Lezen

De papieren man

Ik moest nog snel wat schoolmateriaal gaan kopen, zodat mijn zoon na de les Plastische Opvoeding met een tekening kon thuiskomen in plaats van een aantekening. Het ging om tekenpapier en een kaft. Mijn vrouw had me de details doorgestuurd in een berichtje en ook waar ik deze spullen zou vinden: in de Schleiper, een winkel in de Joodse wijk. Ik was nog nooit in deze winkel geweest, maar toen ik zag waar de gps me liet stoppen, besefte ik dat ik er natuurlijk al talloze keren voorbij was gereden. Ik zette mijn fiets tegen de gevel en maakte hem met een dik slot vast aan de tralie van een kelderraam, dat op een kier stond. Even bleef ik staan. Er steeg een rotte lucht op, oud stof en zure melk. De wind speelde met de vuilwitte resten van wat ooit gordijnen waren. Ik keek nieuwsgierig en met weerzin naar binnen, maar ik kon in de duisternis daarbinnen niets herkennen waar mijn reeds op hol geslagen fantasie een kluif aan had. De ingang was aan de achterkant. Met mijn telefoon in de hand wilde ik iemand aanspreken zodat ik snel kon vinden wat ik zocht: een blok tekenpapier van het merk Steinbach, 270 x 360 mm, gewicht: 250 gram, en een tekenkaft van 28 x 38 cm. Er stond een oude dame aan de kassa die kennelijk hardhorig was en vermoedelijk om die reden haar vriendin had meegenomen. De jongeman achter de kassa stelde een vraag over hun aankoop, maar beide dames reageerden niet. Hij herhaalde wat hij zei, luider, waarop de vriendin nu wel iets had opgepikt, maar opnieuw vroeg wat hij had gezegd. ‘WILT U EEN TASJE MISSCHIEN?’ riep de jongen uit volle borst, toch nog zijn gezicht in de plooi houdend om beleefd te blijven. Daarna herhaalde het tafereel zich tussen de hardhorige dame en haar nog harderhorige vriendin. Een andere medewerker kwam me verlossen en vroeg wat ze voor me kon betekenen. Ik toonde haar wat ik zocht en ze sprak op omineuze wijze: ‘U zal zich hiervoor naar de kelder moeten begeven’. De kelder? Waar dat vieze gordijntje hing? Ik liep in de richting die ze had aangewezen. ‘U zult op het einde van de gang een trap naar beneden zien, achter de hoek.’ Ik rekende erop binnen tien minuten weer buiten te zijn, maar ik vertraagde onderweg naar de trap mijn pas bij het zien van al dat knutsel- en tekengerief. Links en rechts van mij smeekten kalligrafiepennen, scratch art en Japanse aquarelverf om door mij gekocht te worden. Opeens wilde ik een atelier bezitten en de hele dag schilderen en tekenen. Toen ik eindelijk bij de hoek was, zag ik de trap. Per trede die ik afdaalde, klonken de geluiden van de winkel steeds gedempter en werd de geur van onbeschreven papier steeds sterker. Ik kwam in een grote ruimte die ingedeeld was in verschillende gangen. Ik moest om een of andere reden aan een kleine universiteitsbibliotheek denken. Aan de overkant zat een man, verscholen achter een opvallend laag bureau. Hij boog zich wat voorover om me te kunnen zien, maar werd gehinderd door de kasten tussen ons in. Toen ik naderbij kwam, keek hij me aan. Eindelijk is er iemand, moet hij gedacht hebben. ‘Het is hier wel heel rustig hé’, sprak ik onbevangen, tezelfdertijd bedenkend dat ik in zijn situatie altijd muziek zou opzetten. ‘Ja, meestal is het hier wel kalmer dan boven‘. Hij sprak dat laatste woord uit alsof er twee dimensies bestonden. Hij vroeg wat ik nodig had en ik toonde hem mijn screenshot. Hij wreef verlekkerd in zijn handen: hij wist waar alles stond. Ondertussen zocht ik naar dat griezelige raampje maar kon het niet vinden. Toen hij me heel gezwind de kaft en het papier had overhandigd, bedankte ik hem en vond het een beetje sneu dat ik hem nu niets meer kon vragen. Het gebrek aan een radio maakte de stilte tussen ons niet draaglijker. ‘Soms is het hier heel druk hoor!’ zei hij. Ik knikte gretig en maakte aanstalten om te vertrekken. Hij zei: ‘Misschien tot nog eens hé’. Ik wist niet goed of ik hem een hand moest geven.

Lennart Vanstaen
0 0

Serendipiteit in de kelder

Ik heb het altijd al gehad: wanneer er gewerkt wordt in mijn directe omgeving, word ook ik door die werkmicrobe gebeten. Daarom schrijf ik graag in volle cafés en koffiebars, waar mensen aan hun laptop zitten of een interessante conversatie hebben over wilde plannen. Toen ik gisteren dus met volle overgave en zonder pauze de kelder was aan het opruimen, had ik dat voornamelijk te danken aan het feit dat heden mijn dak wordt gerenoveerd. En ook wel een beetje omdat de kinderen naar Disneyland zijn met de grootouders. Ik wilde net schrijven 'Ken je dat? Je had tien jaar geleden een plan met een kamer en een hoop spullen maar er is nog steeds niets aan veranderd', maar ik dacht, wat als mijn lezers dat niet kennen? Dan ontmasker ik mezelf als schaamteloze huiseigenaar die al tien jaar niets aan zijn kelder heeft gedaan. En dat zou ook niet waar zijn. Het punt is dat ik al snel merkte dat ik rommel van de ene plek naar de andere bracht. Dat is niet opruimen, dat is rommel verplaatsen. Wanneer ik verzamelingen oude rugzakken, reisspullen, tekeningen, cd’s en hopen schoolmateriaal van de slaapkamers in de bureau had gezet, gaf me dat een euforisch gevoel. Eindelijk! Een jaar later zag ik de staat van de bureau en werd er depressief van. Dus maakte ik de omgekeerde beweging. Zo verplaatsen spullen zich telkens. Van slaapkamers naar bureau, van woonkamer naar keuken of berging en weer terug. Een verdieping lager gebeurt hetzelfde: van het keldergedeelte naar de garage, of van de garage naar het tuinkot en dan een tijd later weer naar de kelder. En het was daar dat ik gisteren was aan het zweten. Goedgeluimd en gesteund door de opzwepende ritmes van Halcyon Digest van Deerhunter, had ik al behoorlijk wat werk verzet. Bouwafval zoals stenen en halve buizen had ik vooraan gezet om de volgende dag naar het containerpark te brengen. Voor tuinmateriaal zoals tuingaas, allerlei plantenpotjes en spades voorzag ik een aparte plek. Maar het leukste aan opruimen, zeker na een lange tijd, is dat je dingen terugvindt. Zo vond ik naast tientallen spinnen ook een plat bordeaux schaaltje dat uitstekend kon dienen als asbak voor mijn rokende vrienden die ik vaak een geïmproviseerd exemplaar moet geven. Ik vond ook enkele cd’s van een handboek Nederlands voor anderstaligen uit 2019 en honderden geplastificeerde didactische kaarten met overdreven emoties (bang, moe, triest), de delen van een Vlaamse woning met verdacht veel kamers (de berging, het balkon, de tuin, de garage, het terras, de kelder, de zolder, de woonkamer, de eetkamer…) en de ongelooflijke variëteit aan activiteiten van de Belg (opa leest een krant, moeder strijkt de was, Jan speelt voetbal). Toen ik de barbecue aan het afstoffen was – ik was ook helemaal vergeten dat ik er een had want we barbecueën nooit – vond ik een verkleurd papier onder het deksel. ‘Bedankt voor je bestelling, Gilbert Vanstaen, we gaan meteen voor jou aan de slag!’ Is het toeval dat ik dit vond net na wat ik enkele dagen geleden heb geschreven? Volgende week doen we barbecue.

Lennart Vanstaen
1 0

Mr. Bean en ik

Plots verscheen Mr. Bean op de Deense hotel-tv. In koor riepen mijn kinderen enthousiast zijn naam. Alsof je in een ver, vreemd land opeens een stuk Belgische chocolade ziet liggen in de rekken van een lokale krantenboer. Wanneer de aflevering uit was, klonk de droevige eindgeneriek. Dat pakt me altijd. Dan word ik meteen naar mijn jeugd gekatapulteerd, op de bruinleren divan van mijn grootvaders villa in ’s-Gravenwezel. Mijn grootvader was een man van vele talenten. Hij had lang voor ESSO gewerkt en voer als kapitein zijn hele leven naar Afrika op grote schepen. In zijn typische jaren ‘70 villa hingen dan ook allerlei maritieme parafernalia, zoals zonnewijzers, scheepsknopen, kompassen en uiteraard foto’s van zijn schip, De Mercator. Hij mocht daar gretig over vertellen, maar deed ook uit de doeken hoe kwik in een thermometer werkte of hoe je eigenhandig een binnenzwembad graaft. Het maakte niet uit wat het was, ik wilde graag alles begrijpen. We gingen niet vaak op bezoek, een aantal keer per jaar. Ik herinner me vrijwel nooit slecht weer, dus ik vermoed dat we vaker in de lente of zomer gingen. Wat ik als kind leuk vond, was dat onze bezoekjes in ’s-Gravenwezel altijd op dezelfde manier verliepen. Wanneer we arriveerden, stonden dezelfde hapjes klaar: kaasblokjes met mosterd, mini-uitjes en augurkjes, kerstomaatjes, schijfjes chorizo, druppelpaprika en natuurlijk kaviaar. Eerst dronk ik cola of ice-tea, later champagne. Na deze amuse-bouche stak hij plichtsbewust de barbecue aan, waarnaar veel aandacht uitging. Wat valt er nu telkens weer te zeggen over hete kolen, dacht ik. Later vermoedde ik dat het een ijsbreker vormde tussen hem en zijn zoon. Als de barbecue eenmaal op gang was, en wij waren uitgevoetbald, stonden we al als katten aan de glazen deur van het zwembadhuis te krabben, dat achteraan in de tuin stond. Daarbij moest en zou mijn grootvader ons eerst informeren over de water- en omgevingstemperatuur, die hij in het woonhuis kon aflezen. Rond 16u gingen we aan tafel. Ik vond dat vreemd. ‘Opa eet gewoon vroeger, omdat hij vroeger gaat slapen en vroeger opstaat. Veel oudere mensen doen dat zo. Elke ochtend om 6u zwemt hij voor het ontbijt’, zei mijn moeder.   Er volgde steevast ijs met fruit (vanille of mokka) waarna de volwassen mensen nog wat zouden napraten bij de koffie. Soms gingen we weer voetballen, maar vaker vroegen we om tv te kijken. ‘Deze keer moet jij het vragen’. Een van ons drie trok aan het kortste eind. Wie verloor, durfde ook wel eens zeggen: Lennart wil iets vragen, opa.’ Op Ketnet was er op dat uur meestal niets meer te zien dat mijn jongste broer ook leuk vond. Daarom vroegen we om een film. Maar opa had geen tekenfilms, alleen Mr. Bean. ‘Ken je dat niet? Dat is heel grappig.’ Mijn moeder gaf haar goedkeuring. Al snel werd het me duidelijk dat Mr. Bean ook vaak niet leek te begrijpen hoe de zaken in elkaar zaten. Routine en voorspelbaarheid gaven hem houvast. Hij dacht over de dingen na op een andere manier. Hij deed niet zomaar wat iedereen deed. Ik vond dat inspirerend, of hoopgevend. Ook al lachte iedereen hem uit. Over de begin- en eindgeneriek (een soort zoeklicht schijnt vanuit de hemel op een verlaten straat in Londen en een seconde later valt Mr. Bean als een afgedankte alien uit een UFO), had ik toen veel vragen. ‘Mr. Bean is een alien, iemand van een andere planeet’, verklaarde mijn moeder. Iemand van een andere planeet. Dat zeiden mijn ouders ook wel eens tegen mij. Mensen vroegen of ik soms van een andere planeet kwam wanneer ik weer eens iets vreemds deed. Sindsdien heb ik te doen met Mr. Bean. Maar het engelengezang brengt troost. Ook al zingen ze letterlijk: ‘Hier is de man, die een boon is.’

Lennart Vanstaen
0 0

Als het niet gaat, verdwijn ik graag

Afzeggen van een niet uit te stellen gebeurtenis, lang op voorhand gepland en naar uitgekeken. Dan gaat het niet! Dan neem ik tram of bus en soms zelfs trein. Daarna boor ik me in de stilte van een wandelinglangs water, het kan zomaar zee zijn of een rivier met wandelpad waarbij ik de eerste kilometer me toch tot nadenken gestemd voel bij het zien van zoveel cruisebotenen de vraag die rijst wie die LEZ-taksen zal betalen voor deze ofandere die daar op een stille zaterdagvoormiddag wandelt of jogt de verse uitlaten inademt tegen wil, dank en alternatief wegblijven in? Het gaat me niet, ik wandel verder meer ruimte, meer lucht, meer wind een gedachte houdt me vast en ik waag te verdwijnen in de mensenmassa van de stad met winkels, cafeetjes en eethuisjes dietoeristen en bewoners entertainen in hun vrijheid Hier en daar slenter ikeen winkel binnen en doe warempel onverwacht éénkoopje, een verraste winterjas elders, een heel andere winkel moet ik niets en kijk wat rond ookal voelt het eerder vierkant tussende tafels vol boeken en rekken met postkaarten door, waarvan ik dan tochnog, voor mijn nieuwe hobby, er tien koop ik weersta een boek, noteer het in mijn hoofdbinnenkort is het immers weer Kerst met lijstje Onderweg naar huis roltrappen neerwaartsde tram onder en boven daar voel ik het nog een keer‘het gaat niet vandaag’ en dan passeren alle beelden de revuedaar achter mijn ogen haasten ze zich om me te tonen wat ik zag van het  zwaar bekofferde en gerugzakte koppel tot het meisje in zomersportoutfitjoggend langs die boten met een geurtje aan de toeristen die over de loopplank wiebelen enhet broodje in mijn zelf meegebrachte tas met ookdat koopje, geplooid en de postkaarten voor mijn hobby Het gaat nog steeds niet en dat is niet erg, ik verdween voor even in het grijs van de massain de leegte van de stilte aan de rivier met boten zonder LEZ-allures en daarna met zicht tot achter de wolken die de beloftevan zuivering van lucht inhielden en een verse start na de alt ctrl delete die ik inplan voor thuis Marilou

Schrijfhoek
12 0

gedachten sorteren

Ik dacht: ik laat hier eens mijn gedachten lopen. Laat ik ze even vrolijk huppelen op dit papier, alhoewel, 't is geen papier. Ik kan het niet ruiken. En mijn gedachten zijn ook niet zo vrolijk momenteel. Lopen doen ze wel, snel. Want ik heb dit niet op voorhand geschreven, ik schrijf nu gewoon wat ik denk... En ik denk veel. Dat het niet stilstaat, dat is een feit. Zoals ik al zei: ze lopen. En soms kan ik ze niet bijbenen. Dus dan schrijf ik de absurditeit ervan op, zo kan ik het kaf van het koren scheiden. Piekeren vermijden. Of werkt dat zo niet? Jawel hè, jawel, dat werkt hè, mede-schrijvers. Oh, ik krijg een berichtje binnen. Mijn gedachte over een gedachte was duidelijk verkeerd, dat lees ik nu, terwijl ik schrijf... Multitasken noemen ze dat. Misschien is dit een fait divers en moet ik het bij het kaf sorteren. Na veertig jaar moet ik nog steeds leren dat gedachten niet bij iedereen zo huppelen tijdens een loop. Elk zijn loopstijl... En terwijl ik dit schrijf, denk ik: rust nu toch, stop eens met denken. Maar dat lukt niet, 't is als een lopend vuurtje dat op hol slaat. Of ja, lopend vuurtje... Die uitdrukking klopt niet helemaal, maar je begrijpt me wel. Niet te stoppen dus. En als iets niet te stoppen is, crasht het meestal eens. En dan vergeet je gewoon alles: waar je sleutels liggen bijvoorbeeld, of wat je ook alweer in de kelder ging doen.    Alleen    ver tra...gen    lij kt....te.....w...er...ke...n    *    "'k Moet pipi doen!" roept de kleinste.    Snel! Even andermans gedachten sorteren, hij moet dat nog leren.    Ik ga rechtveren.    Euh...    Wat wou ik nu ook alweer beweren?        

Troja!
10 1

Ik hang

Wat als je blijft hangen, ergens tussenin? Wat als je struikelt over de drempel van de deur waar je door wil. Wat als je je droom voor je ziet vliegen en je kan er net niet bij?   Op dat moment, zie je net iets meer, net iets meer dan de rest. Je kan terugkeren en erover vertellen in het verleden, of de ervaring meenemen en er nieuwe paden mee leggen. Paden die steviger, mooier en dragend zijn. Soms stappen er mensen met je mee. Mensen die bruggen helpen bouwen, zelfs helpen rouwen en je naar boven hijsen met touwen. En dan is er dankbaarheid, die dankbaarheid brengt licht op je pad.   Wat als je ziet, dat mensen blijven hangen, ergens tussenin? Dan kan je ze lezen, tussen de lijnen. Kan je ze voelen, tussen stilte en spraak. Dan kan je ze laten zien, wat er nog bestaat.   “Wat is er?”   Een niet- afgelijnde vraag. Want er is iets, tussen goed en kwaad, tussen zwart en wit, tussen liefde en haat, …   Als je ooit bent blijven hangen, tussen leven en dood, dan wordt tijd relatief. Negativiteit een dief. Want, wat is het mooi, als je niet meer moest blijven hangen. Als je terug mocht verlangen.   Wat is het mooi om zonnestralen in regendruppels te zien schijnen, om mist te zien verdwijnen, om vogels te zien landen, ouderen elkaar te zien dragen op handen. Om naar luchtschilderijen te staren en Kunst te mogen ervaren.   Een kunstenaar bouwt aan paden, voor zichzelf maar ook voor de ander. De kunstenaar voelt, verft, tekent, behandelt, boetseert, schuurt, … de werken. Werken die jou kunnen meetrekken in een diepere dimensie. Waar je verhalen in voelt. Soms is het mogelijk om de werken te horen, te ruiken, en niet gewoon te bekijken maar te zien.   Ikzelf schrijf graag bij Kunst, want zoals bij velen, maakt het veel los.   Kunst lijkt de donkere lagen weg te schuren, zodat het licht er terug op kan vallen. Zo raakt het ook onze ziel.   Je zou het kunnen zien als het neerslaan van muurtjes die die oppervlakkigheid beschermen en dan precies weten waar je je vinger op moet leggen. Het doorzien van pijnpunten en erop duwen tot het licht erdoor komt. Tot je eruit leert en een prachtig pad bouwt. Tot je ook je droom najaagt, ongeacht de rugzak die je draagt.         In 2018 begon ik aan de opleiding fotografie en koppelde poëzie aan mijn beelden bij een eindwerk. Vanaf 2024 kreeg dit concept een diepere dynamiek door poëzie aan andermans Kunst/beelden te koppelen. ©Griet Decabooter (mei 2026/revised okt.'26)

Troja!
7 1

Mijn schuld

Onder het motto 'Er is geen betere leerschool dan het leven zelf' brachten we in onze studentenjaren minstens evenveel tijd door op caféstoelen als op de schoolbanken. Ik heb niet alles onthouden van die jaren (mocht u iets anders denken: het is gewoon te lang geleden), maar Staf staat me nog helder voor de geest. Hij was barman in een van die etablissementen en gaf Nederlands in een middelbare school, maar in de avonduren kluste hij wat bij. Als barman, maar ook als filosoof en politicus. Als we op het einde van de avond vroegen wat onze schuld was, antwoordde hij vaak met dit: “Jullie schuld? Dat is 750.000 frank per persoon, hè mannen. Ge weet toch dat elke Belg met dat schuldbedrag geboren wordt?” Op een avond, toen we als laatsten aan de toog zaten, ging hij verder over dat woordje schuld. “Jullie weten toch dat schuld een prachtig homoniem is?” Als we het al wisten, konden we er die nacht zeker niet opkomen. “Een woord dat exact hetzelfde is, maar een totaal andere betekenis heeft. Zoals een kater, dat kennen jullie wel. Het is een kat, maar ook datgene wat jullie morgenvroeg gaan hebben. Bij schuld is dat ook zo. Ge hebt de juridische term, waarbij iemand schuldig is aan een overtreding of een misdaad. Maar er is ook een financiële betekenis. Het bedrag dat jullie nu moeten betalen. Dertig frank de pint, maal tien, dat is 300 frank per man.” Ik speelde in die jaren op zondag nog voetbal. Als er iemand langs de zijlijn riep dat het mijn schuld was dat die aanvaller had kunnen scoren, had ik veel zin om te antwoorden dat vooral de regering veel schulden had. Maar ik zei het natuurlijk niet. Dat was voor de weekdagen, aan de toog, bij Staf.

Rudi Lavreysen
6 1

Waardig ouder worden

Elke dag. Elke minuut. Elke seconde gebeurt het. Je wordt ouder waar je bij staat.  Drieëntwintig. Dat is al decennialang mijn gevoelsleeftijd. Dat zit veel dieper dan je op het eerste gezicht zou denken. Zo schat ik telkens weer de leeftijd in van nieuwe mensen die ik tegenkom. Van een man van pakweg achtendertig zal ik al gauw denken dat hij meer levenservaring of -wijsheid heeft dan ik en soms ben ik er rotsvast van overtuigd dat een jonge vrouw van zesentwintig best wel in mij geïnteresseerd kan zijn, ook op lichamelijk vlak. Je leest het gelukkig niet van me af. Verdorie ja, nu wel natuurlijk. En toch, toch ben ik dezer dagen op bijna onverklaarbare wijze bezig met mijn oude dag. Onlangs droomde ik dat ik zat te kienen in het woonzorgcentrum, in een rolstoel, met een geruit dekentje over m'n krakkemikkige knieën. Toen de getalletjesafroeper '87!' kweelde, sloeg mijn zwakke, soms lichtjes haperende hart twee keer over en trachtte ik uit volle borst 'kien!' te roepen. Ik schrok er zelf van hoe fragiel mijn stemmetje klonk. Het kwam amper boven het geroezemoes in de cafetaria uit. 'Net op 87 dan nog,' mompelde ik tegen Robert, mijn vaste buurman tijdens spelnamiddagen, 'dat is toevallig ook mijn leeftijd.'  Robert trok er zich zoals gewoonlijk niks van aan. Hij was ook bijna gewoon lijk en speelde niet eens mee, omdat hij weer eens vergeten was zijn gehoorapparaat op te laden. Al jaren leefde hij als een plant. In zijn geval als een dovenetel.  Een paar dagen geleden hoorde ik op het radionieuws dat de gemiddelde prijs voor een maandelijks verblijf in een woonzorgcentrum ongeveer 700 euro hoger ligt dan het gemiddelde pensioen. Daar wordt een mens toch een tikkeltje ongemakkelijk van. Woonzorgcentra zijn bijna onrusthuizen geworden. Als het zo doorgaat alleen nog weggelegd voor de happy few, als je tenminste goed verzorgd en voor de rest met rust gelaten wordt, want gisteren nog las ik over kwetsbare bejaarden die er bestolen en zelfs mishandeld werden door het personeel. Dat slaat toch nergens op, zou je verkeerdelijk denken. Ik realiseer me nu dat ik in 2028 even lang in het vorige als in het huidige millennium geleefd zal hebben. Typisch zo'n bedenking die ik vroeger nooit zou maken. Waken moet ik. Waken over mijn geestelijke gezondheid. Focussen op die drieëntwintig dus. Zoals ik dat gewend ben. Rustig negeren hoe ik de lettergrootte van mijn tekstverwerker tegenwoordig twee puntjes hoger moet zetten om mijn eigen schrijfsels nog te kunnen volgen, hoe ik in het fitnesscentrum mijn fietsrecord van twee jaar geleden maar niet verbeterd krijg, hoe de dagen steeds sneller voorbij lijken te gaan, hoe mijn knietjes soms kraken als ik de trappen naar de zijdeur oploop en hoe ik soms van een mug een olifant maak, tenzij het over mijn geheugen gaat, want dat lijkt hoe langer hoe minder op dat van een olifant maar eerder op dat van een mug met jongdementie, terwijl ik instinctief veel minder drink, in die mate zelfs dat ik de voorbije acht weken geen druppel alcohol genuttigd heb en bijgevolg geheelonthouder zou moeten zijn. Wel, allesbehalve! Ik ben een vergetend vergiet. Mijn dokter hint bijvoorbeeld wel eens dat vijftigers baat hebben bij een jaarlijks of tweejaarlijks prostaatonderzoek. Dan denk ik ijskoud: en wat dan nog? Wat heb ik daar mee te maken? Dat zijn zorgen voor later. Veel later! En ik ontken dat het een ontkenningsfase is. 'Hoe voel je je?' Dat vraagt hij de laatste jaren telkens weer als ik 'm zie (als ik onze afspraak niet vergeet). Zomaar. Zonder aanwijsbare reden. Vreemd toch. 'De eerste vijf dagen na het weekend zijn het beroerdst, daarna gaat het wel weer,' antwoordde ik overlaatst. En ernstig kijken dat hij deed! Erg toch, op zijn leeftijd. Hij is ongeveer tien jaar ouder dan ik. Drieëndertig, en nog steeds geen greintje gevoel voor humor. Dat moet erg zijn.  

Danny Vandenberk
0 0