Lezen

Facelift

Ik kom er elke week enkele keren voorbij, op weg naar de stad. Toen ik klein was en er met mijn moeder langs reed, zat er vaak een oud mannetje op de bank. Leunend op zijn stok, een beetje doorgezakt, net als het huis zelf. Op een dag was het mannetje weg, en bleef weg. Ook het huis leek zich van de wereld af te sluiten. Na een tijd bleven de luiken dicht, het gras in de boomgaard werd alsmaar hoger, de tuin wilder en warriger en de bomen staken elke winter langere, grillige takken de lucht in.  Ooit  was het een mooi landhuis geweest, maar nu leek het wel of het elk seizoen wat dieper in elkaar zakte. De daknok van het woonhuis werd krom, de pannen van de schuur en de paardenstal vielen af, de luiken hingen wat scheef in hun hengsels. Jaren lang zag ik huis en erf aftakelen en het deed me wat. Want je voelde er nog de ziel van vroeger rond hangen. De sfeer van bedrijvigheid, mensen en dieren in de stallen en de weiden, vrouwen en kinderen in de tuin en de boomgaard… In mijn gedachten was het er meestal lente of zomer geweest, met veel lieflijk bucolisch buitenleven. De koele realiteit van vandaag leek geen interesse meer te hebben voor zoveel romantiek. Tot vorige lente. Plots werden de oude fruitbomen gesnoeid en kregen ze nieuwe, jonge aanplant erbij. De omheining werd recht gezet, met struiken rondom rond.  Alle pannen gingen van de daken, de balken werden vernieuwd, nieuwe pannen kwamen er op. Raamwerk en luiken kregen ook een beurt of werden vervangen. Er kwamen prachtige lindenbomen langs de oprijlaan. Kortom, het hele landgoed werd grondig en vakkundig opgefrist. Ik keek er elke keer naar uit, om er langs te rijden en de vooruitgang van die heerlijke opknapwerken te volgen. Je voelde het nieuwe leven in het oude landgoed meer en beter vorm krijgen.  Ik verlangde naar de eerste paarden in de stallen, de eerste mensen in de tuin. En nog niet zo lang geleden waren ze’r eindelijk. Met lammetjes in de boomgaard als kers op de taart. Maar het wonderbaarlijkste van dit alles vind ik het huis. Het lijkt zijn schouders te hebben gerecht, het hoofd fier omhoog, de blik helder en open.  Die rechte noklijn, de gewassen en nieuw gevoegde muren, de vers geverfde ramen en luiken: geen menselijke facelift kan ooit zo jong ogen.

Quickfox
0 0

Tiny en de schippershoer

Onbevangen zwiepten haar vlechtjes op, nu en dan opgetild door de wind. Haar knuistje naast moeders ruwe hand, de boodschappenkar voortduwend door de klapdeuren. Overladen en leeggeroofd strompelde ze, het hoofd gebogen, de supermarkt weer uit en reden ze de parking weer af. Zat hij achter haar aan?   Mijn lievelingsboek is dat van “Tiny speelt moedertje”. Het is leuk om hier een boek te kunnen lezen terwijl mama met broer boodschappen doet. Niemand die zegt: “Wil je dat boek wel eens kopen?” Voor de rest is er niemand in deze rayon vol kleine speelgoedjes en schriften, linialen en boeken. Tiny staart me met grote ogen aan. Ze speelt in het park met haar vriendjes. Plots een stem: “Hallo, hoe heet jij?” Met tegenzin laat ik de fluitende roze vogeltjes en dartelende puppies in het park achter bij Tiny. Een meneer met baard en bril zit gehurkt bij me neer. Zijn ogen glanzen vreemd. “Ik vroeg: Hoe heet jij?.” “Inez, meneer”, stamel ik verlegen. Mama heeft me geleerd dat ik met twee woorden moet spreken. Zijn hand klauwt naar mijn haren, hij aait ze nu en vraagt: “Hoeveel jaar ben jij?” “Acht, meneer.” “Ik heb een dochtertje dat net zo oud is als jij.” Hij raakt nu bijna met zijn zitvlak de grond en is opgehouden mijn haren te strelen. Zijn hand schiet plots naar voren en verdwijnt onder mijn rokje. Die grijns! Ik hapte vergeefs naar adem. Ik wil opstaan en weglopen. Mijn benen zitten verankerd in de vloer. Ik wil roepen en wenen maar er komt niets. Tiny kijkt me nu niet meer aan. Het boek ligt opengevallen op de grond. De grote meneer is plots verdwenen. Tiny zie ik ook niet meer. Waarom is haar gezichtje afgewend? Ze keert zich van me af. Er is hier dan ook iets stouts gebeurd. De anderen zullen zich ook van me afkeren. “Inez”, “Inez!” Het is de stem van mijn broer. “Ah! Daar zit je! Schiet op, mama staat al aan de kassa.” “Hey, wat is er?” Ik doe mijn best, ik probeer alle tranen in één keer door te slikken, ze naar beneden te duwen. Vanavond als ik in mijn bed lig kan ik m’n kussen nat huilen maar nu niet. Ik moet dit ergens wegstoppen en wel vlug ook! “Hé, wat is er toch met je? Je ziet zo rood.” “Niks, er is helemaal niks.” Ik slaag erin op te springen en hem te volgen naar de kassa. Maar mijn broer maak je niets wijs. Van zodra we thuiskomen met onze boodschappen, volgt hij me naar mijn kamer. “Je gaat me nu zeggen wat er is!” “Niet tegen mama zeggen, beloof het!” smeek ik hem. Hij knikt. “Die meneer.” “Welke meneer?” “In de GB... die heeft, die heeft…” stotter ik. “Hij stak zijn hand hier.” Ik wijs naar mijn rokje. Mijn broer keert zich nu ook van me af en loopt de kamer uit. Zie je wel, het is mijn schuld. Niet veel later staat mama voor mijn deur. Ik lig op mijn bed, ik wil alleen maar slapen. Maar ik moet, ik moet het opnieuw vertellen. Ik hoor haar telefoneren. Belt ze de politie nu? Dat wil ik niet! Ik wil er niets meer over zeggen. Ik neem mijn boek op en probeer zo gauw mogelijk het toegangspoortje te vinden dat me in de chocoladefabriek zal brengen. Zou Sjakie de gouden wikkel vinden? Zou hij nu rijk worden en eten kunnen kopen voor zijn familie? Maar ik hoor mama’s stem, en die houdt me weg uit de chocoladefabriek. “Ja.” Hoor ik haar zeggen. “Zeker, dankjewel.” Het klinkt niet alsof ze met de politie praat. Dan zou ze op een andere toon praten. Mama is net bang van de politie. Boven aan de trap sta ik gespannen te luisteren. Vaders stem schalt nu door haar gepraat heen. “Godverdoeme, moet je daar nu zo’n tamtam van maken?” Al het opgekropte verdriet dat ik ergens diep vanbinnen had opgeborgen komt nu naar buiten. Ik klamp m'n beer tegen me aan. Ik beef van angst nu ik weet dat vader het ook weet. Hij zal zo boos zijn. Daar heb je het al… Ik hoor hem de trap opkomen. Mijn deur vliegt open: “Wat heb ik gehoord? Heb jij een vreemde vent aan je muis laten zitten?” Ik hou me stijf. Dat doe ik altijd als hij zo tegen me praat. Ik durf dan haast niet te ademen en te bewegen. Alsof al het lelijke dat hij over me uitstort dan zo maar van me af zou glijden. “Awel?” blaft hij me toe. Ik pers mijn lippen dicht en kijk hem niet aan. Mijn hoofd rust op mijn opgetrokken knieën, het enige dat nog beweegt zijn mijn vingers die zich vasthaken in de gaatjes van mijn witte kanten sprei.   "Mama heeft gebeld met de directeur van de supermarkt." grauwt hij. Dit klonk niet boos. Misschien was hij dan toch niet boos op me. Ik kijk voorzichtig op en gluur naar hem vantussen mijn knieën. Hij buldert van het lachen. "Wat ben jij voor een seut? Is dat nu allemaal omdat die vent der is aan wou komen? Ge zult de ventjes nog wel leren kennen!" Een vals lachje speelt om zijn lippen. Hij strekt zijn linkerhandpalm naar me uit terwijl hij zijn middenvinger op en neer beweegt in de lucht. "Ha-ha-ha!"     De komende weken zal ik die spottende vinger nog veel zien zwaaien door de lucht. De hele familie krijgt het verhaal te horen van de vent die aan ons Inez haar muis wou zitten. Toch zijn er maar twee die er mee kunnen lachen. Hij met z'n scheve grijns en zij over wie hij zegt dat haar huis moet blinken en haar muis mag stinken. Net als mama krijg ik nu een andere naam. Mama noemt hij 'moeder Maria', broer noemt hij 'wiggeling fool'. Ik ben voortaan de 'kleine hoer'...

inez
0 0

dagboek 4X4X4

Liefste dagboek,   Vandaag kwam ik twee maal in contact met verkeersagressie. Een eerste maal toen ik in file stond aan het kruispunt bij de nationale bank (met een trambedding). Ik bleef toen achter de tramsporen zodat een eventuele tram (openbaar vervoer) altijd voorbij zou kunnen. De Mercedes achter me, kon dit blijkbaar niet verdragen en reeds langs rechts over de berm om deze vrije plaats (die ik liet voor de tram) in te nemen. Om daar alsnog in file te staan! Toen ik claxonneerde om dit ridicule gedrag in vraag te stellen, moest de grootste schok nog komen. Er stapte een vrouw van middelbare leeftijd uit met genoeg 'bling' rond haar nek om de staatsschuld van Swaziland in te lossen. Deze gezonnebankte Cécile Müller-look-a-like begon wild gesticulerend te gebaren dat ik zowaar in de fout ging. Ja, want niet alleen het kruispunt vastzetten voor het openbaar vervoer, maar ook het voorbijsteken langs rechts, zijn duidelijke lessen die deze generatie van 'krijg je rijbewijs bij een doos cornflakes' ons wil leren? In gedachten was ik het interieur van haar met leer bekleedde auto alvast aan het volbaggeren met paardenstront (ruikt net iets harder dan die van koeien). In realiteit had ik vooral veel medelijden. Waarschijnlijk was deze versierde kerstboom nog nooit klaargekomen en is het toppunt van het jaar voor haar wanneer er kinderen komen zingen met Driekoningen... Om ze dan weg te sturen 'omdat het niet in het Frans was'...  Een tweede geval van verkeersagressie was toen ik zag hoe een auto bijna een fietser omvermaaide aan het begin van de Kammenstraat. Ik stond hier als voetganger op te kijken. De fietser draaide zich om en deed teken van 'zijde gij zot', waarop de BMW-bestuurder uitstapte om zijn teveel aan testosteron verbaal op de arme man af te vuren. De geblondeerde del die naast hem zat, probeerde deze simpele ziel nog in te tomen, maar ik vrees dat ze daar thuis nog wat klop bovenop heeft gekregen. Weeral geen liefdevolle minkozing deze avond voor deze John, zei ik al dat hij een petje droeg? Soit, na wat scheld-tennis, racete de BMW met gierende banden verder de Kammenstraat in om 100 meter verder stil te staan in het aanschuivende verkeer bij de verkeerslichten. Zou de fietser nog eens gelachen hebben als hij daar voorbij fietste?

Janzondervrees
0 0