Lezen

Paddentrek

Er zijn niet veel momenten waarop ik mijn gedachten kan uitschakelen. Zeker niet nu. Door een licht ontvlambare wereld heb ik het gevoel constant aan te staan. Dingen gebeuren niet langzaam maar onmiddellijk. Niet ergens, maar overal tegelijk. Ze bouwen niet op of werken zelden ergens naartoe. Ze vallen aan en prikken in je hoofd, steken in je hart en kruipen onder je huid. Toch zijn er ook momenten die me toelaten even helemaal niets te denken. Ergens in mijn lichaam zit een knop waar ik me niet van bewust ben. En gelukkig is er iemand die er af en toe op drukt. Ik fietste van mijn werk naar huis en trapte zoals gewoonlijk stevig door, ook al was er op de terugweg niet echt een reden voor. Het was al behoorlijk donker en alles en iedereen die me passeerde deed dat met een overdosis licht en geluid. Elk licht was verblindend. Ik was bijna thuis, ik moest alleen nog een stukje door het Rivierenhof. Aan de ingang stond een bordje dat ik later erg dankbaar was. Er stond: Pas op! Paddentrek. Pas je snelheid aan! Omdat ik een brave burger ben, vertraag ik. Op hetzelfde moment springt mijn verdacht pientere Spotify op een heel rustig neo-klassiek stuk: Even out (+) van Stars of the Lid. Alles vertraagt. In mijn gedachten, die een hele dag van hot naar her hebben gespurt, beginnen zich zachte beelden te vormen. Als een schilderij dat langzaam vorm krijgt, of handen die een draaiende klomp klei tot een vaas boetseren. Stress over oorlog, stijgende gasprijzen, woekerende klimop in mijn tuin, nakende examens en overvolle weekschema’s verdwijnen en maken plaats voor schoonheid. Ik zie mezelf in andere dimensies, terwijl ik trager fiets dan ik zou wandelen. Met een kop dampende thee zit ik in de zetel naast mijn vrouw. We kijken naar Stargåte SG1. Ik wandel door de sneeuw, die kraakt onder mijn schoenen. De hemel strooit gulzig met witte vlokjes zodat het mijn zicht op het bevroren meer een stukje belemmert. Ik ben op een eiland in Stockholm, helemaal alleen. Ik fiets de laatste bocht in. Nu zie ik mezelf met mijn dochter. We wandelen naar school. Zou ik mee naar boven mogen? Meestal wil ze dat niet, want ze is groot nu. Ze neemt mijn hand, en ik besef dat ze dat onbewust doet. Ondertussen ben ik het park uit. Ik sta voor het rode licht. Ik beweeg zachtjes heen en weer, alsof ik op een bootje in zee dobber. Maar er staat geen wind. Het is de tijd die me doet wankelen.

Lennart Vanstaen
4 0

Vind je ikigai!

Nadat de verbouwingswerken aan onze achtergevel eindelijk achter de rug zijn, hebben onze buren het plan opgevat hun voorgevel te renoveren en dat zorgt wel voor een flinke dosis frustratie en lawaai. Omdat ik vaak van thuis uit werk aan cursusmateriaal, neem ik dan ook liever mijn toevlucht tot rustiger oorden, waar ik niet met voorhamers of drilboren om de oren word geslagen. Vandaag heb ik echter een onderbroken dag. Ik moet mijn zoon rond half elf van school halen, met hem naar Borsbeek fietsen voor een afspraak bij de orthodontist en hem dan weer terugbrengen. Hij had al bedisseld dat hij met mij zou lunchen en dat ik hem pas daarna zou afzetten aan de schoolpoort. Hij wilde even rust. Daar kan ik alleen maar begrip voor opbrengen.In de wachtzaal heb ik een uur tijd om wat te werken, dus ik klap mijn laptop open en begin te werken terwijl ik wacht tot mijn zoon klaar is. Naast me zit nog een andere man, vermoedelijk ook een wachtende vader, maar hij moet geen cursusmateriaal maken. Wat hij wel doet weet ik niet, maar het zorgt voor een irritant ping-geluidje om de halve minuut. Wanneer ik na enkele pings subtiel naar hem kijk, heeft hij de boodschap gelukkig begrepen. Vijf minuten later komt zijn zoon beneden en ze lopen het gebouw uit. Eindelijk rust, denk ik. Ik heb mijn vingers nog maar net op het klavier gezet of er waait een lawaai binnen. Het klinkt als een half dozijn bladblazers, die de gevel van de wachtkamer komen stofzuigen, maar het voelt zwaarder, de tegelvloer onder mijn voeten dreunt. Tegelijkertijd, alsof de trillingen van buiten ervoor verantwoordelijk zijn, begint de frisdrankautomaat die enkele meters verder staat ook een zoemend geluid af te geven. Schuin boven mij aan de muur hangt een rek vol magazines. Evi Hanssen lacht me toe. ‘Soms wil ik even helemaal niets’, zegt ze. Boven haar hoofd staat in het groot ‘Vind je ikigai’. Het boekje belooft tien tips om die gemakkelijk te vinden. Heel even twijfel ik om het magazine uit het rek te nemen, maar ik hoor dat mijn zoon klaar is. Ik heb geen idee wat een ikigai is of hoe het eruitziet, maar ik vermoed dat je het alleen in Limburg aantreft. Zeker niet in Deurne of Borsbeek.

Lennart Vanstaen
5 2

U hebt Europeïsme

Nadat hij voor de zoveelste keer de bons had gekregen – deze keer was hij te impulsief geweest volgens zijn ex-vriendin – besloot Milan met een dokter te gaan praten, want misschien lag het toch aan hem. Hoewel hij wist dat hij eerst een afspraak diende te maken, bij voorkeur gebruik makend van het daartoe voorziene, erg handige online consultatiesysteem, was hij meteen na zijn date richting zijn huisarts vertrokken. Het zou toch niet de eerste keer zijn dat er iemand tussenuit viel. Terwijl hij zijn tranen verbeet, peperde Milan zichzelf in dat dit géén impulsieve beslissing was maar een pure noodzaak, het kon niet langer wachten. ‘Dag dokter.’ ‘Gaat u zitten,’ sprak de dokter eentonig en hij nam een pen ter hand, zette zijn bril, die een opvallend montuur had zowel qua vorm als qua kleur, op zijn rechte neus en richtte zich op een vel papier dat geklemd zat tussen een klembord. Het verbaasde Milan dat een arts anno 2026 nog zo’n attribuut gebruikte, maar het vulde hem ook met respect. Bovendien gaf het hem het gevoel serieus te worden genomen. Iets waar hij al zo lang naar verlangde, iets wat hij in zijn relaties miste.‘Vertel het eens, waar hebt u last van?’ stak de dokter van wal, en hij zette de punt van zijn pen verwachtingsvol in de linkerbovenhoek van zijn A4’tje. ‘Wel, het is niet zo dat ik ergens pijn heb,’ begon Milan, ‘maar het is ook niet zo dat ik nergens geen pijn heb.’ De dokter liet een kuch ontsnappen die hij vakkundig opving in zijn behaarde vuist, en zonder zijn patiënt aan te kijken, ging hij verder.‘Maakt u zich ergens druk om?’ Daar moest Milan even diep over nadenken. Uiteindelijk zei hij iets in de stijl van ‘ik weet het niet’. ‘Hoe voelt u zich op dit moment?’ ‘Redelijk goed, maar…’ ‘U bent hier natuurlijk niet zomaar’, maakte de dokter zijn zin af. ‘Wat is het dat u doet van werk?’ ‘Ik werk voor een bedrijf.’ ‘Juist, ja.’ De dokter kribbelde enkele dingen op zijn papier en onderlijnde zo goed als alles wat hij net had neergeschreven. De laatste woorden werden zelfs dubbel onderlijnd. Helaas kon Milan niet lezen wat er stond. Hij werkte dan wel bij een bedrijf, erg bedrijvig was hij niet. Allerminst in handschriften lezen, laat staan die van dokters en ondersteboven.‘Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf?’ ‘O, maar het is niet mijn bedrijf, ziet u. Ik ben maar een werknemer. Ik denk dat er om en bij de vijftig mensen werkzaam moeten zijn.’ ‘Wat is juist uw titel of functie?’ ‘Ik ben recent gepromoveerd tot floor manager.’ De dokter keek voor het eerst op van zijn klembord en keek Milan indringend aan. ‘Floor manager? Bent u van het onderhoudspersoneel?’ Hij toonde een goedbedoelde glimlach, maar noteerde verder, dus Milan besefte dat de dokter een grap maakte.‘Kan u mij eens een gewone werkdag beschrijven?’ Milan vertelde dat hij rond 7u ’s morgens opstond, het nieuws las, een douche nam, een ei bakte, een glas melk dronk en een gezonde smoothie maakte van selder, appel en kiwi voor in de auto. ‘Is er tot dan toe een moment waarop u zich niet goed voelt?’ ‘Nee. Of jawel, wanneer ik het nieuws lees, dat is soms heftig op een lege maag. En ja, in de auto soms ook.’ ‘Ja, we zijn niet gemaakt voor de ochtendspits.’ ‘Nee, dokter, nu ja, u hebt gelijk, maar dat bedoelde ik eigenlijk niet. Kijk, ik rijd met een Tesla, van het bedrijf – anders zou ik nooit een Tesla hebben gekozen – u begrijpt allicht dat de huidige omstandigheden rond dat merk me opzadelen met een schuldgevoel van zodra ik de wagen start.’ De dokter gaf blijk van antwoord met een monotoon geluid, waarvan Milan niet met zekerheid kon zeggen of de man het nu wel of niet begreep.‘En daarna? Wanneer u arriveert op uw werk…?’ gebaarde hij door met zijn pen enkele kleine cirkels in de lucht tussen hen beiden te tekenen. ‘Euh… Dan ga ik naar binnen door de glazen deur, neem ik de lift naar de achtste verdieping en ga achter mijn bureau zitten.’ ‘Ja?’ ‘Ja.’ ‘En wat doet u daar dan?’ ‘Dan doe ik mijn werk. Of wat wil u zeggen?’ ‘Kan u me zeggen wat dat is?’ zei de dokter, terwijl hij zichzelf een kop thee inschonk. Milan wilde iets antwoorden, maar vond plots geen woorden. Hij aarzelde en zei ten slotte dat het nogal complex was om zo even de inhoud van zijn job te omschrijven, vooral aan iemand zonder ervaring met dit soort werk. Maar wat hij zeker wist, is dat er veel mensen baat bij hadden. ‘Probeert u toch maar.’ Milan deed verwoede pogingen om exact te beschrijven wat hij daar een hele dag deed maar had niet het gevoel dat hij daarin slaagde. Hij viel over zijn eigen tong, verhaspelde woorden die hij niet kon vertalen, twijfelde over de betekenis van sommige woorden, sleurde er termen bij die hij eigenlijk zelf nooit helemaal heeft gevat. ‘Goed. En dan is het lunchtijd? Hoe verloopt dat?’ ‘Meestal ga ik naar beneden, naar de eetzaal, maar het gebeurt ook dat ik buiten iets ga eten. Soms praat ik met collega’s, soms scroll ik wat op mijn telefoon…’ ‘Waarover wordt er gesproken?’ ‘Gewoon, over de staat van de wereld, of over onze job.’ Opnieuw onderstreept hij iets.‘Bon. Ik ga u enkele korte vragen stellen en u moet even bondig antwoorden, zonder te veel na te denken. Zal dat lukken denkt u?’ Milan knikte. ‘Daar gaan we. Vraag één: voelt u zich soms heel klein, zo klein dat u nergens deel van uitmaakt?’ Milan knikte opnieuw. ‘Is uw leven nodeloos ingewikkeld? Zou u alles willen geven om het eenvoudiger te maken?’ Milan knikte hevig. ‘Ja, dit is helemaal mijn wens!’ ‘Vindt u het allemaal te groots? Vraagt u zich soms af waar het kleine geluk is gebleven?’ ‘Ja!’ ‘Hecht u veel belang aan de natuurlijke gang der zaken?’ Omdat Milan niet meteen met een antwoord kwam, keek zijn interviewer hem aan door zijn opvallend roze bril, waarvan het montuur onderaan een dikke rand had en bovenaan geen rand, waardoor het leek alsof de drager enorme wallen had. Het was ook daardoor dat Milan zich niet op de vraag kon concentreren, hij stelde zich vragen bij dit brilontwerp.‘Als u daarmee bedoelt dat ik de oude waarden respecteer, moet ik daar volmondig ja op antwoorden.’ ‘Hebt u op dit moment een relatie?’ ‘Nee, en dat is eigenlijk ook waarom ik hier ben.’ ‘Hoe is de relatie geëindigd? Wat was de reden?’ ‘Zij heeft er een punt achter gezet omdat ik een grens was overgegaan.’ ‘En geeft u haar gelijk?’ ‘Wel, ik wist zelfs niet dat daar een grens lag! Ze zei iets van dat ik te impulsief was.’ ‘Interessant.’ Opnieuw noteerde hij enkele dingen. ‘En hebt u spijt?’ ‘Ja, ook al vind ik niet echt dat ik schuld tref, kan ik een groot schuldgevoel niet van me afschudden. En dat gaat niet enkel over deze relatie, dokter. Ik heb het gevoel dat ik mijn verleden constant meedraag. Alsof ik er niet vanaf geraak. Begrijpt u? Aan de andere kant kan het me ook allemaal niet zoveel schelen.’ ‘U bedoelt dat u de andere de schuld geeft?’ ‘Nee, ik bedoel dat ik niets voel. Helemaal niets. En die combinatie, dat schuldgevoel en die totale leegte, dat vond ik niet gezond. Daarom dacht ik dat ik eens met een dokter moest spreken.’ ‘En helpt het?’ ‘Ja, het doet deugd om er eindelijk met iemand over te spreken. Kan ik misschien een wekelijkse sessie krijgen, althans voorlopig?’ ‘Dat zal niet nodig zijn,’ sprak de dokter gedecideerd, en hij trok een horizontale lijn onderaan het papier en legde het klembord voor zich op tafel. ‘U lijdt duidelijk een acute vorm van Europeïsme.’‘Europeïsme? Wat is dat?’‘Tja, dat weten we niet.’ ‘En nu? Wat moet ik ertegen doen?’ ‘Er valt weinig tegen te doen, vrees ik.’ ‘Kan ik dan helemaal niets doen?’ ‘Het hangt af van hoeveel u nu al doet’ zei de dokter met de stem der gewoonte.‘U kan, om maar iets te noemen, het nuttigen van een maaltijd bijvoorbeeld gaan bekijken als iets volstrekt functioneels, in plaats van iets dat genietbaar moet zijn. Maar het is bijzonder moeilijk om die switch te maken. Hoe zit het met uw alcoholinname?’ ‘Euh, ik drink graag een glaasje, maar geen excessieve hoeveelheden.’ ‘Mijn advies is dat u uw inname verhoogt tot dagelijks enkele glazen, ofwel volledig stopt met alcohol drinken.’ ‘Ik drink eigenlijk vooral als er andere mensen bij zijn.’ ‘Probeer eten los te koppelen van sociale interactie. Eet en drink zoveel mogelijk alleen. Koop grote merken, of ga naar de markt. Koopt u uw fruit en groenten volgens het seizoen?’ ‘Nee, maar ik weet dat het beter is voor het milieu.’ ‘Ja, maar niet voor uw mentaal welzijn! Stop ook met koffie drinken. Schakel over op thee, of alcohol natuurlijk. Schrap brood van het menu en eet uitsluitend rijst. Het is ook aangeraden om vroeg op te staan, tussen vijf en zes uur. Doe aan yoga of neem tijd voor een uitgebreid, liefst warm, ontbijt, met de belangrijke toevoeging dat u niet geniet van het eten, maar het als een natuurlijk proces beschouwt.’ ‘Oké, dank u dokter. En wat met het werk? Is het eigenlijk besmettelijk?’ ‘Besmettelijk?’ spuugde de dokter, waarbij Milan hoopte dat de dokter zelf niet met een besmettelijke ziekte rondliep.‘Het is een ware pandemie! Iedereen van uw leeftijdscategorie die hier binnenwandelt zonder duidelijke fysieke klachten schrijf ik hetzelfde voor.’Hij scheurde een briefje van een notitieblok, krabbelde er iets op en schoof het over de tafel in de richting van Milan. Zoals het een dokter betaamt, was het totaal onleesbaar. ‘Excuseer, dokter, maar wat staat er?’ ‘Drie weken Blankenberge, in Hotel Transit,’ sprak het heerschap, en Milan bemerkte een lichte trots in die woorden, alsof hij hiermee eer opstreek. Milan draaide het briefje om, al wist hij wel dat er niets op de achterkant stond. De dokter ging verder: ‘Boek een kamer in dit hotel, volpension, geen zicht op zee, dat is belangrijk. Maar als u dit briefje aan de receptie toont, weten ze genoeg.’ Ja maar, wat moet ik daar dan doen?’ ‘Zo weinig mogelijk. Lees geen boeken, bezoek geen musea en praat met zo weinig mogelijk mensen. Zeg enkel het strikt noodzakelijke. U hoeft niets te vinden of te kiezen, niets te voelen of te begrijpen. Als u toch enige gedachten of gevoelens zou ontwikkelen, meldt u zich meteen aan de balie.’ Milan keek de dokter vertwijfeld aan en keek dan nog eens naar het briefje in zijn hand.‘En dit zal me helpen?’ ‘Nee. Maar dat is niet het punt. De meeste patiënten knappen zichtbaar op. Niet omdat ze zich beter voelen, maar omdat ze ophouden met zich vragen te stellen of het beter kan. Wanneer u terug bent, evalueren we de situatie en kijken we na of u vatbaar bent voor betekenis.’ ‘En als dat zo is?’ ‘Kijk, zulke vragen zal u hopelijk niet meer stellen. Dan verlengen we de kuur.’De dokter nam zijn klembord weer op.‘De volgende!’

Lennart Vanstaen
3 0

TRAMDROMEN

De zon is al onder wanneer ik op de tram zit naar huis na een lange dag in Amsterdam. Van zo’n dag moet ik altijd even recupereren. Dat lukt soms wonderwel op een tram, al zou je dat misschien niet meteen zeggen. Zeker rond een uur of negen zit tram 10 – die naam en faam heeft van de drukst bezette tramlijn in Antwerpen – tjokvol. Het observeren van mensen onder de impuls van neoklassieke muziek is kalmerend. De kunst bestaat erin net op tijd weg te kijken wanneer mensen door hebben dat je hen observeert. Maar dat lukt niet altijd, zeker niet wanneer je moe bent. Zo zit er een oudere, zwarte man, die eruitziet alsof hij geen plek heeft om te slapen. Terwijl ik fantaseer over hoe hem dat overkomen is, kijkt hij recht in mijn ogen. Het enige wat ik dan kan doen is glimlachen. Gelukkig doet hij precies hetzelfde. Plots vraag ik me af: hoe zou hij mij zien? Een oud koppel kijkt betekenisvol naar een stel jongeren dat nogal rumoerig is. Zij fluistert iets in zijn behaarde oor. Dan kruisen onze blikken, ik zit aan hun overzijde. De vrouw merkt dat ik haar heb zien fluisteren. Lacht ze omdat ze kleur heeft bekend en ik getuige ben? Lacht ze omdat ze in mij – een witte cis-man – een soortgenoot meent te herkennen die het lawaai van vreemdelingen ook afkeurt? Nee. Ze heeft in het oor van haar trouwe metgezel gefluisterd: weet je nog toen wij jong waren, Albert? En dat wij de kusttram onveilig maakten? Vier giechelende meiden bezetten samen drie stoelen. Ze kijken kennelijk naar hilarische filmpjes op één telefoon. Twee ervan delen oortjes. Plots kijkt het meisje zonder oortje naar mij. Ze aarzelt, maar gunt me toch een subtiele glimlach en kijkt meteen weer naar het kleine schermpje. Ze doet me denken aan een leerling die ooit in mijn OKAN-klas zat. Zou ze weten dat ik heb lesgegeven aan een meisje van haar leeftijd, kleur en stijl? Zij was vijftien en vertelde me na de les dat ze zwanger was. Ik mocht het niet vertellen aan de klas. Een vrouw neemt haar huilende baby uit de kinderwagen om hem stil te krijgen. Haar man leert hun kleuter om zich vast te houden als de tram rijdt. ‘We zijn bijna thuis, Lotte’ zegt hij wanneer het kind geeuwt. Lotte kijkt me aan. Ze trekt aan de broek van haar papa en vraagt iets. Misschien vindt ze mijn hoofdtelefoon fascinerend. Of wil ze weten wat ik schrijf of teken in dat kleine boekje. Haar vader en ik wisselen een blik uit. Mijn ogen vertellen hem dat ik ook een vader ben. De zijne begrijpen dat. Naast me kan ik door de aanzwellende strijkers van A Winged Victory for the Sullen een enthousiast gesprek horen in het Arabisch. Het is een gesprek tussen twee mannen – ik vermoed een vader en zijn tienerzoon. De vader animeert zijn woorden met vele handgebaren en ik begrijp dat het over voetbal gaat. Hij gebruikt het raam als voetbalveld om tactieken uit de doeken te doen. Misschien is hij wel een trainer. Of heeft hij zelfs de Afghaanse nationale ploeg gecoacht op een WK. Zijn zoon merkt dat ik kijk naar hoe zijn vader spelers uitbeeldt met zijn vingers. Moet hij zich schamen? Snel steek ik mijn duim op, ik hou ook van voetbal, maak ik hem duidelijk. Venneborglaan, mijn halte. In een koele avondbries wandel ik nog een stukje naar huis. Björk zingt I see who you are now. Op de tram was ik vandaag leraar, vader en voetballiefhebber. Maar vooral mens.

Lennart Vanstaen
3 2

De naakte waarheid

Schrijven is een beetje als naakt lopen met je hersenen. Niet alleen lijkt het telkens weer alsof je nog nooit iets geschreven hebt, alsof het je eerste keer is, maar je laat ook nog eens iedereen zomaar lezen wat je denkt. Niets is zo puur en zo bloot als je diepste gedachten. Een nieuwe tekst is telkens weer een belevenis. Een geboorte. Naakt. Toen ik jong was wipte ik nog vaak. De grens over, bedoel ik dan vooral. Vanuit Lommel was je immers in geen tijd in Luyksgestel, Bergeyk, Valkenswaard en Eindhoven. Eigenlijk zat ik overal zo'n beetje. Op een keer, toen ik zo'n jaar of tien was, ging ik samen met mijn ouders en mijn nicht naar ergens en nergens. We stopten spontaan in het plaatsje Eersel, bij een strand waar we nog nooit eerder geweest waren: het E3 strand. Soms moet je gewoon doen en niet denken, dat leek het credo. To go where no man has gone before, al is dat misschien een beetje overdreven. Ach, een probeersel in Eersel, laat ik het zo noemen. Het zand was er parelwit en er vertoefden opvallend veel jonge mensen op het strand. Gezellig druk, maar ook weer niet té. Ik ben nooit een zwemmer geweest, noch een bouwer van zandkastelen. Voetballen ja, dat was mijn ding, maar dat vond mijn nicht dan weer niet al te lang leuk, dus keek ik na een tijdje zomaar wat rond. Vooral naar de meisjes in bikini natuurlijk, zo eerlijk moet ik wel zijn.  'Ik heb trek in een ijsje, mammie! Echt hele grote trek!' Een klein blond jochie met blond haar en heel wat sproetjes. Hij lag samen met z'n mama een paar meter verderop al een tijdje luidruchtig te wezen. 'Haal dan maar een ijsje, jongen. Hier is geld.' Ik keek meteen naar mijn eigen mammie en voor we het wisten deden we een copy-paste, alleen kreeg ik een groter budget mee, alsook mijn nicht, met de opdracht om dat mannetje te volgen en voor iedereen een ijsje te kopen.  Er was haast mee gemoeid, want die kleine wist blijkbaar verdomd goed waar het koude spul te krijgen was. Zelf hadden we geen idee. Hij rende een heel eind naar een soort van uitgang. Een uitgang met een pijnlijke overgang, want het ging abrupt van mul zand naar van die puntige kiezelsteentjes. Het kleine ettertje had zelf preventief slippers aangetrokken. Wij natuurlijk niet, in onze halsoverkoppigheid en zeven haasten tegelijkertijd. Een paar tientallen meters die wel kilometers leken, trippelden we naast een soort hekwerk. We waren zo gefocust op dat steeds sneller lopende rotjoch en op onze pijnlijke poten, dat we de mooie ouderwetse ijskar pas opmerkten toen we er bijna tegenaan hinkepinkten. En toen, toen we niet meer aan de achterkant stonden, toen zagen we het pas! Een hele rij roze oude mensen. Ze ... ze hadden niks aan! Geen T-shirt, geen bikini, geen short, geen zwembroek, zelfs geen string, nee, helemaal niks! Daar stonden ze. Netjes op een rij hun beurt af te wachten. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Geen hond scheen het iets te kunnen schelen dat ze poedelnaakt waren. Buiten ons. Wat zagen we ineens veel blubberbuiken en oude uitgezakte mensenkonten in allerlei vormen en schakeringen, van marmerwit naar lichtbruin, donkerbruin tot zwart, met tussendoor ook veel pijnlijk uitziend rood. Wat staarden we naar de talrijke tieten in alle mogelijke formaten. Onze monden vielen open en onze neuzen gingen spontaan de hoogte in bij het aanschouwen van zoveel (vooral grijs) schaamhaar en verrimpelde geslachtsdelen.  Ik schrijf het helemaal niet graag, maar vooral die genitaliën zorgden bij mij voor de slappe lach. Ik hield het niet meer. Zeker toen ik de grote ogen van mijn nicht en haar opengevallen mond in het vizier kreeg.  Wij waren zo ongeveer de enigen die gêne voelden, ondanks het feit dat we 'gekleed' waren. Wat een situatie! We stonden gewoon te midden van een meute blote bejaarden. Geen woord spraken we. Mijn nicht deed haar uiterste best om niet te lachen en zelf deed ik niet anders dan hoesten, proesten, onderdrukken, piepen, mijn hand voor mijn mond houden, de tranen uit mijn ogen wrijven en voortdurend naar de grond kijken. Naar de puntige steentjes die ik blijkbaar niet meer leek te voelen.  Toen het eindelijk onze beurt was en we zo ingetogen mogelijk besteld hadden, duwde de ijsjesverkoper, die gelukkig wel helemaal aangekleed was, de ijsjes in onze handen, waar ze bijna onmiddellijk begonnen te smelten.  We likten en slikten elk dan maar twee ijsjes en net toen ik me wat kalmer voelde worden en mijn buikpijn langzamerhand verdween, zag ik net voor het betreden van het strand een bord met een pijl die naar rechts wees: 'NAAKTSTRAND'. In de verte zag ik ook weer een hele zwerm senioren komen aanlopen. Snel! Weg! Wat een bevrijding achteraf, dat warme zand en die zedige jonge mensen! Waar ik daarstraks in mijn wildste prepuberale fantasieën nog stiekem droomde dat al die mooie meisjes hun bikini zouden uitgooien om naakt te zonnen, hoefde het voor mij nu even niet meer. Ik was helemaal verzadigd.  Om een of andere reden zou ik de eerstvolgende weken ook niet meer te porren zijn voor hotdogs, tv-worstjes, thee (vanwege de zakjes), pudding (zowel vanille, mokka als chocolade), meloenen of suikerspinnen.  En jij? Je was live aanwezig bij de geboorte van een tekst. Bij de hergeboorte van een herinnering. 

Danny Vandenberk
0 0

Identiteitscrisis

Vrouw komt thuis van haar werk. Ze blaast. Haar wangetjes zijn rood aangelopen en ze stapt net iets sneller en met kleinere pasjes dan normaal. Geen goed teken. Gelukkig had ik de tafel al gedekt en twee sneetjes rozijnenbrood beboterd en keurig op haar bord gelegd. Ik gooi nog vlug een drietal spiegeleitjes vanuit mijn favoriete pannetje in het mijne, bespuit ze overvloedig met curryketchup en haal vliegensvlug de laatste vier bruine boterhammen uit de broodzak. Verder geen enerverende randgeluiden meer produceren en een actieve luisterhouding aannemen.  'Wat een dag! Zo vermoeiend! Ik ga niet in detail treden, want daar heb ik de puf niet meer voor. Kort gezegd: hier en daar probeer ik genuanceerd aan te geven dat er wat moet veranderen en niemand die het snapt! Helemaal niemand! Moet ik het dan echt vlakaf in hun gezicht zeggen? Werkt dat zo in deze mannenwereld? Hebben we dat nu nog altijd niet gehad? Iedereen draait maar in cirkeltjes terwijl de oplossingen voor de hand liggen. Maar nee, hoor, niet in HUN brein. Ze snappen het niet, of ze willen het niet snappen. Tussendoor probeer ik dan ook nog om ze subtiel uit te leggen hoe ik me daarbij voel, maar ook daar heeft niemand oren naar. Geen greintje empathie. En ik maar rekening houden met hun ego's! En maar hints geven, zodat ze achteraf denken dat ze het allemaal zelf bedacht hebben. Maar nee, ze zijn gewoon niet mee. Dat heb je als je bijna uitsluitend met mannen werkt.' In deze omstandigheden laat je haar best uitrazen. Ik knik en bevestig me suf. Bijna na elk zinnetje geef ik feedback door middel van een bevestigend knikje, een frons, een zucht die aangeeft dat ik zoiets zelf ook heel vervelend zou vinden, soms zelf een wegwerpgebaar, terwijl ik naarstig mijn boterham in de mix van ketchup en eigeel sop. 'Ach, ik zal er mij maar bij neerleggen. Volgens mij bestaat er geen enkele man die een vrouw begrijpt. Geen enkele!' Pijlsnel steek ik mijn rechterwijsvinger in de hoogte, draai mijn kin een stukje naar rechts, trek mijn wenkbrauwen op en kijk haar enigszins verwijtend aan. 'Goh, ja, jij. Ik zei geen enkele MAN!'  Mijn wijsvinger valt naar beneden en belandt met een klap op de tafel. Daar kijkt ze van op, zij het maar heel even. 'Dat is toch zo! Ik ben er nog steeds niet achter WAT jij nu precies bent. Ik denk dat de wetenschap daar nog een leemte op te vullen heeft. Seksueel gezien ben je een man, maar je denkt en gedraagt je af en toe als een wijf. Dan laat ik je vreemde loopje en je talrijke Martien Meiland-imitaties nog buiten beschouwing. En dan denk ik: is hij nu non-binair of hoe heet dat ... genderneutraal? Nee, als het bijvoorbeeld op borsten aankomt, denk je overduidelijk als een man. Twee minuten later drink je van je koffie en dan gaat dat pinkje omhoog! Nog wat later hoor ik je luidop tegen jezelf praten, lachen en vloeken en zit je jezelf voortdurend aan te sturen en dan denk ik weer: hij is niet van deze planeet. Hij is een het. Er hangt trouwens een klodder ketchup op je kin. Als je een zak popcorn zit te vreten of een zak chips uit de handen van de kinderen rukt, lijk je wel een of ander beest en een Bicky Burger eet je dan weer heel langzaam en gedistingeerd, met mes en vork. Soms staat er een grote vrachtwagen voor de deur en die heb je dan niet opgemerkt bij het binnenkomen en even later zie je vanuit de keuken dat er een fruitvliegje op de televisie in de living zit, terwijl die niet eens aanstaat. Jij bent ... raar. Echt waar. Man, of 'ding', wat ben jij raar!'  Daarna veert ze recht en loopt zo de deur uit. Boos. Haar stapjes nog kleiner dan daarstraks en haar wangetjes gloeiend. Tien seconden later hoor ik haar auto starten en wegrijden. Ik heb letterlijk geen woord gezegd. Alleen geluisterd.  En dan begin ik me vragen te stellen terwijl ik de ketchupklodder afveeg en van m'n hand lik. Zeg nu nog eens dat wij androgyne buitenaardse wezens niet kunnen multitasken. Welke vragen?  Ligt het aan mij? Moet ik me zorgen beginnen te maken? Vast niet. Waarom zit er eigenlijk verdikkingsmiddel in deze ketchup, net nu ik op dieet ben?   

Danny Vandenberk
4 1