Lezen

Godin en Heks

Postmenopauze. Een woord dat klinkt als een aftandse, stoffige treinwagon die ergens op een vergeten zijspoor is weggeroest. Ik heb er een hekel aan. Een gruwelijke afkeer. Alsof je leven wordt gereduceerd tot een medisch stationnetje waar je nooit wilde uitstappen. De grillige heks en de wispelturige godin die zich in mijn lijf hebben genesteld, kwamen onuitgenodigd binnenwaaien. Ze hebben hun koffers uitgepakt in de leegstaande vertrekken die ooit door mijn eierstokken  werden bewoond.  De ene dag zet de heks de boel op stelten, de andere dag laat de godin me stralen alsof ik de wereld aankan. Ik heb ze niet uitgenodigd. Dit is geen bewuste spirituele upgrade, dit is hormonale diefstal. Na de rollercoaster met het PMS-monster, dat me trouw elke maand kwam kwellen, dacht ik: ooit, ooit is het klaar. Ooit is er rust. En toen… dit. Dit is de achtbaan waar de uitgang van is verdwenen. De attractie is gesloten, maar jij zit nog vastgegespt in het karretje, terwijl iedereen al lang naar huis is. Je leert ermee leven, zoals je leert leven met een luidruchtige, onvoorspelbare bovenbuurman. Soms dans je op de energiepieken alsof je de vloer in brand kunt zetten. Je bent een gloeiende kool, vol vuur. Op andere dagen klamp je je vast aan de randen van een glibberige afgrond, een ijspegel die vanbinnen kraakt. En af en toe, in een verwarrende, magische seconde, ben je allebei. Een kosmische grap. “Het gaat voorbij,” zei de dokter. Zijn blik vol medelijden gleed over zijn leesbril heen, een mengeling van cliché en waarheid. “We weten alleen niet wanneer…” Een tijdelijke staat met een onbekende einddatum. Mijn nieuwe normaal. Onvoorspelbaar. Vermoeiend. Maar, moet ik stiekem toegeven, nooit, nooit saai.

Heidi Schoefs
7 0

Brieven schrijven

"Schrijf jij nog brieven?", vraagt hij. We hebben net in het theater het stuk 'Groenten uit Balen' van Walter van den Broeck gezien.  "Nee", zeg ik. "Of wel. In gedachten. En toch ook wel op papier. Maar versturen doe ik ze nooit." "Hoezo? In gedachten?" "De brieven van Jan Debruyker aan wereldleiders zoals Nixon en Brezjnev, of aan Koning Boudewijn, zoals we net in 'Groenten uit Balen' hebben gezien, die werden door zijn vrouw en zijn dochter telkens in de stoof gestoken. Maar dat die brieven nooit aankwamen, daar gaat het eigenlijk niet om. Een brief is een manier om je gedachten te ordenen. Als je een bepaalde persoon rechtstreeks aanspreekt, is het net alsof die dicht bij je staat." "Jij doet dus hetzelfde als Jan? Aan wie schrijf jij dan brieven?" "Bwa, dat is niet zo belangrijk. Aan heel wat mensen. Soms ook aan jou." "Serieus? Kan ik die lezen?" "Nee, dat kan niet", zeg ik. "Die brieven zijn voor mij." Hij kijkt me niet-begrijpend aan. "Dat is toch anders dan ons vader", zegt hij. "Schreef hij ook brieven?" "Ja, wat ik me goed herinner zijn de brieven die hij naar me schreef toen ik op kamp was. We waren allebei geïnteresseerd in sport. De koers, tennis, noem maar op. Maar op kamp konden we natuurlijk geen sport volgen. Hij schreef me dan aan het begin van de vakantie een brief, met het vervolg van de Tour of Wimbledon, terwijl het nog niet gedaan was. Hij verzon complete ritten en wedstrijden. Maar dat wist ik natuurlijk niet." "Schreef je dan ook terug?" "Ja, een kort briefje. Maar toen hij gestorven is, heb ik hem wel een lange brief geschreven." Nog voor ik kan vragen of ik die eens mag lezen geeft hij al antwoord. "Nee", zegt hij, "die is voor mij."

Rudi Lavreysen
22 1

De adem van november

Er is een stilte die alleen de herfst kent. Geen afwezigheid van geluid, maar een trage inademing van de aarde zelf — alsof ze nadenkt voor ze de winter toelaat. Ik fiets erdoorheen, het park als een open long waarin ik opga. De banden snijden door een tapijt van bladeren dat kraakt als vergeelde gedachten. De geur is zwaar: vocht, mos, iets bitters van hout dat zichzelf vergeet. Hij blijft hangen achter mijn ogen, als een herinnering die weigert te vervagen. Het licht is scherp in zijn zachtheid, een bleke gloed die niets verbergt. De vijver weerspiegelt geen lucht, alleen beweging — een trage siddering van tijd. Ik trap verder, maar het voelt eerder als drijven dan bewegen. Alsof iets ouds me meeneemt. Een kraai breekt de stilte. Een eekhoorn haast zich, zijn poten ritselen als haastige gedachten. Mijn fietsbel klingelt — een nerveus geluid dat nergens thuishoort. Er is schoonheid in dit verval, maar geen verzoenende. Het is een schoonheid die iets loswrikt, alsof de bomen, met hun uitgeklede armen, eerlijkheid eisen. Ik denk aan wat ik dit jaar achterliet — woorden, gewoonten, gezichten die langzaam uit mijn dagen vervlogen. Langs het pad ligt een verloren handschoen, nat en slap. Even wil ik hem oprapen, maar ik laat hem liggen. Niet alles hoeft gered. Wanneer ik het park verlaat, hangt de lucht laag, stroperig van kou. November ademt traag. En ik adem mee — niet om warmte te vinden, maar om te herinneren dat adem genoeg is. Mephis (aka) Evelyn Mérida

Mephis
17 1

De lama van Engeland

Met mededogen moet ik jullie meedelen dat ook de koningin van Engeland geraakt is. Een schot in de roos. Een schot in hun hart. Nooit worden er nog pantoffels gedragen in het paleis. Ronde hakschoenen staan aan de rand van hun bed. De tweeling. En nog maar zeven jaar oud. Landverraad is wanneer men mijn hoofd afhakt. Ik kan ze niet helpen. Ik kan Hare Majesteit niet helpen. Ik mag niet helpen. Dus ik leg de hakschoenen ochtend na ochtend naast hun bed. En ochtend na ochtend verkleed ik de lama’s. Toen de koning gestorven was, kon Hare Majestueuze Mathilda dit niet verdragen. En het paleis is leeg geweest voor maanden. Zij was Hare Mathilde gaan bezoeken in Frankrijk. Hare zuster. Mathilde heeft het haar altijd gewild; zij was het oudere overgebleven vlees. Het vlees dat ze lama’s voeden. Mathilde en Mathilda. De ‘a’ komt nu eenmaal eerder in het alfabet voor. Maar nu Hare Koning de grond ingeduwd is, kon Mathilde het haar niet meer willen. Dus werd Ze uitgenodigd en ontvangen. Frankrijk, niet het land van de olijfbomen. Niet het land van de appelsienen of de laurieren. Maar dat kon men niet zien in de grote tuin van Mathilde. Die haar dagen doorbracht rondwandelend in haar moestuin en haar serre. Haar bedienden commanderend. ‘U zult dit plantje afstoffen. ‘U zult de olijfboom planten’. Mathilde draagt zijden handschoenen. Mathilde kan dus niet zelf in haar tuin werken. De plafonds zijn hoog en de zon schijnt door het glas door de bladen de serres groen. Mathilde is geen koningin en heeft Mathilda er altijd om gewild. Maar hare Koning is gestorven. Dus zal ze Mathilda ontvangen en een laurierboom in Zijne naam planten. ‘Wat een imposante laurierboom’, zal haar zuster zeggen als ze aankomt. ‘Wat een fanatieke lama’s’, zal haar zuster zeggen als ze de lama’s rondom de boom ziet grazen. De lama’s en de boom staan in de serre. De serre heeft een hoog plafond en aangezien de planten niet allemaal opake bladeren hebben, zorgt de zon dat er overal groen licht schiet. En dat is prachtig. En dat vindt Mathilda natuurlijk ook. We zullen er geen doeken om winden. De koning was een lelijke man. Met schaapachtige rossen krullen die doorgleden langs Zijne bakkebaarden tot aan Zijne kin. Zijne lip was naar boven geplakt. Door een fout gespijkerde nagel in zijn kindertijd? Mathilde wist op wat hij leek. En zij liet het grazen naast Zijne imposante nagedachtenis. ‘Wat een fanatieke lama’s’, dat is wat Mathilda zegt. En dat is het enige wat ze nog zal herhalen gedurende haar verblijf. Na de eerste week kon men Hare Majesteit niet meer van de laurierboom wegkrijgen. Na de tweede week vroeg Hare Majesteit een kom water voor op haar kamer. Na de derde week vroeg de tweeling achter hun moeder. Na de vierde week vertelde ik dat Ze bijna terugkomen zou. Na de vijfde week werden er hopen hooi aan het lege paleis afgeleverd. De zesde week. De koningin van Engeland keert weder. Ze verschiet wanneer ze haar dochters ziet. Is de Majestueuze haar kinderen vergeten? ‘Wie heeft zulke kruipers binnengelaten in ons paleis?’, gilt ze mijn oor streng toe. “Kruipers”. ‘Uw dochters zijn zeven geworden deze week, Uwe Majesteit’. Haar blik verstart: ‘Kunt u me uitleggen hoe een lama voor mensendochters zou zorgen?’. Week zeven. Ook Hare Majesteit is geraakt. Want ik moet schuilen in het paleis waar ik opgegroeid ben. Ik moet schuilen en neem Hare dochters onder mijn vleugels. Dan doen we opgezette dieren na. Dan vluchten we de hallen door. Die niet stil het geluid van onze snellende hoeven verspreiden. Acht. Geeft u mij acht weken om terug te draaien en ik vertel het u. Want de lama’s verspreiden zich in de tuin. En hoe de krullen in de Hare’s haren exponentieel toenemen. En als de mensendochters ontwaken en hooi toegeschoven krijgen, ben ik degene die vluchten moet. Die hun aankleden en vliegen moet. Maar zelfs in de keuken is er niets anders dan hooi meer te verkrijgen. 9. Ze willen mijn hoofd. Ik zie er te mens uit. ‘BENT u LAMA OF NIET!?’, huilt de koningin uit. ‘ZIJN HET LAMA’S OF NIET?!’. Ze wijst haar dochters toe. ‘Het zijn geen lama’s, Uwe Majesteit’. ‘U bent geen lama, Uwe Majesteit’. Ze willen mijn hoofd. Ik spreek te mens.

Tess Declercq
8 0