Lezen

Maanvrees

(Spannend verhaal: een opdracht voor Literair schrijven, onder begeleiding van Stefanie Huysmans aan PARCOUR)   Met een zekere precisie scheur ik de astronautenvoeding open. Mijn maag knort. Een varken is er niets vergeleken bij. Ik voel aan mijn ontregeld systeem dat ik eten nodig heb - en wel nu. Of ik spijt heb dat ik me opgaf om aan deze missie deel te nemen? Nooit. Al snak ik al enkele dagen naar een hamburger met friet.  Phoebe zweeft naar de Electric food warmer die zich in het ruimtetuig bevindt en schuift haar zelfgekozen maaltijd erin. Zij is, net zoals ik, specialist in deze missie.  Reid rust in de slaapcabines. Hij is onze gezagvoerder tijdens de Artemis missie en volbrengt deze met glorie. De volledige bemanning heeft vertrouwen in zijn kunnen, vooral dankzij de kalmheid die hij uitstraalt en de hyperfocus waarmee hij zijn taken verricht, naast de vele jaren ervaring. Ook al bevat de Orion-capsule de nieuwste en automatische computersystemen zoals; lancering, orbitale manoeuvres, koerscorrecties, en landing, toch is Victor, onze piloot, al even zelf aan het sturen. Victor is een immer goedgemutste Afro-Amerikaanse man met een wijze blik die zijn pienterheid en technische vaardigheden verraadt. Naast automatisering verrichten we zelf veel werk. Phoebe en ik staan in voor de onderzoeken tijdens de maanmissie. Iedereen heeft zijn vaste taken en voor de rest voeren we losse taken uit.  Ik druk mijn hand tegen mijn voorhoofd aan. Mijn sinussen voelen aan alsof ze elk moment uit mijn hoofd kunnen ontsnappen. Aan alles kan ik wennen, behalve mijn verstopte neus. ‘Vloeistofverschuiving’, elke astronaut is ermee bekend, maar het in persoon meemaken is een heel ander verhaal. In kleermakerszit, met mijn linkervoet over mijn rechterbeen gekruist, zit ik op mijn vaste plek bij het venster. Ik lepel mijn maaltijd naar binnen. Het smaakt me niet. Ik staar recht in de oneindigheid van het heelal. Die onbereikbaarheid is wat me rust geeft. ‘Het is zo verdomd rustig. Je zou je haast zorgen beginnen maken!’ grijnst Phoebe me toe. Ze kijkt me met een glinstering in haar ogen recht aan. ‘Ach, beter zo.’ grimas ik haar toe. ‘Straks wordt het al spannend genoeg.’ Ik kijk haar veelbetekenend aan. Phoebe beantwoordt die blik echter niet. Ze is afgeleid door iets wat ik nog niet kan horen. ‘Hoor je dat ook?’ ze kijkt verontrust om haar heen. Ik kijk haar vragend aan en scherp mijn oren. Het enige wat ik hoor is gekraak waar ik de bron niet van thuis kan brengen. Ik zit nu kaarsrecht en Phoebe staat aan de grond genageld. Plots wordt het me klaarhelder. Ik veer recht. ‘Phoebe, de grondcontrole?!’ ‘Kayla, dat kan niet. Of…’, het begint haar te dagen, ‘...de communicatie met de grondcontrole is verbroken.’ Beiden haasten we ons naar de commandoruimte. In de cockpit treffen we Victor en Reid aan. Ook al laten ze haast niets blijken, Phoebe en ik zien hoe ze een veelzeggende blik uitwisselen. ‘Er is iets fout.’ beaam ik aan onze crew. Reid legt zijn wijsvinger tegen zijn lippen en maant me aan tot stilte. Victor zet zijn headset stevig op zijn hoofd en typt iets in op het communicatiepanel, terwijl het display nu en dan op licht. ‘Verdomme,’ horen we hem binnensmonds mompelen, net luid genoeg om er uit op te maken dat het wel degelijk om een vloekwoord gaat. Haastig ontplugt hij zijn headset. ‘Luister,’ met een strenge blik kijkt hij ons aan. Ik zie een angst weerspiegelt in zijn donkere ogen. 'We h..h…hera…len… het nog een laatste keer, vandaag bereiken jullie  .oals afgesproke., jullie bestemming. .. ….landing ….. werkelijkheid. … ….. …. simpel. Voor..eer jullie landen, weten ….. wat jullie .. doen …..’ Reid kijkt ons allen strak aan. Zijn bleke huid is in fel contrast met de donkere ruimte waar we ons in bevinden. Kippenvel tekent zich af op mijn huid. De verbinding valt nu volledig weg en het gekraak wordt enkel intenser en luider. Geen verbinding meer, betekent geen kans op slagen, toch? ‘Phoebe en Kayla, bereid jullie voor op een mogelijke landing en haal de drukpakken uit, voor ieder van ons.’ beveelt Reid. Ik zie geen enkele angst in zijn ogen. Glazig en gefocust staart hij ons aan. ‘Victor, wij blijven hier. Jij schakelt de noodmodus in. Ik probeer de verbinding met de grondcontrole te herstellen. Bereid jullie voor, crew.’ Phoebe en ik halen de drukpakken uit. We doen ze aan, helpen elkaar, en gaan naar de cockpit waar Reid twee van de pakken van ons overneemt. Hij gebaart dat we ons naar onze afgesproken plaatsen moeten begeven. Ik voel hoe mijn lichaam één en al alertheid uitstraalt. Het is nu, of nooit meer. We kunnen niet anders, we zijn op elkaar aangewezen. Ik voel hoe we snelheid nemen, en maak me klaar voor de landing. We gespen ons vast aan onze stoel. Het enige dat onze gewichtloosheid kan afremmen. ‘Kayla’, fluistert Phoebe me toe. ‘geloof je er in?’ ‘Ja’, zeg ik standvastig. ‘De maanlanding wordt werkelijkheid.’ Ik geef een kneepje in haar hand. Ons zicht wordt alsmaar beperkter, al zien we hoe we pijlsnel naderen. In de minuten die ons resten: laat ik los. Ieder moment dat me geraakt heeft, waarin ik me het meest levend voel, herleef ik opnieuw. Overleven is leven, zelfs met maanvrees. Ik voel hoe mijn kaken naar achteren trekken en het enige wat ik kan denken is: 'hoe belachelijk’. Ik lach en ontspan. Het laatste wat ik voel is hoe mijn hand uit Phoebe haar greep ontsnapt. Het allerlaatste wat ik zie, is hoe haar lippen me mogelijks het woord ‘leef’ toe fluisteren en hoe haar nek met een smak naar achteren wordt gekraakt. Het aller allerlaatste wat ik hoor is mijn eigen schrille gil. Alle kleur verliest zijn tinten en mijn wereld wordt zwart. … Een zilveren lichtbol pirouet om me heen, en ik dans mee op het ritme. Ik bedenk me. ‘Je buisde op het ritmische getokkel op jouw cello in de tweede graad en je sloeg je rechtervoet om in de balletles in je derde kleuter, jij kan helemaal niet dansen, noch ritme aanvoelen’.  Synchroon met mijn gedachten, stopt de zilveren lichtbol. Het eerste wat in me opkomt is ‘grijp het’, maar mijn vingers van mijn hand bungelen vastgevroren naast mijn zij. Een wolk zweeft langs me, en ik tast er naar met diezelfde hand. Ik voel niets en het geeft me angst. De wolk omgeeft me, en slorpt me volledig op. De wolk brengt me naar een plek, die ik allesbehalve ken. Het is er donker. Zou het de maan kunnen zijn?  

Zonsondergangdromen
57 1

Auschwitz

In de HBO-serie Deadwood (het westernequivalent van The Sopranos) zegt saloonkeeper annex maffiabaas Al Swearengen, magistraal gespeeld door Ian McShane, dat een oude man niks meer is dan een zak vol met stront. Doc Cochran (vertolkt door een oudere Brad Dourif, die ooit nog de kwetsbare, stotterende Billy Bibbit speelde in het sterk verouderde One Flew Over the Cuckoo's Nest) antwoordt hem met een welgemeende 'Fuck you, Al'. Dat is wellicht het verschil tussen een sociopaat en iemand die de eed van Hippocrates (Primum Non Nocere) hoog in het vaandel draagt. Wie bepaalt wanneer een leven ten einde is, nutteloos, waardeloos? Toen het ziekenhuis me belde dat ze geen goed oog hadden in de gezondheid van mijn vader, heb ik zo snel mogelijk de kusttrein van Antwerpen naar Blankenberge genomen. Als ik zijn kamer betrad, schoot mijn gemoed vol. Twee weken ervoor was ik al geschrokken door zijn snelle achteruitgang, het dementeren, de verwarring in zijn blik en het rechteroog dat onafhankelijk van het linkeroog vreemd pinkte. Was de slokdarmkanker met uitzaaiingen in de lever (metastases in steriel Latijns medisch vakjargon) ook op zijn hersenen geslagen? Wat ik zag, was wat ik in Holocaustfilms zag, Auschwitz, Birkenau, mijn vader was een levend lijk, in zijn gezicht zag je al zijn doodskop. De kleur van zijn huid asgrauw, zijn voormalige spieren als bodybuilder helemaal weggeatrofieerd. Hij zag er minstens tien jaar ouder uit, als een aan zijn lot overgelaten krijgsgevangene. Maar de beelden die bij me opgeroepen worden, zijn filmisch en dus gemanipuleerd. Buiten de echte zwart-wit foto's van ooggetuigen heb ik geen idee hoe de doelbewuste vernietiging van Joodse mensen (maar ook homo's, Roma's en communisten) er in het echt uit moet gezien hebben. Mag ik deze vergelijking met Auschwitz eigenlijk wel maken? Bagatelliseer ik daar de Holocaust niet mee? Mag ik de blinde kanker van mijn vader vergelijken met haatdragende, doelgerichte, laffe moffen? En automatisch betekent in deze tijd iedere verwijzing naar het 'Joodse' een subgedachte aan Israël. En wie Israël zegt, denkt Palestina. Waarom zou ik de titel van de verschrijving over mijn vader niet Gaza noemen? Rond 7 oktober 2023 (de datum van de Hamas-aanval) was mijn vader opgenomen in het ziekenhuis omdat hij superverward was. Het bleek bloedarmoede. In september pas had hij de diagnose van zijn kanker gekregen ook al kon hij al maanden niet goed meer eten en slikken na het onverwachte overlijden van mijn moeder en zijn vrouw vlak na Nieuwjaar. De huisarts dacht toen net zoals wijzelf dat het psychologisch was. Hij was getuige van de reanimatie met een defibrillator, had vijftig jaar lief en leed gedeeld met zijn maatje. Een mens zou voor minder van zijn melk zijn. Ook toen al, met zijn anemie, herkende hij me niet. Acht maanden later, de Gazastrip ligt in puin, een nakende aanval op Rafah is in het verschiet. Buiten steun van de Verenigde Staten en Duitsland heeft Israël veel van zijn krediet verloren. Nuance, sereniteit worden door beide kampen geïnterpreteerd als colloboratie. Als vrienden me vroegen mee te betogen pro Palestina, zei ik dat ik andere varkentjes te wassen had, of katjes te geselen. (Wat is dat toch met spreekwoorden en dieren?) Het economisch boycotten van Israël door bewust te consumeren wimpelde ik af door mijn precaire financiële situatie. Schaarste maakt je blind, stompt je af voor de immorele uitwassen van low budgetbedrijven zoals een Primark of Lidl. Mijn vader was in januari door een combinatie van drank en chemo-rage terug in de casino's beland. Ik moest zijn huur voorschieten. Hij was manisch, ontremd, belandde zelfs met zijn palliatieve ziekte tweemaal in de gevangenis. Terwijl het er zo goed uitzag na de behandeling van zijn bloedarmoede. Hij kreeg sondevoeding, chemo- en immunotherapie. Op een gegeven moment was er zelfs sprake van volledige genezing. Met Kerst kon hij terug volwaardig voedsel eten. De tumor die eerst niet te opereren viel door zijn grootte was gekrompen. En dan maakte het leven een bocht van 180°. Mijn vader kreeg een infectie op zijn knieën. Hij moest stoppen met zijn kankerbehandeling om prioritair antibiotica te krijgen. Het kwam niet meer goed, zijn geest ging gestaag en even snel achteruit als zijn lichaam. De eenzaamheid en machteloosheid in het ziekenhuis zullen niet geholpen hebben. Ik was zelf een schim. De vooruitgang staat niet stil, maar onze levens soms wel. Maar de laatste dagen dus. Ik zag hem na twee weken terug, toen waarde de dood al rond. Hij wou niet meer eten en drinken, en was zo afgevallen dat hij leek te willen sterven van ontbering. Maar volgens de dokter leed hij niet. De tranen sprongen in mijn ogen, en met een ongekende spontaniteit zei ik: 'O, Pepje toch, vertrek maar, als je wil.' Ik wreef zonder schroom voor de eerste keer over zijn lijf. Ik streelde zijn naakte kuit. Verwilderd keek hij naar me, de ogen al lang niet meer synchroon. Toch leek hij te schrikken van mijn reactie. Waarom heeft hij zo weinig haar op zijn benen? Alsof hij bijna een vrouw is. De geur van de geriatrie is die van de spreekwoordelijke zak vol stront. Zijn urine was bruinrood donker in de doorzichtige zak naast het bed. Er was stoelgang in zijn pamper. De geur van zijn adem was de geur van lichaamssappen uit evenwicht. Ik herinner me de hijgende stokoude zieke hond van mijn grootmoeder. Als die meereed in de auto, deed je de raampjes putteke winter toch open om maar niet te moeten kokhalzen van zijn stank. Het leren bandje van mijn vader zijn horloge ruikt nog steeds naar het ziekenhuis. Vertrek maar. De trein naar Auschwitz was enkelrichting. Gaza was voor de oorlog een openluchtgevangenis. In België komen de verkiezingen eraan. De narratief is totaal ongunstig en verrechtst. Het geld is op. Naast gelukzoekers zijn vluchtelingen een doorn in het oog. Ik ben me al maanden aan het indekken om me niet te laten ruïneren door de schulden van mijn ouders. Ik ben alle vertrouwen kwijt in sociale mobiliteit. Ondanks een diploma van een gerenommeerd jezuïtencollege heb ik me niet kunnen ontvoogden van mijn afkomst. Alle Louis Vuitton handtassen ten spijt hadden mijn ouders na hun faillissement bij wijze van spreken amper het niveau van het analfabetisme ontstegen. Wat is er dan endemisch? Niet de kansarmoede. Kansen om te studeren heb ik genoeg gehad. Een gebrek aan een netwerk? Ik kan de vinger niet op de wonde leggen. Is het mislukken van mijn studies een kwestie geweest van niet willen, of niet kunnen. En wat is het verschil tussen beide, of waar overlappen ze. De dag voor het overlijden van mijn vader was wellicht de intiemste die ik ooit heb gehad met hem. Ik heb net zijn pamper niet ververst. Achteraf bekeken was dit wellicht zijn afscheid. Als een prematuur, of postmatuur, genoot hij van de tiramisu die ik hem inlepelde. Hij dronk cola, Fanta en Sprite door mekaar, wellicht om toch nog eens iets te proeven. Ik heb nu spijt dat ik niet over zijn rug gestreeld heb, een laatste keer vlooien. Ik toonde hem foto's van zijn loopwedstrijden, zijn lichaam nog niet in vrije val. Ik liet hem muziekjes luisteren om reactie te krijgen. Wat zou ik voor hem kiezen bij zijn uitvaart? Ik herinnerde me de tranen van mijn nonkel op de begrafenis van zijn te jonge dochter. Een oud gewond dier, schokschouderend, een huilende wolf. Aangrijpend als wij in ons lijden van mensen terug in dieren veranderen. Het afscheid van mijn vader liet me denken aan het filmpje van Mama, een 59-jarige tandloze chimpansee die niet meer wou eten en drinken tot ze haar oude verzorger Jan van Hooff herkende op haar doodsbed. De interactie met veel lichaamscontact die ontstond, was hartverwarmend. Maar waarom hebben wij als mens soms zoveel meer empathie voor dieren dan voor soortgenoten? Als het kind van een bootvluchteling verdrinkt, is het de schuld van de ouders. 'You can't fix stupid', zei één van de oud-Reuzegommers naar 't schijnt over je-weet-wel-wie, een flamingantische studentengroepering trouwens mee opgericht door Volksunie-man Hugo Schiltz met wortels in hetzelfde jezuïtencollege waar ik gevormd én misvormd ben. Hypocrisie en schijnheiligheid zijn toch altijd substantieven die ik associeer met de school waar ik zoveel heb moeten vanbuiten leren dat mijn geheugen gekraakt was toen het voor mij nog allemaal moest beginnen, op de unief. De geriater sprak van een maand, misschien een week. De dag daarna vond ik mijn papa met open mond en open ogen. Hij was nog warm. Ik had hem net gemist. Mijn neef had hem een dik kwartier/klein halfuur daarvoor nog wel levend gezien. In mijn verbeelding denk ik soms dat hij hem uit zijn lijden heeft verlost. Ook mijn moeder was overleden een paar dagen nadat ze bij mijn neef Oudjaar gevierd had. Ik herinner me hoe hij met mij XTC wou slikken in clubs. Ik was begin twintig, hij eind dertig. Maar mijn beide ouders zijn ondertussen gecremeerd, een autopsie is niet meer mogelijk, verwachtte ik ook niet. Ik steek de paranoïde gedachte meer op de onmacht van met leven en dood om te gaan dan dat ik mijn neef werkelijk verdenk. Mijn strijd begint nu wellicht nog maar pas. Ik was nog maar net naar de notaris geweest om de nalatenschap te verwerpen of ik kreeg al een e-mail in mijn e-box dat de openstaande penale boete van mijn vader naar de erfgenamen verspringt. Mijn vader was toen nog niet 'begraven'. Maar tegen de schuldeisers kan ik me juridisch wapenen. Dat recht hebben we verworven. Maar de huisbazen van mijn ouders, daar had en heb ik meer schrik van. Ja, de woorden 'gecondoleerd' en 'innige deelneming' vielen. Maar al snel werd het 'opzeg van drie maanden', 'leegmaken', ... Het was de bewindvoerder van mijn vader die hen duidelijk maakte dat ik het appartement dat toen nog gehuurd en betaald was, niet kon leegmaken omdat ik anders de erfenis aanvaardde. Op een wip en een knip kwamen ze bij mij thuis de sleutels halen om de nutsvoorzieningen op hun naam te kunnen zetten. Ik haat het dat ze nu weten waar ik woon. Maar ik dacht dat ze begrip hadden voor mijn situatie. De zomer staat voor de deur, het appartement is door henzelf gemeubeld en niet uitgewoond door mijn ouders, er kwam al een huurder kijken, ... En toch kwam er weer een telefoontje, om 21u50, ik had het zelf niet gezien door vermoeidheid, wel mijn achtjarige dochter, we lagen net in ons bed om te gaan slapen. Door het telefoontje was ik terug klaarwakker. Toch nog stront aan de knikker? Ik belde de dag erna terug. 'Kan je de kelder komen leegmaken?' 'Euh, ... ' 'Je bent hier toch voor de begrafenis die dag, maar wel voor de koffie leegmaken, niet na de koffie, hé.' Het resultaat stond in de sterren geschreven. Toen mijn moeder thuis overleden was, had ze de matras bevuild, 'Ze had haar eigen laten gaan.' Zo formuleerde mijn vader dat, dom genoeg tegen de huisbazen. Maar het klopt wel dat ook onze uitwerpselen essentieel onszelf zijn. Mest schept leven tenslotte. Nee, het helpt de bloei en groei. De reactie van de huisbazen sprak boekdelen. 'Er is toch niks aan de matras?' Het eindigde tussen de verhuurders en mij in conflict. Ze waren kwaad op mij dat ik niet wou leegmaken. Mijn geduld met hun totale gebrek aan empathie was op. De dwingelandij, hun gierige geldbelustheid, de socio- of psychopathie bijna. Ik schoot in een kramp, de pijn van het verlies, het schaakspelletje met hen, het gebrek aan slaap. Ik zei dat ze me met rust moesten laten, en dat ze niet meer welkom waren op de begrafenis. Ik blokkeerde onmiddellijk hun telefoons, maar ik verwacht me nog wel aan iets. De valsheid van sommige mensen, de rancune, de jaloezie is onmetelijk. Ze hebben mijn f*cking adres, maar ik ook het hunne. Toen ik op Google Maps ging kijken, zag ik een smakeloze fermette zoals er in Vlaanderen dertien in een dozijn zijn. Maar wel vrijstaand, met een oprit. Zou die lang genoeg zijn om Reuzegommer te mogen worden? Met de verkiezingen in het verschiet, de voorspelbare winst voor Vlaams Belang, Vooruit en NVA die de ruk naar rechts hebben genomen, is de ellende van mijn leven sinds ik zelf papa ben geworden eerder een bron tot radicalisering geworden. Het overlijden van mijn vader en moeder waren druppels, Corona, een professionele en relationele burn-out, een sluimerende parentale burn-out, ik snap het Islamisme. De film en het boek 'How to Blow Up a Pipeline' doen me verkneukelen. Ik stem sowieso minstens Groen, maar nog eerder PVDA. Maar mijn frustratie is groots, van mij mogen ze de Cellules Communistes Combattantes terug nieuw leven inblazen. Ik weet niet of dit juridisch tegen mij gebruikt kan worden, wie weet word ik nu ergens 'geflagd' door het parket en/of deradicaliseringsambtenaren. Maar de waarheid is dat ik tegen geweld ben. Het geweld jegens ons is echter overal. Online zijn we gephotoshopte profielen die verhandeld worden, in het echt kan je je deur niet uitstappen of het lawaai van drilboren waait je tegemoet. Overal wegenwerken en verbouwingen en zelden stilte. Binnenkort beginnen ze hier in de buurt een totaal overbodige keerlus voor de tram aan te leggen. Ja, er is eens een te snel rijdende tram ontspoord en in een tandartspraktijk gereden. Ze zullen me wellicht een groene fascist vinden omdat ik het jammer vind dat eeuwenoude eiken moeten wijken voor de vooruitgang. Het kostplaatje van die keerlus, de subsidies voor een quasi privéluchthaven van bloeddiamantairs, ik stel mij daar evenveel vragen bij als deze ontaarding goedpratende rechtse rukkers die mij een 'doppende loser' vinden. Dopper ja, loser is in the eye of the beholder. Maar ik volg ook wel een opleiding met vrijstelling van de VDAB, mijn dochtertje in co-ouderschap is mijn alles. Zij die jaloers zijn op mijn leven, mogen ook mijn antidepressiva slikken die ik al van mijn twintig moet nemen. Ondertussen is dat al meer dan de helft van mijn leven. Geef dat geld van De Lijn toch gewoon aan de kansarmen om te investeren, te ondernemen. Ik zou zelf direct terug tijd vrij maken om als vrijwilliger te zeilen met probleemjongeren of kwetsbare personen, mocht ik  niet zo stressen door mijn angst voor schaarste. Genoeg, ik ben nu wees, voel me al lang verweesd. Onthoud dit, Reuzegom is voor mij het zoveelste bewijs geweest dat onze meritocratie een illusie is, een doekje voor het bloeden, een bevestiging van de ego's van de winnaars. Ik geloof nog steeds in diplomatie, bemiddeling, een soort heilige vrede, maar ik vrees dat kapitalisme niet beseft hoe radicaal en meedogenloos het is. Voor de losers van onze prestatiemaatschappij is Darwin reëel. Sommigen van hen zullen zeggen dat het consumentisme een vorm van fascisme is en dus gewonnen heeft. Syriëstrijders, Schild en Vrienden, en ik die het niet erg zou vinden dat iemand terug de C.C.C. opricht (uiteindelijk wou deze laatstgenoemde terreurorganisatie wel nooit dodelijke slachtoffers maken) ... Trek uw conclusies en durf te twijfelen, trek je hoofd uit je reet. Ik zou nooit extreemlinks stemmen als de racisten en separatisten niet zo fanatiek en met zo velen waren. Maar uiteraard heeft het centrum ook gefaald. Vooruit? De socialist in mij schaamt zich dood door zoveel verloochening en draait zich om in zijn graf. CD&V? Het blijven tsjeven, én van Cathy Berx vlucht je natuurlijk krijsend weg richting horizon ... Groen? Alleen als je gepriviligieerd bent, is eco betaalbaar. Hoe eindig ik een eulogie voor mijn papa, die een tirade werd? Liefde, verzoening, vergeving. Ouders van slachtoffers (én daders) spelen soms een belangrijke, verbindende rol. Hoe bang ik er zelf ook voor ben, laat je niet leiden door schaarste. De meeste denken dat er bij een conflict slechts verliezers zijn, of één partij die wint en de ander die verliest. Maar er is een derde weg, en daarin is vooral de rol van de toeschouwer belangrijk, de bemiddelaar. Alle partijen kunnen ook winnen. Lees mijn smart, ik zal trachten de jouwe te begrijpen. Zelfs al ben je de huisbaas van mijn betreurde vader. Maar stel je dan eerlijk en kwetsbaar op. Papa, mama, ik ben een artiest in het diepst van mijn gedachten. Zal ik het nu, verlost van jullie, maar niet van jullie schulden, eindelijk waarmaken. Zal ik als bijna vijftigjarige eindelijk tot (volle) wasdom komen. Dans la forêt verte (Arranged by A. Alexandrov)

Kameraad 60
32 1

De horror in klei

Hoe hem het Boek in handen kwam? Hij herinnert zich niks. Het heeft een naam, het boek. Een naam en een huiveringwekkende reputatie. Het heet, in een vereenvoudigde oude mensentaal, Ūxarnåt Qhu Sīnistræ. Het boek dat een wereld kan wegvagen. Het zijn mensen geweest die er een naam aan gaven, mensen die gehoord werden toen ze de vreemde woorden uitschreeuwden terwijl het boek hen doodde. Onthutste getuigen konden enkel verklaren, zonder het boek te durven beschrijven, zonder het boek bij naam te noemen, dat hun broeders in complete razernij hadden verkeerd toen ze de akelige afgrond instortten. Ze getuigden hoe deze gekwelden uitzinnig bleven krijsen, steeds dezelfde klanken, tot ze op de puntige, zwartgeblakerde rotsen van de afgrondelijke duisternis gruwelijk uiteenscheurden. Diezelfde woorden werden onlangs gehoord toen zich over de wereld mensen doordrenkt met benzine in brand staken. --- Mensen sidderen voor het Boek. Het kent geen genade. Tallozen daagden het uit, verraadden het of bevochten het. Mannen, vrouwen, krijgers, priesters.. Allen dachten ze sterker te zijn dan het boek. Allen zagen ze hun vergissing in. Te laat.. Het boek slacht door elk vlees. Het klieft door elke schedel. Toch is het moeilijk te beschrijven. Het boek bevat geen letters, geen cijfers. Het bevat een duivelse ziel. Het doet een metafysische openbaring aanschouwen van krankzinnige, bezwerende beelden die de lezer vroeg of laat de dood indrijven. Beelden die de lezer de dood doen belusten. De dood is de verlossing. --- Hoe het boek hervonden werd is een sinister en verderfelijk verhaal. Het was de bedoeling om het boek eeuwig te verzwijgen. Dat is lang de intentie geweest. Maar dat is nu, vandaag, onmogelijk geworden. Het schijnt alsof de kosmos samenspant om dat te voorkomen. Het moet schijnbaar verteld worden. Mocht er plots worden opgehouden met vertellen dan ontstaat er een reden tot diepe ongerustheid maar er wordt afgeraden om naar de oorzaak op zoek te gaan. Dan zijn de vertellers verscheurd, de verwanten uiteengerukt, en dan zijn ze hier nooit meer samen te vinden. Het moet een keer verteld worden, dit verhaal, om de kinderen te waarschuwen van mensen die doorgaans te vermoeid zijn geworden, wanneer ze deze vertelling voor het eerst in hun leven te horen krijgen, te onwillig om nog in te grijpen. Ongelovig. Nalatig. Onwetend. Of te zeer van de angst verlamd. --- Het was na de dood van Claire. Het was een raadselachtige dood. Na de dood van Claire werd er onder de vloer van een zwarte kleien kelder, in een loodzware metalen kist, een boek aangetroffen. Het boek bleek later eeuwen al vermist. Dat was beter zo gebleven. Niemand, werkelijk niemand heeft er baat bij om de inhoud van het Boek te zien. De horror. De DREAD. Het zou vele kinderen tot waanzin drijven en volwassenen krankzinnig maken. Dat is telkens, op een paar keer na, gebeurd. Want hoe het Boek gevonden werd? Een Egyptisch kind -het tijdstip is onbelangrijk- vond het boek in een zwarte granieten kamer diep verborgen onder de imposante kalkstenen klauwen van de grote Sfinx van Gizeh, die vele malen ouder is dan tot hiertoe door wetenschappers kon worden ontsluierd. Het eigenaardige boek lag in een uithoek van de kille kamer en leek restant te zijn van een plundering die lange tijd geleden had plaatsgevonden. De welhaast lege griezelkamer scheen in het bleke vuur van de dovende fakkel onder een dikke laag zandstof te berusten, maar langs het koolzwarte geblakerde plafond hingen talloze bloedsmeren, als met razende handen aangebracht in een afgrijselijk gebaar van verweer. De verdwaalde jongen, op de vloer in het kille zand gezeten, opende het zware stoffige boek, aanschouwde, ontstak kort daarna in waanzin en sloeg z'n hoofdje tegen een granieten muur te pletter.  

Lucien Haentjens
237 4

Ŵrykђolakas

Nyarlanhotep, de kruipende Huiver, moet Diederik de oud-zeeman voorlopig gedogen. Imposant figuur, Dierik de Vader, de rokende apostel, de Meester. Ruikt zwaar naar paarse aftershave, Nebulae van Guerlain, en naar pijp altijd, naar pijptabak: vanillig, houterig, harsig, brutaal. Hij heeft op zijn leeftijd een hekel gekregen aan schaamte en gepruts. Het doet 'm teveel aan vroeger denken, een bekende ouderdomsaandoening. Vroeger.. Hoe hij al snel een laatbloeier werd, bijvoorbeeld, maar toch voorliep op elk leerplan. Over zijn eerste erotische ervaring met een meisje stamelt hij blozend, onder de indruk nog altijd na vijfduizend-zoveel jaren, dat het voelde alsof hij in een nest bestoppelde jonge vleermuizen greep. Nooit meer! (Nogal grof, vind ik, en ondankbaar. Onbegrijpelijk. Wij houden net van stoppels, haar, beharing. Maakt niet uit. Het maakt haar nog mooier.. dierlijker.. menselijker..) En toch: die eerste sensuele ervaring had 'm even laten schrikken, maar ook hij had van die tedere haarstreek gehouden, hij zou er veel veel later nog dikwijls in betovering aan terugdenken, steigerend onder de lakens maar moeizaam weer op gang gepookt, als een lang gedoofd gewaande haard. Later tijdens een hete seventieszomer, onder het delirium van een zonneslag, stichtte hij een slordige zestien kinderen verspreid over de camping, zomaar rapraprap, met al wie 'm in haar tent kon lokken. Alle dagen feest, riep Remco Campert over die camping. Vervolgens nam Dierik in een gewijde bronzen waterkuip een stortstoombad om voornamelijk zijn duivelse flieter, een kleine meetlat groot, om de afgepeigerde toverflieter Papageno een goeie stevige schrobbeling te geven en tot langdurige rust te zalven met Zwitsal bodylotion. Tenslotte katapulteerde een laatste LSD-trip hem op Purple Pills richting de purperen, vereeuwigende sterrennevels waartussen hij nog altijd graag vertoeft en waarin hij graag, als zijn echtgenote Angèle van huis is, plaatjes draait hip hop, en met de muizen meedanst. --- Soms echter komt het op bittere ernst. Soms komt het er ook voor Diederik op aan om alert te wezen en scherp te staan. Gevaar loert overal. Dat was op Zee al zo en Altijd. Onderweg naar de nevels scheert hij rakelings langs Vrykolakas die hem schijnt op te wachten. Daar dan, in een van de vele Gotische hemelopeningen, hangt die afgrijselijke menselijke droggedaante nagenoeg roerloos op een prooi te wachten. Hij lijkt op het eerste oog een zware grote man gekleed in een lange donkere middeleeuwse tuniek. Maar wanneer men goed naar het gedrocht probeert te kijken, zonder lam te staan van angst, dan ziet men de golvende diepzwarte haren en de mantel in mist uiteenrafelen. Het matte voorhoofd, hoger dan normaal, de ingevallen en gerimpelde wangen en de puntige, klauwachtige knokige handen hebben de vale kleur van een doods marmerachtig. De gestalte, groot als een Berserker, is vreemd gebogen en verdwijnt bijna in de wijde plooien van het opmerkelijke gewaad. Maar het vreemdst zijn de ogen. De vermissende ogen. Twee holten van afgrondelijke duisternis waaruit een bovenmenselijke intelligentie spreekt, maar waarvan de boosaardigheid onmenselijk is. De ogen die in een hinderlaag op Diederik liggen gegrepen en op ons allen, wanneer we eindelijk Daarheen gaan. Wordt men gegrepen dan komt het gruwelijk ten einde. Dan is het voorbij. Dan komt er geen volgend leven en blijft de uitkomst onbestemd. --- Verminkte, giftige, grauwelende klanken stijgen uit de diepte op vantussen Vrykholakas' monsterlijke slagtanden:        Ph'ngglui mgglw'nafh Čthulhuu R'lyeh wgah'nagl fhtaggn Zonderlingen begrijpen terstond waar de roep om gaat. Het is het afgrijselijkste geheim op Aarde. --- Een gruwelijke kwelgeest is Vrykolakas, de kruisdrager van Eibon. Een van zijn gedaanten of gezanten is Diederik op een nacht in bed als kind bekropen om nooit meer helemaal los te laten. Het schendt de vanbinnen nog altijd kleine jongen als een diepe monsterklauw of een zwarte hangende pijnvlek. Ze blijven in zijn lijfje bloeden en trekken sporen door de jaren. Ze verontrusten 'm soms wanneer hij in momenten van intimiteit aan zich moet laten raken. Zonde is dat. --- Losgerukt van Vrykolakas, onder de vlucht, nam Diederik tenslotte een laatste slinger langs de Magelhaense Wolkenvelden, niet al te ver van huis weg, waar ook Wiene & haar neef geregeld hangen te dromen. Na de landing raakte hij nooit nog een vrouw aan. Waarom precies? Hij kreeg het nooit uitgelegd maar voelde instinctief dat het zo hoorde te zijn. Vrouwen werden heiligen voor hem. Hij miek er in den beginne zelfs teveel een verering van, opdat ze hem ververwijderd en onaangeroerd zouden blijven. Ze verlangen nochtans naar hem, soms. Rijen van artistieke intelligente knappe rijpere dames. Sterrenbeeld Ram, bijvoorbeeld. Hijzelf zou een Maagd zijn, naar het schijnt, zegt Florence. "Alleen helaas de spaarzaamheid mankeert nogal een keer." Pas op: het gebeurt ettelijke keren dat Diederik in de rij staat aan te schuiven bij een vrouw die hem niet meer wenst te zien of zelfs nog maar te dromen. Tja. --- Sterrenbeeld Ram zijn ze toevallig of Boogschutter of Stier. Hijzelf is een Maagd, wordt verteld. En inderdaad: het gebeurt talloze malen dat Diederik in de rij staat aan te schuiven bij een vrouw die hem niet zien wil, niet meer wenst te lezen een liefdesbrief die hem vandaan komt. Soms hartverscheurend. Een breekbaar meisje, toen hij jonger was, schreef uit smart om hem Leave (Get Out), later uitgebracht door Jojo. Kapot ging hij aan schuldgevoel, nadien, om het verdriet dat hij het meisje veroorzaakt had. Als hij een hart breekt dan ook telkens het zijne. (Het is wat meisjes te weinig verteld krijgen, dat er best wat jongens zijn die na een breuk, te laat, uit schuldgevoel, om het verlies van dat meisje, die Mooisie, dat er best wat jongens zijn die hun hoofdkussen natwenen. En die dat ene meisje nooit meer vergeten.) --- Soms wordt hij misbegrepen. Aan zijn middeleeuwse maar onhoofse romance met de dulle Griet, die een roof voor de Helle doet / die seer verbijstert siet, heeft hij bijvoorbeeld lelijk de broek gescheurd. Ze vrat hem op met hoed en al. "Maar wat een vrouw," bonst zijn hart nog steeds. "Uit haar gescheurde rokken droeg ze mij op om anarchistische vaandels te maken waarop ze de afgehakte hoofden spieste die ze eerst de neus had afgebeten. Ze dronk lood bij het ontbijt. De brand in haar hart viel op de duur niet meer te blussen en verschroeide werkelijk alles." Ook andere keren wordt hij door vrouwen naar zijn mening iets te snel berecht. "Geen maagden in mijn kot meer!" hoort men soms tieren, lang nog voordat er een huisdrempel overschreden wordt. "En al zeker geen linkshandige! Brengt dubbel ongeluk! Buiten!" Koterij natuurlijk, voor hem.  Maar later wint hij soms succes, Diederik, en verzachten dan langzaam de zeden. Het zijn zoals gezegd magnifieke dames, die heerlijk in het hoofd zitten, prettig ongestoord, bedaard de stem verheffend en en gewoon vriendelijk en rust schenkend aan een man, aan dit soort van een man althans. Deze nobele vrouwen hebben de onthechting en de levenswijsheid opgespaard om minzaam een win-win te zien in Dieriks eenvoudige meesterplan om enkel een magische en zuivere afstandsrelatie te wensen, te genieten zelfs, met volle teugen. Maar louter een platonische. De Kasteelvrouw, noemt hij de muze waar hij naartoe schrijft. Ze wisselt soms van kasteel naar de vergeetput of de kerkers. Dan neemt een nieuwe muze haar betrekking. Dat kan al eens familie zijn. --- Hij schrijft graag ongebreideld, tekent zo frivool als Kandinsky, hij doedelt clair-obscuurs naar de hand van Caravaggio en hamstert jaarlijks fardes vol nieuwe adressen, voorzekers een farde per seizoen, om soms lieflijke en soms scabreuze hartstochtbrieven te versturen naar overal te velde, van Abelard weg en weer naar Heloïse. Elke nacht staat hij met een oude sextant, meegetsjoept uit de Zeevaartschool, de talloze omwentelingen in het ootje te houden, tegen de beelden aangeleund van Djomaz, een hogere priester uit zijn Orde geweest. Hij merkt de laatvliegers nooit op. Geen oog voor. De buren horen hem aangeschoten soms bulderen op zijn broeders uit de Vaart: "Brunooo! Faximiljaardedju! Hard stuurboord met ons Leven heb ik U verdraaid bevolen Faxim! Prutser! Halve haring! Vermiste hersencel! Duizend klompen en bananen! Do-o-orst!" "Teuten trekken!" briest zijn Nederlandse collega Peter Staal, de Hulstse Horror in de gedaante van een schrikwekkend en vervaarlijk uitziende Watergeus met vuile vieze kleren, een open gulp, en maar wauwelen en bulderen en briesen als kannonnen, twee Meesters in de achtertuin. Soms valt het geweld stil en weerklinken tere liedjes. Tot in Breskens horen de buren De Nacht van Zjef Vanuytsel. Er is al meermaals, meeermaals naar de flikken gebeld, ge weet wel, zucht, de flikken: er zijn er ook wel goeie bij. Maar geen avance. "De verdachten zijn onvindbaar," kijken ze toch verdacht lange tijd mekaar aan in de ogen, de flikken.  

Lucien Haentjens
428 2

Zinnigheid

Verdergaan met de vertelling? Jazeker. Doe ik met gemengd plezier. Het is mijn taak. Neemt U gerust plaats buiten tussen de planten op het terras. De Blauwe Regen blijft de mooiste. Ze heet Elvire. Naast een ranke sierlijke bedwelmende Joëlle. Die U daarnaast ziet met het zonnehaar is de knappe Hannah, misschien wel mijn gevoeligste zus, de meest poëtische, die met haar wanordelijke en turbulente hoofd maar half bij ons op Aarde wenst te wonen. Ze luistert zelden als wij iets van waarde willen zeggen maar komt een paar dagen later exact dat vragen. Soms, want ze kan sluw zijn, is ze ons een paar dagen voor. Taske koffie? Een latte? Een Granita? Thee, Hannah? Momenteel doe ik de kopjes gebruiken die met Kerst aan onze familie worden toegestuurd uit Syracuse, nabij de commanderie der Tempeliers vandaan, waar de vloot van de Ruyter verging. Snob, zegt Laïs, snobsi en blaheur. Rookt U mee, een toepke, met mezelf en zus Alix? Biogerief is het. Akkoord ja? Gezellig zo. --- Paf-paf.. Waar ergens in de vertelling zijn we ondertussen beland? Ik was bij Diederik gebleven. Bij de beulingen die hij soms uitvoert. ("Soms in de opdracht van Wiene," fluistert m'n zusje Laïs het toehoordersgezelschap toe. Zij, soms om de wereld bedroefd, met prachtige zilveren oorbellen, Lapis Lazuli uit Avalon, zij Laïs adviseert en souffleert mij na de uren bij het hoe en het waarom van deze vertelling. De mooiste dingen komen vind ik eigenlijk van haar.) Eén feit dat al zeker is: de Dierik waarover wij vertellen kan hard uithalen. Als jongeman hing hij een groepje van vijf hyena's bloeiend en huilend in een boom te verdrogen, vertelde ik een vorige keer. Hij plukte een wespennest uit de struiken, sprak er een spreuk van bezwerende woorden op toe en rolde richting de vijf jongens een zoemend nest dat vervaarlijk van agressie zinderde. --- Nu, tegenwoordig, draagt hij onder de vilten hoed een pletse paterskruin, Diederik, met prachtig grijze haren. Hij is tenslotte broeder Franciscaan, een varende broeder op rust. Hij heeft het evenwel nog nooit zo druk gehad in dat groteske, azathothiaanse brein van hem. Officieel binnen de Orde heet hij broeder Amedee, dezelfde Amedee die zonder het te weten op het punt staat om een geheim te ontsluieren over de Maagd Maria en over de Nazareense Geboring, een thema waar hij alreeds aan de universiteit van Léopoldville, in de jaren stillekes, een aanheffend en doorwrocht boek rond publiceerde: La Confession aux Laïques-en-nog-etwa. Schrijft ook voortdurend, al eeuwen lijkt het wel, aan een schelmenroman. Een Reynaertroman. Een dikke pil. Hij ís Vos Reynaert, Diederik, gereïnkakarneerd. Er bereiken hem vaak van overal ter zee nog kleine complimenten die hij eert. Dan strijkt hij glimlachend door de grijze woeste baard en denkt hij, bijvoorbeeld, achterovergeleund in zijn antieke Chesterfieldfauteuil: "Ik hoor over mijn jonge vriend "Eminem" en zijn zevenkoppige bemanningsploeg vertellen dat het uitstekende verhalenvertellers zijn, hmm, dat ge ze dat wel als krediet moet meegeven naar 't schijnt, en dat ze soms grappige mopkes maken. Haha! Without me.. Ze hebben natuurlijk met mij, Diederik gevaren. Het was voorbestemd om te gebeuren. Dat had ge allemaal moeten zien aankomen hé jongens." --- Ook Louis Freese stuurt hem vaak een postkaartje toe, altijd de grelligste en grappigste kaartjes, ontzettend mooi met Bicdoedels versierd. Hij, Diederik, de luchtgitarist, was graag een Rock Superstar geworden onder de termen van Freeses vernuftige en phuncky Cypress Hill, een ploegje ware oldschool woordartiesten en cadanskunstenaars. "Men moet vaker het mooie willen zien," denkt Diederik dikwijls, "Ook in crapuul als onze Louis, ook in Sun Kil Moon, ook in een alley cat als Tezcan." Diederik leunt daarmee graag in tegen de vele zure zeurende burgermannetjes, tegen de schizofrene scheldfamilie Bernd in bijvoorbeeld. Niet alles en iedereen moeten begrijpelijk zijn, vindt hij. Laat staan consequent. Maar de Bernd maken er soms een armtierig giftig zooike van. En dan blijven we nog vriendelijk. --- Hij gidst regelmatig -geheel in het zwart gekleed, geschminkt, zoals gewoonlijk, alsof het tot zijn Geboring behoorde- de grooste groepen lijmende dwaallichtjes doorheen de gloriërende middeleeuwse prachtsteden Afwerpen en Grent, waarover hij de geesten der toeristen de meest waarzinnige, schavuitige histories inprent. Zo geloven ze bijvoorbeeld, de meeste toeristen dan toch, dat Hendrik VIII een zodanig dikke drol in de grachten van Grent achterliet geplonsd dat de zwemvijver van het elfde-eeuwse Ravensteen gedurende drie nachten vooroverliep. Ook volgens Diederik: de Steenkeutel, het eeuwenoude fort in Afwerpen, met muren evenzo gewapend als de schedels van de landerige autochtonen, telgen van de onversaagde Oorspronkelingen, die graag kopstootten, de Steenkeutel is boven Afwerpen gedropt persoonlijk nog door Ramses II. Hij streek neer zonder te vegen. --- De zwarte Farao, getuigt Diederik ernstig met gebaar, wenste namelijk graag zonder pardon een buitenverblijf ten westen van de heliocentrische Zonnegod, aan diens vergzaligde linkerkant, waar er bier te vinden was. Vele vele - vele bierkes. Smeksmek.. Dorst? Pafpaf.. En hij zag daar plots liggen, Ramses, Osymandias, de usurpator, het centrum van de westelijke Aarde: Afwerpen. Daarrond: bossen bossen bossen, sporen van protokeltische afgoderij en een zootje prenatale inboorlingen. Dus: veel parkeergelegenheid voor strijdwagens en huifkarren, en tevens een groenplaats voor al dat gore groenafval. Een grote beerput, uiteraard ook, rond het Falconplein. Ruimte voor een haventje, misschien, te beginnen in de Saeftinghe? Stempel maar af. Bagger maar uit, spuit maar op. Ze werden baggerboertjes genoemd, de geldbeluste wauwelende minions van Ramses, en voeren alles naar de vaantjes, schots en scheef, op drijvende slijkerige zandstofzuigers. De commanderende lakeitjes moesten het hogere papyrusdiploma van Ploert of Kinkel behalen, cum laude, om op de brug voor Ramses te mogen varen. --- "Een Alexandrische datsja moest het worden dat buitenverblijf van een machtige Ramses De Grote in de koele moerassen tussen de eerste Menapii, een verstild en bescheiden volkje, welsiwaar nogal bedrukt "eigen volk eerst"-ingesteld, maar dikwijls terecht, zou de historie zich later meerdere keren bewijzen tot vandaag. Het volk leefde overdags nuchter in een vruchtbare doch doornachtige en drassige uithoek van het machtige, melansicholisch bezielde Kolenwoud tussen Smurfen en de Boeboeks." Paf-paf.. "Het droeg scherpe dolken van bijzondere kwalsiteiten gesmeed. Sommige mannen verborgen onder hun gordel boksbeugels uit diezelfde smidse bekomen. Er stonden altijd prachtige blonde Menapische Amazones in hun midden, nooit aan de vele communetaken verzakend en de jongens van de ochtend tot de avond aan het werk porrend. Hierover schreef later de Frankische snorreman Brassens het smartlied Pauvre Martin. Enfin. Om maar te zeggen: de stam was matriarchaal ingesteld, zeker inzake een bepaalde diepte in omgang met elkaar." --- Diederik steekt staande op een stadsvuilbak met wel zestien versulferde lucifers de Pijp van Ulthar op. Paf paf paf.. In zijn hoofd weerklinkt het phuncky Hits from the Bong, een liedje dat Diederik in tien minuten met een Bic op bierviltjes bijeenschreef, zoals ook Bob Dylan dat kon. How I Could Just Kill a Man dan weer ontstond maar zeer moeizaam uit zijn getroubleerde relatie met sommige mannen, altijd mannen, waarvan een groot deel samen de meest toxische, onverdraagzame en destructieve soort op Aarde vormt. De vlekkeloze uitvoering van zijn nummers laat hij met alle vertrouwen over aan zijn Cubaanse kameraad Louis "B-Real" Freese. Het is in elk geval een plaatje waar Alix en haar grote neef regelmatig deugddoend op dansen. Het hoofd van Diederik keert naar de toeristen terug. De pijp die rookt maar verder met de wind uit het zuidwesten. Blauwe en rode wolken verlaten sliertig doch onaangeroerd het straatbeeld van de fictieve kattenstad Kadath. Hij hervat orakelend tussen de schaapjes: "Dus, lieve menschen, er heerste daar veel inlevingsbereidheid, zowel naar de allerkleinste kinderen toe als naar de zwakkeren, de gewonden en de bedroefden. Naïef als ze waren liepen de Premenapen in tijden van spanning weinig alert op indringers gewapend. Niettemin stonden de vrouwen in hun midden tot de tanden gevaarlijk en hanteerden zij slagknuppels, slagwapens die op de tegenwoordige hurleys lijken, lichte en wendbare wapens die de Premenapii ten geschenke mee de plas overgaven aan de Saksen en de Picten en alle Keltische hordes, in feite, en ander roemrijk gespuis, dat tot vandaag nog overleeft, dat door de eeuwen meevloeit. Maar nu eerst een lange pauze, dames en heren: ik heb dorst gekregen." --- Een halfuur later is hij compleet vermist, Diederik. Verdwenen in het daglicht. Met een accordeonist schuimt hij zingend de terrassen en de kelders af, de hele rosse buurt. Bollekes Ceuninck lust hij niet, maar een Karmelietje of twee-drie zo, per ronde..    Zen we góed of slecht gezind   over de zoute ziê   we wörre gedreve deur de wind   over de zoute pekelziê   over de zoute ziê    We frête boêne meh azijn   over de zoute ziê   et spek is vör de kapitein   over de zoute pekelziê   over de zoute ziê    En gon we zuipen on de wal   over de zoute ziê   ze tappe der bier zoe bitter as gal   over de zoute pekelziê   over de zoute ziê --- De duivel hangt soms diep in de fles. Diederik vergeet nochtans nooit, nooit over geschiedenis, en citeert verkneukelend graag uit Wannes Van de Veldes Piet Breughel in Brussel: een historische vermaning aan alle Vlamingen, leest hij erin. Parafraseert dolgraag uit de middelnederlandse Diederic Van Asseneede, "die tale sal mense te rime bringen / ende te redene die aventure", vanzulkse. Hij vereert de verdonkeremaande C.C. Krijgelmans, die volgens hem een rebelse nieuwe Nobelprijs moet krijgen: "Wat een geniale genieuze klaploper was dat!" Men ziet een lurkende Diererik soms op blote voeten voorbijslenteren in een bruine pij met eromheengebonden een rafelig manillakoord dat volhangt met rookwaren, Limburgse daslook, zongedroogde wijngaardslakken, een flesopener en een paar mysterieuze, rinkelende bedeltjes. Charms die ook Wiene rond de pols of rond de enkel draagt. Zelfs haar grote neef draagt ze stiekem, onder zijn hemd of t-shirt verstopt: een zilver Christelijk kruisje dat van Meeke is geweest. Het moet honderden jaren oud zijn, het kleinood. Misschien wel duizenden. Vindt hij. †    

Lucien Haentjens
260 2

De tovenaar van Matadi

Voor mooisies Kaartje en Alix, twee nobele kasteelvrouwen. Steeds en altijd voor Helen, brothers in arms, mijn eeuwige hart en de hemel op twee benen ֎   Het vroegste begin? Wel.. Ik ga toch proberen. Ik steek van wal. Ik zal toch proberen te beschrijven, zo goed als mogelijk, wat mij overkomen is. Beetje trachten zoals Ishmaël dat deed over Ahab van de Pequod. Wats gebeurd? Ik weet het feitelijk zelf nog niet. Alles in mijn hoofd is uit elkaar gesmeten. Ik besef het zelf nog niet, bedoel ik. Hoe kan ik het tot klaarheid brengen? Het schijnt een droom en toch ook niet, een magisch realisme, een trap van steen in wolken. Wolken.. Het wufte en verstrooide wegdromen van mij ligt deze keer in de oorsprong aan Broeder Diederik. --- Hij, hij overtuigt mij om het allemaal op te schrijven. Schrijf zo zot als mogelijk, zegt hij ontuchtig. Maar ik zeg, ook tegen haar, tegen de liefste, tegen Wiene, ik zeg rustig: “Diederik, het is zo al zot genoeg, vent.” "Ja ’t is waar,” wrijft hij door zijn dikke pluizenbaard. Hij trekt sprekend op de rijzige Servranckx, het grijze hoofdgenie van de B1. Hij lijkt ook ontzettend op Urbanus van Tollembeek, tot op zekere hoogte, want Diederik is wellicht nog begaafder dan het absurde Belgische origineel. Zijn geest waait alle windrichtingen uit maar blijft wezenlijk verankerd in de Vlaamse boerenaarde. Hij heeft er een carrière van gemaakt om heimwee maar niet toe te geven. Vaak werden sentimenten als heimwee gewoonweg overwoekerd door de vele kopzorgen van een Chief Engineer en door het slingerende en weerspannige werk op bijvoorbeeld de roemrijke zeesleper PRESIDENT HUBERT. Oorspronkelijk is hij modaal uit zand en klei ontstaan in Asseneese aarde. Grootgeworden als een eenzaat, een zonderling, met de neus diep in de boeken en het hoofd tussen de Boeboeks. Het is mogelijks Diederik geweest die Marc De Bel de kiem heeft ingeplant van het magistrale Ei van Oom Trotter, toen op internaat bij de Jezuïeten in Kruisem. Hij werd vanwege zijn zonderlinge gedrag lang gruwelijk gepest. Maar op een dag sloeg Karma toe en herdeelde de jonge Dierik moegekweld de kaarten. ---    Bawitdaba Hij richtte een Hebreeuwse spreuk tot Imi Lichtenfeld. Hij veranderde meedogenloos in Arawn. Hij legde zijn mantel in de aarde af en toverde twee bedaagde boksijzers tevoorschijn. Hij deelde een paar bloederige klappen uit, verbrijzelde zonder scrupules het kaakbeen van elke etterbak, verzamelde de vele afgebroken tandjes in een tupperwaren potje en knoopte de pestertiejes aan de laagste boom omhoog. Daar hingen toen te drogen die opengekloofde kudtmongool Rayen en vier van zijn slijmerige kornuitdjes, huilend, kermend om hun moemoe, want op zulks vernietigend geweld waren ze echt niet voorbereid geweest. "Duts," beet Diererik hem toe. Hij ritste de broek open en piste op Rayens drassige Rucanors en vuile vergeelde sokjes.    Down with the Sickness "Kruipdier. Gedaan met uw feestje. Klaar met de leut. Salut, à la bonheure." Er is op Aarde geen soort te vinden waar hij dieper op neerkijkt dan op aanranders, kamikazeterroristen en op pestertjes. Hersendode meelopers zijn het, kruiperige types, pisvlekken, hyena's die er de gevoeligsten uitkiezen en treiteren tot ze niet anders meer kunnen dan onder het sadisme instorten. (Waarom worden Diederik, of Diederiks varende collega's nooit door pesters geviseerd? How come? Zou het zo zijn dat het de pestertjes aan moed mankeert? Zou het zo zijn dat pesters, met hun domme kop, slimmer zijn dan ze eruitzien? Nee hoor. Ik denk niet dat ze handelen uit verstand. Misschien uit angst, dat wel. Angst om gewoon vredig naar zichzelf te luisteren in plek van naar een of ander ettertje, een kwal die over heel het leven buizen zal.) --- We were so young, so full of life and vibranceSide by side, wherever you was riding, I wentSo close, almost on some Bonnie and Clyde shitWhen Ronnie died, you was right by my side --- Dat, ja.. Ook dat bleef in de kleren hangen na de vervloekte zelfdoding. Matrozenliedjes. Heel wat Duitse marsen. De strips van Hergé en Studio Vandersteen. Maar ook de charmante en sensuele Andrews Sisters: Bei mir bist du schön Grootworden deed Diederik voorts met een snuif van hippie hier langs een resemstoet van festivals. Woodstock à Watou neem nu, de jaarlijkse Grentse Opstandsritus of de beruchte Zeugefeesten in een West-Vlaamse zuipschuiterij ergens te Bevergem in de Gloria. Hij liep betogen met de fanfares van honger & dorst, onderging bij Sartre een zinloze onderdompeling in het existentialisme en liep aansluitend, heftiger nog, een waanzinnige verslingering op aan de romantische en geromantiseerde despoot André Breton. Aan halte Breton stapte hij kortstondig over op de drammerige marmeren tram van Benito Mussolini, een tiran die volgens Diederik "de moraal had van een lintworm, het IQ ook van een platvis, maar van de Retorica geen één college verslapen." --- Aan de geschiedenis deed hij ook andere rancunes op, waar hij nog makkelijk molenwiekend in de tuin de broek aan scheurt terwijl zijn bloeddruk in de hoogte stijgt. Ché Guevara vindt hij een theoretische zwakkeling die niet eens een deftige stoverij op tafel kon zetten. Vergat de lever en Piedboeuf! Een van z'n jongste boezemvrienden, de weetjeskeizer Hugo Claus, had Diederik bovendien toevertrouwd dat Che in de rug is doodgeschoten nadat hij als een wezel in doodsangst door de struiken ging gekropen. (Alles wat Hugo beweert, weet Diederik, daar moet men een zak zout op leggen, maar toch: het gevoel was 'm bekropen dat die Che over het paard was getild en in de rug moeten geschoten. Another one bites the dust.) Sun Tzu dan weer verkeert hoog in Diederiks achting, speciaal vanwege z'n noedels die barsten van de vechtlust. Maar Nixon, bijvoorbeeld? Milhouse!? Die appeltrekker klutste alles tot een knullige mislukking. "Wie luistert er nu zichzelf af!? Pff.. ha-ha!" Tricky Dick, dat Amerikaanse kleuterkind, die onbeschaamde kloefkapper. Alweer een fiere man geveld. Telkens hij aan Dick denkt draait Diederik in het hoofd Another One Bites The Dust van Wyclef Jean, een glansrijk samplenummer. --- Tegenwoordig, nu hij bak-ken minder teuten trekt, staat Diederik scherp als een bootsmes. Liefst rookt hij in de velden rond Assenee een toetertje met zijn jonge copain Bloedhaen, soort Billy Budd, het kereltje dat uit eerbied soms wat biowiet meebrengt voor de algeestige Zeevader-te-Assenee. Wilde gesprekken hebben ze die twee, allebei heilige aanbidders van Alhazred, van zijn dansende woorden, hallucinante beeldspraak en van de cadans, het bezwerende ritme dat tot een universeel bereik ontvouwt langs de antennes van Oumuamua. Hij staat snedig scherp en standvastig. Aan de buitenkant lopen mensen tegen een puntig harnas aan. Al te vaak is hij ook voor zijn collega's de norse, veels te slimme man geweest die orders neemt van werkelijk niemand. Laat staan aan de wal. Heeft de pest aan uniforms.. --- Hij is liefdadig en gewelddadig samen, de broeder. Hij bewijst dat het verenigd in 1 man kan. Ooit langs de droge kusten van Malta kocht hij uit medelijden een houten beeld aan van een sjamaan, een lange Afrikaan, donker als een blinde vlek. Het vreemde was: ook de sjamaanse tanden waren zwart, de oogleden, alsook de tong, die dik was, lispelde en slog. Diederik betaalde de man uitbundig, meer dan ruim genoeg. Maar hij liep het allemaal te wantrouwen, heel het zwarte besmettelijke kruipende mistige gevoel, en sloeg het beeld terstond kapot op een massieve bolder. Donker stof steeg uit het beeld op, dat knakte als een droge stronk. Diederik moest hoesten, dat herinner ik me. Op de terugweg richting Rotterdam, die hij op een vrachtschip doorbracht, zag hij plots, van boven op de scheepsbrug, een zwarte verhakkelde man vantussen de vracht, vantussen de kolossale exotische boomstammen klauteren. --- "Miljaar," zei Dierik kordaat, "Een zombie." Hij keek naar zijn collega Armelinks, een scherpzinnige keuterfilosoof, soort Herman Finkersfiguur, en trok 'm aan de mouw mee naar het dek, gewapend met een werpanker. Ze stapten recht op de man af en zagen dat hij nauwelijks nog kon staan, amper nog kon praten. De Afrikaan miste een stuk van de tong. De wonde was slecht geheeld. Hij prevelde, met schorre keel, de zwarte man: "A-Amerigaa.." en wees trillend als een vlaggekoord, terwijl hij in de ademnood verstrikte, richting het Westen, waar de zon aan haar bloedrode ondergang was begonnen. "Maar copain toch," sprak Diederik tegen de oude amper nog levende man, "Wij gaan wij helemaal niet naar Amerika. Rotterdam, ja. Dat valt dus dik tegen." Armelinks greep humanitair in en brak ertussen door: "U bent nu officieel verstekeling," pinde hij de man in de borst, "Er zijn regels te volgen. En de uitkomst, nou, die ligt helaas al vast. Hoezeer ook mijn hart al verpand geraakt aan u. Zeker te weten. Want, euh, jouw ogen als diepe meren / twee pelgrims onder de maan / Kom hier dat ik u schere / van elke vacht ontdaan .." "Elckerlyc," onderbrak Diederik, "We staan hier niet in de kletsende regen om naar uw toiletpoëzie te luisteren hé. Verstaat ge mij? Of ge kunt straks het Kleed van Berouwenis dragen." --- Tegen de verdorstende Afrikaan sprak Diederik amicaler: "Komt gij maar uitrusten in een propere schoon hut, mijne vriend, waar ge subiet vers eten krijgt aangeschoteld en al de Cola die ge drinken kunt." Armelinks beaamde en zei: "Kom maar mee, beste vriend, kom. Op de vlucht voor Uw vrouw, nietwaar? Ik wou dat ik het aandurfde. Als een ontuchtige vlucht regenwulpen. Maar ze speurt mij gewoon neer, vrees ik. Ze plukt mij zo uit het Heelal. Denk jij soms aan een volgend leven, vriend? Hoe zou jij dan graag terugkeren? Niet in een Ikeakast, nietwaar. Ikzelf graag als een satelliet. Satelliet Suzy zou ik dan hoog boven de wolkendekken voor alle vrouwen zingen en de kinderen. Toch voor zij die er dankbaar om zijn. De anderen die horen me gewoonweg niet: geen erg, geen ergernis." "Gij babbelkous gij, Amperen. Hou nu eens de snater," snepte Diederik natgetergd zichzelf toe, "Ik moet voorzekers zotzijn om nog te willen varen. Men moet zot zijn. Il fault. Als in een vereiste. Een mens is niet gemaakt om met de Zee te vechten." Amperlinks: "Anders moet je de pleziervaart intreden, Diede. Dan ben je rijk geweest of voor de eeuwigheid zwakzinnig." Diederik: "Zeg wel, collega. Koop een boot en werk u dood, nietwaar. Bende drijvende zwakzinnigen is dien pleziervaart bijeen. Kunnen beter Prosecco-etiketten dan zeekaarten aflezen. "Staat die 'N' nou voor een mysterie, Kees?" Jezus Christus. De Heer heeft rare kostgangers geschepseld. Ik vaar ze gewoon voor hun donder."  

Lucien Haentjens
611 3

Maanmeisje HOOFDSTUK 1

Als haar stad niet bedreigd werd door natuurdemonen, kon Merliah misschien genieten van de gezellige drukte rond de tempel, de uitbundige muziek en aanlokkelijke geuren van vers gebakken brood en bramensaus. Nu wachtte ze vol spanning de ceremonie af, die hun lot zou bepalen. Haar lot.               Het groepje vrienden baande zich een weg door de menigte aan de rand van het plein. Een nieuwe stroom uitgelaten feestvierders duwde hen aan de kant, drong hen terug naar het zandpad dat de marmeren tegels van het donkere bos scheidde. Instinctief reikte Merliah naar haar opgestoken haar, om te controleren of de dolk nog op zijn plek zat. Niets aan de hand. Maar Merliahs hart bonkte in haar borst. Achter de kleurrijke lampionnen en bloemenslingers loerde de wildernis van Guran. Rododendrons en heesters ritselden in het avondbriesje. Klimop kronkelde ongebreideld over de lantaarns die het domein omzoomden.              Het Huis van de Maan lag midden in de wilde natuur. Het gebroken wit van de statige tempelmuren stak af tegen het donkere groen van de omgeving. Een oord van rust in een gevaarlijke, onberekenbare wereld.               Dit was de eerste keer dat Merliah het Feest van de Maangodin op het platteland bijwoonde. De eerste keer dat ze de prominente Tempel van Niyati met eigen ogen zag. Een sober gebouw in vergelijking met het Paleis van de Zon, maar minstens even indrukwekkend. De vele vleugels en paviljoenen die met zuilengalerijen en luchtbogen aan de Grote Hal waren verbonden, maakten het een organisch geheel. Hoge bogen en eenvoudig lijstwerk sierden de vaalwitte muren. Een grote zilveren koepel die uitliep in een spitse punt torende boven het gebouw uit. Onderaan het koepeldak waren op een brede doorlopende strook de fases van de maan afgebeeld. De spiraalvormige torens aan weerszijden van de gigantische ingang waren bezet met edelstenen die glinsterden in het rode avondlicht.              Maar het meest was Merliah onder de indruk van de weelderige natuur die het tempelcomplex omringde. Die was van een verraderlijke schoonheid. Zoiets had ze nog nooit gezien – in haar stad zou heerser Arasan dit nooit toelaten. Zóveel groen, zo dicht bij de mensen! Het zijn maar bomen en planten, probeerde ze zichzelf voor te houden. Maar één vleugje magura in hun wortels en dat vredige groen ontpopte zich tot de geniepigste moordenaars.               Merliah rukte haar blik los van de struiken met hun veel te donkere plekken en schaduwen. Ze haastte zich naar haar vrienden, die van een vlierbloesemdrankje nipten. Daarbij moest ze overhangende takken ontwijken en lette ze erop dat haar chique muiltjes niet vuil werden, tenminste niet voor het feest was begonnen. Een kelner bood haar een schaal vol lekkernijen aan. Merliah pakte twee honingkoekjes met glazuur in de vorm van een halvemaan en stak ze in één keer in haar mond.               Ze haakte haar armen door die van Nisa en Cem. Vanavond zouden ze plezier maken. Stiekem was ze opgelucht toen ze zich weer onder het volk mengden. De warmte en gezelligheid van de feestvierders voelde als een cocon, waarin ze veilig was.               Elk najaar zakten honderden bezoekers af naar het platteland van Guran om bij de Tempel van de Maan een van hun belangrijkste goden te vereren: Niyati de Lichte, de Maangodin die de mensen tegen onheil beschermde en hen de Ware Weg toonde.               Het plein liep over van het volk. Kleurrijke zijden stoffen mengden zich met sobere witte gewaden. Die laatsten waren de leden van de Tempel, dienaars van maanheerseres Silva. Zij onderhielden de connectie met de Maangodin door hun religieuze praktijken, ze vingen zieken en gekwetsten op en verrichtten wonderen door hun kennis van magura.              Weldra zou June daar tussen lopen. Merliahs hartsvriendin maakte zich op dit moment klaar voor de ceremonie waarbij ze ingewijd zou worden tot de Tempelkring. Merliah wilde de plechtige ceremonie voor geen haar missen. Ze frunnikte aan de paarse magnolia in haar gevlochten armband, die ze bij het slotritueel voor June in het water zou leggen. Ze probeerde er niet aan te denken dat hun beide levens vanaf nu voorgoed zouden veranderen.               Muziek steeg op uit alle hoeken van de tuin. Hoewel het dansfeest pas na de ceremonie en het plechtige avondmaal zou losbarsten, klonk er al volop trompetgeschal en getrommel. Mensen zwaaiden met zijden sjaals en dansten in kringetjes op de tonen van fluiten, violen en kithara’s. De lieflijke melodieën vulden Merliahs hoofd en hart. Haar benen begonnen spontaan mee te bewegen met de maat, haar saffierblauwe jurk deinde op en neer bij elke stap.               Terwijl Merliah met haar vrienden het uitgestrekte voorplein overstak, voelde ze zich plotseling naakt zonder haar mandoline over haar schouder. Al een jaar keken ze ernaar uit om op de Feestdag van Niyati met hun gezelschap op te treden bij de Tempel. Een unieke kans, die wel eens veel voor hun carrière als muzikant kon betekenen. Nu zouden alleen Nisa, Cem en Arvid muziek spelen op het feest. Enkele weken geleden viel een natuurdemon hun repetitieruimte binnen en verwoestte Merliahs kostbare mandoline. Verbrijzelde het tot op de splinter. Pijn borrelde als vloeibare lava op in haar borstkas. Ze drukte het weg, probeerde te genieten van de sfeer om haar heen. Dit was een buitenkans. Niyati’s feest kunnen vieren op het platteland, voor het eerst de wereld buiten haar stad Juro verkennen… Het gezelschap had een volledige dag gereisd vanuit Juro om het traditionele feest bij de Tempel bij te wonen, nu zou ze haar avond niet laten verpesten door een stelletje herrie schoppende natuurmonsters.               ‘Ben je er klaar voor?’ Nisa draaide zich naar haar om.Merliah voelde de spanning in haar buik. Ze forceerde een glimlach. ‘Tuurlijk.’ Ze knikte naar de brede marmeren treden die naar de Grote Hal leidden, waar de schaal met het heilige maanwater op de tempelleden wachtte. ‘De vraag is of June er klaar voor is’, grijnsde ze.

Hanne G
22 1

SYNOPSIS Maanmeisje

Merliah is een goedlachse, muzikale jonge vrouw met een rijk sociaal en cultureel leven. Er gebeuren echter vreemde dingen in haar geliefde stad Juro; een diep kwaad dat in de omringende natuur huist, dringt de stad binnen en terroriseert de bewoners, magische planten woekeren, gevaarlijke dieren en natuurgeesten veroorzaken chaos. De natuurwakers aan de rand van de stad waken over de veiligheid, houden de monsters buiten, maar deze bescherming is niet waterdicht. Merliahs droom van een carrière als muzikant wordt aan diggelen geslagen wanneer een natuurdemon haar kostbare mandoline verwoest tijdens een inval. Enkele dagen voor het Feest van de Maangodin, een belangrijke feestdag van het rijk Aeris en in het bijzonder van de spirituele gemeenschap, wordt ook een deel van de Tempel van de Maan vernield: het bescherm- en geneesoord van het rijk. De maanheerseres, die instaat voor de bescherming van het rijk, wendt de feestdag aan om steun te vragen aan Maangodin Niyati. Tijdens de ceremonie verwelkomen ze bovendien enkele nieuwe leden in hun cirkel, waaronder June, Merliahs beste vriendin, die genezeres wordt in de Tempel. Op het feest op het platteland raakt Merliah in gesprek met natuurwaker Jay en komt ze erachter dat de heersers van Aeris, zonneheerser Arasan en maanheerseres Silva, een missie organiseren om de bron van het kwaad – de bron van de magura-aanvallen in het rijk en in de stad – op te sporen en uit te schakelen. Hoewel Merliah de drang voelt haar stad en dierbaren te beschermen, sluit ze zich niet onmiddellijk aan bij de missie. Na een confrontatie met heerseres Silva en met haar vriendin June, loopt Merliah weg van het feest. Ze stuit op een ruïne en vindt daar een meisje. Koud, bleek, klein. Op het randje van de dood: Tasia, een bediende van de Tempel. Later blijkt dat zij geofferd werd door Silva aan de halfgod/demon Aodhan, die beschouwd wordt als de bron van het kwaad.  Merliah breekt binnen in een landhuis om medicijnen voor Tasia te stelen, en wordt betrapt door Jay, die daar blijkt te wonen en weldra op missie vertrekt. Nadat de jonge vrouw een spoor vindt van halfgod/demon Aodhan, waar de missiegroep op jaagt, besluit ze om de natuurwakers achterna te gaan. Als Merliah de bron en verspreider van de kwade magie uitschakelt, zal haar stad veilig zijn. Door mee te strijden voor haar volk hoopt ze bovendien hulp te krijgen van de heersers om haar muziekcarrière weer op te bouwen. Op hun tocht door de wildernis, op zoek naar de bron van de kwade magura, komt Merliah erachter dat er geen goed of kwaad is, dat de natuur beide kanten heeft, net als de mens, en dat het kwade van de natuur zelfs vaak (en ook in dit geval) ontlokt is door de mens, die de natuur steeds meer schade aanricht. De zogenaamd kwaadaardige halfgod/demon Aodhan waar ze op jagen, blijkt de bewaker te zijn van Kairos, de levensboom van de magie, waar de maanheerseres haar krachtige magische edelstenen vandaan haalt.De heersers blijken bij te dragen aan de aanvallen in de stad door hun (semi)geheime activiteit én proberen Merliah tegen te houden, eerst wanneer zij de magura probeert te stoppen en dan wanneer ze die probeert te redden. Zonneheerser Arasan wil namelijk alle magura vernietigen, terwijl maanheerseres Silva controle wil over de magura en over het volk.

Hanne G
17 1