Lezen

Het Weekend

Zondag 14 u, Gent   Rik sprong uit de tram en begon te rennen. Gelukkig waren er op dit uur van de dag nog niet veel dagjesmensen en toeristen in het centrum van de stad. Snelheid, daar kwam het nu op aan. Met in zijn linkerhand de logge sportzak stormde Rik als een bezetene door de straten. Het zweet droop van zijn lichaam. Hij voelde niet dat zijn voeten de grond raakten, net alsof hij door gelatine waadde. Nog drie straten en hij was thuis, hopelijk op tijd. Bij het oversteken van de Koning Albertlaan kon hij nog net een fietser ontwijken. Deze wierp een hele reeks verwensing naar zijn hoofd, maar Rik hoorde ze niet. Zijn hoofd gonsde en hij probeerde zich voor te bereiden op het ergste. De zenuwen gierden door zijn lijf. Op het einde van de straat zag hij het gebouw waar hij woonde. De gordijnen van het appartement waren open en er brandde blijkbaar licht. Was dit een goed teken? Hij rende naar de deur, griste zijn sleutels uit zijn vestzak, opende de deur en stormde de trap op. Op de tweede verdieping stond de deur van de flat open. Zonder zich hierover te verbazen stormde hij binnen en trof Lies in de zetel van de woonkamer aan.   Haar gezicht was opgezwollen en haar ogen rood van het huilen. Het bedje van de kleine Thomas was leeg. Bij het zien van zijn vrouw haalde Rik opgelucht adem. Hij zette de zak op de grond en stapte op Lies af. Lies begon te huilen en greep iets achter haar in de zetel. Met een trillende hand hield ze een pistool op het hoofd van Rik gericht. “Lies? Wat…?” Een doffe knal weerklonk en Rik zijn schedel werd doorboord door een kleine kogel. Zijn lichaam viel levenloos op het tapijt.     Vrijdag 16u30 Brussel   Nog even dit dossier afwerken en ik ben ermee weg, dacht Rik. Het was een hectische week geweest. Na het ontslag van zijn diensthoofd, moesten al zijn taken verdeeld worden onder Rik en zijn vier collega’s. Zoals gewoonlijk was dit niet zonder slag of stoot gebeurt. Ze verzopen nu reeds in het werk. Niemand zat te wachten op extra werk. Rik werkte nu reeds drie jaar op de financiële dienst van de VMM. En toch had hij het afgestompte ambtenarenbestaan nog niet omarmd. Hij zou niet wegkwijnen achter zijn stoffig bureau. Hij vulde zijn dagen met dagdromen, ’s avond schreef hij zijn boek dat nooit zou verschijnen. In zijn dromen zag hij zichzelf geïnterviewd worden in De Laatste Show of iets dergelijk. Was Bukowski ook geen gewone postbeambte geweest, en Brusselmans, godbetert, was toch ook begonnen als klerk in Brussel. Rik had zonder morren de extra dossiers aangenomen. Routineus had hij ze afgewerkt. Binnen een kwartier zou hij uitprikken en naar huis gaan, de vrijdagavondborrel laten voor wat het was. Dit weekend werd zijn zoontje Thomas zes maanden. Lies en hij zouden dit vieren met een romantisch dineetje. Hij had reeds de nodige inkopen gedaan, scampi’s, een soort speciale pasta, papardelli of zo, look, Marokkaanse kruiden, en een flesje lekkere witte wijn. Sinds de geboorte van Thomas hadden ze geen moment voor zichzelf gehad. Het was het einde van een bijzonder stressvolle periode.   Om te beginnen was de kleine 4 weken te vroeg geboren. Midden in de nacht was Lies met krampen wakker geworden. Volledig in paniek had ze Thomas gewekt. Hun laken was doorweekt met bloed. In ijltempo reden ze naar het ziekenhuis. Daar had de arbeid nog 8 uur geduurd. Thomas moest echter nog twee weken met de nodige buisjes en monitor in het ziekenhuis blijven, zodat van de gebruikelijke kindervreugde geen sprake was.  De geboorte was met andere woorden niet gebeurd zoals ze verwacht hadden en ze twijfelden dan ook of een ze tweede kindje wilden.   Vrijdag 18u14 Gent   Rik kwam uit het station van Gent. Met lange stappen zette hij koers naar café den Zwartzak”. Hans en Pieter zaten er reeds en waren zo te zien in een verhitte discussie verwikkeld. Rik zette zich met een korte knik aan hun tafeltje. Elke vrijdag kwamen ze hier samen om de week zoals ze dat noemden te “evalueren”. ‘Moet je horen wat Hans nu uit zijn nek zit te lullen,’ zei Pieter zonder zich te bekommeren om de normale omgangsregels, zoals groeten en dergelijke.  ‘Hij beweert dat alle mannen in de toekomst overbodig zullen worden, omdat het slecht een kwestie van tijd is dat vrouwen zichzelf kunnen bevruchten.’ ‘Het is waar!’ riep hans. ‘ De spermabanken zijn daar het best bewijs van. Vergeet de vrijmetselaars, de Thule, en al die Da Vinci code onzin. Het ware complot wordt uitgevoerd door een elitegroepje dolle mina’s met maar één doel: complete vernietiging van het mannelijke ras, om zo te komen tot een vredige, roze penisloze toekomst, waar lesbische kussengevechten niet van de lucht zijn en Thuis 24 uur op de buis is.’ ‘Ok, ook een goedenavond jongens, nog drie pintjes?’ Rik deed zijn jas uit en deed teken naar de barman om nog wat te brengen. ‘ Ik merk dat ik mijn betoog ietwat moet illustreren,’ ging Hans verder. ‘Doe dat, mijn beste, doe dat vooral,’ zuchtte Pieter. ‘Sinds het moment dat Eva in de appel beet,’ vervolgde Hans ongestoord en op plechtige toon, ‘wordt het vrouwelijk geslacht onderdrukt door ons, mannen. Door hun schaamteloos gedrag moet de gehele mensheid boeten en werken in het zweet onzer aanziens. Vanaf dan is de gehele menselijke geschiedenis een aaneenrijging van pogingen en subtiele veranderingen om the alpha male pig te elimineren. Van Cleopatra tot Bloody Mary, maar ook op meer lokale niveau , waar het boerenwijf de pap maakt en de boer schoorvoetend naar de stal stuurt om een verse emmer melk, in de hoop dat hij vertrappelt wordt door een drachtige vaars.’ De barman bracht het bier en Rik nam zijn portefeuille om te betalen. Aarzelend haalde hij een briefje van vijf euro te voorschijn. ‘Ik heb, geloof ik, niet voldoende op zak om een rondje te geven.’ ‘Geen probleem,’ zei Pieter, ‘ik neem deze wel voor mijn rekening.’ ‘Ik snap het niet, ik dacht dat ik nog meer dan genoeg op zak had?’ Rik stopte vermoeid zijn portefeuille weg. ‘Geld lijkt de laatste tijd gewoonweg te verdampen.’ ‘Ik weet wat je bedoeld,’ viel Hans bij, ‘dalende koopkracht en zo, de kranten staan er vol van, en ondertussen blijven die piepo’s in Brussel maar doorlullen over het feit dat je in Vilvoorde geen pakje sigaretten mag kopen in het Frans.’ Hans was blijkbaar de vrouwen en hun complotten volledig vergeten en dat kon enkel maar de het gesprek ten goede komen. ‘Het zou toch fantastisch zijn als je nergens op moet letten. Geld met hopen, geen zorgen, werken als hobby, geen stress, nooit op de kleintjes moeten letten,’ mijmerde Rik. ‘Huizen bij de vleet, een jacht, enkele ferme minnaressen,…’ droomde Hans verder. ‘Zal nooit gebeuren!’ onderbrak Hans. ‘Om het met een oude wijsheid van mijn meetje zaliger te stellen: “Wie niet steelt of erft, werkt totdat hij sterf!” en nu jullie!’ ‘Tjah, dat erven zal er niet echt inzitten vrees ik,’ zei Rik, ‘en om te stelen moet je toch al meteen de jackpot kunnen binnenhalen en dan kunnen verdwijnen in het niets, want een leven als crimineel op de vlucht zie ik niet echt zitten.’  ‘Een paar jaar geleden heeft toch een bende een gigantische hoeveelheid diamanten kunnen stelen in de luchthaven van Zaventem zonder gepakt te worden?’ vroeg Pieter. ‘Inderdaad,’ zei Hans, ‘die zitten nu ergens op de Bahamas  te genieten van hun vervroegd pensioen. Gegokt en gewonnen, niemand gewond en iedereen tevreden want de verzekering dekt toch alles.’ ‘Jaja, dat zal wel,’ zuchtte Rik. ‘Ik ga er van door, Lies zit op mij te wachten en we hebben een speciaal weekendje voor de boeg.’ Rik dronk zijn bier uit en verliet het café. ‘Ik bel je nog wel!’ riep Pieter.   Buiten sloeg een natte wind Rik in het gezicht. Hij deed zijn jas iets beter dicht en zette er stevig de pas in. Hij kwam in de straat waar ze woonden en zag aan de overkant dat het licht reeds brandde. Mooi, Lies was al thuis. Hij belde aan want hij had geen zin om zijn huissleutels uit zijn aktetas te halen. Lies deed de deur open terwijl ze druk door de telefoon praatte. ‘Nee, Lowietje heeft al gegeten, ja gewoon zijn pyjamaatje aan en in bed stoppen. Niet vergeten de babyfoon in te steken…’ De mama van Lies kreeg blijkbaar nog de laatste instructies. Rik gaf zijn vriendin een kus op haar neus en gebaarde dat hij in de keuken aan de slag ging gaan. Lies knikte en ging verder met uitleg geven. ‘Neen, de Pampers zitten zeker in de zak, in het zijcompartimentje, heb je daar al gekeken?’ Rik ging naar de keuken en zette zijn tas op de tafel. Hij haalde de ingrediënten eruit en zette de wijn in de ijskast.  Rustig begon hij aan het diner. Hij zette de tafel in de living, stak een kaarsje aan , legde een plaatje op en schonk alvast een glaasje wijn uit voor Lies. Deze was ondertussen begonnen over het nieuwe kapsel van haar zus en probeerde haar moeder te overtuigen dat de snit totaal ongepast was voor een vrouw van haar leeftijd. Rik rolde met zijn ogen en ging terug naar de keuken.   Het eten was reeds bijna klaar toen Lies in de keuken kwam en Rik langs achter vastpakte. ‘Opgepast, of ik verband mij nog!’ lachte Rik, die net een kokende pot vol pasta in zijn handen had. ‘Sorry dat ik zo lang aan de telefoon was,’ zei Lies, ‘ maar mijn moeder is blijkbaar volledig vergeten wat ze met een kindje moet aanvangen, maar kom, onze Lowie is in goede handen.’ ‘Tuurlijk, zoiets verleer je niet,’ zei Rik, ‘hier, proef hier maar eens van’, en hij gaf haar een lepel saus. ‘Mmmm, heerlijk! Heb je al een flesje wijn opengedaan?’ ‘Er staat reeds een glaasje voor jou op tafel. Wil je mij ook nog een glaasje inschenken?’   Rik en Lies genoten met weinig woorden van hun dineetje en terwijl Rik de vuile borden in de wasbak plaatste, vleide Lies zich languit in de zetel. Rik kwam er bijzitten en schonk nog een glaasje uit voor Lies en zichzelf.    

Bernard Govaert
0 0

De gevangene

Duisternis… Mijn ogen, zijn ze… Ben ik blind geworden? Nee! Alsjeblieft, dat niet, allesbehalve blind zijn! Ik knipper, ik blijf knipperen maar alles blijft zwart. Is er wat met me gebeurd? Mijn gezicht… is alles nog heel? Kon ik het maar aanraken. Als ik het nu toch eens… Komop handen, beweeg. Beweeg… doe iets. Ach, nutteloos. Dit kan toch niet waar zijn, mijn vingers horen te bewegen, te tintelen, wat dan ook! Een stuiptrekking schiet door mijn pink. Wel, dat is al iets. Goed, concentreer je nu. Laat dit gevoel naar de andere vingers overspringen. Komop, concentreer je… Eureka! Mijn vingers zijn gebald tot een vuist. Oké, nu loslaten, ontspan je…. Goed. Oef, nog even geduld, het begint te lukken. Als ik nu eens mijn hele hand kon bewegen… Perfect. Laat me nu dat gezicht van me betasten, misschien heb ik gewoon een blinddoek op. Heh? Wat is dit? Wat voel ik toch overal rondom me? Is dat… hout? Komop vingers: voel, wat is dit toch? Oh nee, NEE! Ik lig in een kist. HELP! Oké, kalm blijven, geen paniek. Ik lig in een kist; dat zal de reden zijn waarom ik niets zie. Misschien ben ik toch niet blind. Laten we hopen dat… Maar ik zit opgesloten in een kist! Help! Ik krijg geen adem! Ik… ik… Kalm blijven, kalmeer je toch. Als de zuurstof hier beperkt is, kan ik beter mijn krachten sparen. Oké, ademen, gewoon ademen: dat is het belangrijkste op dit moment. Adem ik? Ik weet het niet… Wel, ik lig hier nog steeds, ik kan denken, dus het moet wel goed gaan. Gekalmeerd? Goed, laat me eens proberen te schreeuwen, wie weet hoort iemand me wel. Wie weet is dit gewoon een ziekelijke grap, of een misverstand. Hier gaan we: ‘ARGHK.’  Nee, da’s niet goed. Het moet help zijn: h e l p Opnieuw: H E L en dan P.   ‘ARGHK.’ Vervloekt, tot zover het schreeuwen dus. Wat kan ik nog doen? Adem ik nog steeds? Het moet wel, het kan niet anders. En aangezien ik hier niet lig te versmachten, is er nog zuurstof, nog hoop. Goed, wat nu? Kan ik deze kist kapot maken?    ‘Unghk.’ Nutteloos, de wanden zijn te dichtbij en ik ben nog steeds niet sterk genoeg. Nieuw plan: herwin je krachten en probeer later opnieuw. Als er dan nog maar voldoende zuurstof is… Nee, zo niet denken, denk aan… ontsnappen. Ja, dat is het enige wat echt telt… buiten zuurstof gerekend, blijven ademen. Ben ik terug kalm? Mooi zo. Nu, om uit deze benarde situatie te raken, moet ik eerst uitvissen hoe ik hier terecht ben gekomen… Wel, totdat ik terug op kracht ben. En wanneer dat gebeurt: dan is het beuken geblazen, beuken tot mijn knokkels rauw zijn. Nee, meer dan dat zelfs: blijven slaan totdat deze houten gevangenis het begeeft. Maar wat als daarbuiten iemand me opwacht? Iemand, of iets? Denk na, wat is er gebeurd? Ik… ik… weet het niet. Hm, laten we dan met iets eenvoudigers beginnen. Wie ben ik? Kom nou brein, wie ben ik? KUT! Oké, iets makkelijker dan: wat is het laatste dat ik mij kan herinneren? Ik was aan het werk. Welk werk? Weet ik niet, is dat belangrijk? Misschien wel, misschien niet. Kom nu, denk! Pijn in de borst… Ik ben ingestort. Duisternis. Mensen begonnen te schreeuwen. Goed, mooi zo, we geraken ergens. En toen? Sirenes… De politie? Weet ik niet. Helder licht, iemand stond over me gebogen. Vreemde geluiden. Wat voor geluiden? …weet het niet. En toen? Leegte… niets… Ik weet alleen nog dat er mensen op me neer keken, rook… en toen het deksel. Niet echt veel bruikbaars. Wie wil mij nu laten kisten? Heb ik vijanden? Wacht eens… de kist! De kist werd neer gelegd, met mijn gezicht naar de hemel. Ik kon het voelen, zelfs door het deksel heen. En later, veel, veel later volgde een bonzend geluid. Zacht ritmisch bonzen op het deksel van de kist. Het klonk haast als aarde… Ja, dat moet het wel zijn; ze waren aarde op de kist aan het scheppen. Oh nee, NEEEEEEH! Die klootzakken hebben me levend begraven! Ik moet hier weg… weg, naar… naar… Ja? Is er iets dat me nog staande kan houden in deze waanzin? Iets of iemand? Ja! Iemand, die het waard maakt om te vechten. Als ik die persoon nog één keertje kan zien, zal alles wel in orde komen. Maar wat als ze me blind hebben gemaakt? Ze? Wie zijn zij? Ach, niet belangrijk; evenmin deze blindheid, tijdelijk of permanent. Het maakt niet uit. Als ik me gewoon kan concentreren op die ene persoon. Als ik die niet kan zien, dan maar gewoon aanraken, tegen me aan drukken en nooit meer los laten. Ah, een motivatie, goed zo, nu heb ik een reden om hier weg te geraken. Hoe zit het met de spieren, ben ik sterk genoeg? Wel, er is maar één manier om daar achter te komen. Komop vuist, klop dat deksel kapot!    “Ungk!” Geen succes. Hm, maar ook geen pijn. Ben ik verdoofd? Dat kan mooi van pas komen als ik hier moet uitbreken. Komop, nog een slag! Nee! Ik kan mijn arm niet meer bewegen. Shit, kom nu toch: beweeg… Ik weet niet hoeveel lucht hier nog overblijft. Oh shi... ademen… niet in paniek raken… GEEN paniek. Rustig, is er iets dat me kalm kan houden? Een gebed misschien? Wat? Maar ik geloof nergens in. Maakt niet uit, alles is goed om de paniek te vergeten. Toe nu maar, zeg de woorden… Wat waren ze ook alweer? Onbelangrijk, denk er gewoon aan. Als alles faalt, wat voor kwaad kan een verzonnen gebed dan nog betekenen? Godverdomme! Eh, dat is niet helemaal juist. Vergeet het! Ik zit hier maar kostbare zuurstof te verspelen aan gedachten en gebeden! Vooruit, armen: dit is niet het moment om te slapen. Vecht! Vecht tegen de verlamming. DREUN! Komop, dit kan hier niet eindigen: ik moet nog zoveel verwezenlijken. Zoveel dingen die ik nog tegen mijn geliefde wil zeggen. Kom op, ik zit hier haast door mijn tandvlees heen: kloppen, dreunen, BREKEN! Tot het hout barst. Harder! Ik moet uit deze hel geraken. Kom op, SLA, het is alleen maar hout… en een beetje aarde. Oh god… wat als ze dachten dat ik dood was… Wat als er een grafsteen boven me ligt? Nee, dat kan niet… HARDER… vrijheid! Niemand kan dat van me afnemen, ik moet doorzetten. BREEK het KAPOT! Ik kan het horen… kraken… Maar is het hout dat barst, of mijn eigen vuisten? Ik voel geen pijn; het moet wel het hout zijn dat stuk gaat. Maar wat als ik gewoon verdoofd ben? Wat als dat krakend geluid echt mijn… NEE! Blijf kloppen! Zelfs al zijn het mijn vuisten, ik moet doorvechten. Weersta de vergetelheid! Kom op en klop! Waarom… in… de… naam… van… alle… heiligen… wil…dat…deksel… niet… BREKEN! Ik hoor wat. Gestaag vindt er iets zijn weg naar binnen.  Ik kan het voelen… aarde. Ik heb een gat gemaakt! Kom op! Zie je wel? Niets is onmogelijk, doorslaan! Kloppen, dreunen en breken! Meer en meer aarde valt naar binnen. Ik voel het op mijn gezicht, in mijn mond. Geen tijd om het af te vegen, nog minder om het uit te spuwen; doordoen! Maar ik… kan niet… ademen… DOORDOEN! Er is nog een zuchtje zuurstof over. Eureka! Het gat is groot genoeg om me er door te wringen. Graaf dan maar! Naar boven, weg van hier. Maar wat als er een grafsteen boven me ligt? Nee! Geen ge-wat-als. Alleen maar graven, omhoog, naar de hemel, naar vrijheid. Ik klauw door en graai naar boven. Mijn lichaam wringt zich door het versplinterde deksel, maar ik voel geen pijn. Er is enkel de kick. Nog even en deze nachtmerrie is voorbij … goedschiks, of kwaadschiks. Komop! Mijn vingertoppen ondervinden minder weerstand… Daar is het dan, een weg naar buiten! Godzijdank heeft niemand een grafsteen geplaatst. Ungh, nee, niet nu! Mijn… kracht verlaat me… Waarom nu toch? Kan ik niet gewoon eventjes… heel even pauzeren… alleen maar… NEE! Geen rust voor de rustelozen, ik slaap wel wanneer ik echt dood ben. Die dag zal er heus wel komen, maar vandaag niet! KOM AAN! Mijn armen zijn bevrijd. Ze trillen nog na van de inspanning. Het is nu nog maar een kwestie van… Nog een klein beetje…   ‘Ughnk.’ Ik kan zien! Het is allemaal nog wazig, maar ik ben ten minste niet blind. Mijn gezicht… het is uit de grond… Pfuf, eindelijk kan ik die vervloekte aarde uitspuwen. Nu het laatste deel nog, mijn lichaam. Ik… ik… nee…’t lukt niet meer. Al dat graafwerk heeft dat laatste streepje energie opgeëist. Kon ik toch maar even rusten, heel eventjes maar. Misschien zullen voorbijgangers me vinden en me uit deze gevangenis sleuren. Maar wat als die voorbijgangers me juist in dit gat hebben gesmeten? Ik kan niet opgeven, niet nu. Ik moet doorzetten, me bevrijden en… ontmoeten… omarmen… Stik! Wie was dat ook alweer? Wie ben ik?! Wat moest ik ook alweer doen? Wie moest ik zoeken? Wie zijn ‘zij’? Alleen ik blijf over. En op dit moment zit ‘ik’ nog steeds vast.   Langzaam maar zeker wordt het zicht scherper. Terwijl ik naar de hemel staar, kijken duizend sterren op me neer. Dit is het mooiste wat ik in heel mijn leven heb aanschouwd. En hoewel er mogelijk nog gevaar dreigt, kan ik niets anders doen dan de lucht te bewonderen. Geleidelijk aan keert mijn gevoel terug. Jammer genoeg is het niet van emotionele aard. Een scherpe pijn priemt door mijn vingers, net alsof er naalden onder mijn nagels steken. Mijn handen branden; het schroeit door mijn huid, door mijn vlees. Dit is wat het lichaam moet doorstaan als je uit een kist breekt en naar een uitweg moet klauwen. Maar er is ook een heel nieuwe sensatie. Het begint met tintelingen in mijn buik. Het lijken wel wormen die doorheen mijn maag wroeten. Al snel wordt het erger. Het vederlichte gevoel maakt plaats voor een orkaan, een honger die nog nooit heb gevoeld. Hoe lang is het ook geleden dat ik nog degelijk heb gegeten? Oké, nog even doorbijten, knars die tanden nog maar op elkaar, want ik zit nog steeds vast. Negeer de pijn, de honger en concentreer je om uit deze troep te geraken. Komop, trekken, trekken, TREKKEN! Ik heb het gehaald! Vrij, eindelijk vrij! Een wervelwind raast door me heen, sterker dan geluk, krachtiger dan extase. Het is… het is… honger. Ik kan alleen maar aan bloed denken. Heerlijk, sappig, voedend. Mijn maag nijpt samen, mijn brein beukt tegen de schedelwand. Ik moet het hebben, ik moet… nu! Ik strompel voorbij honderden grafzerken en voel de begeerte door mijn lichaam woelen. Ik adem diep in en blaas de lucht terug uit. Dit is de eerste ademstoot die de Apocalyps in gang zal zetten. Ik ben vrij, vrij om mijn honger op de wereld los te laten.

Maarten
0 0

Griekse diplomatie

Seth deed open met een banjo rond zijn schouders. Hij was vergeten wanneer we precies hadden afgesproken. Terwijl ik mijn spullen op de bank legde, trok hij een vers overhemd aan. Ik haatte de trui met het opstiksel van een beertje op skilatten, die hij de laatste tijd te pas en te onpas droeg. Het gaf ten onrechte de indruk dat hij zich verwaarloosde. ‘En de lakens zijn ook gewassen.’ Hij zei het grijnslachend. Enkele weken terug had ik me beklaagd om de geur van ranzige boter, waarin we hadden geslapen. Ik volgde hem naar de keuken. Op het aanrecht lagen twee zalmfilets in een plastic verpakking met biolabel. ‘Verdomme, toch geen vis zeker!’ Ik at de hele week al geen vlees. Dat kreeg je, met een vriendin in huis die vegetarisch was. ‘Rustig, Piet. De zalm is voor de meisjes. Wij eten worst.’ De meisjes? ‘Biologische worst natuurlijk, zeven euro ’t stuk, meneer.’ ‘Komt er nog volk, dan?’ ‘Wat had je gedacht? Dat ik hier de hele avond met jou alleen zou zitten?’ Ik lachte schaapachtig en voelde een bekend gevoel van onrust opsteken, een onrust die altijd gepaard ging met omstandigheden waar ik geen controle over had. Toen de bel ging, was ik in de badkamer. Ik hoorde hem tegen iemand gniffelen en met onverholen pret in zijn stem riep hij dat ik mijn ogen moest dichtdoen. Els, schoot me door het hoofd. ‘Ik doe juist niets toe, lelijke stinker.’ Ik draaide de hoek om naar de keuken en kuste Els nonchalant op haar wang. Ze moest glimlachen. Hij vroeg hoe ik dat had geraden. Els was een gemeenschappelijke vriendin uit het verleden. Na enkele ruzies was ze bij Seth uit de gratie gevallen en sindsdien moeder geworden van een dochter. Intussen alweer gescheiden van de vader. Dat wist ik allemaal van horen zeggen. Een tijdje terug was Seth haar toevallig tegengekomen en hadden ze de brokken gelijmd. Ik ontkurkte voor mezelf een duvel en schonk haar een glas in van de wijn die ze had meegebracht. We namen de draad op waar we die twee jaar terug hadden laten vallen, toen ik haar voor het laatst had gezien. Drie West-Vlamingen samen. Dat schiep een band. Vroeger was dat al altijd zo geweest en nu voelde ik opnieuw iets van die saamhorigheid. Seth dronk af en toe van mijn glas. Els lachte om mijn grapjes. Toen de bel ging, had ik het gevoel dat iets verstoord werd. ‘And this is Daphne.’ Er lag iets triomfantelijks in zijn stem. ‘She works at the Greek ambassy.’ We schakelden over op het Engels en stelden ons aan elkaar voor. De keuken vulde zich met de vette walm van gebakken worst. Ik stelde Daphne de vraag die ik altijd stel als iemand het over zijn of haar job heeft. Of ze eens een gewone werkdag kon beschrijven. Maar dat kon ze niet. Ze ging gewoon iedere morgen naar de ambassade, kreeg dan pas te horen waarover ze moest onderhandelen en deed dat. Zo simpel was het. De inhoud deed er weinig toe. Het ging om de kunst van het overtuigen. ‘So, you’re like a kind of medium,’ zei ik, terwijl we naar de woonkamer liepen. ‘Very good,’ lachte ze. Toen ik ging zitten, vroeg ik me af of dat laatste niet spottend was bedoeld. Het gesprek aan tafel kwam al snel op het dilemma waar Daphne mee worstelde. Ze was vijfendertig, wilde al van kleinsaf drie kinderen, maar had geen man. Een probleem dus, maar daarom nog geen dilemma. Dat kwam er pas toen ze enkele maanden terug een Zweedse straaljagerpiloot leerde kennen. Drieënvijftig, getrouwd, kinderen, maar bereid Daphne overal te volgen en haar de gewenste kinderen te schenken. Een follower. Het was niet de man van haar leven, maar wel de laatste kans om een gezin te stichten. Ze vroeg onze raad. Volgens Els moest ze niet te lang twijfelen. Zo’n kans kreeg je niet elke dag. Seth en ik waren terughoudender en vroegen ons luidop af of ze die man niet louter voor eigen doeleinden gebruikte. De verkeerde vraag, blijkbaar. Daphne en Els schudden het hoofd en keken elkaar aan. Ze waren bondgenoten geworden. De tafel werd ingedeeld in een mannenkamp en een vrouwenkamp. Vanuit die posities werd elke mening nu vluchtig bekeken, omgedraaid, nog eens bekeken, en – naar gelang het een man of een vrouw was die de mening had uitgesproken – goedgekeurd of verworpen. Het ging al lang niet meer om Daphnes persoonlijke dilemma, maar om iets groters, iets allesomvattends, maar ook iets dat erg vaag bleef. Zo kwamen we nergens. Ik stond op en ging op het terras een sigaret roken. De koude deed sneeuw vermoeden. Na een tijdje kwam Els bij me staan. We vroegen ons af waarom we elkaar al die tijd niet hadden gezien. Het had te maken met de wederkerigheid die in een relatie onder vrienden wordt verondersteld. Als de interesse eenrichtingsverkeer wordt, heft de relatie zichzelf op. Ik wist dat Seth haar dat verweet. Schoorvoetend ga ze haar fout toe. Het eerste wat ik zag toen we terug naar binnen liepen, was Daphne die om Seths hals hing. Hij wrikte zich los en wenkte me naar de keuken. Daphne was stomdronken, vertelde hij. Bedroefd door het gesprek aan tafel, had ze hem om alcohol gevraagd en hij had naar de eerste fles gegrepen die binnen handbereik stond. Porto. Toen we gingen zitten, zag ik dat de fles halfleeg was. Seth en Els begonnen een discussie over het pakje tabak, waar zij ongevraagd een sigaret van had gerold, toen ik buiten stond. Ik probeerde het gesprek te volgen, maar werd afgeleid door Daphnes hand die over mijn bil naar boven kroop. Als een lappenpop viel ze me om de hals en murmelde iets wat ik niet verstond. Misschien was het Grieks voor: “Jij bent de knapste jongen die ik in jaren heb gezien.” Je wist het niet. Ik ging in de keuken een verse duvel openmaken. Alsof ze dat als een teken beschouwde, strompelde Daphne me achterna. Ze fluisterde opnieuw iets in mijn oor. Het was ongetwijfeld lief bedoeld. Ik maakte een gebaar naar de woonkamer, van waaruit nu luid geroep weerklonk. Daar was ik nodig, zo te horen. Daphne glimlachte idioot en liep achter me aan. Seth en Els zaten tegenover elkaar, de vinger woedend naar elkaar uitgestoken. Oude wonden waren opengereten en hij ventileerde alles wat op zijn maag lag, ooit op zijn maag had gelegen en in de toekomst nog op zijn maag zou kunnen liggen. Daphne, merkte ik vanuit een ooghoek, was intussen verdwenen. ‘Je zult in eenzaamheid sterven, Els.’ Hij zei het gelaten, alsof het iets suggereerde dat wel triest was, maar waaraan niet te ontkomen viel. ‘Als je dat nu al niet bent.’ Daarop stond ze huilend recht, gaf hem in het voorbijlopen een mep en liep de slaapkamer in. Op dat ogenblik hoorden we vanuit de badkamer het geluid van een stomp voorwerp, dat op de grond viel. Daphne wees met een verontschuldigende blik naar de wastafel in email die op de grond lag, alsof ze iets wou duidelijk maken dat we anders niet hadden opgemerkt. Ze moest zijn gestruikeld en had zich in haar val aan de wastafel proberen recht te houden. Het water spoot uit de gebarsten leidingen. ‘Daphne toch, what have you done.’ Ik voelde een lachkramp opsteken. Seth reageerde gevatter en liep de gang op naar de kast met waterkranen. Terwijl we de kraan zochten die correspondeerde met het geklater achter ons, begon ik te hikken. ‘Daphne, Daphne, what have you done!’ Ik gierde het uit. Uiteindelijk slaagden we erin de juiste kraan te vinden. In de badkamer hevelde ik met een dweil het water op de vloer over naar het bad. Seth hurkte naast me neer. Ik legde een hand op zijn schouder en kreeg van de weeromstuit opnieuw de slappe lach. Toen alles min of meer droog was, legden we de wastafel zo goed als het ging opnieuw op zijn sokkel. Daphne was op de sofa neergeploft en praatte met de straaljagerpiloot via haar i-phone. Els streelde haar over het hoofd. De orde van het tafelgesprek leek hersteld. De mannen gingen tegenover elkaar aan tafel zitten. Door de hoge ramen zag ik hoe het zachtjes was beginnen sneeuwen. Het was al na middernacht. Nadat Daphne opnieuw in de badkamer was verdwenen, weerklonk ditmaal het geroep van Els die haar was gevolgd. We stonden geschrokken recht. Daphne had de wasbak gebruikt om over te geven, niet wetende dat die nu niet meer op de afvoer was aangesloten. Het gevolg was een sluier van kots, die tussen wasbak en sokkel op de tegelvloer drupte. Terwijl Els zich opnieuw om Daphne bekommerde, begon Seth de boel schoon te maken. Ik vluchtte het terras op. De afgestorven bloemen op zijn balkon waren met een laagje ijs bedekt. Door de verlichte ramen keek ik naar het tafereel van hem in de badkamer en de twee vrouwen op de sofa. Ik had met mijn vriend te doen.   Daphne werd ten slotte een taxi ingeduwd. Seth legde een blauwe vuilniszak op haar schoot. Ik rookte met Els een laatste sigaret voor de deur. De rook die ik inhaleerde, deed me een moment duizelen. Ik klonk mijn blik vast aan het gietijzeren balkon van het gebouw aan de overkant. De duizeling stopte. Ik rilde in de nachtelijke koude. Els vroeg of ik zin had nog ergens iets te gaan drinken. Ik zag Seth in gedachten in de badkamer bezig en zei dat ik liever wilde gaan slapen. Na haar goedenacht te hebben gekust, keek ik haar na toen ze de verlaten straat uitwandelde. In bed draaide Seth zich naar me om. ‘Al bij al een legendarische avond.’ Hij zuchtte en ik knikte in het donker. Daarna viel ik als een blok in slaap.

detroostvancontouren
0 0

verhaalfragment

Terwijl ze zich weg liepen, had ze Maartens hand genomen en zichzelf gedwongen niet achterom te kijken. Maar het maakte geen verschil. Het beeld van Claire die alleen de nacht inwandelde kreeg ze niet uit haar hoofd. Ook niet toen ze op zijn kamer waren en hij haar uitkleedde. Het was donker. Het voelde aan als verraad. Ze was een paspop in een etalage. Toch stond ze toe dat hij zich onder haar vleide. In haar kwam. Toen zijn ademhaling jachtig werd, verschoof iets in haar hoofd. Met gesloten ogen begon ze met haar heupen draaiende bewegingen te maken. Ze hoorde hoe hij kreunde. Hij had geen idee hoe ze hem buitensloot. Zichzelf verlaagde tot het voorwerp van zijn lust. De vernedering aanvaardde ze als straf. Dankbaar haast. Het draaien van haar heupen kreeg iets van een zelftuchtiging. Dit had enkel nog met haar, niets meer met hen te maken. Ook zij begon nu te hijgen. In een flits zag ze Claire weg wandelen. Ze schudde haar hoofd. De klank die hij uitstootte, kreeg iets huilerigs. Nu niet aan Claire denken. Ze sloot haar ogen. Na een laatste slag met haar lenden, kwam hij klaar. Hij legde een hand op haar rug. Door de aanraking voelde ze voor het eerst hoe die nat van het zweet was. Ze rilde. Hij duwde haar voorzichtig naar zich toe. Ze verborg naar hoofd in het kussen naast hem. Ik hou van je, zei hij en streelde haar rug. Ze knikte in het kussen. In bed merkte ze dat hij de slaap niet kon vatten. Op een bepaald ogenblik zuchtte hij diep. Ze wist niet of dat een stille uitnodiging was om te praten of niet. Ze ging er niet op in. Ze vroeg niet wat er scheelde. Ze staarde gedachteloos in het donker. Nadat haar ogen aan het duister waren gewend, volgde ze doelloos de barsten in het plafond. Eén lijn liep kronkelend diagonaal de kamer door en verdween in een donkere hoek uit het zicht.   De weken erna gíng het beter. Alsof ze zich ergens bij had neergelegd, ergens vrede mee had genomen en hem nu meer kon toelaten, hem dichter kon laten naderen. De zelfvernedering in bed die avond – dieper kon ze toch niet vallen? Alles wat volgde was winst. Ze had een nulpunt bij zichzelf bereikt en had niets meer te verliezen. Vanuit die gelatenheid steeg een nieuw soort energie op. Tot haar eigen verbazing was ze rustiger geworden. Waar de situatie haar die nacht nog uitzichtloos had geleken, was ze de volgende morgen met een haast vrolijk gevoel opgestaan. Bij het ontbijt had ze geen moeite moeten doen om met hem te praten. Ze hadden plannen gemaakt voor Parijs. Zij wou absoluut het Louvre bezoeken. Hem was het gelijk. Een beetje rondwandelen, zei hij, af en toe stoppen om een koffie te drinken en wat naar de mensen te kijken. Ze herinnerde zich hoe helder haar hoofd was geweest, een helderheid als na een zware huilbui - met hetzelfde licht zeurende, huilerige gevoel op de achtergrond. Alles aan hem ontroerde haar. De manier waarop hij zijn kopje oppakte en naar zijn mond bracht. De blik in zijn ogen die tussen wantrouwen en verbazing schommelde. Toen ze terug op straat stond, drong elk geluid, elke geur, alles wat ze zag tot in het kleinste detail tot haar door. Een vogel die floot, een wagen die langsreed, de vroege zon op de bakstenen gevels; alles sprak voor zichzelf, verwees naar niets anders dan naar zichzelf. Een snoeppapiertje op straat droeg de hele wereld in zich. Ze voelde zich licht, alsof ze zich van iets zwaars had losgemaakt. Het zelfzekere gevoel hield de dagen en weken daarna aan. De lente had intussen voorgoed de winter afgelost. Sommige dagen deden van bij het opstaan zomers aan. Als ze op zo’n ochtend door het park liep en de zon op haar gezicht voelde, verlangde ze naar lange zomeravonden. Avonden waarop de warmte van de voorbije dag was blijven hangen en de kilte pas samen met de nacht invalt. Ze stoorde zich niet aan de uitbundige stemming van haar medestudenten toen ze zich bij hen voegde en samen met hen het begin van een college of seminarie afwachtte. Het was geen euforie die ze voelde, geen triomfantelijk gevoel omdat de onrust van de voorbije maanden nu definitief voorbij was. Veeleer een gevoel van berusting was het.  Ze praatte zichzelf iets aan natuurlijk, maar op dat moment geloofde ze werkelijk in de idee van berusting. Of misschien wist ze ergens wel dat ze zichzelf iets wijs maakte, maar geloofde ze er desondanks in. Dat kon, volwassenen lazen op die manier de bijbel. Iedereen weet dat parabels verzinsels zijn en toch blijven sommigen erin geloven. Omdat die parabels hen iets vertellen dat ze wilden horen. Iets dat hen recht houdt. Misschien dat het met haar destijds net zo was gegaan.  Met hernieuwde energie schreef ze aan haar eindwerk. Binnen de twee weken had ze het besluit rond, liet het door Claire nalezen die haar zegen gaf en bracht het naar de faculteit. Het secretariaat zou het aan haar promotor bezorgen. De boeken die ze van hem had gekregen, begon ze op een systematische manier door te nemen. Ze legde lijsten aan van woorden die ze niet begreep en waarvan ze de betekenis in naslagwerken opzocht. Ze maakte een schematisch overzicht van fenomenen die volgens de auteurs hadden bijgedragen tot het proces van secularisering. Omgekeerd legde ze een chronologie aan van toespraken, brieven en encyclieken waarin menig paus zich tegen de moderniteit had gekeerd. Hele namiddagen spendeerde ze in de universiteitsbibliotheek. De neutraliteit van de plek – ver weg van Maarten of Claire – verschafte haar de noodzakelijke rust om een domein te verkennen dat volledig nieuw voor haar was. Geleidelijk kreeg ze zicht op de problematiek van ontkerkelijking. Ze herinnerde zich dat ze op een avond de bibliotheek net voor sluitingsuur was uitgewandeld. De avondzon op het plein voor de bibliotheek had haar verblind en ze had haar ogen gesloten. Even leek het alsof ze deel had aan iets dat groter was dan zichzelf. Alsof de opgedane kennis haar verhief boven het alledaagse van een universiteitsstad en boven iedereen die zich door die stad een weg baande. Terwijl ze naar huis liep, had ze voor het eerst sinds lang het gevoel controle te hebben over haar leven.   Claire beantwoordde het geklop op haar kamerdeur niet. Sarah bleef een moment besluiteloos staan. Het geluid van haar knokkels op de deur, de zachte galm daarvan in de gang en het besef dat Claire er niet was: van het ene op het andere moment zag ze zichzelf door de ogen van iemand anders. Controle over haar leven! Met een nijdig gebaar draaide ze de sleutel van haar eigen kamer om. Van de verheven stemming van zonet schoot niets over, alsof het niet meer dan stof was geweest die bij de minste windstoot wegwoei.   Net als het gevoel van herwonnen rust was die kwetsbaarheid tijdens de laatste weken een constante. Het waren twee zijden van eenzelfde medaille. Hoewel ze er beter in slaagde haar gevoelens voor Maarten en Sarah gescheiden te houden, was het minste voldoende haar uit balans te brengen. Ze moest dan vaak denken aan iets wat ze als kind had ervaren maar nooit helemaal begrepen. Het was een namiddag in de zomervakantie en samen met Claire hadden ze met hun kinderfietsjes telkens hetzelfde wedstrijdje gedaan. Ze reden hun fiets tot bovenaan een flauwe helling en lieten zich dan om het snelst naar beneden rollen. Ze hadden het uitgekraaid van plezier. Tijdens een van die wedstrijdjes was Sarah over een steen gereden die ze niet op de weg had zien liggen. Ze werd daarbij even uit het zadel gewipt. Uit het niets was ze beginnen wenen. Niet omdat ze zich had bezeerd, evenmin omdat ze de wedstrijd door de korte aarzeling had verloren – ze had nooit begrepen waarom. Claire kon ze geen antwoord geven toen ze met een betraand gezicht naast haar tot stilstand kwam. Ze wist alleen dat ze zichzelf op het moment dat ze over de steen reed belachelijk voelde. Alsof dat ene moment de hele namiddag van plezier maken en onbezorgd lachen als iets vals had ontmaskerd.

detroostvancontouren
0 0

Domotica

Terwijl we op de strakke designfauteuils gaan zitten, schuiven de kamerbrede rolgordijnen voor de vensters vanzelf zachtjes naar beneden. Als op een onzichtbaar teken van de gastvrouw. “Stel je eens voor…” schotelt ze ons de deugden van haar gloednieuwe ‘intelligente huis’ voor. “Ik kom ‘s avonds laat vermoeid thuis van een lange dag (keihard werken aan de top – nvdr) en dan wil ik verwend worden. Via vingerdruk-herkenning kom ik het hek langs en rij ik de oprijlaan op: de lichtjes erlangs floepen aan en de garagepoort schuift open en gaat weer dicht van zodra ik binnen ben. Automatisch gaat in elke ruimte van het huis waar ik langs kom het licht aan: ik hoef geen enkele schakelaar in te drukken.Een simpel signaaltje met mijn gsm heeft het bad al geprogrammeerd zodat het me dampend staat op te wachten bij thuiskomst en mijn multimedia koelkast is uit slaapmodus gehaald. Die luxe koel-vries combi maakt niet alleen op tijd perfecte ijsblokjes voor mijn aperitief klaar, maar is ook een high tech informatiecentrum. Via de monitor in de deur en mijn mobiel kan ik mijn favoriete film op video laten opnemen, de gezinsagenda raadplegen (wie wanneer waarheen moet, weetjewel), voorraad in de koelkast beheren - inclusief maaltijdsuggesties-, boodschappenlijstje checken en doorgeven aan de ‘home delivery service’, die alles mooi deponeert in de leveringsbox bij het hek. Elke beweging daar en rond én in het huis  kan ik ook op dat schermpje volgen: bewegings- en beeldcamera’s zorgen voor een waterdichte beveiliging en signaleren het minste onraad. Mijn lievelingsmuziek klinkt intussen doorheen het hele huis, een lichte streling langs het ‘touch screen’ van de hifi bepaalt het volume waar ik dan zin in heb. Ik kan languit genieten van mijn warme bad, en achteraf relaxen in onze home theatre, waar ik de foto’s en filmpjes bekijk die ik doorgemaild kreeg van de kleinkinderen.” We zijn letterlijk stil gevallen bij het relaas van zoveel vernuft. Zo stil, dat de bewegingsdetector ons blijkbaar niet meer ziet zitten en plots alle lichten uitgaan. Van uit de keuken klinkt een metalen stem die ons met een zwaar Amerikaans accent meldt dat het huis niet is afgesloten en de oven nog aan staat. Kirrend van trots springt onze gastvrouw recht, laat zo blijkbaar weer alle lampen branden en onderstreept met een theatrale zwaai van de armen dat dit nu toch alle comfort in een notedop is. Wanneer ik later alleen op het hoogglanzend inox toilet zit, let ik er op af en toe met de handen te zwaaien en vraag me af of dit nu echt bij het verwennen hoort.

Quickfox
0 0

Facelift

Ik kom er elke week enkele keren voorbij, op weg naar de stad. Toen ik klein was en er met mijn moeder langs reed, zat er vaak een oud mannetje op de bank. Leunend op zijn stok, een beetje doorgezakt, net als het huis zelf. Op een dag was het mannetje weg, en bleef weg. Ook het huis leek zich van de wereld af te sluiten. Na een tijd bleven de luiken dicht, het gras in de boomgaard werd alsmaar hoger, de tuin wilder en warriger en de bomen staken elke winter langere, grillige takken de lucht in.  Ooit  was het een mooi landhuis geweest, maar nu leek het wel of het elk seizoen wat dieper in elkaar zakte. De daknok van het woonhuis werd krom, de pannen van de schuur en de paardenstal vielen af, de luiken hingen wat scheef in hun hengsels. Jaren lang zag ik huis en erf aftakelen en het deed me wat. Want je voelde er nog de ziel van vroeger rond hangen. De sfeer van bedrijvigheid, mensen en dieren in de stallen en de weiden, vrouwen en kinderen in de tuin en de boomgaard… In mijn gedachten was het er meestal lente of zomer geweest, met veel lieflijk bucolisch buitenleven. De koele realiteit van vandaag leek geen interesse meer te hebben voor zoveel romantiek. Tot vorige lente. Plots werden de oude fruitbomen gesnoeid en kregen ze nieuwe, jonge aanplant erbij. De omheining werd recht gezet, met struiken rondom rond.  Alle pannen gingen van de daken, de balken werden vernieuwd, nieuwe pannen kwamen er op. Raamwerk en luiken kregen ook een beurt of werden vervangen. Er kwamen prachtige lindenbomen langs de oprijlaan. Kortom, het hele landgoed werd grondig en vakkundig opgefrist. Ik keek er elke keer naar uit, om er langs te rijden en de vooruitgang van die heerlijke opknapwerken te volgen. Je voelde het nieuwe leven in het oude landgoed meer en beter vorm krijgen.  Ik verlangde naar de eerste paarden in de stallen, de eerste mensen in de tuin. En nog niet zo lang geleden waren ze’r eindelijk. Met lammetjes in de boomgaard als kers op de taart. Maar het wonderbaarlijkste van dit alles vind ik het huis. Het lijkt zijn schouders te hebben gerecht, het hoofd fier omhoog, de blik helder en open.  Die rechte noklijn, de gewassen en nieuw gevoegde muren, de vers geverfde ramen en luiken: geen menselijke facelift kan ooit zo jong ogen.

Quickfox
0 0