Lezen

Het lot van goede voornemens

Als ik begin januari boodschappen ging doen, kwam ik overal in het dorp de goede voornemens tegen. Op de fiets, joggend, stevig stappend al dan niet gewapend met splinternieuwe Nordic Walking stokken. Verbeten koppies maar vastbesloten om het dit jaar wel vol te houden. In de supermarkt zag je dat ook terug bij de groente-afdeling. Groente, fruit, noten in combinatie met moderne producten waarvan ik de naam niet eens kan uitspreken, het ging als warme broodjes. Mijn maatje en ik zijn grote groente-liefhebbers maar dan het hele jaar door. Nu zie je mensen vertwijfeld met een pompoen in hun handen. Ze zeggen dat je daar een heerlijke en gezonde curry van kunt maken, maar hoe in vredesnaam. Nu, een paar weken later, slijt het wel. Alleen de diehards zijn overgebleven. Zij rennen met een fanatieke blik in de ogen door de polder. De rest van de goede voornemens gebruikt de joggingbroek weer op de manier waarop hij geen recht doet aan zijn naam. Al hangend op de bank. Gelukkig. Niet dat ik me schuldig voel hoor, dat heb ik jaren geleden al afgeleerd. Sporten zit nu eenmaal niet in mijn genen. En het klinkt erg onaardig, maar teamsporten zijn helemaal niet aan mij besteed. Ik stond altijd verkeerd, liet ballen vallen, miste een schot voor open doel, nee, mijn oog-hand coördinatie heeft altijd veel te wensen overgelaten. Bij softbal sloeg ik over de bal, bij hockey steevast naast het doel. Het was een drama. Turnen heb ik altijd nog het leukste gevonden. Niet dat ik erg goed was, daar ben ik dan weer te onhandig voor, maar je was tenminste eigen baas. Tot op zekere hoogte. En nu, probeer ik maar zo gezond mogelijk te leven en actief te blijven. Op pad met Stef helpt daar prima bij. Maar ik moet er toch niet aan denken om in een te strak glimmend pakje in zo’n sportschool aan apparaten te gaan hangen. En dat er een kloon van Arie Boomsma tegen mij komt vertellen wat ik precies wel en niet moet doen. Ik zie het helemaal voor me, ik zou zo vreselijk afgeleid zijn door het wiebelen van zijn manbun dat ik spontaan van de loopband zou vallen. En dat op mijn leeftijd, je breekt zo je heup en wie weet hoe lang ik dan moet revalideren.

Machteld
4 0

De buitenkraan

Ik wandel graag, maar het mag niet tegenzitten. Zeker niet het meest vervelende onder de wandelfenomenen: een afzakkende sok. Het stapt voor geen meter, als die telkens terug in je schoen kruipt. Onderweg naar het woonzorgcentrum moet ik na 100 meter met mijn rechterbeen al een hoek van 90 graden maken en deze op mijn linkerknie leggen zodat ik mijn evenwicht bewaar om die vervelende sok omhoog te trekken. Maar de evenwichtige dagen zijn voorbij. Ik wankel als een dolgedraaide hamster die uit haar loopradje kruipt nadat ze er de hele dag in heeft gerend. Gelukkig staat er vlakbij een verkeersbord dat me recht houdt. Ik twijfel om terug te keren en nieuwe sokken te halen, maar ik denk dat het wel zal meevallen. Helaas. Opvallend is dat er altijd maar één sok afzakt. Alsof ze elkaar afwisselen. Onderweg moet ik regelmatig halt houden bij een verkeersbord of een brievenbus om als een plassend hondje mijn been omhoog te heffen en mijn sok te fatsoeneren. Maar daarmee is de kous nog niet af. Bijna aan het woonzorgcentrum gearriveerd, ben ik het zo beu dat ik mijn sok voel scheuren terwijl ik die voor de twintigste keer omhoog trek. Redelijk hard deze keer. Bij ma op de kamer trek ik mijn rechterschoen uit. Het is meer gat dan sok. Bijna te slecht om in de wintermaanden rond de buitenkraan te doen, zoals pa vroeger altijd deed met een stel versleten kousen, vastgebonden met een touwtje. "Ik zou zeggen, pakt er een van mij", lacht ma. We moeten er allebei mee lachen. Ik zie me de nylon kous al aantrekken terwijl er net iemand binnenkomt. Nee, ik moet het met de halve kous doen. “Maar ge kunt ze nu in de winter wel gebruiken om rond de buitenkraan te draaien”, zegt ze.  

Rudi Lavreysen
17 1

Leugentje om bestwil

Aan de tafel voor mij zat mijn beste vriendin – ik was bij haar op de koffie – en aan haar mouw hing een uk van een jaar of vier, zijn haar leek zo uit Einsteins labo te komen en zijn trui was zo smoezelig dat ik niet meer kon opmaken welke tekening er nu eigenlijk op stond. ‘Omaaaaaa?’ Hij trok en trok aan haar mouw tot ze niet meer anders kon dan haar gesprek met mij te staken en naar hem te luisteren. Ze zuchtte en keek hem geïrriteerd aan. ‘Oma, mag ik nog chips?’ ‘Ze zijn op,’ antwoordde ze kortaf en draaide zich terug naar me om. Terwijl ze verder vertelde over haar aanvaring met de politie – ze was gisteren gaan winkelen en was per ongeluk naar buiten gelopen met niet betaalde oorbellen en de enige reden dat ze uiteindelijk niet mee naar het bureau moest, was geweest dat ze de agent had wijsgemaakt dat ze leed aan een beginnende vorm van dementie – zag ik de jongen naar de keukenkast achter mijn vriendin lopen. Behoedzaam trok hij hem open en zelfs ik kon vanop mijn stoel zien dat er nog zeker vijf zakken chips lagen. Een ervan was open, en hij stak stilletjes een handvol paprikachips in zijn mond voor hij de kastdeur terug sloot. Dit begon interessant te worden. ‘Omaaaaaa?’ Weer trok hij aan haar mouw. ‘Mories,’ zei ze en ze keek hem heel nadrukkelijk aan, ‘als grote mensen praten dan mag je ze niet onderbreken.’ ‘Waarom niet?’ De blauwe ogen van de peuter keken haar oprecht vragend aan. ‘Omdat… omdat je anders in het gevang komt.’ Haar strenge blik verdubbelde de impact van de bestraffende woorden bij het jongetje, en uit zijn blauwe ogen begonnen grote tranen naar beneden te glijden. ‘Maar…’ Hij onderbrak zijn protest om de eerste traan samen met wat kruimels paprika en een rest snot dat nog uit zijn neus bengelde op te likken. ‘Maar… Oma, je zegt ook altijd dat je niet mag liegen, toch?’ Niet begrijpend keek ze hem aan. ‘Ja natuurlijk mag je niet liegen, dat is niet netjes.’ ‘Waarom heb ik dan een zak chips in mijn hand?’

Vlechtenmeisje
1 0

Appelbollen en worstenbrood

“Ik heb nog getwijfeld”, zei ik afgelopen maandag toen ik thuis kwam. Het was Verloren Maandag. “Ik ben zelfs langs de bakker gefietst, maar voor de deur heb ik beslist om geen appelbollen of worstenbrood te kopen.” Ik hoorde jaren geleden voor het eerst van Verloren Maandag toen een collega de maandag na Driekoningen appelbollen bij zich had. “Het is een traditie in Antwerpen”, zei hij. “Thuis deden we altijd mee. Daarom dacht ik vanmorgen: waarom niet?” Ik zei dat hij er goed aan had gedacht, want ze smaakten voortreffelijk. Hij vertelde ons waar de traditie vandaan kwam. “Het komt van Verzworen Maandag. Ambtenaren legden indertijd die dag hun eed af. Dat moest natuurlijk gevierd worden, met worstenbrood, appelbollen en de nodige drank. Later werd de dag bekend als Verloren Maandag, omdat er van werken niets meer in huis kwam.” Omdat we zelf ambtenaren waren, hebben we de traditie jaren aangehouden. Ik liet hem die week zelfs meermaals in mijn koffie soppen. Hij stond bekend als de koffiesopper, omdat hij zelf geen koffie lustte, maar zijn speculaaskoekje altijd in de koffie van een collega sopte. Nu is het op de werkvloer de gewoonte om op de dag van Driekoningen ’s morgens worstenbrood te eten. Ook geen slecht idee, maar ik meende ze dit jaar aan me te laten voorbijgaan. Ik zit immers in een fase van ‘periodiek vasten’. Het idee daarbij is dat je het ontbijt overslaat en meteen aan de middag begint. Niet dat je ’s morgens begint met aardappelen, groenten en vlees. Nee, je eet gewoon niets tussen 19 uur ’s avonds en 12 uur ’s middags. Enkel water, koffie en zwarte thee is toegestaan. Ik moet zeggen, het begint me aardig te lukken. ’s Avonds mag ik wel niet naar Mijn Restaurant of naar de herhaling van Dagelijkse Kost kijken, of ik ben staat om de tv op te eten. Ik heb ook al eens een kauwgom ingeslikt en ’s middags heb ik honger als een paard. Ik ga dan op een drafje en bijna hinnikend naar huis en daar duik ik meteen in de koelkast, waarbij ik zelfs mijn jas aanhoud. Niet vanwege de koude in de frigo, maar gewoon, van de honger. Al mag het niet gaan zoals dit jaar met Driekoningen. De geur van worstenbrood hing werkelijk overal in het kantoorgebouw. Een geur waaraan niet weerstaan is. In de gang, in de lift, ja zelfs in het toilet meende ik het te ruiken. U hoort me al komen. Het vlees is zwak. Ik heb ’s morgens een worstenbrood naar binnen gewerkt. Maar vertel het niet verder. Het zal me niet meer gebeuren. Wedden voor een appelbol?

Rudi Lavreysen
4 0

De jaren twintig

Aan tafel lees (en kijk) ik in het fotojaaroverzicht van de krant. "Het beeld van het jaar bestaat niet", zegt een van onze topfotografen. Het waren er veel. Elke avond voor de buis zaten we stil naar de beelden te kijken. Zorgbeelden. De fotograaf in de krant zegt dat het beeld van het jaar wellicht een grafiek is.  We moesten noodgedwongen raamzwaaien met onze coronacoupe.  Vol huidhonger en toekomstverdriet. Ook de ellebogen kregen een voorname functie. Ik kijk naar de foto waarop de Europese notabelen elkaar een elleboog geven. Het 'ellebogenwerk' werd zelden zo treffend in beeld gebracht. 'Op slinkse wijze carrière maken', is de verklaring van het gezegde. Ook in andere talen. Ik zie ze er zelf mee lachen.  Ik sla het boekje dicht. De mannen vragen of we mee naar buiten gaan. Het is een paar dagen voor Kerstmis. We laten onszelf even uit. Inderdaad, zoals enkele hondjes die te lang binnen hebben gezeten. Alleen het plassen tegen een boom of lantaarnpaal laten we achterwege. Al zag je dat wel eens bij het café waar we passeren. Toen het nog kon. Ook al is er een toilet, mannen doen het graag buiten. Lang geleden stond er aan het ouderlijk huis nog een urinoir. Dat zie je niet meer. Marcel Duchamp legde in 1917 een urinoir zijn kop, signeerde het beeld en het werd kunst. Over kunst kan je goed zeiken.   Als we bij de bakker passeren, hoor ik een mevrouw zachtjes vloeken. "Extra sluitingsdag", leest ze het papier op het uitstalraam voor. Misschien is dat wel het beeld van het jaar. De stilletjes vloekende mens. Omdat er weeral iets gesloten werd. Niet de lange rijen wachtenden, zoals je vroeger in het Oostblok zag, maar wel de onheilspellende berichten. Als er iemand ziek werd. Dan verdwijnt de hoop. Je gaat met honger naar de bakker, onderweg al een keuze makend, maar je moet met lege handen terug naar huis. "Ze zeggen dat de jaren twintig terugkomen", zegt onze oudste. “Na een tijd van rampspoed, zoals de Eerste Wereldoorlog, gaan de mensen losbandig leven. Dat ga je nu ook zien”, besluit hij. "Ja, naar het schijnt veranderde toen alles", zeg ik. "Zo leek het toch. De mode, sommige mensen werden schatrijk, anderen leefden boven hun stand. Later geven ze de periode een naam en maken ze er films over. Als je er middenin zit, zie je het waarschijnlijk niet.” Er is geen enkele tijd die terugkomt. Vasthouden is ook een kunst. “Ze zeggen dat 2022 een gigantisch feestjaar wordt”, zegt hij nog. Och, ze zeggen zoveel. Ik vertel het verhaal van de zwemmer. Het speelde zich af na de Tweede Wereldoorlog, tijdens de jaren ’50 in Amerika. Ook toen veranderde er zichtbaar veel. Het is een fictief verhaal. Een jongeman zit op een feestje aan de rand van een zwembad met een gin-tonic in zijn hand. Hij besluit om naar huis te zwemmen. Van het ene zwembad naar het andere in de rijke buurt. Een drankje hier, een drankje daar. In het verhaal gaat tijdens zijn zwemtocht de zomer stilletjes aan over in de herfst. De lucht kleurt donkerder. Symbolisch. Bij de laatste zwembaden zijn de mensen boos op de zwemmer. Ze vertellen hem over zijn financiële problemen waar hij geen weet van heeft. Als hij aan zijn huis arriveert, blijkt het verlaten te zijn. Met je hoofd in de wolken leven heeft weinig zin. Er komt een zin van een dichter bij me op. Dichters vinden het niet erg als je hun woorden leent. Als je ze maar teruggeeft. "Wat blijft komt nooit terug", zo luidt de dichtregel. Als we terug thuis komen, zien we dat de lichtjes van onze kerstboom nog branden.  

Rudi Lavreysen
2 0

In Rotterdam

Het klinkt u wellicht niet onbekend in de oren. Je gaat een weekend weg en één gebeurtenis overheerst de uitstap. Als je achteraf vertelt hoe het was, begint het relaas met 'we hebben nog iets meegemaakt'. Ook in Rotterdam was het zo. Niet het Museum Boijmans Van Beuningen, de Erasmusbrug of de Kubuswoningen overheersten onze vertelsels, maar wel de man in de bar van het hotel. Ons hotel ligt aan de Oude Haven, een stukje Rotterdam dat overeind bleef tijdens het bombardement in mei 1940. Vanuit de bar kijken we uit op het Witte Huis uit 1897. We zetten ons in de bank aan de boekenkast met klassieke Penguin books. In het hotel verliep trouwens alles in het Engels. Zelfs de juffrouw aan de balie vertelde dat ze geen Nederlands sprak. De wereld verengelst aan een razendsnel tempo. Ik zei voorafgaand dat we uit België kwamen en dat ze gerust Nederlands mocht spreken, maar het maakte geen indruk. We kregen desalniettemin vriendelijk onze kamers toegewezen. Ze zagen eruit als een kajuit. Zo moest ik ’s nachts als een acrobaat over het bed klauteren om naar het toilet te gaan. Net als in een schip stond het bed tussen de muren geperst. Maar terug naar de man in de bar. Ik bestel ‘two drinks’ en begeef me naar de bank. Een deftig geklede man van middelbare leeftijd komt naar me toe en verspert me de weg. Ik draag een T-shirt waarop vrij groot het merk Balr. staat (waarom het punt er staat is me vreemd, maar het is nog hip voor iemand van mijn leeftijd), met daarover een vest. Ik bereid een vriendelijk lachje voor, maar plots opent de man als een overijverige vestiairemedewerker mijn vest. “Oh, ben jij in Bali geweest?”, vraagt hij enthousiast. Ik kan de drankjes nog net in mijn handen houden, maar weet niet zo snel een gevat antwoord te bedenken. Ik stamel zoals Eddy Merckx toen hij over de eindmeet kwam en de microfoon van Fred De Bruyne onder zijn neus kreeg. “Euh, nee, euh, ik denk het niet nee.” Pas dan besef ik dat hij het over het merk van mijn T-shirt heeft. “Oh, nee”, lacht hij. “Er staat iets anders op”, waarna hij snel over de R wrijft en verder stapt. “Bali, Bali”, denk ik bij mezelf. “Ik weet amper waar het ligt.” “Nu heb ik iets meegemaakt”, zeg ik tegen mijn vrouw op de bank, waarmee het verhaal al een eigen leven krijgt, terwijl het zelfs niet afgelopen is. Ik heb mijn wedervaren nauwelijks verteld, of dezelfde man komt naar onze fauteuil. “Het stoort toch niet als ik me er even bijzet”, zegt hij, ons antwoord niet afwachtend. Hij zit al vooraleer we ‘natuurlijk niet’ uitgesproken hebben. Er is amper ruimte voor drie, maar hij weet er zich kundig tussen te wringen. Het gesprek gaat over koetjes en kalfjes, over Nederland en België, hij is zelfs ooit een paar keer in onze thuisstad geweest, en wat we in Rotterdam zeker moeten bezoeken. Tot hij plots nog een vraag stelt. “Zeg, mag ik jullie even iets vragen?” We weten ondertussen dat hij niet de man is die een antwoord verwacht, dus we laten hem de vraag stellen. “Zijn jullie eigenlijk een stel?” Ik ben opnieuw licht verbouwereerd en haal nogmaals mijn beste Eddy Merckx naar boven. “Euh, jawel, euh, wij zijn een koppel ja.” “Ooooowwhhh”, zegt hij. Het gesprek duurt vervolgens niet meer lang. We gniffelen nog even na en besluiten naar onze kajuit te trekken. Ik doe mijn vest dicht en zeg dat het ’s avonds behoorlijk fris kan zijn op het water.

Rudi Lavreysen
2 0

Het was een raar jaar

Het was een raar jaar geweest, niet ongezellig, maar wel raar. Eerst ging het vrouwtje iedere dag weg. ’s Morgens vroeg al. En dan kwam ze pas aan het einde van de middag weer thuis. En toen ineens, bleef ze de hele dag thuis. Ze zat wel steeds naar dat schermpje te kijken, maar ze bleef toch wel thuis. Soms zat ze zelfs tegen dat scherm te praten, zo gek. En dan hoorde je ook stemmen van andere mensen. Hij had wel eens meegekeken, op schoot, maar dan werd er alleen maar gelachen. Wel heel gezellig hoor, dat het vrouwtje zo veel thuis is. Dat vindt het baasje ook. Ze eten samen tussen de middag en dan gaat hij een rondje lopen met het vrouwtje. Ze zit nu wel boven op haar kamertje. Daar heeft ze alle spulletjes bij de hand. Hij gaat er overdag geregeld kijken. Ze heeft er nu ook een vachtje neergelegd zodat hij niet op de koude grond hoeft te gaan liggen. Nee, daar is niks mis mee. Van hem mag dat gewoon zo blijven. Ze zijn wel veel minder naar de camping geweest, dat was ook zo raar. Het was prachtig weer en toch bleven ze thuis. Hij miste het wel. Niet alleen het bos en het water maar ook zijn vriendjes. Yana, Luna, Indy. Hij had ze wel erg lang moeten missen. Gelukkig was het wel een mooie zomer geweest en had hij nog veel kunnen spelen. En toch, ook op de camping was het anders. Hij kon het niet thuisbrengen maar er was iets. Het baasje ging altijd graag naar het terras maar nu bleef hij liever op zijn plekje. Ook niks mis mee, het vrouwtje had hele zakken hout opgestookt. Wel scheen het nu weer opgelost te zijn, zijn grote vriend bleef in ieder geval ook volgend jaar op de camping. Dat was goed nieuws. Het baasje was er erg blij om geweest. Hij begreep niet zoveel van mensen. Er waren bepaalde regels geweest die ervoor moesten zorgen dat iedereen gezond bleef. En dan had je mensen die zich daar niet aan wilden houden. Dat vond hij zo raar, je wilde toch niet ziek worden. Als je nou toch gewoon een tijdje die maatregelen in acht neemt, dan kun je toch daarna weer doen wat je wilt. Maar nee, mensen liepen weer te mopperen. Volgens hem duurde het daarom allemaal veel langer, suf hoor. Nou, nog even en dan begint er weer een nieuw jaar. Wat zal het weer gaan brengen. Hij hoopt veel plezier, veel geluk, veel liefde. En natuurlijk ook veel hondensnoepjes, want die heeft hij afgelopen jaar echt veel te weinig gekregen, naar zijn zin.  

Machteld
13 0

Namen raden

"Ben ik een man?" “Ja." "Ben ik bekend van tv?" "Nee, niet bekend." "Ben ik familie?" "Nee.”Geen zorgen. Niet dat ik me afvraag wie ik ben, maar ik probeer met mezelf een spelletje 'namen raden' te spelen. Maar het werkt niet. Ik weet al wie ik ben. Of wie ik zoek, beter gezegd. Het is alsof je een verhaal achterstevoren vertelt. Kent u het spel? Wij hebben het in onze kinderjaren ontelbare keren gespeeld. 'Wie ben ik?', of 'namen raden' zoals wij zeiden. Je parkeert een naam in je hoofd en de andere stelt vragen waarop je enkel met ja of nee mag antwoorden. Het signaal, vlak voor het in slaap vallen, was de zin “ja, ik heb nog iemand” en we waren vertrokken. Soms was het zo moeilijk dat er geen oplossing kwam. “Wie was het”, vroeg ik ‘s morgens. Dan bleek het een onbekende sporter of zo te zijn, wat eigenlijk niet mocht. Je moest hem allebei kennen. Ooit dacht je in de klas aan een naam die je kon gebruiken. Dan moest je de naam onthouden en opletten dat je niet plots 'ik heb iemand' riep. Dat zou anders begrepen kunnen worden. Nu gebeurt het soms dat ik niet op de naam van iemand kom. Een acteur bijvoorbeeld. "Hoe heet hij toch alweer”, zeg ik dan, gevolgd door een luide vloek. Vloeken zoals een boer in een Vlaams boerenepos bij een mislukte oogst of als de meid met de boerenzoon aanpapt. 'Nondedju nondedju toch'. En erger. Dan is het 'namen zoeken' en moet ik mijn geheugen kraken. De gang van het leven zeker? Eerst verdwijnen de namen en dan de mensen. Wijzelf inbegrepen. Daarom kan het geen kwaad dat ik 'namen raden' af en toe in m'n eentje speel. Dan heb ik de vragen toch al juist.  

Rudi Lavreysen
13 0

Wat doen we met vader met kerst...

Dit jaar nog meer dan anders is de vraag “wat doen we met mama deze kerst?”. Of met vader, of oma. In ieder geval met het familielid waar we normaal altijd naar toe gaan omdat dat zo hoort. Het klinkt niet erg respectvol maar zo is het helemaal niet bedoeld. En niet dat het ongezellig is, dat ook helemaal niet, maar “het is zo gegroeid”. Vaak zijn het familiebijeenkomsten waar mensen ook hun neven en nichten weer eens voorbij zien komen. “We moeten toch snel weer eens wat afspreken.” Om vervolgens weer een heel jaar geen contact te hebben. Begrijpelijk, iedereen heeft het druk en een jaar is helaas zo om. Mijn schoonvader wist zich de laatste jaren prima te vermaken tijdens de feestdagen. Op kerstavond kwam hij bij ons eten, dat was traditie. Hij mocht dan ook het menu samenstellen. Vaak koos hij voor gerechten die hij zelf niet kon maken. Of die niet geschikt waren voor één persoon. Flappie zal zijn keuze meerdere malen met schrik en beven aangehoord hebben. Pa nam voor de heenweg de deeltaxi. Hij wilde ons niet lastig vallen tijdens de voorbereidingen. Nadeel van die taxi was wel altijd dat hij steevast een uur te vroeg op de stoep stond. Ik nog bezig in de keuken, mijn maatje bezig met klusjes die nog gedaan moesten worden. Het “dag dag” zorgde altijd voor een gevoel van haast en te laat zijn. Pa kwam binnen, handenwrijvend, rondkijkend waar hij zijn stok even kon parkeren om zijn jas uit te doen. Mijn maatje hield Stef vast, die kleine man was altijd enthousiast als pa kwam. Hij zou hem zonder pardon uit liefde en affectie ondersteboven hebben gesprongen. En als zo’n oude man valt, tja, je wilt een gebroken heup niet op je geweten hebben. In de binnenzak van zijn jas grabbelde hij naar twee envelopjes. Die waren voor ons, zijn kerstkadootje. Hoe vaak we ook zeiden dat dat niet hoefde, hij bleef het geven. De avonden waren altijd hetzelfde. De oude verhalen, hoe het met de familie ging. En aan het eind bracht ik pa weer naar huis. Eigenlijk was het best gezellig. Je mist dingen pas als je ze niet meer hebt. Dit jaar wordt kerst voor veel mensen een ingewikkelde planning. Want met de hele familie aan het kerstdiner, dat gaat het niet worden. Ach, er zullen ook best mensen zijn die stiekem opgelucht adem halen. Want niet alle kerstdiners eindigen in peis en vree. Mijn moeder komt bij ons eten op kerstavond. Mijn zussen vullen de andere dagen. Mijn zussen en ik hebben samen overlegd, “wat we doen met mama deze kerst”. Arme mam, ze moest eens weten.  

Machteld
7 0

Romantisch, zo'n witte winter

Het wordt weer winter, althans, het weer wordt weer slechter. Donker, koud, nat, guur. Veel mensen verlangen naar een ouderwetse winter, vol sneeuw. Zouden we dit jaar kunnen schaatsen? Nou, ik kan je zeggen, voor mij hoeft het niet. Het ziet er misschien mooi uit op een plaatje maar ik heb er een gruwelijke hekel aan. Dat je ’s ochtends buiten komt en het heeft gesneeuwd. Je verpest gelijk je schoenen, je moet je auto schoonmaken. Waar zijn mijn handschoenen? En als je auto dan sneeuwvrij is en je start, beslaat direct de voorruit zodat je helemaal niks ziet. Kun je dat weer schoonpoetsen. Dan, eindelijk, kun je op pad. In een ijskoude auto. Het grote nadeel van een moderne hybride-auto heb ik altijd gevonden dat zo’n ding maar niet warm wil worden. Ik hoef niet zo heel ver te rijden maar de ouderwetse diesel die mijn maatje lang heeft gereden, was tenminste op de snelweg direct warm. Je blijft anders bibberen. En zo’n dikke jas en sjaal, het zit alleen maar vreselijk in de weg. Schaatsen zie je ook steeds minder. Niet dat ik dat erg vind. Ik ben geen ster, ook voor schaatsen heb je een bepaalde handigheid nodig. En die bezit ik niet. De laatste keer dat ik op natuurijs stond, ging ik na 10 meter al onderuit. Lekker onhandig. Natuurlijk riep ik dat er niks aan de hand was en heb ik de middag nog uitgehobbeld maar ik had er geen plezier meer in. Een bezoekje aan de dokter en het ziekenhuis wees uit dat ik mijn schouder had gebroken. Toch fijn een half jaar mee zoet geweest. En oh ja, het is best gezellig om in een grote tent warme chocolademelk te drinken. Maar ik kan dat perfect zonder dat ik een paar ongemakkelijk zittende ijzers bij me heb. Ik hoef niet zo nodig te klunen over stukken vloerbedekking die aan de randen zo omgekruld zijn dat je daar weer over struikelt. Ik kijk zo wel naar mensen die wel de motoriek hebben om op van die smalle stukjes metaal rond te zwieren. En dan gaat dat ijs en die sneeuw natuurlijk ook weer smelten. Alles verandert in één grote, bruine blub. Sneeuwmannen zakken scheef en na een paar dagen zie je alleen nog maar een zielig hoopje sneeuw liggen, met als je geluk hebt nog een winterpeen recht omhoog. Overal liggen plassen ijskoud water. Ook voor Stef is een ramp, zijn arme pootjes worden in- en in koud. Ik snap heel goed dat hij af en toe weigert om mee naar buiten te gaan. Nee, voor mij hoeft de winter niet. Ik ben geen romanticus. Ik ben een groot voorstander van een winterslaap. Gewoon onder de dekens en wachten tot het allemaal weer voorbij is.

Machteld
6 0
Tip

Wat als... ik toen een andere beslissing had genomen

Een hond en een goudvis. Het enige gezelschap dat Marilyse toelaat. Die vellen geen oordeel. Ze staart door het raam. Eenzaamheid vreet aan haar ziel en raakt het allerdiepste van haar zijn. Zou ze zichzelf trakteren op een kop koffie, of blijft ze beter in haar quarantaineperimeter, omdat ze het niet verdient? Met haar neus tegen het venster kijkt ze hoopvol naar wat beweging om haar dag te vullen met iets anders dan het eeuwig wentelen in zelfmedelijden. Een mooie eigenschap is dat niet, maar wat is het alternatief. Het is haar keuze om pijn te hebben, haar straf voor de fout die ze gemaakt heeft. Trouwens, wie wil haar nu nog zien. Wie wil zij nog zien. Altijd priemende blikken, beschuldigende vingertjes. Schaamte heeft haar gedreven richting totale lock down in haar zielenroerselen. Had ze die dag maar gekozen om thuis te blijven. Toen was haar leven een grote roller coaster, altijd maar doordoen. Het was haar keuze geweest. Haar eigen domme keuze. Met een knal had ze het tienjarige kind geraakt, op haar netvlies dat onschuldige gezichtje, voor eeuwig gebrand. Waarom was ze toch achter het stuur van die Porsche gestapt, als een willoos lammetje? Waarom had ze geluisterd naar dat stuk alfamannetje dat zich haar vriend noemde. Waarom was ze voor de kick van plankgas geven gegaan? Op de gewone weg dan nog. Het alfamannetje en het kind, elkaars tegenpolen, voor eeuwig samen. Zij blijft alleen achter.  

Linde Verlat
134 8

Leugentje om bestwil

Daar lagen we op dat bed, elkaars naakte lichaam te bewonderen in de spiegel tegen het plafond, heel gewoon voor dit soort hotel waar je per uur betaalt. Wat is hij mooi! Hoe lang is het geleden dat ik zijn rug en gespierde billen nog zo zag, in volle actie? Of rustend bovenop mijn voldane lichaam? Wij waren volmaakt. “Er is iets in jouw ogen dat ik allang niet meer zag,” fluisterde hij zwaar. Dat zal wel. Weet jij hoeveel werk ik de laatste maanden aan jou heb? Ik schenk hem intussen mijn zaligste glimlach en laat mijn hand nog eens over zijn buik afglijden. Ik weet het. Hij heeft een drukke job, ook nu nog, zo dicht bij zijn pensioen. En dan zijn er de volwassen kinderen uit zijn vorige relatie die veel tijd in beslag nemen. Zelfs al wonen ze niet meer bij hem, ze vallen toch regelmatig met de deur in huis, vooral in het weekend. Had ik het nooit eerder opgemerkt? Willen opmerken? De vleesgeworden macht der gewoonte, waarbij ik al het werk deed, ondanks mijn gewrichtspijnen en hij dan als een blok in slaap viel, voldaan lachend weliswaar, maar toch. De gewoonte waarbij ik tussen het douchen en aankleden een gelukkige glimlach op mijn gezicht toverde en hem vertelde wat ik zelf niet voelde… niet méér voelde. In deze spiegelkamer, drie uren lang voor ons alleen, was er opnieuw tijd. Onze blikken kruisten zich nog eens boven onze lijven. We draaiden naar elkaar, ik gaf hem een zinnelijke zoen en mompelde tussen zijn lippen: “Wat ben jij toch lekker!” Het was lang geleden dat ik naar waarheid sprak. “En jij dan!” was zijn antwoord. “Toch goed dat ik die folder van dit hotel tussen de reclame uit viste.” “Wat een geluk ja, zoiets moeten we vaker doen,” en ik glimlachte denkend aan die folder die ik net achter het eerste blad van het Bookspotboekje gestoken had. Bookspot sloeg hij nooit over.

Anemos
11 0

Mondkapjesplicht

Het is wel een woord dat we een jaar geleden nooit gebruikten, mondkapjesplicht. Een mondkapje, dat was iets dat in het ziekenhuis werd gebruikt. Of als er met gevaarlijke stoffen werd gewerkt. En dat waren dan ook hele andere exemplaren dan de stoffen lapjes die inmiddels het straatbeeld beheersen. Vanaf 1 december is het dan zo ver. Het is verplicht om in openbare ruimtes een mondkapje te dragen. Als we de weekenden in België waren, was het op veel plaatsen al verplicht dus voor mij is het niet zo’n moeite. Daar noemen ze het overigens een mondmasker. Dat allitereert een beetje dus dat vind ik dan weer mooier klinken. Maar ach, what’s in a name. Ik heb de discussie over voor en tegen zijdelings gevolgd. Natuurlijk, Het zal heus niet volledig afdoende zijn. Anderhalve meter afstand blijft nog altijd belangrijk, evenals het ontsmetten van spullen en het goed wassen van je handen. Maar het is toch weer een klein wapen in de strijd naar een normale maatschappij. En al doe je het niet voor jezelf, doe het dan in ieder geval voor je medemens. Je wilt een ander toch niet besmetten. Zeker niet de ouderen en wat minder weerbaren onder ons. Hoewel, dat van die ouderen is soms toch wel heel betrekkelijk. Je hebt er eigenwijze exemplaren tussen hoor. Mensen die denken dat ze, omdat ze een zekere leeftijd hebben bereikt, ze dan ook een zekere wijsheid hebben ontwikkeld. Je hoort ze vaak ook al van een afstand oreren. Tijdens mijn wekelijkse boodschappenrondje kwam ik er ook een tegen in de supermarkt. Ik stond achter hem in de rij bij de kassa. Mezelf al verwensend dat ik geen zelfscanner had gepakt. De dame achter de kassa droeg een kunststof kapje dat steunt op de kin. De man vroeg of ze daar geen last van had. Hij droeg zelf niets. De kassière gaf toe dat ze het niet fijn vond. Maar dat iedereen daar last van had. En dat er nog even niets aan te doen was. “U draagt geen mondkapje, bent u niet bang voor besmetting?” vroeg ze. De man keek haar een beetje laatdunkend aan. Hij vond het zichtbaar allemaal maar onzin. Mevrouw, ik heb al 40 jaar geen griep gehad, ik heb een uitstekend immuunsysteem.” Nadat de man had afgerekend gebaarde de kassière me te wachten. Ze haalde onder de kassa een enorme spuitbus met desinfectiemiddel tevoorschijn en besprayde omslachtig en demonstratief de boodschappenband en pinautomaat om daarna alles schoon te poetsen met een groot stuk keukenrol. Het gezicht van de oude man was goud waard.

Machteld
7 0

Fotomodel

"Gaan we naar de foto's kijken? Het is buiten toch te slecht weer", zeg ik.  “De foto’s?”, vraagt ze. “Ja, we gaan eens kijken hoe ge er dit jaar op staat.” Als we voor de foto’s staan herinnert ze het zich. “Och ja, dat was van de week”, zegt ze. We zijn er niet bij als ze voor de fotograaf poseert. Naast de foto op zich, moet dat ook een bijzonder beeld zijn. Elke bewoner heeft zijn of haar jaarlijkse foto op het raam van de binnentuin hangen. Voor mij hangen ze op ooghoogte. Ma moet iets naar boven kijken. “Ge staat er weer goed op”, zeg ik. “Eigenlijk had ge toch fotomodel moeten worden.” “Ge hangt toch nog op dezelfde plaats”, lach ik als we er voor de tweede keer passeren en alle familieleden en kennissen bij naam en bijnaam hebben benoemd. Het is dit jaar geen pose in verkleedkostuum. De mensen staan op de foto zoals ze zijn. Het afgelopen jaar was inderdaad al raar genoeg. Terug op haar verdieping zie ik de nieuwe foto waarop ze samen met haar broer staat. Allebei lachend. Wat heeft de fotograaf gezegd om die glimlach te krijgen? Mooier krijg je ze niet gemaakt. Boven haar bed hebben we de foto van vorig jaar gehangen. Ze is erop gekleed zoals in de roerige jaren ’20. Compleet met boa en handwaaier, helemaal in de stijl van The Great Gatsby. Een treffende keuze, gezien haar geboortejaar. De laatste zin van Fitzgeralds meesterwerk komt mijn hoofd binnenwaaien. “En zo varen we voort, schepen tegen de stroom op, onophoudelijk teruggevoerd naar het verleden.” Terug thuis neem ik The Great Gatsby uit het boekenrek. Zoals ik wel vaker doe, blader ik eerst van achter naar voor. Het is een gewoonte. Van het einde naar het begin gaan.  

Rudi Lavreysen
16 0

Al weer eind van het jaar

Onvoorstelbaar, hoe snel dit jaar voorbijgaat. Toen we in maart thuis moesten gaan werken, dacht ik dat dat voor een paar weken zou zijn. Drie weken, was in eerste instantie het idee. Ik zette mijn laptop op de eettafel en ging aan de slag. Als ik ’s middags met Stef een rondje liep, kwam ik langs een veld waar net mais was gezaaid. Ik zag de plantjes opkomen en groeien. De drie weken werden drie maanden. Thuiswerken werd het nieuwe normaal. We mochten wel naar kantoor maar alleen als het echt nodig was en onder strikte voorwaarden. De eettafel voldeed niet meer. Het voelde niet goed om de hele dag te werken, dan de laptop dicht te klappen en opzij te schuiven en op diezelfde plek te eten. Mijn maatje zag het als eerste in. De werkdag werd te veel verweven met de vrije tijd. Dus verhuisde ik naar boven. Ik heb nl. de luxe dat ik een eigen werkkamertje heb. Inmiddels volledig ingericht met alles wat ik nodig heb. De huiskamer is weer de plaats waar ik woon. En niet de plaats waar ik werk. Tussen de middag eet ik samen met mijn maatje. Als ik te lang niet naar beneden kom, krijg ik een appje. “Pauze!!” Even eruit, even achter het scherm vandaan. Eigenlijk bevalt het me prima zo. Ik heb mijn draai goed gevonden. Als ik na het rondje met Stef weer naar boven vertrek, wil die kleine man altijd mee. Hij rommelt wat rond en gaat met een zucht voor mijn boekenkast liggen. Natuurlijk ben ik een watje maar ik heb er toch maar een dekentje neergelegd. Hij snurkt nog net niet zo hard dat mijn collega’s het horen tijdens de Teamsmeetingen. Ik hoor van anderen dat ze het moeilijk vinden om thuis te werken. Ze kunnen zich niet concentreren. Ik snap dat als je kinderen hebt die ook hun aandacht nodig hebben. Natuurlijk, ik vind het jammer dat ik mijn collega’s niet spreek bij de koffieautomaat. Je mist toch de gesprekken over hoe het thuis gaat en wat mensen naast hun werk beweegt. Een Teamsmeeting is vaak veel zakelijker, je bespreekt wat nodig is en gaat dan weer verder. Maar het werken op zich gaat me goed af. Wat mij betreft wordt de combinatie tussen thuis en op kantoor echt de norm. En eerlijk is eerlijk, ook mijn maatje vindt het fijn. We gaan het zien, COVID-19 zal zeker nog een hele tijd zijn invloed uitoefenen. Inmiddels is de mais alweer gemaaid. Het veld is omgeploegd en ligt braak tot het komende voorjaar. Ik ben benieuwd hoe ver ik de mais zal zien groeien.

Machteld
2 0

Manchego

Mijn vrouw heeft een geit geadopteerd - een mank weesgeitje, met drie poten en een aangenaaide sik, hoor ik u denken. Neen. De geit in kwestie is perfect gelukkig en gezond. Mijn vrouw liet zich overhalen tot het adopteren van de geit, door het vooruitzicht er drie kilogram manchegokaas van te krijgen. Of beter gezegd: manchego gemaakt van de melk van de geadopteerde geit. Ik denk niet dat die geit – in hoogst eigen persoon - drie kilogram kaas aan mijn echtgenote komt overhandigen. Nu, men weet maar nooit. Ik denk dat mijn vrouw een fout begaat. Over enkele maanden zal ze zich, bij elke hap manchego, afvragen of de kaas wel echt van haar geit komt en niet uit een of andere Spaanse supermarkt, slordig omwikkeld in artisanaal bruin papier. Of erger, dat ze niet de kaas van haar geit aan het verorberen is, maar de kaas van een geit geadopteerd door een bejaard koppel uit Okselaar, terwijl haar manchego ergens in een koelkast in Beieren onaangeroerd blijft, omdat ze daar naar cheddar van een Engels geadopteerd rund zaten uit te kijken. Ook vrees ik de dag waarop we wensen met een adoptiekind ontmoeten, en dat ik het dan niet kan laten om te melden dat mijn vrouw een geit geadopteerd heeft, voor de manchego, en dat die lieve mensen dan stiekem jaloers zijn, omdat een goed geweten wel lekker is, maar niet zo smaakt bij een plak chorizoworst. Toen onze dochter het nieuws over de geadopteerde geit vernam, wilde ze weten wat adopteren betekende. Ik zei dat het een omslachtige manier was om een hoop kaas te kopen. Onze dochter nam vrede met die uitleg en mijn vrouw gaf geen krimp. Wel wist ze nog te melden dat ze ook een bijenkorf geadopteerd had. Hiervoor wordt ze beloond met vijf kilogram honing. Ik had meteen medelijden met de bijen en met mijn vrouw: dit eindigt ongetwijfeld met de adoptie van een verwilderde hond en de belofte er rabiës van te krijgen. Ik houd u maar niet op de hoogte.

Levi Heusdens
11 0

Sommige bloemen bloeien nooit

Het is lang geleden, begin jaren tachtig, ik was nog een kind, toen ik al regelmatig bij je op bezoek kwam. Ik nam vaak een bloemetje voor je mee dat ik kocht van mijn zakgeld. Menig piek, heitje en knaak heb ik aan jou gespendeerd om het wat bij jou op te leuken. Ik was in mijn vroege tienerjaren reeds vaste klant bij de bloemenzaak op de hoek. Ze keken daar niet meer raar op als ik kwam en wisten dat ik ging voor de ‘bloemen die goed tegen een stootje kunnen.’ Ik ruimde ook elke keer wat bij je op want er was altijd wel een beetje rommel weg te werken. Ik gaf met liefde en plezier de dorstige plantjes die er wat beteuterd bij stonden water en herschikte de bosjes bloemen op de vazen. Ik kletste maar wat tegen je aan. Over hoe het op school ging en klaagde dan nogal eens een keer over mijn huiswerk. Dat het zoveel was, dat wiskunde zo’n rotvak was en dat jij daar nooit last van hebt gehad. En dan het vele liefdesverdriet dat ik heb meegemaakt en over jou uitgestort heb. ‘Dat is jou toch maar mooi bespaard gebleven’, zei ik dan tegen je. ‘Net als jeugdpuistjes!’ Het scheelde niet veel, of ik had je nog net geen mazzelaar genoemd. Ik bleef nooit heel lang bij je hangen. Daarvoor was het vaak te fris bij jou, en ja, je zei nooit wat terug dus dan was ik al snel weer uitgepraat. Na een minuut of tien aan monoloog zei ik je gedag. ‘Dag meisje, tot de volgende keer.’ Als ik wegliep, keek ik nog eens om naar je steen, zuchtte ik eens diep en ging ik weer verder. Pakte ik de draad van mijn leven weer op. Mijn levenslijn, die steeds verder uitrolde, verder van het moment vandaan, vandaag zoveel jaar geleden, waarop jouw eigen tere draadje brak. ‘ Na die winter kwam toch weer lente, zelfs na die nacht kwam weer een dag, maar jij bleef kind, ik werd vrouw. Maar ik bleef jou, ik bleef onze vriendschap trouw, En jaren later, rouw ik nog om jou. Want elke roos verwelkt, En elk schip, dat vergaat, Maar wat ook verslijt, liefde doorstaat de tijd.’   Uit: de meedogenloze tijd (liedtekst)

Annemagenta
3 0