Lezen

Een luchtballon

Het zijn altijd rare dingen, van die grote ballonnen met een mandje er onder waar dan mensen in zitten. Die roepen ook vaak dingen, hij snapt niet waarom want hij kent die mensen niet eens. En hij kan ze ook niet bereiken dus wat heeft het dan voor nut. Maar goed, ze vinden het leuk. Het baasje en het vrouwtje hebben ook wel eens gevlogen met zo’n ding. Gevaren, noemen ze dat dan. Het was één keer leuk en één keer minder, toen was een beetje misgegaan. Dus nu mag het vrouwtje niet meer van het baasje. Thuis komen ze vaak over. Het maakt wel lawaai maar hij heeft er verder niet veel last van. Op de camping had hij ze nog nooit gezien. Hij stond ervan te kijken toen hij het geluid hoorde, een luchtballon, hier? Maar inderdaad, weer zo’n mal mandje met zwaaiende mensen. Tsss. Hij besloot er maar geen aandacht aan te schenken. Wat hij niet had verwacht, was dat Dunja zo bang was. Dunja is een stevige dame waar je prima met kunt stoeien en zwemmen. Als het baasje van Dunja langskwam, ging hij meestal wel mee naar het bos. Nu kwam ze trillend als een rietje aangerend. Hij zag dat ze echt bang was. Waarschijnlijk wist ze niet wat het was en dat het geen kwaad kon. Hij ging naar haar toe en ze kwam stilletjes naast hem zitten. Ach, wat sneu. Hij zou maar even wachten tot het zakte voordat ze weer konden spelen. Het baasje had het ook al in de gaten. Hij bleef maar even bij haar. Het duurde ook niet lang voor het baasje van Dunja aan kwam lopen. Die was toch wel opgelucht toen hij haar zag zitten, bij hem. Hij kon al niet veel verkeerd doen bij die meneer maar nu was hij toch wel erg blij. Dunja wilde alleen niet met hem mee naar huis. Hij probeerde haar gerust te stellen maar dat viel toch nog niet mee. Ze was echt erg geschrokken. Gelukkig had het baasje nog een reserve-riem en konden ze terug naar huis. Arme meid. Die zou nog wel even nodig hebben gehad om weer bij te komen. Mensen snappen het ook niet hè, dat dieren niet altijd snappen wat er aan de hand is. Die maken maar lawaai en vinden het dan raar dat zij bang zijn. Eigenlijk zijn mensen best dom.  

Machteld
0 0

Op afstand

"Je weet achteraf nooit hoe je droom begon", hoorde ik een personage in een film zeggen. Het klopt. Je herinnert je alleen een gedeelte bij het wakker worden. Vervolgens zeg je tegen de persoon die naast je ligt, of tegen jezelf: "Wat een rare droom." Zo droomde ik onlangs dat Frank Deboosere naast ons bed stond. Al kon het geen droom zijn, want ik lag amper in bed en was klaarwakker. Toch dacht ik: "Ik droom." "Hoor jij dat ook?", zei ik tegen mijn vrouw. "Frank Deboosere is hier." Ik dacht dat ze ging zeggen: "Vraag eens wat voor weer het morgen wordt, dan weet ik wat aandoen", maar ze sliep rustig verder. Ik wist snel wat er scheelde. De tv was aangesprongen. We hebben een nieuwe Digibox, met natuurlijk een aparte afstandsbediening. Als ik de tv uitzet, en niet de Digibox, springt de tv soms terug aan. Ik kan het niet verklaren, maar het gebeurt. Het is me wat met die afstandsbedieningen. Onze buurvrouw Lisette kan erover meespreken. Naast het kastje van de tv, de Digibox, de tuner, de radio en de thermostaat lag een nieuwe afstandsbediening, maar dat had ze niet gezien. Het lag op de plaats waar normaal dat van de tv lag. Ze drukte blindelings op de aan/uit knop, maar er gebeurde niets. Al meende ze een gezoem te horen. Ze drukte nog een paar keer, maar niets. Plots ging de bel. Het was overbuurman Jos. "Lisette, ik denk dat je een kortsluiting hebt", zei hij. "Inderdaad, de tv doet het niet", antwoordde ze. "En jullie garagepoort blijft maar open en dicht gaan”, zei Jos. "Oei, daar moet ik Frank naar laten kijken. Merci Jos". En ze duwde de deur dicht. "Frank, nondedju”, vloekte ze. “Gij met uw automatische garagepoort. Al die stomme kastjes ook.”  

Rudi Lavreysen
8 0

De onderliggende aandoening

Onze Westerse cultuur en onze ‘plastic way of thinking’ hebben ons ver verwijderd van wie we ooit waren. Ooit waren we oersterk. Toen we nog oermens heetten. In die tijd bulkten we van de energie en gold het recht van de sterkste. Met gemak renden we een kilometertje of twintig om een wild dier de kop af te rukken, om het vervolgens met blote hand te villen en in stukken te verdelen onder onze dierbaren. De onzen beschermden we letterlijk met hand en tand. Eenvoud vierde hoogtij. Het was over het algemeen ook duidelijk wie onze vijanden waren. De natuur omvatte alles. Het was onze religie, onze leermeester, onze toevlucht, onze vijand, onze vriend en ons genot. Van intuïtie hadden we nog nooit gehoord. Alles was basic instinct. We waren één met de natuur. Anno 2020 zijn we beschaafd. We hebben de natuur niet meer zo nodig. De god van de donder heeft plaatsgemaakt voor de adonissen van de wetenschap. Van verwilderde krachtpatsers zijn we geëvolueerd naar intelligente en geciviliseerde wezens.  Ranzige Van Ranstjes vertellen ons nu wie de vijand is en hoe wij ons moeten beschermen. Sensationele nieuwsuitzendingen kwaken over hoe we moeten omgaan met onze nieuwe vijand, Covid 19. Van honderdvijftig centimeter afstand tot het muilkorven van onze kinderen. Pootjes wassen en ontsmettingsmiddel op je pollen! Hier en daar wat getinte codes van geel, oranje tot rood. Doe mij maar code wit! Géén enkele viroloog vertelt iets zinnigs over dat minuscule monster. Omdat ze het niet weten. Ze weten niks en vertellen niks. Als je onderliggende aandoeningen hebt kan Covid 19 fatale gevolgen hebben. Daar moeten we het mee doen.  Moeder natuur daarentegen wordt genegeerd. Maar zij staat wel met uitstrekte hand te smeken om hulp te bieden. Ze brult het uit dat we moeten stoppen met de lucht te vervuilen en ons eten te vergiftigen. Ze kijkt verdrietig toe hoe we toelaten om onder ongezonde werkdruk te functioneren. Ze schudt het hoofd als ze ziet hoe we onze kinderen en onszelf vergiftigen en versuikeren met alcohol, vet en frisdrank. Om nog maar te zwijgen over de tonnen bewaarmiddelen en kleurstoffen om ons happy te houden met mooi voedsel. Ze smeekt ons om onze verkankerde, suikerzieke wereld te veranderen.  Ze dringt aan om te stoppen met over-cultivatie, en om te stoppen met stressen over niks. Ze vraagt ons waarom we in 24u activiteiten willen proppen die een normaal mens 48u kosten. Ze kijkt zorgelijk naar uitgeputte kinderen die irreëel zware lasten op hun schoudertjes moeten dragen. De lat ligt hoog. Messi en Rihanna van Instagram zijn hun rolmodellen.  Meewarig kijkt moeder natuur naar de eindeloze bucketlists die nog afgewerkt moeten worden. Wat een druk. En dan horen we van de ‘ranzige Van ranstjes’ dat Covid 19 gevaarlijk is voor mensen met onderliggende aandoeningen. Is onze verziekte maatschappij niet onze onderliggende aandoening? Daar wordt in alle talen over gezwegen. Wanneer horen we iets over het versterken van onze immuniteit? Over het verlagen van onze stresslevels? Over het leren omgaan met onze emoties, gezonde voeding en lichaamsbeweging? Nee, niet je half dood fietsen of marathons willen lopen omdat je persé je grenzen moet verleggen…  Oh ja, er is een kentering. En gelukkig zijn meer en meer mensen bewust aan het worden. Maar de bewustwording is er één van keiharde realiteit. Wetende dat we enkel met verenigde krachten en niet met verkrachte eenden, het schip kunnen draaien. Enkel dan maken we een kans om terug oersterk te worden.

Heidi Schoefs
7 1

Nog niet gedaan

Het gebeurt dat ik deze vraag voorgeschoteld krijg: "Wanneer schrijf je over mij een stukje?" Ik herinner me een keer op een feest. Een 50-jarig huwelijk was het. Een verre neef die naast me zat schreeuwde het in mijn oor. De muziek stond luid en de man had al enkele glazen bier achter de kiezen. Eerst verstond ik niet goed wat hij zei. Het woord 'stukje' had ik begrepen, maar omdat hij met een stukje puddingtaart in zijn handen zat, dacht ik dat hij vroeg of ik een 'stukje' taart moest hebben. Ik schudde van 'nee'. Door zijn geschreeuw waren er al enkele kruimels puddingtaart in mijn oor beland. Toen hij met zijn andere hand deed alsof hij iets opschreef, begreep ik pas wat zijn vraag was. "Oh", lachte ik, de kruimels uit mijn oor wrijvend. "Een stukje schrijven. Ja, als ik geen inspiratie heb." Bij deze dus. Nee, de vraag stellen is toch een beetje zoals de zanger die op een feest zijn eigen plaat als verzoeknummer bij de DJ aanvraagt. Al vroeg onze oudste onlangs iets soortgelijks. "Wanneer komen wij er nog eens in?" Tja, anekdotes of gebeurtenissen zijn er in overvloed. Of zelfs gewone zinnen. Zoals deze die hij al uitsprak toen hij nog klein was en aan de eettafel dringend naar het ‘potje’ moest. “Ik heb nog niet gedaan hè”, zei hij dan telkens. Als schrik dat we zijn bord met eten zouden wegdoen. De uitspraak is al die jaren blijven hangen. Als de druk te hoog wordt, belandt het twintig jaar later nog altijd op de eettafel. “Ik heb nog niet gedaan hè.” Het is een zin zoals die in veel huiskamers te horen is. Een inside joke. Een familiegrap. Maar deze staat bij mijn favorieten. In meerdere betekenissen. Nee jongen, doe zo maar verder.  

Rudi Lavreysen
3 0

Vanmorgen heb ik mijn lichaam verleid

Daar stond dan wel dat bord met eten, volgeladen met gezonde en licht verteerbare dingen als zachte geitenkaas, een rijstwafel, een stapeltje komkommerschijfjes, hoummous, plakjes harde geit, een gekookt ei, kopje kruidenthee; maar mijn hele wezen maakte bezwaar tegen de komende invasie. Mijn borstkas was open, gevuld met het zonlicht dat me door de antieke ramen van de eetzaal van het chateau overspoelde, mijn buik bolde en platte zich van adem, mijn hart was vol van vreugdedansjes. Maar mijn maag vernauwde zich tot een hazelnoot, stevig en glad, en weerstond mijn ratio die hem vertelde een eerste hap te nemen. Een aarzelende glimlach verspreidde zich langs mijn mondhoeken en zette mijn handen aan tot arbeid. De rijstwafel kreeg een smeuïge laag roomboter, daarop de plakjes harde geit, een paar komkommerschijfjes, een laagje hoummous, een tomaatje, losgerulde zachte geit en een regen van zwart pepermaalsel uit de molen.   De rijstwafel belandde weer op het bord, de zonnestralen doorschenen de harde geit. Maar mijn hazelnoot bleef in verzet. Dus maar verder arbeiden. Met het ontbijtmes spleet ik het hard gekookte ei en zie! ineens huilden mijn speekselklieren!  De glimlach verbreedde zich, voelde de doorbraak naderen, en liet de zwarte peper snel malen boven het geel. Omdat een eierlepel in geen meter te zien was, wipte het mes het ei tevoorschijn. Zonder verder overleg kreeg de hazelnoot bezoek en liet zich gewillig nemen. Zoals een vrouw die ontvangt, opende de holte zich en liet het zoutzuur borrelen. Losse rulle geit volgde, waarna mijn lichaam zich gewonnen gaf en zich liet meesleuren in de lawine van happen, smakken, slikken en glijden.  Omdat de theezak duurzaam genoten wilde worden, haalde ik een tweede glas kokend water uit de koker. Nu mijn bord leeg was kon het theeglas erop staan. De hitte van het gele vocht smolt de restjes geit en boter, dat een krans van vettigheid vormde rond de voet. Mijn ellebogen steunden op tafel, mijn linkerhand hoog, mijn rechterpols geloken. Ik tilde het glas met rechts, dunkte de zak met links. En ineens doorzag ik de innige verbinding tussen water en zak. In plaats van rechtsom bewoog mijn lichaam zich schokkend linksom. De zak hing stil in de lucht terwijl het glas rees en daalde, rees en daalde, rees en daalde, steeds de natte zak ontvangend en meer essentie eraan onttrekkend. Het water kleurde geleidelijk geler en geler, en een intense geur bereikte mijn neusgaten.

Marc Graetz
27 4

Kampeermiddelen

Ieder jaar verwondert het me weer waar mensen mee op vakantie gaan. Je ziet de meest uiteenlopende tijdelijke huisjes voorbijkomen. Van klein tentje, zonder stoelen, naar pipowagen en super-de-luxe camper. Onze eerste kampeerervaring, samen, is in een tent. Mijn maatje wilde graag kamperen, ik had het nog nooit gedaan maar ach, als het niet beviel konden we het jaar erna toch gewoon weer in een appartement. Om het niet te moeilijk te maken, gingen we naar Zeeland. Naar een luxe camping met mooi sanitair en voldoende elektriciteits- en watervoorzieningen. Ik kan me nog goed herinneren hoe grappig ik het vond, die eerste nacht. Op het luchtbed, in de slaapzak. De geur van een splinternieuwe tent. Ik heb genoten. Natuurlijk was het ook mooi weer, dat heeft zeker meegespeeld, maar ik was gewonnen voor het kamperen. In de jaren erna gingen we naar Duitsland en Frankrijk. Mijn maatje keek met een schuin oog naar kleine caravans maar dat ging me toch iets te ver. Kom zeg, zo oud waren we toch nog niet. En zeker, ik baalde als een stekker als na twee weken stralend weer op de avond voor ons vertrek een plensbui kregen. Dat alles nat in de auto moest en je de hele weg naar huis steeds van die muffe vlagen voorbij kreeg. Gelukkig hadden we thuis de ruimte om alles uit te hangen maar fijn was het niet. En die keer dat het begin september ’s nachts zo koud was dat ik mijn dikke sokken aanhield in bed. Tot die keer dat we naar het Zwarte Woud gingen. Het was heerlijk weer, helemaal niks aan de hand. Een paar plaatsjes bij ons vandaan stonden mensen met en Eriba Puck. Mijn maatje was verliefd. “Kijk Mach, dat zou ik nou willen.” En inderdaad, het was een leuk caravannetje, als het dan moest, dan zou ik zoiets wel willen. Maar voorlopig hadden we nog steeds onze mooie tent. Helaas ging er iets verkeerd. Het gebakken ei, dat ik niet helemaal goed genoeg gebakken had, bevatte een Salmonellabacterie en ik werd ziek. Brr, echt ziek. Ik heb wat rondgelopen ’s nachts, op weg naar het toiletgebouw. En dan weer in de tent, in de slaapzak, ik voelde me echt heel ongelukkig. Mijn maatje kon het niet aanzien en na een dag besloot hij dat we naar huis gingen. Hij zette me op een stoel en begon alles op te ruimen en af te breken. De buitentent ging het laatste. Halverwege keek hij me aan “toch maar naar een caravannetje gaan kijken?” Ik kon alleen maar knikken. Het heeft nog best even geduurd voor ik me weer helemaal de oude voelde. Het jaar er na gingen we weer kamperen. Met onze eigen Eriba Puck L.

Machteld
1 0

De Provence

Het is een bloedhete dag. Zo eentje waarvan ze in de krant en op tv zeggen dat je dan veel moet drinken, al vermelden ze er meestal niet bij wat. Maar de kans is groot dat ze water bedoelen. Als het over onze gezondheid gaat, zijn we zeer volgzame mensen. Daarom begeven we ons naar die gezellige zaak met de Parijse terrastafeltjes. De bomen van het plein en de passerende auto's zorgen voor een aangenaam briesje. "Dat is lang geleden", zegt iemand terwijl we ons neerzetten. Het is een buurvrouw van vroeger. Ze zit met haar man aan het tafeltje naast ons. Ze wist doorgaans beter wat er zich rond het huis afspeelde dan wijzelf. "Zeg, maar gij staat precies ook op een goei wei." Ik tover een schaapachtig lachje tevoorschijn en geef een cliché antwoord. Dat het allemaal zo lekker maar niet moet zijn enzoverder. "Ik weet dat het niet slecht bedoeld is, maar het zijn toch vooral dieren die op een wei staan", fluister ik tegen mijn vrouw. Terwijl ik in een notitieboekje iets opschrijf dat in me opkomt, voel ik dat dezelfde buurvrouw opnieuw naar me kijkt. "Toch straf hè, zo met zijne linkse poot." Ze zegt het vrij luid tegen haar man, die zelf nog geen woord gezegd heeft. Het halve terras heeft het gehoord en kijkt naar mijn handen. "Ik zou het niet kunnen", vervolgt ze. Opnieuw heb ik een braaf antwoord klaar over mijn linkshandigheid. Dat ik rechts niets kan enzovoort. "Eerst sta ik op een wei, nu heb ik geen handen maar poten", fluister ik. "Ik ben toch niet aan het transformeren in een dier?" Ik bekijk mezelf zoals het hoofdpersonage uit het boek 'De gedaanteverwisseling' van Kafka, die 's morgens ontdekte dat hij een kever was geworden."Dat is toch een beetje bij de beesten af, vind je niet?", zeg ik tegen mijn vrouw. "Wat wel klopt is dat mijn geschrift bijna onleesbaar is. Het zijn overduidelijk hanenpoten." "Mensen kijken toch altijd op als er iemand links schrijft", zegt ze. "Bedoel je zoals naar een kermisattractie van vroeger? Een curiosum. Zoals een vrouw met een baard of een man met schubben." "Nee, zo erg is het nu ook weer niet", antwoordt ze. Maar het klopt ergens wel. Ik was meestal de enige in de klas die links schreef. Veel linksvoetige voetballers waren er niet bij de club. Oud-president Obama is ook bij de club van de linkshandigen. Het valt bij iedereen op als je hem met zijn linkerhand een document ziet ondertekenen. "Wist je trouwens dat er mensen zijn met een angst voor linkshandigen? Sinistrofobie heet dat. Sinister had in het Latijn niet alleen de betekenis van onheilspellend, maar ook van links. Als priesters of geleerden voorspellingen deden, was hun blik naar het noorden gericht. Zo hadden ze het gelukbrengende oosten aan hun rechterkant. De linkerzijde werd dus als ongunstig of onheilspellend beschouwd. Het woord sinister kennen we nog altijd en misschien is er daarom die rare kijk naar linkshandigen. Ook 'slinks' is ervan afgeleid." Ik zie dat mijn vrouw maar met een half oor naar mijn verhaal luistert. Wellicht heb ik het al ooit verteld. "Het is hier met die stralende dagen tegenwoordig net de Provence", zegt een kennis die zich aan het tafeltje achter ons zet. We kijken naar het plein dat inderdaad Frans aanvoelt. "Klopt, nog een paar oudere heren aan een petanquebaan en het plaatje is compleet', zeg ik. "De Parijse terrastafels hebben we ook al." "Onze consumpties zijn precies verdampt. Misschien moeten we nog iets bestellen?" "Doe dat", zegt mijn vrouw. "Monsieur", zeg ik tegen de passerende patron.

Rudi Lavreysen
11 0

Katten zijn rare wezens

Katten zijn rare wezens, hij kan er niet veel mee. Hij kent er wel een paar maar om nou te zeggen dat ze vrienden zijn, nee. Neem nou Sammie. Die kent hij toch al een paar jaartjes. Maar als hij naar haar toe loopt om te spelen, rent ze keihard weg. En waarom? Geen idee. Of die andere kat die hier een paar jaar gewoond heeft. Ook zo’n rare dame. Die lag dan heerlijk te zonnen op de oprit en liep zelfs niet weg als hij kwam kijken. Ze bleef rustig liggen. Maar als hij dan even wilde snuffelen, pats, dan haalde ze met die gemene nagels uit en gaf hem een kras op zijn neus. Echt vals. Op de camping ziet hij ze ook wel eens lopen. Een heel enkele keer hebben mensen een kat bij zich maar die zit dan aan een riempje. Daar heeft hij geen last van. Maar er lopen ook een paar wilde katten. Hij maakt ze wel direct duidelijk dat ze niet op zijn terrein dienen te komen. Daar heeft hij geen zin in. Dat gaat allemaal maar raar ruiken en hij heeft het liefst wel bekende geurtjes om zich heen. Bij voorkeur als hij er zelf nog even over geplast heeft. Vorig weekend liep er een nieuwe kat. Die wist dat nog niet, brutaal ding. Hij lag heerlijk in de zon te soezen toen hij sneaky zijn neus om de voortent stak. Natuurlijk had hij het gelijk in de gaten, hij sprong op en rende achter de kat aan, de schuine kant af en zo het riviertje in. Moest hij nog uitkijken waar hij zijn poten zette, stel je voor dat hij uitschoof en in het water viel. Zou je die kat moeten zien lachen. Het baasje en het vrouwtje schrokken er van. Die hadden de kat natuurlijk niet gezien. Hij moest ook altijd overal op letten. Gelukkig was de indringer zo gevlogen. Die kwam voorlopig niet meer terug. Omdat hij nu toch beneden in de rivier stond, maakte hij maar even van de situatie gebruik om bij de buren omhoog te klimmen. Wie weet waren die wel aan het barbecueën en kon hij nog snel even wat te snacken scoren. Hmm, helaas, ze waren niet heel toeschietelijk. Terwijl het normaal toch wel aardige mensen waren. En natuurlijk stond het vrouwtje al weer naar hem te kijken. Alsof hij niet wist hoe hij thuis moest komen. “Nou, hup” riep ze. Hij keek even rond of die brutale kat het nog waagde in de buurt te komen. Maar dat was gelukkig niet zo. Hij had hem goed laten schrikken. Op zijn gemak liep hij achter haar aan naar huis. Naar zijn plekje in de zon. Hè, nog effe lekker liggen voordat hij ging eten. Brokjes, boontjes, misschien ook wel weer makreel, dat was ook altijd lekker. Nee, hij had toch niet te klagen, hij had in ieder geval zijn gezag even laten gelden en dat had effect gehad. Hij had het goed.  

Machteld
0 0

Kantoordag

Het is wel vakantietijd maar toch, het is wel heel erg stil op de weg. Voor het eerst in maanden rij ik weer naar mijn werk om daar een volle dag te zijn. Ik ben tussendoor wel een paar keer die kant uit geweest, maar dat was meer om iets te printen of iets op te halen. Dat telt niet. Maar nu een hele dag op kantoor. Ik ben benieuwd hoe het bevalt. Gelukkig ben ik niet alleen, een collega komt ook. Stel je voor dat je de hele dag als Remi op zo’n afdeling zit. Aan de buitenkant is niks veranderd, gelukkig. Alleen het parkeerterrein is half leeg. Hm, de meeste mensen werken “gewoon” nog thuis. Het voelt best wel vreemd. Het ruikt ook vreemd, zeg maar gewoon muf. Al die maanden dat er bijna niemand is geweest. Eerst maar eens de ramen opengooien. En de kantoorplant goedemorgen wensen. Het arme ding, hij leeft nog wel maar ziet er toch maar armetierig uit. Zelfs een plant verzamelt stof als hij alleen is. Iemand zal hem wel water hebben gegeven, gelukkig. Er zijn ook nu nog maar mondjesmaat collega’s, een klein percentage van de medewerkers kan naar kantoor. Er zijn looproutes ingericht, alles is bestickerd om de medewerkers zich ervan bewust te laten zijn dat de situatie niet normaal is. Samen met mijn collega versleep ik de voorzorgsmaatregelen voor onze cursisten van het magazijn naar onze afdeling. Dat zou je een jaar geleden toch niet gedacht hebben, desinfectiemiddel, handschoenen, toch ook mondkapjes, stoel- en stuurhoezen. Het is een bijzondere verzameling. Tussen de middag eten we buiten, anderhalve meter van elkaar. Gelukkig schijnt de zon. Een week geleden moest ik er wel om glimlachen, om al die maatregelen. Ik weet hoe zorgvuldig mijn werkgever is als het gaat om dit soort zaken en de gezondheid van de medewerkers. Maar nu, met de huidige toename van het aantal Corona-besmettingen in mijn achterhoofd, denk ik daar toch wat serieuzer over. Eigenlijk kun je niet voorzichtig genoeg zijn. De maatregelen worden versoepeld en direct denken veel mensen dat alles maar weer kan. En dan ben ik toch wel blij met wat meer voorzichtigheid. Want je zult maar in de krant komen als dat bedrijf dat door onzorgvuldigheid meer dan driekwart van zijn medewerkers met een Corona-besmetting thuis heeft zitten. Of erger.  

Machteld
0 0

Muntenverzamelaar

Een muntenverzamelaar kan je mij bezwaarlijk noemen maar sinds jaren bewaar ik enkele oude munten en biljetten in een bokaal in een lade van mijn bureau. Meer dan twintig jaar na mijn reis naar Berlijn stond de muur nog overeind. Nu meer dan dertig jaar na de val van de muur doe ik een vondst. In mijn confituurpotje vind ik een muntje met het opschrift: ‘Deutsche Demokratische Republik’. Het maakte ooit deel uit van het blikken geld dat je aan checkpoint Charlie moest inruilen voor Westers geld. Bij een bezoek aan Oost Berlijn hoorde je inderdaad minimum vijf zulke Ostmarken aan te kopen met Westerse Duitse Marken of liever nog Amerikaanse dollars, die door het DDR-regime zeer gegeerd werden. Het volledige bedrag moest ter plaatse gespendeerd worden en het overschot moest bij terugkeer afgegeven worden. Onze groep bestond uit mannen en jongens van alle leeftijden, van achttien tot zestigjarigen. Bij de terugkeer naar West Berlijn hadden enkele ouderen het overgehouden geld weggeschonken, anderen hadden het zelfs in een vuilnisbak gedeponeerd. Wij, jongeren hadden in een herberg voor de lokale argwanende bevolking drank gekocht. Het overgebleven kleingeld hadden we in onze broekzak verstopt. Aan een zwaarbewapende Vopo (Volkspolizist) die amper onze leeftijd had, toonden we onze lege geldbeugels. Gelukkig liet hij ons ongemoeid, maar in onze broekzakken gloeiden de geldstukjes. Ze hadden nooit waarde en of ze die nu meer dan vijftig jaar later hebben, is zeer de vraag. Als souvenir is hun sentimentele betekenis daarentegen onbetaalbaar.

Vic de Bourg
11 0

Papa in "de Congo".

De bar van het woonzorgcentrum is weer open. Ik maak een afspraak om mijn vader te zien. “Niet in de kamer, maximum 1 uur, in de bar, het liefst buiten.” Ik respecteer het huis. Zoals de zon over onze oude huiden wreef, zo gewoon gelukkig zaten vader en zoon weer samen. We lachten en we praatten enkele biertjes weg. We wuifden naar de vrijwilligers. We bedankten het personeel. Zijn nieuwe vriendin Helena zat aan het tafeltje naast ons. Het deed iedereen deugd onze “oudjes” terug te mogen zien. “Erwin,” vroeg hij mij. “Kijk jij naar ‘Kinderen van de kolonie’ op Canvas?” Ik zei neen. Omdat er veel te luide stemmen zijn die mij dingen verwijten die ik niet ben, nooit ben geweest en nooit zal zijn. Ik ben niet geprivilegieerd. Ik ben niet wit. Ik weet wat discriminatie is en ik weet wat racisme is. En ik ken onze geschiedenis. Activisten moeten zich niet zo dwangmatig en neurotisch opstellen en hun veel te complexe woorden moeten van mijn lijf blijven. In serieuzere zaken is mijn vader een man van weinig woorden. Niet omdat hij verbitterd of getekend zou zijn door de strengheid van zijn generatie en de armoede van het Vlaamse platteland tijdens WO II. Zijn blik dwaalde af naar Congo. “Wat ik daar allemaal gezien heb... Wat ik daar allemaal heb moeten doen...”. Hij herbeleefde Congo, ik zag het in zijn lichaam kruipen. Meer dan het gekrijs van jonge activisten die racisme mengen met gender politics en kolonisatie met identiteitspolitiek, op TikTok en in de krant, lag in die enkele woorden van mijn vader het leed van zwarte mensen dat ook zijn leed is geworden. Meer dan jonge activisten was het voor mijn vader helemaal niet vermoeiend om het “weer eens te moeten uitleggen”. Hij sprak, hij vertelde het verhaal. Met emotie. “Die mensen uit Congo verdienen niet wat wij daar gedaan hebben.” Mijn vader is geen geprivilegieerde blanke man. Hij is dat nooit geweest en zal dat ook nooit zijn. Ik volg hem daarin. Mijn vader was in “de Congo” en zijn verhaal is ook mijn verhaal en het verhaal van alle Belgen. Nieuwe Belgen en minder nieuwe Belgen. Ik luister niet meer naar het geroep en het getier. Het is te vermoeiend. Het zegt niets. De toon van mijn vader daarentegen is rustgevend. Zijn herinnering leerrijk en van zo groot Belgisch en Congolees belang dat de verhalen van onze vaders ook gehoord worden. Ook door een blanke man die er was. Ik luister morgen verder, dan is het zijn verjaardag, en ik zal (uitgesteld) kijken maar alleen omdat mijn vader erover verteld heeft. De verhalen in de woonzorgcentra zijn voor mij de verhalen die tellen. Omdat ze echt zijn, omdat ze niet verwijten, omdat ze niet betuttelen, omdat ze niet arrogant zijn, omdat ze me niet willen opvoeden. Omdat vele verjaardagen later mijn vader er niet meer zal zijn maar Congo door hem en door mij Congo de plaats zal krijgen die het verdient. Gelukkige verjaardag, papa!

Erwin Abbeloos
7 0

Treinperikelen

Het moet een fraai zicht geweest zijn. Een volwassen man die achterwaarts op een stijgende roltrap stapt. Alsof het de opnames voor een slapstickfilm waren. De reden van mijn halsbrekende toeren was dat ik me wilde vergewissen van het bericht op het elektronisch informatiebord van de benedenverdieping. "Deze trein rijdt niet." Ik had het goed gelezen. Een onfortuinlijk verkeersongeval op de sporen bleek later. Ook de volgende treinen werden geannuleerd. Een andere trein richting Lier en een bus tot Herentals was de oplossing om thuis te geraken. De vier talen machtige conducteur stelde ons gerust. "Alles wird gut", besloot hij in het Duits. Waarop de West-Vlaming naast mij, met wie ik ondertussen aan de klap was geraakt, plots over de Duitse Militaire Begraafplaats in ons stadje begon te praten. Dat hij er ooit geweest was begreep ik, maar omdat zijn West-Vlaams dialect door het mondkapje moeilijk verstaanbaar was, knikte ik telkens, op tijd en stond afgewisseld met een 'hm hm'. Na afscheid genomen te hebben van de West-Vlaming die samen met zijn vrouw in Leuven op de kleinkinderen ging passen (ik had 'hou u goed jongeman' verstaan, maar volgens mijn vrouw klopte dat niet, vanwege de jongeman), bleek er in Lier geen bus te bespeuren. 'Alles wird nicht gut', zei ik. Een doos met droge legerkoeken van de buurtspoorwegen en water om ze weg te spoelen was voorzien, maar daarmee geraak je niet thuis. Het was wachten op een tourbus, want met de lijnbussen bleek er geen samenwerking te zijn. Je moet het meemaken om het te geloven.Een plots arriverend taxibusje - hij moet het geroken hebben - bracht de verlossing. We zouden de kosten met een paar andere wachtende reizigers delen. Hierbij een jongeman met een luchtig onderhemd, gecombineerd met een afgesneden jeans, teenslippers en een zomerhoed. Alsof hij rechtstreeks van Spanje kwam. Met zijn twee peuterdochters nam hij tegenover ons in de taxi plaats. Door zijn zomerse kledij leek onze slecht eindigende dagtrip nog iets van een vakantiegevoel te krijgen. Het zou anders uitdraaien. Bij de taxichauffeur had ik als een volleerd toerist in een zuiderse badplaats 10 euro van de kostprijs afgepingeld. Al had hij daar even later spijt van, want de jongste dochter van de papa met de zomerhoed vond de taxirit geen goed idee. "Ik wil niet", schreeuwde ze bij het instappen. Een zin die ze minstens 300 keer herhaalde, waarbij haar beentjes als een kleine Eden Hazard alle richtingen op trapten. Onze jongste zoon die er met zijn vriendin recht tegenover zat, hield er een blauwe plek aan over. Ik zag ze vanuit mijn ooghoek fronsend naar elkaar kijken. Geen enkel troostend woordje van de papa hielp. "Ik wil niet. Ik wil niet." Het bleef ocharm maar komen. Zelfs de droge koeken die ik aanbood werkten niet. "Ik wil niet", huilde ze. Ik geraakte ze maar niet kwijt. Ik had er voor alle zekerheid een paar extra uit de doos gevist. "Zeg, het is geen oorlog", zei mijn vrouw toen ze me betrapte. "Nee, maar we beginnen plots wel allemaal Duits te spreken", zei ik. Op een zucht van Herentals viel de duts in slaap. Nog steeds stilletjes 'ik wil niet' zuchtend. Met haar hoofdje op de autozetel en haar achterste in de lucht, zoals alleen vermoeide peuters dat kunnen. In Herentals gearriveerd stond de trein ons op te wachten. Ik viste meteen mijn boek uit de rugzak. De leuze "met de trein is het altijd een beetje reizen" heb ik maar niet uitgesproken. Wel fluisterde ik iets in het oor van mijn vrouw. "Ik denk dat kleinkinderen nog niet voor morgen zijn", zei ik.

Rudi Lavreysen
6 0