Dag Boris, tot morgen.”  

Vic de Bourg
5 0

De chauffagist

Een volkswijsheid, nu ja wijsheid, stelt dat lelijke ouders mooie kinderen krijgen. Lelijkheid  is een rekbaar begrip. Schoonheid betreft evenzeer de innerlijke mens.Wie zijn uiterlijk niet mee heeft, onderscheidt zich vaak op andere vlakken en zal voorkomen weerzin op te wekken. Wij wonen in een opgeknapte huurwoning. Opknappen betekent hier het plaatsen van een badkamer en een verwarmingsinstallatie. De stookolieketel staat in een nieuw aangebouwde garage. Zodra koning winter zijn intrede doet, laat de verwarming het afweten. Omdat het te duur is voor de krenterige huiseigenaar  wordt de installatie  niet onderhouden door een gespecialiseerd bedrijf uit de omgeving, maar door een figuur, die men moeilijk als moeders mooiste kan bestempelen.De kinderen schrikken en verstoppen zich wanneer de man aanbelt: groot met rode piekharen, ongeschoren, een bril die op het puntje van zijn neus staat waardoor de loensende ogen nog meer opvallen,  een slecht gebit waarin meerdere tanden ontbreken en een mond waaruit een putachtig geurtje opstijgt. Het beeld wordt  vervolledigd door vieze handen en een gore overall. Ik ben niet van het discriminerende type, god weet wat een bekwame technieker staat hier voor mij?Terwijl  ik mijn eerste gevoelens van walging onderdruk, toon ik de installatie.Ik ben ook niet van het type dat op de vingers van iemand blijft kijken terwijl hij aan het werk is, dus laat ik de man zijn gang gaan.Even later, staat hij in de keuken en vraagt of hij het toilet mag ‘bezigen’.  Na een tiental minuten stapt hij terug naar de garage en laat op alle deurklinken sporen van zijn vettige handen na. Bij een korte inspectie blijkt dat hij zijn grote boodschap op het toilet niet heeft doorgespoeld.  Het onaangeroerde handdoekje is nog kraaknet.Opnieuw onderdruk ik mijn gevoelens van weerzin. Ik vraag of hij haast klaar is met de reparatie en voeg er terloops aan toe hoe onaanvaardbaar het is dat een nieuwe installatie het zo snel begeeft. Hij lacht zijn vergeelde tanden die hem nog resten bloot en zegt dat hij in de Rosse buurt, waar hij klant aan huis is, ook niet altijd waar voor zijn geld krijgt.  Als jongeling kwam ik al eens voorbij een oord van lichte zeden. De meisjes keken mij steeds liefelijk aan.  Eén van hen heette Mireille  en ik was unilateraal verliefd op haar.  Ik moet er niet aan denken dat deze viespeuk ooit iemand als zij in zijn klauwen krijgt.  

Vic de Bourg
8 0

De wonderbaarlijkste begroeting

Helaba, hoi, goeiendag, hallo, goedemorgen, goedemiddag. Ik weet niet wat uw begroeting naar de medemens is, maar mogelijkheden zijn er genoeg. De naam uitspreken van de persoon die je tegenkomt kan altijd. Gesteld natuurlijk dat je de naam nog weet. Zo is er de mogelijkheid om de naam van de mensen die je ontmoet niet uit te spreken, maar toch uitermate beleefd te zijn. Het is, vind ik persoonlijk, de wonderbaarlijkste begroeting. De formule is geniaal eenvoudig. Je zegt gewoon 'allebei' als je een koppel tegenkomt. Het moet zelfs geen koppel zijn, het mag ook broer en zus zijn. Of moeder en dochter. In al die gevallen is 'allebei' perfect. Het kan ook voorafgegaan worden door 'dag', zodat je 'dag allebei' krijgt. Heel vriendelijk en de mensen die je begroet zullen je even vriendelijk teruggroeten. Problematisch wordt het als het meer dan twee personen zijn. Je zegt niet 'alle drie', dat bekt voor geen meter. Laat staan 'alle vier'. Het zou zomaar kunnen dat je er in het voorbijgaan eentje hebt gemist, want het gaat soms snel, zodat ze eigenlijk met vijf waren. Je moet al echt met je vinger beginnen tellen, zoals de juf of meester bij een uitstapje de kinderen van de klas telt, of ze er nog allemaal bij zijn. Eén persoon van het gezelschap zou verontwaardigd zijn, maar niemand weet welke persoon je vergeten bent. Dus opgepast, je zou nog ruzie veroorzaken. Nee, ‘allebei’ is prima. Wel oppassen dat je het gebruikt bij mensen die samen horen. Zo sprak ik onze oud-buurman Martin en zijn echtgenote Lucienne ooit aan met ‘allebei’. Maar de vrouw bleek niet Lucienne te zijn, gewoon iemand die toevallig naast Martin liep. “Ik vond al dat ze fel was veranderd”, zei ik achteraf tegen mijn vrouw, die me behoorlijk boos aankeek.

Rudi Lavreysen
4 1

Ernstig in gebreke

Soms loopt een planning niet hoe je het jezelf had voorgesteld. Sterker nog, dat is eigenlijk een belangrijke eigenschap van de meeste planningen. Ze lopen nooit volgens plan. Daarom was ik niet in de gelegenheid om mijn bestelling van 100 varkensoren op te halen bij het DHL punt. Ach en wee. Want de dag ervoor had ik Stef het laatste exemplaar gegeven. Dus nu had hij niks. Nou ja, dacht ik, dan krijgt hij wel een extra snoepje. Die ene keer, dat zal zo erg wel niet zijn. Nou, dat was een misrekening. Om acht uur precies meldde Stef zich bij mijn stoel. Zijn horloge gaf het aan, het was tijd voor zijn oor. Hij ging vast bij de garagedeur staan. Maar ja, wat je niet hebt, kun je niet geven, dus ik bleef maar zitten. Dat was niet helemaal de bedoeling. Hij kwam maar eens kijken waar ik bleef. De kleine snoepjes die ik hem gaf werden genadig aanvaard maar dat oor, dat was toch wel het doel.  Ik vertelde mijn bezoek natuurlijk over het drama en met zijn drieën kwamen we tot de conclusie dat het toch een bepaalde vorm van verwaarlozing was. Die arme Stef. Het was alsof hij in de gaten had dat hij werd uitgelachen, hij stond ons echt verwijtend aan te kijken. En dat bleef hij doen. Normaal kruipt hij na de begroeting en het opeten van de meegebrachte snoepjes tevreden op de bank maar nu niet. Hij bleef alert en in de buurt. Pas toen ze naar huis gingen, en hij bedacht dat hij nu echt geen oor meer zou krijgen, ging hij verongelijkt liggen. Nee, het vrouwtje kreeg geen knuffel, hij was toch zeker niet gek. Ondanks dat ik heel zeker weet dat Stef helemaal niks tekortkomt, dat hij zelfs een van de meest verwende hondjes van het oostelijk halfrond is, voelde ik me toch een beetje schuldig. En ik legde een briefje neer, ik moest niet vergeten de oren op te halen. Toen ik de dag erna de enorme doos mee naar binnen bracht, stond die kleine stinkerd natuurlijk enthousiast te springen. Ik breng na het boodschappen doen altijd wat voor hem mee, maar nu had hij wel erg veel om te snoepen. En natuurlijk kreeg hij een oor, hij liep er immers één achter. Tevreden viel hij eropaan. Tot hij in de gaten kreeg dat ik bezig was met het uitpakken van de boodschappentassen. Het oor bleef eenzaam liggen en Stef kwam eens kijken of ik toch wel aan dat andere wekelijkse snoepje had gedacht. Wat een verwend ventje. Mijn moeder zei vroeger altijd, als ik liep te klagen dat ik honger had, “de kindjes in Afrika hebben honger....” Ik voel toch een variant op het thema opkomen.        

Machteld
8 0

Heb ik teveel noten op mijn zang?

Madeleine, de Duitse echtgenote van mijn neef, is een getrainde klassieke zangeres. Ik zie haar na de afgelopen covidjaren weer en raak in gesprek over haar carrière. Ze heeft ondertussen twee kinderen en geeft zelf zangonderricht.“Ik kreeg te horen dat ik een goede sopraanstem had”, begint ze. “Al snel werd ik aangespoord om verder te gaan dan ik zelf voor mogelijk achtte. Je moet altijd bezig blijven en je veel ontzeggen om je stem op peil te houden. Het valt allemaal wel mee, maar toch voel je dat je bepaalde zaken niet aankan en dat je om die hoge noot te halen hard moet werken. Ik was dikwijls oververmoeid en prikkelbaar. Soms sloeg net voor een optreden de paniek toe. Niet dat ik mij met hen wil vergelijken, maar ik begrijp de operadiva’s met hun rotkarakters.” Madeleine hapt  naar adem, dat doen zangeressen regelmatig. Haar zesjarig zoontje vraagt in vloeiend Duits of hij een koekje mag. Heerlijk toch, ukkies die al perfect tweetalig zijn. Ik maak van de gelegenheid gebruik om zijn mama te feliciteren met haar kennis en uitspraak van het Nederlands. Ze vervolgt: “Onlangs nam ik deel aan een masterclass. De stemcoach bracht me koudweg het nieuws dat ik niet durfde vermoeden:  je haalt wel de octaven van een sopraanstem maar in feite ben je een mezzosopraan. Wat een openbaring. Na jaren inspanning, is zingen plots geen opgave meer. Het is eens zo plezierig. Ik voel me goed in mijn vel en kan weer naar hartenlust zingen.” Waar had ik dit verhaal nog gehoord? Ik herinner mij een televisieprogramma met Cecilia Bartoli, telg van een sopraan en tenor, die ook later ontdekte dat ze een mezzo is. Ondanks haar immense succes en minutenlange applaus dat voor haar weerklink op podia over de hele wereld, ben ik niet zo gesteld op haar stem. Ik deel die mening met een familielid dat erg veel van opera houdt. Eerder schreven critici over haar dat ze een ‘kleine stem’ heeft. Op Klara, mijn favoriete klassieke radiozender wordt ze nochtans telkens weer de hemel ingeprezen.Madeleine is het verrassend met mij eens. Ook zij is niet zo'n fan van La Bartoli en vindt het onbegrijpelijk hoe haar jonge leerlingen dwepen met zangeressen en zangers, die best grote namen hebben in de muziekwereld. “Ik ken nog zo eentje die uit jouw land afkomstig is”, plaag ik haar.“Mag ik raden, is het een vrouw of een man?”“Het is een man van vooraan in de vijftig.”“Welke stem heeft hij, is het een bas, een bariton, een tenor of een contratenor misschien, die zijn weer helemaal in tegenwoordig?”“Het is een tenor en alle presentatrices, maar ook enkele presentatoren op Klara vinden hem de max. Hij mag dan ook knap genoemd worden.”“Is het Jonas Kaufmann? Ja het moet Kaufmann zijn, daar zijn al mijn vrouwelijke leerlingen van in de wolken. Wat vind jij van hem?”“Weinig, ik hou niet van zijn stem. Voor mij is ze te benepen, vooral in de hoge noten, die hij amper haalt, misschien moet iemand hem vertellen dat hij een bariton is.”“Spijtig voor de diehard liefhebbers, maar ik moet je  overschot van gelijk geven, ook als is het een landgenoot. Ik probeer mijn studenten tot inkeer te brengen, maar tegen zijn looks is weinig in te brengen.”“Op mijn applaus moet hij niet rekenen. Wordt hij aangekondigd, dan draai ik de geluidskop dicht. Het is zelfs zo erg dat ik zijn stem meteen herken. Tegenwoordig zingt hij aria’s uit de bekende Duitstalige operettes. Mijn ouders hadden alle elpees van Franz Lehár en consoorten. Die zangers herken ik ook, als ze al eens te horen zijn, gaat het volume omhoog.”“Jij weet wel iets over zangstemmen. Heb je zelf nooit gezongen?”“Heel lang geleden heb ik de man die de maat sloeg bij het zingen in de kerk wel eens vervangen. De nonnetjes vooraan lachten zich telkens een kriek omdat ik de zang te hoog of te laag inzette. Op applaus heb ik nooit moeten rekenen.”   

Vic de Bourg
5 1

Klussen

Ik ben nooit handig geweest. Als kind al niet, het vak handenarbeid was niet aan mij besteed. Andere kinderen knutselden de mooiste dingen in elkaar. Ik was al blij als het niet uit elkaar viel. Laat staan dat ik verwachtte dat het ergens op leek. Ook handwerken was een crime. In die tijd (lang geleden) kregen de meisjes nog handwerkles op de lagere school. Ik weet nog dat mijn zelfgehaakte pannenlappen volstrekt ongeschikt waren voor hun doel. Het lukte me maar niet om er een vierkant lapje van te maken. Daarom was ik heel gelukkig dat mijn maatje wel erg handig was. Hij vond het ook leuk om dingen te maken die het gemak vergrootten. Gelukkig was hij geen verbouwer, daar zou ik heel ongelukkig van zijn geworden. Ons huis was klaar en er werd alleen gerepareerd of verbouwd als het nodig was. Maar klusjes, ja, daar draaide hij zijn hand niet voor om.  Ik had dus in al die jaren ook nog nooit een hamer of boormachine in mijn handen gehad. Ik keek wel link uit. De buxusschaar die ik voor mijn verjaardag kreeg was op accu. Dan kon ik tenminste niet weer door het snoer heen snoeien. Mijn maatje lachte er altijd goedmoedig om, als ik weer eens stond te klunzen. Ieder zijn talent. Maar ja, nu loop ik toch wel eens tegen dingen aan. En natuurlijk, ik kan om hulp vragen en die krijg ik dan ook, maar soms vind ik dat ik het eerst zelf moet proberen. Want sommige dingen moet ik toch zelf ook kunnen. Iedereen kan dat, waarom ik dan niet. Maar ik moet zeggen, dat valt toch tegen. Ik zie mezelf dan staan. Met een plastic wieltje dat gebroken is. En waarvan ik heldhaftig denk “dat moet ik toch zelf kunnen lijmen”. Secondelijm heb ik. Dus een druppeltje lijm erop, even laten drogen, pinnetje erin. En blub, een klodder lijm op de vloer. Nee hè, als dat opdroogt krijg ik het er nooit meer af. Dus hup, op pad voor een stuk keukenrol.  En toen, echt als getroffen door de bliksem, stond ik stil. Want Stef had heel geïnteresseerd staan kijken wat ik aan het doen was. Ik kon nog net voorkomen dat hij de klodder lijm van de vloer af likte. Door met mijn hand het spul weg te vegen. En ja, daar stond ik, met mijn vingers aan elkaar gelijmd. Echt, dan kan ik mezelf zo’n sufferd voelen. Maar goed, gelukkig had ik die andere sufferd in huis gered van een groter debacle. En dat gaf dan toch wel weer voldoening. En het wieltje is er niet meer afgelopen. Ik leer het wel.    

Machteld
0 0

Dag madam

Het is te warm voor een grote wandeltocht. Dan maar niet te ver, besluiten we. Ik ben met onze oudste amper de deur uit wanneer een man van ongeveer mijn leeftijd ons op de fiets passeert. Hij knikt vriendelijk, waarna wij hetzelfde doen. Als de man iets verder is, zeg ik 'Dag madam'. Onze zoon kijkt me aan zoals een tennisser die in de derde set na twee verliezende sets met 5-1 en 40-15 achterstaat. 'Alle hoop is verloren'.  "Wat zegt gij nu?" "Ik weet het", zeg ik. "Dat klinkt raar, maar ik zal vertellen waarom ik 'Dag madam' zei. Die man belde vroeger regelmatig naar ons thuis. Bij oma en bompa dus. Op de vaste telefoon, want gsm's bestonden nog niet. Nu zijn er amper vaste telefoontoestellen. Op het werk wel, maar bij mensen thuis veel minder. Wij hebben die van ons ook niet gemist. Nieuwe technologie zet het voorgaande op losse schroeven. Daar keken ze trouwens thuis altijd naar, een Nederlands muziekprogramma, gepresenteerd door die man met zijn grote snor. Het is later veranderd in ‘Op volle toeren’. Eigenlijk heette het programma 'Op losse groeven', maar ik sprak het verkeerd uit. Ik zei 'Op losse schroeve...' "Stop pa. Vertel gewoon verder over die man van daarnet", onderbreekt hij me. "Juist. Hij belde voor mijn broer. Ik was telkens het snelst bij de telefoon en nam op met 'Hallo, Lavreysen’, waarna hij altijd 'Dag madam' zei. Ik had nochtans geen fijn stemmetje. Integendeel zelfs. Ik heb het nooit begrepen." "Maar je verbeterde hem niet? Je zei niet 'Het is Rudi' ofzo." "Nee, ik denk het niet, maar het is lang geleden. Ik weet alleen dat hij altijd 'Dag madam' zei. Op een gegeven moment ben ik gestopt met zo snel naar de telefoon te lopen. Het was toch nooit voor mij."

Rudi Lavreysen
15 0

Kamperen

Het komt weer op televisie, het veel gewaardeerde programma dat voor veel mensen ook een guilty pleasure is, “We zijn er bijna”. Over de senioren die in een groepsreis door een bepaald land in Europa trekken. Ik moet zeggen, ik vind het ook altijd weer geweldig om naar te kijken. In de jaren dat mijn maatje en ik nog niet naar de Ardennen gingen maar diverse campings in Europa aandeden, zagen we ook regelmatig deze groepen kampeerders komen en gaan. Het begon natuurlijk al met de kwartiermakers, de reisleiders. Een kwiek echtpaar, zelfverzekerd, met een goed onderhouden kampeermiddel, vaak een grote caravan en een dito auto. Hij in een polo met de kraag omhoog, zij met een zijden sjaaltje. En natuurlijk gewapend met een enorme map. De plaatsen werden bekeken en ingedeeld en op het moment dat de volgzame groep arriveerde, was alles al tot in de puntjes voorbereid. En wij gingen dan stiekem kijken wat er op het grote whiteboard geschreven stond, dat prominent bij hun caravan was geplaatst. Als ze bij elkaar stonden, was er ook vaak een grote banner aanwezig met de naam van de caravanclub erop. De groep bestond meestal ook uit een aantal stereotypen. Je had de luidruchtige lolbroek, het timide echtpaar dat nog een beetje opkeek tegen de reisleider, de ongevraagd behulpzame. Alles was vertegenwoordigd. En mijn maatje en ik genoten. Vooral als het dan wat later op de avond werd en de mensen die met de grote jongens mee wilden doen wat te diep in het glaasje hadden gekeken en een aantal scheerlijnen over het hoofd zagen. Wat hen dan weer op een gefluisterde reprimande van het echtgenotes kwam te staan.  Na een paar dagen pakte het hele spul alles weer in en vertrok naar de volgende stop. Vooruitgegaan door het kwieke echtpaar en uitgezwaaid door mijn maatje en mij. Wat ons ook niet altijd in dank werd afgenomen, ik denk dat sommigen in de gaten hadden dat ze voor ons een bron van vermaak waren. Hoewel ik me best kan voorstellen dat het voor veel mensen heel fijn is om zo met een groep te reizen, moet ik er persoonlijk echt niet aan denken. Dat andere mensen uitmaken waar je staat en hoe je dagindeling er uit ziet. En dat je soms ook “een middag vrij” hebt. Hoezo, vrij, ik heb toch vakantie. Nee, onze kampeervakanties waren altijd zo relaxed mogelijk, we hielden zo min mogelijk rekening met het programma van anderen. Heerlijk. En dat we daar niet mee op televisie kwamen, ach, dat namen we dan maar voor lief.    

Machteld
0 0

NIET DE NAGELS

Twee spiegels, tegenover elkaar geplaatst boden ons een oneindig perspectief.   En toch, dacht ik, er moet méér zijn. “Toerisme”, Jotie T’Hooft In de H&M stonden twee spiegels tegenover elkaar. Dat had Karel gezien, hij keek eerst bedenkelijk naar de spiegels apart en daarna probeerde hij gekke gezichten en bewegingen uit.  Dat deed me denken aan het gedicht “Toerisme” van Jotie T’ Hooft en hoe we dat, meer dan vijfentwintig jaar geleden, in de klas Nederlands besproken hadden. Het had toen indruk op me gemaakt, net zoals het tragische leven van Jotie T’Hooft zelf. Hopelijk bleven onze kinderen ver weg van dat soort van junkieverdriet. De ouders van die veel te vroeg gestorven dichter moesten hem toch ook graag gezien hebben, en dan zo machteloos je kind zien afglijden… Ik mocht er niet aan denken dat… Karel wekte me uit mijn angstdroom. Het soort van ‘geblaf’ dat hij uitstootte, reserveerde hij doorgaans voor als we met de bakfiets onder een brug passeerden. Dat vonden zowel hij als Marie-Anne geweldig, want dan hoorden ze zichzelf nog eens. Tussen deze twee spiegels leek het wel alsof hij een eindeloze echo had verwacht. Met kinderen weet je het nooit, die hebben soms zo van die vreemde kronkels. Ssssht!, Karel! Niet roepen hier. Met zijn geroep had hij de aandacht van Marie-Anne getrokken, die nochtans druk bezig was accessoires uit de rekken te halen. Ze liet een stuk of zes diademen, drie strikjes, een eenhoornhandtasje en een set haarbanden pardoes op de vloer liggen om met haar tong aan één van de twee spiegels te komen likken.  Marie-Anne, vooruit, hou je tong binnen en blijf van die spiegels af. Wat is dat nu weer voor een idee?! En kom, die spulletjes terugleggen.  Karel blijf van je zus af. Karel, niet duwen. Ka-rel, hallo, stop met duwen. Karel zou binnen een maand zes worden en in diezelfde maand werd Marie-Anne vier. Kennissen en vrienden met oudere kinderen zeiden vaak dat het allemaal beter werd als ze wat ouder waren, maar soms vond ik dat het lang duurde voor ze eindelijk die leeftijd hadden dat ze minder luid, impulsief en ronduit vermoeiend waren. Waar was Tine, eigenlijk? Het was haar idee geweest, om ‘snelsnel’ de H&M binnen te gaan. Karel had immers dringend nieuwe T-shirts en broeken nodig. Hij was de laatste tijd zo hard gegroeid dat bijna al zijn kleren én schoenen trouwens, te klein geworden waren. En dat met het nieuwe schooljaar in aantocht! Boven een stel klerenhangers achteraan de winkel verscheen plots een rok. Peter, riep Tinne, is dat iets voor mij. Zus, raap die spulletjes nu eens op en waar is jouw broer? Ik riep terug dat ik dat zo niet kon zien, dat moest ze passen. Aan de toon van mijn stem kon ze allicht horen dat ik absoluut niet in de stemming was om voor haar of voor mezelf te shoppen. Ik hield er sowieso niet van om luide conversaties te voeren op openbare plaatsen, dat wist ze ook. In ieder geval: daarmee leek de kous af en kon ik op zoek gaan naar Karel, die hopelijk niet de winkel uit geschoten was. Ha daar stond hij; hij was de spulletjes die Marie-Anne zo achteloos op de vloer had laten liggen, netjes terug op hun plaats aan het hangen. Deze morgen hadden we samen met Tines ouders, broer, diens vrouw en de kinderen een ontbijtje genuttigd. De hele schoonfamilie zat in een brasserie op elkaar gestouwd aan te kleine tafeltjes, die al vlug vol papier en kleurpotloden lagen. Af en toe viel er zo’n kleurpotloodje op de grond en dat gaf dan aanleiding tot een hoop gewring en gewriemel om aan dat potloodje te komen. De tweeling van Tines broer, twee jaar, wilde niet meer in een kinderstoel en moest voortdurend ergens in de zaak gevangen worden om terug aan tafel gezet te worden. Marie-Anne moest drie keer ‘pipi gaan doen’, maar slechts één keer kwam er een dun straaltje, de andere keren dus helemaal niks. Daartussen probeerden de volwassenen een gesprek te voeren, hun eigen ontbijt én dat van de kinderen weg te werken. Ik was totaal opgedraaid en er helemaal klaar mee, toen mijn schoonmoeder voorstelde om toch nog – ‘op ons gemak’ – een koffietje te bestellen. Aan die koffie heb ik mijn tong verbrand om de kinderen zo snel mogelijk mee naar buiten te kunnen nemen, zodat ze op het marktplein konden ravotten. Dat gaf nog een hoop kabaal, maar het gesus en gemekker van de ouders om nu alsjeblief stil en rustig te zijn, viel al weg. Bovendien klinkt kindergespeel een pak minder doordringend in de buitenlucht.  Dat extra koffietje duurde voor de schoonfamilie een extra drie kwartier; mijn schoonzus had het onderonsje op de duur ook verlaten en we stonden zuchtend naast elkaar naar de kinderen te kijken tot de rest eindelijk de brasserie verliet. Toen wou Tine dus nog ‘snelsnel’ de H&M binnen.  Ondertussen was het half twaalf geworden. Ik had deze voormiddag nog graag het gazon gemaaid. Ja, dat ging dus niet meer. Deze namiddag was ik graag gaan fietsen, maar morgen is het zondag, dan mag er geen gras gemaaid worden, dus kon ik misschien beter morgen gaan fietsen. Fietsen of maaien, ik wist het nog niet voor deze namiddag. Wie weet wou Tine deze namiddag nog schoenen gaan kopen. Ik zou wel zien.  Om te vermijden dat Marie-Anne weer vanalles van de rekken zou nemen, nam ik de kinderen opnieuw mee naar buiten. Marie-Anne rukte zich los uit mijn greep en liep zomaar de straat op. Potverdikke, Marie-Anne, blijf staan. Blijf staan. Hier zeg ik. Gelukkig kwamen er geen auto’s of fietsen aan en bereikte ze levend het marktplein. Ík ben braaf, eh, papa. Ja, Karel, jij bent braaf. Ga maar spelen. Aanstekelijk giechelend liep Marie-Anne weer de straat op, toen ik haar probeerde te vangen om een standje te geven. Ik dreigde haar in de oude waterput te steken, als ze niet ging luisteren, dan zat ze daar maar alleen en zonder iemand. Ik hief haar zelfs over de rand om mijn woorden kracht bij te zetten. Ik voelde dat ik kwader geworden was dan ik had willen zijn, en ik dacht: zij zijn niet de nagels aan mijn doodskist, echt niet. Ze zijn de kist zelf.  Onmiddellijk na die gedachte haatte ik mezelf dieper en hartgrondiger dan ik tot nog toe ooit had gedaan. Krijsend lag Marie-Anne op de plaveien van het marktplein. Ik mocht niet naar haar feestje komen. Ik had haar verdrietig gemaakt. Ik nam haar op en ze sloeg haar armpjes stevig om mijn nek. Haar traantjes en wat snot bevlekten mijn hemd. Achter mijn rug, had Karel zijn broek tot op zijn enkels laten zakken om een plasje te maken tegen één van de lindebomen. Zijn witte billen blonken in de zon.  Tine kwam met twee grote papieren tassen uit de winkel en stak ‘snelsnel’ de straat over naar de Hema. Ach, laat ze maar, dacht ik. Na de diepe zelfhaat die ik daarnet nog had ervaren, overspoelde me een warm gevoel. Het was goed zo.

Hans Van Ham
0 0

Een draagdoek

Weet u welke dag het vandaag is? Naast zaterdag natuurlijk. Ik ga het u straks verklappen. Maar eerst iets over mijn voorval. Tijdens een spelletje padel voelde ik iets knappen in mijn linkerarm. Ik ben linkshandig moet u weten. Het zat niet goed. De radioloog in het ziekenhuis vertelde me dat ik aan een ramp was ontsnapt. Het drong eerst niet tot me door, want ik was in volle bewondering voor het feit dat hij op dat scherm überhaupt iets kon waarnemen. Het zag er eerder uit als een wolkenpartij op een grijze dag. Het bleken mijn armspieren te zijn. "Als het helemaal afscheurt heb je een serieuze operatie aan je been", zei hij nog. Ik kon de woorden 'aan mijn arm zeker' nog net inslikken. Het was niet om te lachen en de man heeft zoiets waarschijnlijk al vaak gehoord. Afwachtend op wat er nu staat te gebeuren moet ik de arm in een draagdoek laten rusten. En afwachtend op de officiële draagdoek stelde mijn vrouw voor om een sjaal van haar te gebruiken. Die moet achteraan wel samengehouden worden. Daar blijkt een clipje ideaal voor te zijn. U kent ze wel, de gekleurde klemmen van Ikea, geschikt om een geopende zak chips of M&M's dicht te houden. Of soepgroenten in de diepvries. En weet je wat straf is? Je gooit zo een klemmetje nooit weg, want als de chips opgepeuzeld is, leg je het clipje terug bij de anderen in de kast. Maar toch geraken ze ooit op en moet je een nieuw stel kopen. Goed gezien van die Zweden. Om terug te komen op vandaag. Laat het vandaag de internationale ‘Linkshandigendag’ zijn. Echt waar, jaarlijks op 13 augustus. Och, het is elke dag wat. Gelukkig ontwaar ik op de sjaal nog een beetje parfum van mijn vrouw. Het maakt het allemaal wat draaglijk.

Rudi Lavreysen
8 1

Wat is het toch warm hè

Zo, het was echt warm zeg. Zijn favoriete ochtendplekje tegen het tuinhuisje was eigenlijk na een paar minuten al te warm. In het voorjaar kon hij daar al lekker in de zon liggen maar nu moest hij al snel weer terug naar binnen. Het vrouwtje lachte hem dan uit, hij zag het wel. Want dan ging hij in de hal voor de voordeur liggen, daar tochtte het altijd wel een beetje. Of op de koude tegelvloer aan de voorkant, daar kwam nooit zon, dat was wel lekker. Het vrouwtje ging niet pal in de zon zitten, dat vond ze veel te warm. Ze gingen tussen de middag ook niet heel ver lopen. En als hij eerlijk was, vond hij dat niet eens heel erg. Zelfs het gras was warm onder zijn voeten. Als hij met het vrouwtje naar kantoor ging, was dat wel een lekker dagje. Daar was het altijd fris. “Airco”, zei het vrouwtje. Geen idee wat ze bedoelde maar dan kon hij wel een dagje lekker bijslapen. Er waren nu toch niet zoveel mensen dus er werd weinig met de bal gespeeld. Dat ze niet naar de behendigheidsclub gingen vond hij wel weer vervelend. Ook al begreep hij het wel. Maar wat hij wel raar vond met dit weer, was dat veel mensen zoveel kleren uitdeden. Dan liepen ze gewoon met hun kale huid in de zon. Hij had tenminste nog haren om hem te beschermen maar mensen zijn gewoon bijna kaal. Dat kan toch niet fijn zijn. Stel je voor dat je vel verbrandt, dat moet toch zeer doen. Het was ook niet altijd heel fijn om naar te kijken. Hij was met het vrouwtje op een terrasje geweest en had gezien dat ook het vrouwtje zich verbaasd had. Sommige dingen kun je toch echt maar beter bedekken. Niet dat het vrouwtje er iets over zei, tenslotte mag iedereen doen wat hij zelf graag wil, maar sommige dingen zijn gewoon niet zo heel mooi om te zien. Het rook soms ook niet zo fris. Hij had daar geen last van maar het vrouwtje vond dat soms toch wel een beetje vervelend. Dat had hij wel gezien. Zelf vond hij dat niet erg maar ja, zijn voorkeur voor geuren was heel anders dan die van mensen.  Hij was benieuwd hoe lang het nog zou duren. Op zich was het wel fijn dat het niet regende. Bovendien liepen de mensen dan ook weer te mopperen. Ach, eigenlijk was het ook nooit goed. Helemaal, tenminste.        

Machteld
0 0

Als arbeidsongeschikt afgeschilderd

Het gebeurde in de tijd dat werklieden plots werklui werden genoemd. Soms denk ik dat ik daar persoonlijk voor gezorgd heb. Op een zomerse maandag begon ik aan mijn allereerste vakantiejob. Ten gevolge van nachtelijke pesterijen door muggen was ik niet helemaal uitgeslapen, maar zoals altijd wel uitgerust met twee linkerhanden en een totaal gebrek aan technisch inzicht. De omstandigheden zaten voor het overige nochtans mee. Mijn oudere broer was mijn enige collega en mijn nonkel de werkgever. In zijn loods stond een grote marktwagen die herschilderd moest worden. Terwijl ik wat dagdromend rondkeek en aan mijn muggenbeten stond te krabben, legde mijn nonkel, soms ongewild rijmend zoals ik, in geuren, doch vooral in kleuren uit wat er diende te gebeuren. Mijn broer was een en al oor en ik de oorzaak van de eerste patronale vloek van de dag, omdat ik per ongeluk tegen een halfvolle pot verf liep die even later eerder halfleeg bleek. ‘Verdomme, mijn grondverf!’ riep onze baas terwijl hij naar de gutsende pot spurtte. ‘Oh,’ zei ik rustig, ‘het is grondverf. Een geluk bij een ongeluk.’ Mijn nonkel zuchtte diep, fluisterde iets sarcastisch over succes in de richting van mijn broer en zei daarna dat hij een uurtje of anderhalf ging winkelen. ‘Ik stel voor dat jij vooral niet in de weg loopt en alleen doet wat ik je vraag,’ snauwde mijn broer terwijl hij met wat materiaal op de ladder klom die ik vrijblijvend vasthield. Verder voelde ik me het veiligst bij wat ik het best deed: weinig werken en veel babbelen. ‘Historisch wordt dit!’ riep ik samenvattend na een tijdje. ‘Als we later oud zijn, zullen we stilstaan bij het feit dat we in een ver verleden het leven van een verver leden!’ Ik lachte luid en stak beide vuisten in de lucht. Wat een woordspeling! Mijn broer, die ondertussen de bovenkant aan het schilderen was, antwoordde: ‘Historisch? Hysterisch word ik nog ooit van jou, lullende luiwammes! En zwijg nu even, anders kom ik eens naar beneden om je gezicht paars te schilderen en je daarna persoonlijk de nek om te draaien.’ Ik draaide me desondanks naar hem toe en zei: ‘Doe maar, dan ben ik de gedoodverfde kandidaat om postuum verkozen te worden tot werknemer van het jaar.’ Mijn nonkel, die al enkele minuten vanop een klein afstandje stond mee te volgen, grinnikte luid. ‘De kans dat jij je ooit doodwerkt of een prijs wint, lijkt me alvast onbestaande. Zie je die radio daar in de hoek? Hij is net zoals jij. Hij werkt niet en hij heeft ook nooit gewerkt. Hij staat daar zomaar wat te staan.’ Een uur geklieder en gepalaver later was het middagpauze en etenstijd. Mijn tante had lekker gekookt en na het dessert, een paar knipoogjes en andere tekens met hoofd en handen (en zelfs een klein schopje onder tafel, als ik mij goed herinner), stelde ze spontaan voor dat ik beter kon helpen met de afwas en met poetsen dan opnieuw naar de loods te gaan. De plaat poetsen mocht ook, hoorde ik mijn nonkel denken.  Uiteindelijk werd het nog een fijne en gemoedelijke middag, met een gezellig koffiekransje en overheerlijke kersenvlaai. Af en toe kwam de poetsvrouw even meebabbelen. Op de achtergrond hoorde ik het rustgevende gezoem van de vaatwasser en de radio speelde zachtjes een bekend liedje van Juul Kabas, al ontsnapt de titel me nu even.

Danny Vandenberk
0 0