Lezen

Tip

Sjoelbakken in de belevenisbibliotheek

 Het zijn de sluipende evoluties die onze maatschappij vormgeven. Nog even en het hele gesubsidieerde socioculturele veld wordt de bibliotheek binnengeborsteld. De archief- en bibliotheeksector spreekt zeer tot mijn verbeelding: als je 2000 jaar lang je aanwinsten hebt bijgehouden op een steekkaartje, ben je minder snel geneigd om de nieuwe technologieën als een achteruitgang van onze beschaving te beschouwen.  En mensen die tussen de boeken leven en werken vind ik a priori al een aanwinst. En geloof het maar: archivarissen en bibliothecarissen zijn lang niet zo stoffig als de legende het wil. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat alles pei en vree is, en dat er ook in dit boekenbastion geen malloten-managers rondlopen die dan weer verantwoording moeten afleggen aan andere malloten. Zo stellen we u voor, ... reverence … : de belevenisbibliotheek. Lang geleden, toen de managers nog mensentaal spraken, had je de bibliotheek. Dat was een verzamelplaats van boeken, die je, als je braaf en niet te luidruchtig was, mocht ontlenen. Je vond er rijen en rekken vol boeken. Drie hoog, duizenden thema’s, tienduizenden verhalen. Altijd was er in die bibliotheek iets nieuws te ontdekken. Een bezoek aan de bib was, excusez le mot, een belevenis. De begrafenisoptochtDie tijd is voorbij. Nu al kan je in de bibliotheek een cocktail drinken, internetten, breicursussen volgen en naar het voetbal kijken. Maar nog even, pakweg 15 jaar, en boeken ga je er niet meer vinden. Al het geld dat in crèches, expo's, cursussen en concerten wordt gestoken, gaat niet naar boeken en de uitbouw van de collectie. Zo simpel is dat. De belevenisbibliotheek is de bib die zichzelf uitkleedt tot cultureel centrum, ontmoetingsplek, café en concertzaal in één. De zintuigen mogen er door alles geprikkeld worden, behalve door boeken. De belevenisbibliotheek is de bib die ten grave wordt gedragen, en men zegt ons dat het een carnavalsstoet is. Dat bibliotheken een doorn zijn in het oog van de boekenhaters-politici, dat wisten we al langer. ‘Brood en spelen’, niet ‘boeken en brood’. En dus kwamen de beleidsmensen op het geniale idee om - eens de wijkbibliotheken weggesaneerd en gecentraliseerd - de bibliotheek de nek om te draaien waar ze bijstaat. De enkele bibliotheken die het voorrecht krijgen te blijven bestaan, kunnen welzeker rekenen op een miljoentje voor een verbouwing of zelfs fonkelende nieuwbouw. Maar daar moet dan wel iets tegenover staan. En dus wordt de bib vanaf nu beladen met alle welzijnstaken die je maar kan bedenken: inburgeringscursussen, taallessen, kooklessen, noem maar op. Het hele gesubsidieerde socioculturele veld wordt op een hoopje geharkt en de bibliotheek binnen geborsteld. Nog even en ze delen er ook soep aan daklozen uit. We hebben er zelf om gevraagdZo’n evolutie moet je een beetje verpakken natuurlijk. Het woord ‘belevenisbibliotheek’ kwam als een geschenk uit de hemel gevallen. Wetenschappelijk verantwoord ook. Het lijkt terug te voeren op de term ‘experience economy’ die een zekere Pine & Gilmore bedachten. In de krantenwinkel koop je je croissant, en bij de bakker koop je je krant. Zoiets. Het is – geloof het maar – de consument zelf die erom zeurde: in de bib wil die ook een pint drinken, tai chi-lessen volgen en luidop commentaar geven tijdens het politieke debat. Dat is nu eenmaal de tijd waarin we leven. Tuur je op je gemakje naar een boom, zie je ineens een manager naar boven klauteren. Begint wat aan de takken te schudden. Een hele belevenis, wat ik je zeg: alle bladeren vallen eraf. En, zie daar, een beetje later valt ook de manager er achteraan. Voor ouderwetse zeuren ten slotte die vinden dat er in de bibliotheek ook boeken horen, geen paniek! Ook voor hen is een belevenis voorzien. Na consumentenonderzoek werd in de kelder een stiltegebied afgebakend. Het boek bleek een uitstekend isolatiemateriaal.

Guy Bourgeois
51 0
Tip

Vlinder

Rups wil geen vlinder worden. Dat heeft hij zo beslist. Hij zit best knus in zijn huisje. En hij houdt van zijn groene hoofd. Zo groen als zijn lievelingseten: groene blaadjes. Rups houdt van zijn trage beentjes. Haast en spoed is zelden goed, want dan doe je ongelukken.   Rups wil  geen vlinder worden. Dat heeft hij zo beslist. Hij houdt niet van al die kleuren. En hij griezelt van die grote vleugels. Vlinder worden is niet goed. Dan ben je te groot om klein te zijn. Rups blijft in zijn huisje. Dan verandert er niks, hoopt hij. Hij drinkt een glaasje bladerthee.   De volgende dag wordt Rups wakker in een veel te klein bed. De stoel de deur de kast lijken zo klein. Zijn huisje wordt kleiner en kleiner. Of wordt Rups groter en groter?   Rups draait angstig heen en weer. Zijn tafeltje valt om. De muren scheuren open. Bladerthee druppelt naar beneden.   Rups kijkt treurig naar de vleugels op zijn rug. Ze vlekken duizend kleuren, Maar Rups wordt daar niet vrolijk van. Hij had nog zo beslist geen vlinder te worden!   Rups rent heel hard weg, ook al doet hij dat liever niet. Zijn voetjes kriebelen het gras. Rups kijkt achterom. Maar zijn vleugels blijven hem volgen. “Stomme prachtige vleugels”, moppert Rups een beetje buiten adem. Een zuchtje wind blaast Rups vooruit. Zijn voetjes raken het gras niet meer. Rups vliegt! Hij durft niet te kijken.   “Wat een mooie vleugels” kwaakt Eend.   Ook met zijn ogen dicht heeft Rups dat gehoord. Hij klappert trots met zijn vleugels. Hij voelt zich mooi en sterk. “Ik kan de wereld aan”, brult Rups, en doet zijn ogen open.   Rups vliegt wel vier bomen hoog. “Veel te veel te hoog” bibbert Rups. Hij kent de regels ook nog niet.   Wat als hij valt? Wat als hij niet meer naar beneden kan? Wat als de wind nog eens zucht? Wat als hij dan nog hoger gaat vliegen? “De zon zal mij verbranden!”   Rups is zo bang dat hij niet meer met zijn vleugels durft klapperen. Hij tuimelt naar beneden en valt met een plofje in het gras.   Hij strijkt de kreukjes uit zijn vleugels.   Rups wil zijn vleugels wel houden. Hij zal er niet meer van wegrennen. Maar vliegen gaat hij niet meer doen. Dat heeft hij zo beslist.    

Linnéa
37 2

Veerle

Ze gaat het hem gewoon zo zeggen. Zonder gedoe. Hij mag zijn spullen komen halen wanneer zij er niet is en kan de sleutel onder de mat achterlaten. Weer een mislukking om toe te voegen aan haar lijst. Het zal haar laatste gefaalde relatie zijn, nu is het genoeg geweest. De gootsteen maakt een gorgelend geluid wanneer ze de stop uittrekt. Haar tranen spoelen mee weg. Een groepje taterende tieners rijdt druk gesticulerend voorbij langs het kanaalpad. De oortjes van hun ipod bungelen uit hun jassen. Emma kan elk ogenblik thuiskomen.Hij wist dat ze altijd zou kiezen voor haar dochter, dat is toch wat elke moeder zou doen? Maar dat wil niet zeggen dat het makkelijk is om er een punt achter te zetten. Waarom moet zij dat godverdomme elke keer doen? De flessen onder de gootsteen rinkelen wanneer ze er met de neus van haar gympen tegen stoot. Waar is de zak die ze bewaart voor leeggoed?Ergens is ze opgelucht dat het straks allemaal voorbij zal zijn. Geen dronken scheldpartijen meer waarvoor ze zich hoeft te schamen bij de buren. Geen hemeltergende ruzies meer. Haar vriendinnen zullen opgelucht zijn. Hun blikken telkens zijn naam viel, zijn haar niet ontgaan.  De keukendeur zwaait open, Emma gooit haar rugzak in de hoek. Ze gaat er bovenop zitten en begint aan haar veters te trekken.'Emma?' Haar dochter is in een gevecht met haar schoenen verwikkeld. 'Emma, luister eens'. 'Dag mama', antwoordt het meisje, nog steeds zonder op te kijken. Ze grijpt de neus van haar rechterschoen met beide handen beet en gebruikt haar andere voet om de hiel los te wrikken. Er komen grommende geluiden aan te pas. Zo maakt ze haar nieuwe Nikes kapot, Veerle moet op haar tanden bijten om er niets van te zeggen.'Emma, ik ben vanavond enkele uurtjes weg'.Op dat moment schiet de schoen uit en met een bonk rolt haar dochter tegen de kastdeur, de schoen triomfantelijk boven het hoofd geheven. 'Ha-ha!'Meteen ondergaat de andere voet hetzelfde ritueel. Veerle raapt schoen nummer één op en zet hem onder in het rek. 'Ik heb spaghettisaus voor je klaargezet om op te warmen, zeven minuutjes op stand 3 en dan...''Ping, en alles goed roeren, dat kan ik ondertussen wel'. Emma kijkt haar moeder voor het eerst aan, knijpt haar ogen tot spleetjes en plooit haar gezicht in een grijnzende grimas. Haar prompte zelfredzaamheid steekt Veerle onverwacht. Heeft ze Emma te vaak alleen gelaten?'Ik ga even langs Marc maar ik ben zeker terug voor middernacht. Zorg maar dat je slaapt voor ik terug ben'.Ze streelt Emma over haar kruin. 'Da's goed hoor, dan vraag ik of Matthias even komt spelen op de Playstation'. Emma springt recht en steekt haar hand uit. 'Mag ik je gsm lenen?''Maar wel eerst je huiswerk maken'.Veerle geeft haar gsm aan haar dochter en kijkt in de spiegel. Het gezicht dat terugkijkt, ziet er afgemat uit.   'Je bent er bijna', fluistert ze tegen zichzelf. Vanaf morgen gaat ze Emma helpen met haar staartdelingen.

J.E.W.
0 0

wij zijn één (hfdstk 1)

Nate en Laura zijn al sinds hun kindertijd onafscheidelijk. Beste vrienden door dik en dun. Samen voor altijd, dat is hun afspraak. Kleuterschool, lagere school, middelbare school en hoge school, alles zouden ze samen doen. Maar wat als na een dramatische gebeurtenis hun belofte niet langer geldt? De plotse haat tegenover elkaar haalt hun vriendschap onderuit en  ze verdwijnen uit elkaars leven voorgoed.   Wanneer Laura afstudeert vindt ze meteen werk.  Er lijkt aan haar geluk een einde te komen wanneer ze plots oog in oog staat met haar ex-beste vriend. Ze proberen zoveel mogelijk naast elkaar te werken, De koele blikken en scherpe woorden negerend. En dat gaat prima... nou ja, tot de baas een opdracht voorschoteld waarvoor ze niet anders kunnen dan samenwerken.                                                ********************************     Een regendruppel valt op Laura's wang, ze had het kunnen weten, die donkere wolken voorspelden niet veel goeds, ze hoopt maar dat Nate een goede reden heeft voor dit verassings tochtje.  Ze kijkt rechts en ziet haar beste vriend op haar afkomen. Hij lacht, Laura vindt zijn lach erg mooi. Ook al mist hij vooraan een tand waardoor hij een beetje lispelt. De meeste jongens zijn echt vreselijk irritant maar met Nate kan Laura het altijd goed vinden. Haar beste vriend. En ook al is hij nog maar 8jaar en Laura maar 7, toch weten ze al dat hun vriendschap hechter is dan die van de andere kinderen in hun omgeving. Ze delen letterlijk alles met elkaar. Van drinken tot kleding.   'Mijn voeten doen pijn Natie.' zeurt Laura, terwijl ze even stopt om over haar hiel te krabben.   Nate schudt zijn hoofd en lacht schattig. 'We zijn er bijna Laurie, wil je mijn verassing dan niet zien?' vraagt hij een beetje teleurgesteld.   'Nee, tuurlijk wel zotteke, maar m'n voeten doen wel echt pijn.' ze hinkelt hem achterna. Nate draait zich naar haar om, kijkt even bedenkelijk en gaat dan gebogen voor haar staan.   'Uh, wat doe je?' vraagt ze verward. 'Ik ga je dragen, klim erop.' zegt hij serieus.   Laura giechelt waardoor er schattige kuiltjes in haar wangen ontstaan en schudt dan haar hoofd. Straks vallen ze beide en dan is het haar schuld.   'Ah, komaan Laurie, we zijn er bijna.' roept hij enthousiast. Nog voor ze iets kan zeggen heeft hij haar opgetild en draagt hij haar verder.   Even later komen ze bij het strand en Nate zet Laura weer op de grond geeft haar een dikke knuffel en loopt dan richting een hoopje zand een beetje verder. Laura gaat zitten en kijkt naar de mooie golven. De grote plas is volgens haar een van de mooiste plekken ooit. Dan richt ze haar ogen op haar beste vriend. Toen mama een vriendin op bezoek had was hij er ineens, terwijl de volwassenen verder praatten over het huis naast het onze dat te koop stond nam ze de schattige jongen met de donker blonde haren en blauwe ogen mee naar de achtertuin, ze bouwden samen een kamp en toen het tijd was voor hem om te gaan hebben ze zich daar schuil gehouden. De ouders hadden wel 2 uur nodig om hen te pakken te krijgen. En sindsdien zijn Laura en Nate de beste vrienden. Aller beste maatjes!   Wanneer hij zich omdraait en weer naar me terug komt lacht ze haar  tanden bloot en kijkt nieuwsgierig naar zijn handen waarin hij iets verborgen houdt.   'Alsjeblieft.' zegt hij terwijl hij zijn handen openmaakt.   In zijn handen ligt een mooie steen en een ster die... beweegt? Wow!   Laura's ogen verwijden en een beetje verbaast staart ze naar zijn handen. 'Zijn die voor mij?'   'Ja, maar ook voor mij. We houden ze samen bij. Voor altijd!' knippoogt hij.   'Waarom doe je dat?' lacht Laura, 'Ik weet het niet, pap doet het altijd naar mam, wanneer hij denkt dat ik niet kijk.' grijnst hij     'oh, je mag niet luistervinken.' merkt Laura op, Laura's donkere krullen wiegen heen en weer met de wind. 'Mama zegt dat dat erg onbeleefd is.' haalt ze haar schouders op.   'Niet als ze het niet weten.' Nate legt zijn arm rond haar en samen kijken ze naar de zon die onder de plas begint te verdwijnen.   Het is rustig, er is niets te horen buiten de golven van de plas en af en toe een vogel. Het is misschien raar voor 7 of 8 jarigen om stil te zijn, maar als ze samen zijn hebben ze niet het gevoel dat ze heel de tijd door moeten praten.   Die stilte wordt meteen onderbroken wanneer Nate het uitroept.' 'Auw !' 'Wat is er? Wat gebeurd er?' vraagt Laura ongerust. Ze kijkt hem nauwkeurig aan. Hij steekt zijn hand uit en toont de pijnlijke plek. 'Een krabding heeft me gebeten.' moppert hij.   Laura kijkt een beetje hulpeloos toe en krijgt dan een idee. Ze leunt naar voren en geeft er een kusje op. 'Zie zo, alles beter nu.'   Hij kijkt haar vragend aan. 'Van mama geleerd.' zegt ze liefjes.   'Bedankt, Laurie.' Hij leunt tegen haar aan en rolt hen om zodat Laura onder hem ligt en dan begint hij haar te kietelen. Als snel gieren ze het allebei uit en worden er woorden als: “hé” of “Stop” geroepen.   'Ik geef me over.' meld Nate hijgend en lachend.   'Goed zo!'   Even is het weer stil.   'Natie, we blijven toch altijd vrienden hé?' ze kijkt haar beste vriend diep in de ogen.   'Ja, voor altijd Laurie, we gaan samen nog super veel lol hebben toch? Kampen bouwen, zwemmen, fietsen...'   'We kunnen niet altijd lol hebben Nate, mama heeft gezegd dat school nog erg belangrijk wordt binnenkort.' zucht Laura, ze duwt een lok achter haar oren.   'Papa heeft me dat ook vertelt. We moeten veel leren, en groot worden. En op school zullen we bijna altijd samen zijn!'   ' Maar wat doen we na school dan?' vraagt ze treurig. 'Zie ik je dan niet meer?'   Hij neemt haar hand vast en glimlacht schattig, 'Jawel hoor, dan gaan we trouwen.'   Ze kijkt geschokt. 'Wil jij met me trouwen?' Nate knikt grinnikend alvorens er een frons op zijn gezicht verschijnt.    'Maar jij wordt toch niet dik hé? Mama zegt dat ze dikker wordt omdat ze zo gelukkig is met papa.' zegt hij een beetje ongerust.   'Dat komt toch door de baby in haar buik?' hij haalt zijn schouders op. 'Het lijkt niet op een baby, meer op een voetbal onder haar trui.'   Laura lacht en wrijft over haar buik. 'Nee, ik wordt niet dik hoor, beloofd.'   Hij knikt en slaat zijn arm om haar kleine lichaam, onwennig wrijft hij over haar schouder. 'Mama heeft vertelt dat trouwen wilt zeggen dat je voor altijd samen moet blijven en samen lol kunt maken. En dat is precies wat ik wil doen, bij jou blijven voor altijd.'

Writeitdown
0 1

Junior Vice President Van Nuffel

"De printer die het kassaticket afdrukt, blokkeert het contact tussen klant en kassierster." Krijtstrepen pak, geen das, zelfgenoegzame grijns op het gezicht. Sinds twee maanden staat op het visitekaartje van Gregory Van Nuffel de titel 'Junior Vice President Retail Marketing Delhaize Benelux'. Met een laserpen omcirkelt hij het woord contact. "Ons doel is om dit contact te herstellen", zegt hij nadrukkelijk en hij kijkt de kaderleden één voor één aan. De volgende slide toont een klant en een kassierster. De klant rekent zijn boodschappen af aan haar kassa. Een neerwaartse dikke rode pijl hangt dreigend tussen de mensen op de foto in, zwevend boven een witvierkanten bakje. Deze foto had Gregory zelf genomen in het filiaal in Schilde, omdat hij wist dat de directeur daar in de buurt woont. "Door dit middenobject, de printer dus, te verplaatsen, vergroten we de ruimte voor interactie".  Dan verschuift Gregory met een druk op de afstandsbediening het witte bakje in beeld helemaal naar de andere kant van de kassa, ver weg van klant en kassierster. Hij had via Google gevonden hoe hij dit soort effecten kon toevoegen aan zijn Powerpoint-presentaties. De dikke rode pijl lost op. "Resultaat? Een tevreden klant." Zelfde man, dit keer met een glimlach. Hij heeft een rode cirkel om zijn hoofd. Gregory had de kassierster gevraagd om extra vriendelijk te zijn maar nog had het zes-zeven klanten geduurd om de gewenste foto te maken. Hij had zich tevreden moeten stellen met een zuinig lachje in plaats van het brede tanden ontblotende geluk dat hij in gedachten had. De CEO knikt tevreden. 'Heren, dit is de spirit die we in ons bedrijf nodig hebben. Innovatie, buiten de lijntjes kleuren. Knap werk, Gregory'.  De Chief Operaties Officer maakt druk aantekeningen. 'Dit lijkt me eenvoudig te implementeren zonder verregaande structurele wijzigingen. Ik stel voor dat wij een kostenanalyse maken tegen volgende vergadering'. De marketingspecialist knikt instemmend: 'Dit verhaal verkoopt zichzelf. De klant staat centraal, het gaat om de totaalbeleving van onze consument, precies wat wij voor ogen hebben'. Gregory straalt. Enkel de personeelsdirecteur zucht.

J.E.W.
0 0

Moeder belt de slotenmaker

Ze had zich de dag dat hij thuis zou weggaan helemaal anders voorgesteld. Met een meisje erbij, waarschijnlijk een blondje, zoals de meesten van zijn vriendinnetjes. Ze ziet hen samen wegrijden in zijn Golf cabriolet, zijn lachende ogen in de achteruitkijkspiegel terwijl hij zijn hand omhoog steekt in de blauwe lucht -het is altijd zomer in haar mijmeringen over hem- en hij roept: 'Dag ma' of omdat het toch een bijzonder afscheid betrof: 'Tot gauw, moeke'.   Zo gaat dat in het leven, had ze gemerkt: je hebt dromen en maakt plannen, en eigenlijk is het enige wat je met zekerheid kunt stellen dat het toch helemaal anders uitdraait op het eind. Het leven is te onvoorspelbaar om zelf op voorhand uit te tekenen. Het is hoogmoedig om te denken dat je de dingen in de hand hebt. Het zijn alleen mensen die geluk hebben, die achteraf komen zeggen dat ze het scenario hoogstpersoonlijk hebben bedacht, wat natuurlijk onzin is. ++ Ze was verrast toen ze de foto's van het slachtoffer zag: de vrouw was maar een paar jaar ouder dan zijzelf. Haar haar kleurde grijs bij de slapen, ze droeg een donkerblauwe vilten mantel met zeemansknopen, van het soort dat zij ook zou kopen als ze hem in de solden op de kop kon tikken. 'Deze vrouw had de tegenslag het pad te kruisen van deze beesten', sprak de jonge advocaat met een opvallend vaste stem. De toga die hem bij de aanvang van deze rechtszaak nog te groot had geleken, onderstreepte nu op treffende wijze de ernst van zijn pleidooi. 'In hun driest opzet haar te beroven, hebben ze haar neergestoken', sprak hij, daarbij zijn blik nu eens richtend op de rechter, dan weer op Steve en zijn vrienden. Hij keek nooit haar richting uit.   Het leek haar een vreselijke job, advocaat, omdat je je boterhammen smeert met het spaargeld van mensen die bang zijn om onterecht in de gevangenis te belanden. Je strijkt geld op dat eigenlijk bedoeld is om studies van kinderen te betalen of als appeltje voor de dorst, of je laat je betalen door criminelen, nota bene om ze te helpen om hun straf te ontlopen. Het zijn centen die een gewoon mens niet eens zou willen, maar ze begreep: iemand moet het doen. ‘Zoals de wetsdokter heeft toegelicht, maakte Théresia Geerts geen schijn van kans. De daders zijn gaan lopen als een stel laffe honden, ze hebben haar achtergelaten om dood te bloeden'. Myriam keek bij deze laatste woorden, die de jongeman met dramatische klemtoon uitsprak, alsof dat nog nodig was, zo onopvallend mogelijk naar de jongste dochter van de overleden vrouw. Het meisje zat al de hele tijd als in elkaar gedoken op de tweede rij. Ze zag er ongeveer even oud uit als Steve. Het was onmogelijk om te zien of ze huilde of boos was. Haar tante had haar arm om haar heen geslagen. ++ Ze had tijdens haar bezoekjes aan de gevangenis haar zoon nooit naar de leeftijd van het slachtoffer gevraagd. Hoe minder ze erover spraken, hoe beter. Zelf begon hij er nooit over, Steve was geen gemakkelijke prater. Vroeger had hij het met zijn vader nog wel eens over auto's of voetbal, dingen waar Myriam niet het eerste benul van had. Sinds het overlijden van Bernard, lieten ze het praten meestal maar voor wat het was. Het eten in de gevangenis viel mee, had hij haar verteld, wat ze moeilijk kon geloven, want thuis lustte hij niets. Ze aten al jaren niet meer samen, dat is te zeggen: een stuk vlees en wat aardappelen met mayonaise, dat kreeg ze hem verkocht, zij aan tafel en hij voor de televisie. Voor de rest at hij bij Stanny in de frituur of bij zijn vrienden. Ze wist niet altijd waar hij uithing. Dat hoeft een moeder ook niet te weten; zolang hij maar niet dagenlang van huis bleef zonder een teken van leven. Nochtans had ze gezegd dat ze precies wist waar hij was op de avond dat de vrouw was overleden. Hij had bij zijn vertrek geroepen dat hij naar Stanny ging, wat hij drie weken later herhaalde aan de agenten die hem verhoorden, net als vandaag aan de advocaat, de rechter en de rest van de mensen in deze zaal, waarvan Myriam zich afvroeg wat ze hier allemaal te zoeken hadden, behalve de dochter natuurlijk - dat verstond ze.   Zijn trui stonk naar frietvet, daar had ze op gelet toen ze die ‘s anderendaags waste. In elk geval had ze niet gelogen toen de speurders haar vroegen waar Steve was geweest. Maar wat ze niet vertelde, was dat ze Steve diezelfde avond had gezien toen ze met Becky, haar maltezer, een ommetje maakte via de winkelstraat. Aan de halte tegenover het gemeentehuis stond hij op de bus te wachten, vergezeld door Mike en David. Ze had hem van ver herkend. Hij droeg nooit een jas tenzij het stenen uit de grond vroor. Zoals altijd had hij de kap van zijn lievelingstrui ver over zijn hoofd getrokken en hij hield zijn schouders zo dicht mogelijk bij zijn oren tegen de kou. Hij leek wat op een grimmige kabouter, zoals hij daar bij zijn vrienden stond. Toen hij opstapte, stak Myriam haar hand omhoog maar op de achterruit van de bus plakte ondoorzichtige reclame voor Proximus, ze kon niet zien of hij terugzwaaide. ++ De gerechtszaal zag er modern uit, helemaal anders dan het statige eiken decor dat ze kende uit Amerikaanse films. Het gebouw had enorme glazen wanden,  alsof de architect de beschuldigden nog een laatste keer een panoramisch zicht op de buitenwereld wilde gunnen: uit medelijden - of net het tegenovergestelde. De muren waren monotoon wit en de banken en bureaus zagen er veeleer goedkoop uit, gemaakt uit hetzelfde glanzende grenenhout als het bed en bureau van Ikea die Steve voor zijn twaalfde verjaardag had gekregen. De rechter schortte de zitting op omdat het middag was. Waar zou Steve nu eten? Zouden ze hem terug naar de gevangenis brengen voor dit uurtje onderbreking? Ze kon het hem niet vragen: hij werd naar buiten begeleid door twee ernstigkijkende agenten die hem elk bij een elleboog vasthielden. Hij had haar vandaag nog geen enkele keer aangekeken. Waarschijnlijk zou hij toch gewoon zijn schouders ophalen, of hij het nu wist of niet, hij zou er niet zoveel om geven waar of wanneer of met wie hij precies at. Dat deed hij de laatste tijd vaak als ze hem iets vroeg, bijvoorbeeld hoe het was in de gevangenis en of er wat redelijke jongens in zijn celblok zaten - hij haalde zijn schouders op. Ze was er aan gewend geraakt. Elke namiddag tussen half drie en kwart na drie bezocht ze hem. Vermoedelijk vond hij die bezoekjes vervelend, maar het was eenzaam in huis zonder hem, en bovendien: ze was zijn moeder en ze had tijd, wat moest ze anders doen? Het terras met de gele parasols en de plastic stoelen aan de overkant van het plein voor het justitiepaleis leek haar het meest toegankelijk voor een vrouw van haar leeftijd; daar nam ze plaats. Er was maar één kelner in het bijna lege etablissement, een smalle jongen met een wit hemd en een gele voorschoot bij wie ze een citroenthee bestelde. Hij keek haar misprijzend aan terwijl ze de aluminium verpakking van haar boterhammen openplooide. 'Verder nog iets, of bent u al voorzien, mevrouw?', vroeg hij. Ze dacht dat hij kon zien dat zij niet uit vrije wil naar het glazen gebouw aan de overkant was gekomen. ++ In haar herinnering was ze maar één keer ooit echt kwaad geweest op Steve. Het was toen Bernard nog leefde en zij op een middag samen waren gaan winkelen terwijl Steve op hun hond paste. Kenji was een levendige Jack Russel die Bernard ter ere van hun achttiende huwelijksverjaardag voor haar gekocht had. De hond was wat dommig, hij vergat bijvoorbeeld bij het apporteren steeds wie de stok had gegooid en ging er vervolgens maar wat doelloos op liggen kauwen in het midden van de tuin, maar ze waren weg van het beestje. Toen ze thuiskwamen, was hen meteen de ongebruikelijke stilte in de gang opgevallen. Geen keffende Kenji die hen uitgelaten tegen de knieën sprong, geen gekrabbel aan de keukendeur, en nog voor ze haar verwondering over de opvallende afwezigheid had uitgesproken, zwaaide diezelfde deur open en stoof Steve de gang in, als een woeste wervelwind langs Bernard en haar heen. 'Zoek het maar uit', beet hij hen toe terwijl hij de voordeur met zo brute kracht achter zich dichttrok dat het leek alsof de deurlijst zou barsten, of dat de hengsels het zouden begeven.    ‘Je kijkt beter niet', zei haar man met tranen in zijn ogen. Kenji lag met zijn tong uit zijn bek op de koude vloer, onder zijn kop lag een plasje bloed. Ze had Bernard maar drie keer zien huilen: toen Steve geboren werd, toen ze Kenji vonden en toen de dokter hen kwam vertellen dat hij, zesenveertig jaar oud, geen half jaar meer te leven had. Het werden uiteindelijk acht maanden, en zelfs in die laatste dagen kon hij Steve nooit helemaal vergeven. ++ Ze begreep niet veel van rechtspraak. Niet dat het haar niet interesseerde of dat ze dom was, het leek haar alleen nogal vreemd dat de uitkomst van rechtszaken waarover ze in de krant las zo verschilde. De ene keer leek de wetenschap zover gevorderd dat het onmogelijk scheen om de verkeerde dader aan te duiden, via dna-onderzoek of met soortgelijke technieken; sommigen werden tien jaar na de feiten nog opgespoord en veroordeeld. Een andere keer volstond het dat een crimineel een pruik opzette om vrij te komen wegens twijfel. ‘En daarom, edelachtbare, kunnen we onmogelijk besluiten dat mijn cliënt de dader is, of bij uitbreiding, dat hij zelfs maar aanwezig was bij de overval op deze vrouw, toen zij op tragische wijze aan haar einde kwam’. Aan het woord was de advocaat van haar zoon, een man die ze kende uit de kranten. Ze had nooit kunnen vermoeden dat ze hem nog de hand zou schudden. 'Maakt u zich maar geen zorgen, mevrouwtje’, had hij gezegd bij hun eerste ontmoeting. ‘Het getuigenverslag is zwak. De menselijke waarneming is onbetrouwbaar en bovendien was het aardedonker op het uur van de feiten. Men heeft zich slechts gebaseerd op de verklaring van één man, iemand met een twijfelachtige achtergrond. Gelooft u mij, we hebben een sterke zaak'. Maar hij was niet het type mens dat zij gemakkelijk geloofde, misschien was ze bevooroordeeld gezien zijn beroep. ++   De advocaat kreeg gelijk.   De rechter sprak Steve vrij bij gebrek aan bewijs, met de aanbeveling dat hij zich nuttiger moest maken voor de samenleving, door te gaan werken bijvoorbeeld, zodat hij zich kon omringen met properder volk, en hij zijn dagen niet langer in ledigheid moest doorbrengen, op café of in frituren. Het leven had tenslotte meer te bieden, zelfs aan jongens zoals hij. Die laatste woorden van de rechter hoorde Myriam niet meer. Van zodra ze besefte dat Steve als een vrij man de zaal zou verlaten, misschien wel met haar mee naar huis zou gaan, viel er een last van haar schouders waarvan ze het gewicht niet ten volle had beseft. De spanning trok uit haar lichaam, ze voelde nu pas hoe verkrampt ze had zitten kijken naar de gebeurtenissen van de dag; ze wilde god bedanken en de rechter, de advocaat niet te vergeten.   Steve draaide zich om naar de zaal. Hij had vast gewacht om haar aan te kijken tot hij de verlossende woorden van de rechter hoorde, uit schaamte of een soort van misplaatste trots: 'Zie je wel dat ik er niets mee te maken heb'. ++   Wat volgt, moet het moment zijn waarop ze in films het beeld bevriezen. In realiteit lijkt het gewoon alsof alles van een ongelofelijke helderheid wordt, een loepzuiver beeld tekent zich af voor haar ogen, alle geluid verstomt tot een doffe brij. Steve kijkt niet naar haar. Zijn blik schampt van haar af en landt op iemand wat verderop in de publieksbanken. Hij glimlacht. Is het naar één van zijn vrienden? Is het iemand die ze kent? Het is het blonde meisje op de tweede rij, de dochter van de overleden vrouw. Ze valt in de armen van haar tante. Over diens schouder heen haakt haar blik zich vast aan die van Steve. Als hij amper zichtbaar zijn lippen naar haar tuit, klaart haar gelaat op. Ze glimlacht en slaat haar ogen pas neer als haar tante de omhelzing lost. Dat de menselijke waarneming onbetrouwbaar is, zoals de advocaat haar had gezegd, daarmee is Myriam het oneens. Ze staat recht, gaat naar huis en belt de slotenmaker. 

J.E.W.
0 0

Kort verhaald: een wolkje onweer in een koffiemok.

 1. ‘Alle grote schrijvers schrijven autobiografisch,’ schreef een ooit befaamd Belgisch schrijver, en hij had gelijk. Hoe verklaar je anders al die slechte korte verhalen? Je kent ze vast wel: overdramatische rommel over gestorven levenspartners; vervlogen minnaars, weltschmerz, eenzaamheid of – veruit de ergste vorm van verderf – walgelijk minimalisme over kleine autistische kindjes met een suikerpot of muffe dementerende oudjes achter roestende deurknoppen die niemand ooit... Cheap emotainment, vers geplukt van Vijftv en overgoten met een sausje pervers ramptoerisme, dat op de koop toe nog geregeld bekroond wordt omdat dat schetsje minimalisme ‘toch zo uitzonderlijk geschreven is’. Om het op zijn Oscar Wildes te zeggen: het is niet omdat je uitzonderlijk schrijft, dat je ook uitzonderlijk leeft…en vice versa. En dan rest er nog de hamvraag: kan men die rommel schroomloos literatuur noemen? Zeg nu eens eerlijk… ‘Laat hen dan eens zien hoe het wel moet,’ antwoordt ze mij, in de haast magische tv-kamer waar de hyperactieve hond slaapt naast de sofa waarop zij en ik voor het eerst de liefde bedreven (maar dat geheel terzijde). ‘Dat is wel heel ambitieus, zelfs voor mij,’ reageerde ik, ‘en trouwens: ik heb mijn handen vol met onze roman, dat weet je toch?’ ‘Dat sluit elkaar toch niet uit? Schrijf dan daarover, alle grote schrijvers schrijven toch autobiografisch? Wel, bewijs het’. Ze had die pretlichtjes in haar ogen – Paris, minuit sur Seine, mon amour – en haar beruchte glimlach als een uitdaging. ‘Ok,’ zei ik, ‘maar als ik slaag in mijn opzet, druk jij jouw glimlach tegen de mijne, en zien we wat er dan gebeurt’. Over die laatste enigmatische verwoording moest ze even nadenken, maar uiteindelijk ging ze akkoord, waardoor ik nu heel wat te bewijzen heb. De hyperactieve hond laat ik intussen rustig in het midden liggen: je wil hem best niet gestoord zien worden. Zij strekte zich languit op de sofa, haar hoofd op mijn schoot en zei, heel speels en duivels verleidelijk: ‘Zo, vertel me eens een kort verhaaltje’. Een kort verhaaltje, zegt ze. Dat is 12.000 tekens volgens de stad Deinze en dus nog maar 10.219 te gaan. Het wordt hoog tijd om – zoals Van Ostaijen – naakt te zijn en te beginnen. Goed. Ik neem plaats achter mijn Underwood en transformeer mezelf tot broodschrijver. Ik word Shakespeare, Chandler, Capote – driemaal een sisklank als aanhef en één keer een Frans condoom met Truman (een Amerikaans president?) als voorspel. Zippergate? Neen, dat kwam pas later. Desalniettemin: stof tot nadenken, maar er is geen tijd: te weinig tekens en te veel, veel te veel te vertellen. Pressure! En al het goede schrijven is autobiografisch! Ok… Lig je goed, lieverd, daar beneden met je hoofdje op mijn Levi’s 501? En u, wildvreemde lezer, klaar om van start te gaan? Ik neem me vooralsnog een whisky.    2. Op een regenachtige namiddag in september stappen twee helden O’Reilly’s binnen en als echte stamgasten – of dronkaards – nemen ze plaats aan de bar. Lio en ik – jij weet dat, liefje, maar de wildvreemde lezer niet – zijn wat men noemt beste vrienden: samen maakten we Brussel al onveilig ten tijde van 9/11, Brazilië-België en Marc Wilmots. Al jaren is O’Reilly’s onze uitvalsbasis, en dat zal wel nog een tijdje zo blijven. Mitch, de barman met de Hasselhoff Baywatchnaam en de Humphrey Bogartschouders, komt ons meteen tegemoet. Lio bestelt een Guinness en een kop koffie. Buiten ons is de pub vrijwel leeg, op een koppeltje na, dat achterin de pub in een vergeten hoekje lekker knus naast elkaar zit. De jongen warmt zijn handen aan het meisje en het meisje – op haar beurt – aan een kop warme chocolademelk. ‘Die chocomelk smaakt raar,’ zegt ze. ‘Mag ik ’s proeven?’ vraag ik. Ze heeft gelijk: flets en zo goed als chocoladeloos: de cacaomix in de machine is op en de barman heeft het nog niet in de gaten. ‘Momentje,’ zeg ik en breng de fletse mok weer naar de toog. Mitch maakt er geen probleem van. Even later staat er een verse chocolademelk mét slagroom voor haar neus. ‘Handig niet, dat uitgaan met een ex-barman?’ Ik knipoog, zij lacht. Ik ga naast haar zitten op de sofa in het (vergeten?) hoekje. ‘Hé, zat jij daarnet niet tegenover mij?!’ ‘Nee, dat was iemand anders, zo’n loser met een slechte chocomelk’. We lachen – is zoveel lachen niet ongezond? – ik sla mijn arm om haar heen en ze kijkt naar me. Haar ogen stralen en komen tergend langzaam dichter en dichter en ietwat overhaast zoen ik haar. Het was lekkere chocolademelk. ‘Veel te lekker’. ‘Man, overdrijf eens niet: ’t is zwarte koffie,’ antwoordt Lio, ‘Akkoord, het is beter zwart dan met al die rommel erin: suikertjes, melkjes, candarels en een speculaasje, kloterij die abnormale mensen allemaal in hun kop kwakken…’ ‘En daarom is dit net veel te lekker,’ antwoord ik hem, waarop ik nog een slok neem en vervolgens de hele melk-suiker-candarelzooi en zelfs het koekje in mijn koffie gooi. Terwijl ik duchtig aan het roeren ben komt Maarten de pub binnen, doordeweeks een brave jongen en zelfs in het weekend een van mijn beste vrienden. ‘Dag mannen, wat doen jullie hier?’ begon hij. ‘Momentje,’ zei Lio, ‘Kris was geloof ik net van plan een vastgeroest dogma te ontkrachten’. Beiden zwegen en keken bezield naar de mokkakleurige maalstroom waarin mijn lepel – en stukjes speculaas – wild tekeer ging. ‘Een wolkje onweer in een koffiemok, meneer?’ Maarten begreep niet meteen wat er aan de hand was maar gunde me voorlopig het voordeel van de twijfel. Ook Mitch, het Alziend Oog van O’Reilly’s, hield zich op de achtergrond. Omdat er zich geen vrijwilliger aanbood nam ik zelf een slok van het inmiddels lauwe mengsel. ‘Beter?’ vroeg Lio. ‘Nee,’ antwoordde ik, ‘maar nu weet ik tenminste weer waarom ik mijn koffie zwart drink. Dag Maarten, jongen, alles goed?’ Maarten had een meisje bij, een nieuw meisje. Het eerste meisje dat hij mijns inziens ooit mee naar de pub bracht. Bruin haar, bruine ogen, slank, geen x-benen en vrij knappe borsten (rond of peervormig, kan al dan niet afhangen van en uit de beha), kortom: al bij al netjes. Maarten stelde ons voor, ze gaf ons beiden een kus op de wang. Na de nodige formaliteiten kwam ik te weten dat haar naam Stefanie was. Ietwat timide keek ze voortdurend naar de grond, alsof oogcontact een uitdaging was. Ja, wat had Maarten allemaal niet over ons verteld? En ‘beste vrienden’ ontmoeten is op zich al een precaire situatie. ‘Kijk liever wat meer naar boven, liefje, ik geneer me voor mijn kapotte schoenen,’ zei ik. Ze lachte wat onwennig, want inderdaad: mijn Allstars waren naar compleet de vaantjes. ‘Je had hem twee weken terug moeten zien,’ zei Maarten, ‘toen zat ie hier met teensletsen’. ‘Jij kleine klootzak,’ antwoordde ik, want Maarten was niet groot en had meestal een stel kl…, nou ja, ‘dat kind is hier nog maar net en direct mijn vuile was gaan uithangen!’ Lio begon luid te lachen, Stefanie viel in. Het hek was van de dam, en het ijs gelukkig vrij snel gebroken. Stefanie vertelde dat ze Maarten had ontmoet op een trouwfeest van een familievriend. Het was liefde op het eerste gezicht. Hierna spraken ze een aantal keren af en intussen – drieënhalve week later – waren ze samen en ja hoor: gelukkig. Ik herinner me nog hoe ik dacht: ‘Soms lijkt het zo makkelijk te gaan, zo vanzelfsprekend, is dat dan echte liefde?’ Daar leek het in ieder geval op. Ze waren jong en verliefd, op een typische, niet-walgelijke wijze. Daar was ik oprecht blij om, hoewel het tegelijkertijd pijnlijk was om aan te zien. Volgens mij beseften Lio en Maarten dat: ze wisten het immers van jou en mij. Misschien ook daarom dat Maarten na één rondje zei dat ze er vandoor gingen: ‘Stefanie wil nog snel even de winkelstraat doen’. ‘Vergeet niet,’ riep Lio Maarten nog na, ‘betalen doe je in de Rue D’Aerschot!’ Ik stootte mijn elleboog onzacht tegen zijn ribben. ‘Wat?’ antwoordde Maarten. ‘Geen schandalen in ’t paskot!’ verduidelijkte ik. ‘Aight,’ lachte Maarten en stak zijn duim omhoog. ‘Waarom was dat nu weer nodig?’ vroeg ik. Lio nam een slok van zijn Guinness, ‘Weet ik veel’. Ik wist het ook niet meer, het hele gedoe had me ontstemd en wellicht daarom vroeg ik Mitch om twee Jack-on-the-rocks te maken, zodra hij even vijf minuten tijd had. Mijn blik dwaalde af naar het vergeten hoekje: het knusse koppeltje zat er niet meer. Ze waren vast, los van elkaar, naar huis gegaan…    3. Met gesloten ogen ligt ze naar me te luisteren, een tijgerin in de prairie die in staat is me te verscheuren zodra ik in ademnood raak en mijn woordenstroom dien te pauzeren – bij haar ben ik slechts een papieren tijger, moet je weten. En toch wil ik even halt houden: wat een bravoure (Neen, in feite is mijn glas gewoon leeg, de inspiratie even op of het inktlint van de Underwood versleten: kies maar). ‘En in dat verhaal zit geen heimwee of eenzaamheid?’ begint ze. Ik streel haar zachtjes, voorhoofd-wang-hals, waar het warm is: ik ben een waaghals. ‘Natuurlijk wel, maar ik miste je, en ga daar niet over liegen. Vind je het overdramatisch misschien?’ ‘Nee, nóg niet, ga nog maar even door’. (Met strelen?) ‘De fletse chocomelk, dat weet ik nog, maar ik herinner me niets van je periode als barman’. ‘Vandaar dat ik ex-barman zei: dat was grotendeels voor jouw tijd, maar je herinnert je vast nog wel de picknick in het Warandepark, vlak voor mijn avondshift?’ ‘Ja! Dat weet ik nog’. ‘Nou, dan hoef ik het je niet te vertellen’. ‘Jawel, vertel: denk aan de wildvreemde lezer!’ ‘Nou goed, voor de wildvreemde lezer dan,’ knipoogde ik. ‘Klootzak’, zei ze. ‘Ga je me nog lang onderbreken?’ En toen zweeg ze.    4. ’s Morgens was er geen zon, alleen donkere wolken met wat onweer en regenwater. ‘Fuck,’ dacht ik toen ik mijn Mercedes insprong, ‘Is dit nu een weertje om voor de eerste keer naar Brussel te rijden?’ Brussel is levensgevaarlijk met de auto: stel je het gerust voor als een Spaans tomatengevecht waarin je met een gloednieuw wit maatpak onbevlekt door moet navigeren. Of overdrijf ik? Hoe dan ook, ik werd om 17:00 verwacht in Brussels Café, en daarvoor moest ik jou zien in Brussel. Ik had geen keuze: drie dagen later vertrok jij voor drie weken naar India. Falen was dus geen optie, en ik was voorbereid: een picknickmand met daarin jouw favoriete broodje, jouw favoriete smoothie en een kleinigheidje dat zelfs voor jou een absolute verrassing was. Met al dat lekkers op de achterbank reed ik de garage uit, het noodweer in. Gelukkig had ik net nieuwe ruitenwissers. Op straat wandelde Joke voorbij, een vriendin van enkele huizen verder die me ooit, op vakantie in Rhodos, haar borsten liet zien (ze was toen zestien, ik veertien en bijgevolg erg onder de indruk). Nu zie ik haar lopen en is ze ongeveer even boeiend als de soepmixer in de tweede lade links onder het keukenaanrecht: af en toe kijk ik er eens naar, zonder meer. Het is niet dat ik meteen soep ga maken: ik heb namelijk al jouw favoriete smoothie. Ze wuift, ik wuif afwezig terug en rijd snel door. Wat kan zij me bommen, ik rijd naar jou toe! Welgeteld tien minuten voordat je in Brussel Centraal de trappen opliep klaarde de hemel uit. De zon straalde met het mooie meisje en ik liep naast haar Frank Deboosere te bedanken voor zijn accurate weersvoorspelling (laten we in het moment blijven: Frank is niet romantisch en je hebt nog slechts 2.675 tekens voor de grote finale). Fast forward. ‘Wil je even je ogen sluiten?’ vroeg ik je op een bankje aan het paviljoen. ‘Wat?’ ‘Gewoon even je ogen sluiten, en ze pas openen wanneer ik het zeg’. ‘Je gaat me toch niet kussen, hé?’ ‘Nee, helemaal niet, ik ga wachten tot je ze sluit, wegwandelen en morgen misschien eens komen kijken of je hier nog zit’. ‘Grapjas,’ zei je. Met gesloten ogen zat je naast me, een tijgerin in het Warandepark, en heel voorzichtig bracht ik het zilveren hangertje om je hals. ‘Het is prachtig,’ zei je en omhelsde me. Vuurwerk, het voelde als Nieuwjaar, maar het was juli. ‘Als ik haar nu kus, verpest ik dan alles?’ dacht ik. En denk ik nog vaak wanneer ik jou zie, met dat zilveren hangertje om je hals. Nog steeds…    5. ‘Nieuwjaar? Zeker dat je niet kerstavond bedoelt?’ vraagt ze veelbetekenend (de hele affaire met de sofa die ik geheel terzijde laat, dat gebeurde onder andere op kerstavond). ‘Nee, lieverd, onze wildvreemde lezer heeft namelijk geen zaken met kerstavond’. ‘Nee, dat is waar, maar Nieuwjaar?’. ‘Herinner je niet meer hoe ons jaar begon? Met vuurwerk, kort na middernacht, en een heleboel mensen en een hyperactieve hond die de straat op liepen. En hoe wij nadien alleen achterbleven, een andere straat in, waar we samen uitkeken op de horizon en lichtjes en elkaar omhelsden? Vuurwerk. Dat is hoe het begon. En weet jij hoe het eindigt? Nooit. We’ll always have Paris. Zoiets gaat nooit voorbij en zelfs als ineens alles anders is zullen jij en ik nooit… Sorry schat, ik maak het weer te moeilijk’. ‘Dat geeft niet,’ zegt ze terwijl ze overeind komt en dwars op mijn schoot gaat zitten, met haar armen om me heen. ‘Het was een mooi verhaal’. ‘Wil je zeggen dat…?’ Ietwat overhaast ontmoet haar glimlach de mijne… het is een fijn weerzien. Onze lippen delen geheimen waar onze tongen over zwijgen, ook al schrijven grote schrijvers autobiografisch. ‘Je hebt nog 1.102 tekens,’ fluistert ze, ‘wat ga je daarmee doen?’ Ik lach – zoveel geluk moet haast ongezond zijn – en zeg haar: ‘Dat, mijn lieve meisje, gaat de wildvreemde lezer niets aan...’

Blikschade
1 0

Midnight Express

“Ours is essentially a tragic age, so we refuse to take it tragically”. D.H. Lawrence 1. Central Park, New York, iets na middernacht. Noem het een poëtisch, gotisch of stereotiep begin, het betekent zo veel of zo weinig als u zelf toelaat, maar daar liep ik dus: te midden van drugsdealers en homoseksuelen. Aidsgoeroes... Verwrongen spiegelbeelden van de overdaagse joggers en eekhoorns. Ik was niet op zoek naar hen, miserie – als ik het zoek – vind ik het thuis wel bij D.H. Lawrence, Hugo Claus of Stephen King. De inspiratie voor vannacht was Mona: een knap rijkeluiswicht met lichtbruine haren en een blanke huid. Ongeschonden en ongerept: een prinses zonder stamboom. Enkele jaren geleden kwam ze over de vloer, op het bed en ook ergens in mijn keuken. Het hoorde iets eenmaligs te zijn… maar daar blijft het helaas nooit bij. Ze bewonderde wat ik zei en deed en verwachtte van mij hetzelfde. Ik was danig onder de indruk van haar lichaam, maar dat was niet genoeg: ze had ambitie, ze had trots, ze was een hooggeschoold, oerdom meisje dat nooit echt vrouw zou worden. Een sterfelijke Peter Pan: gay, innocent and heartless. ‘Binnen dit en vijf jaar kijk ik uit op Central Park, vanuit mijn villa aan de mooie kant van de stad,’ zei ze vastberaden, terwijl ze vanuit mijn raam het duister inkeek, ongeveer vijfenhalf jaar geleden. Aangezien mijn plannen voor vanavond zich hadden opgeschoven tot later of nooit, besloot ik de doortocht door het park te maken, naar die zogenaamde ‘mooie kant’ aan Central Park, om te zien of ik ze zou aantreffen, achter het raam van die beloofde villa. ’s Nachts zie je de engelen niet. Samen met de zon verdwijnen ze het park uit, dat nadien zelf opgaat in de duisternis. Vreemd is die donkere mantel, die als een wolf door de wereld zwerft, bang voor zowel het echte als het valse vuur. Tast het de wereld aan of af? Blijft alles netjes onder de mantel liggen tot het opnieuw gezien wordt of gebeurt er iets anders? Een konijn wordt een duif in de hoed van een goochelaar, en tegen de volgende show is die duif weer gewoon konijn. Of is er iets veranderd? We weten namelijk niet wat er onder de hoed of het dekschild gaande is. Enkel dat het park nu meer aidsgoeroe dan eekhoorn lijkt te zijn. Ik verkies het zo: menselijk in plaats van goddelijk. Donkerder met iets meer dan nacht. Het is verleidelijk om van het pad af te dwalen: om de hoek, tussen de struiken of onder de brug liggen boeiende verhalen als manna voor het grijpen. Het zou ons echter van de premisse doen afdwalen, het werkelijke doel van dit verhaal: Mona, en haar droomvilla in de sjieke buurt, mijlenver voorbij de zeven huizekes van de Voorstad. Wat ligt er daar op me te wachten? Een naakt peertje, een engel, een lege wikkel of gewoon meer van hetzelfde?    2. Eén grote mistlamp en een verlicht bordje met ‘Desire’ op. Dat is wat je ziet van de tram, lang voordat zijn details duidelijk worden. Een wit dak, rode carrosserie en een flauw-gele afwerking rond de ramen. Datzelfde flauwgeel vormde samen met zilvergrijs en stoelbekledingbordeaux het interieur van de tram. De bestuurder droeg een zwart uniform met gouden knopen, en een rood detail geborduurd op de schouders en mouwen. Op het gouden naamplaatje boven zijn rechterborst stond ‘Charles’ in sereen-zwarte hoofdletters. De tram stopt enkele passen voor mij, de deur schuift open en ik kijk recht in de ogen van het bekende gezicht. ‘Wel, wel, masta, nog steeds onder de levenden?’ zegt hij. Voorlopig wel, Carl, antwoord ik, maar wat is dat nou? Ik dacht dat je enkel Cemeteries deed? ‘Tijden en plaatsen veranderen als orders, maatje, dat was New Orleans en dit is New York, uitbreiden en multitasken, weet-je-wel!’ Goeie ouwe Carl... Ik kende hem van die oude tijden, lang voor Neverland, Avalon en het oude Zuiden. Hij was nog geen haar veranderd. Carl had de looks van Robert Johnson, de stem van Louis Armstrong en de grijns van Jack Nicholson. Uiteindelijk voelt iedereen zich op zijn gemak bij Carl. Hij is mijn favoriete chauffeur – zowel zittend op de tram als dronken op de achterbank van een groene Mercury Coupe – en voor de prijs van één zilveren dollar voert hij je naar waar je ook heen moet. Dus betaal ik de man en vertel hem mijn bestemming: ‘Café Europa’. ‘Café Europa,’ zegt hij en grinnikt, ‘in de buurt van Desire, dat lukt me wel. Ga zitten, ouwe vriend’. Ik neem plaats niet ver achter hem. Helemaal achterin de tram zit een vrouw met een jaren tachtigkapsel – lang, zwaar gekruld, geblondeerd haar – en overdreven make-up. Ze is jonger dan ik, niet onknap en doet haar best om mijn penetrerende blik te negeren. Een man op weg naar Café Europa, dat voorspelt niet veel goeds, moet ze vast denken. Café Europa was ooit een plek zoals de Cotton Club, maar dan gelegen aan de haven van Brooklyn. Onder invloed van de noden van de havenlui transformeerde de bar – na een korte tijd als speakeasy – tot een van Brooklyns beruchtste bordelen. Klanten als ik houden er een vaste loge op na, die qua luxe en uitzicht kan wedijveren met het Plaza Hotel en de Waldorf-Astoria. Een hemelbed, zijde en satijn, verse rozen(blaadjes op een blanke of gebruinde huid) en een fles Dom Perignon gekoeld in een goudkleurige ijsemmer: kant en klaar wanneer je de deur opent is hun motto. De meisjes rekenen er ook niet per uur; ze staan de hele nacht tot je beschikking. Tenminste, indien men leeft volgens de code van de gentleman en diens bankrekening. Zo eenvoudig was het, is het nog steeds, in Café Europa, waar de spiritus mundi vloeit en verdampt als Dionysische wijn uit christelijke bekers. Als het collectief breekt, blijft het individu alleen achter, en wat volgt is een queeste naar gezelschap met slechts één bestemming… Word je nooit eenzaam, Carl, ’s nachts, in het donker? Hij lacht, een hartelijke bulderlach die met hem de hele tram doet schudden, ietwat geforceerd. ‘Masta, ik ben een watman, sociaal vaardig als taxichauffeur en kelner: zolang er pendelaars leven, ben ik nooit eenzaam’. Een vluchtige wenk in de richting van de vrouw. ‘Alle vormen en maten, sommige interessanter dan andere’. De juiste vormen en maten had ze inderdaad. Carl had me daarnet niet laten uit-kijken: een blanke huid, jonger en zachter dan haar gezicht, met een gouden hanger – een slang met robijnen ogen – tussen haar nogal voor de hand liggende borsten. Onder het witte, diep uitgesneden topje zag je haar navel, een strak lederen minirokje dat nauwelijks haar heupen kon bedekken, donkere nylons met hier en daar een ladder en daaronder roze pumps – inderdaad: blond-wit-zwart-roos of andersom. Kleurrijk, zei ik, waarop Carl antwoordde: ‘en onder de gekleurde lichten is ze vast een regenboog’. Hij wist dat ze werkte in Café Europa, nog niet zo lang, maar lang genoeg voor Carl om te weten dat de klanten haar Viola noemden. Shakespeare en bordelen: verbonden tot in de eeuwigheid. Ze was in korte tijd de nieuwe sensatie geworden: haar act was die van de aan lager (haven)wal geraakte Broadwayster. Broadway is net niet Hollywood: hier kan men nog een tiet zien – actrices die te diepe buigingen maken of vervuld raken in de kleedkamers. Plots blijven dan de goede reviews weg, worden de stukken prematuur opgedoekt, de theaters gesloten en de actrices op straat gegooid. Maar niet getreurd: over een klein uurtje opent Café Europa en er is nog een positie... schrap dat: alle posities! Mary-Lou has finally made it to Broadway. De wereld gaat op in showbusiness, and there’s no business like show-business. Interessant, Carl, heel interessant. ‘You betcha,’ antwoordde hij met een knipoog. Wat kan ik zeggen? Carl zat in de juiste branche: door te vissen met mijn betekenaars sloeg hij geregeld de juiste betekenis aan de haak. Aangezien we samen al vele watertjes hadden doorzwommen, gaf ik ze hem geregeld in bruikleen. Mijn giften gaven hem de impressie van weten, een dorre schets wetenschap herleidt tot moleculen terwijl het heelal streeft naar entropie – en jij dacht wellicht naar diversiteit. Men is dus beter af – of tenminste pragmatischer – als zaaier dan visser. Waarom dan nog vissen? Om gezellig eens te kunnen ronddobberen in een vochtige poel van verderf, al dan niet om uiteindelijk kopje onder te gaan in die grote, mondiale Styx. Wie ben ik om dat verlangen te onderdrukken? Mijn goede vriend Carl zou het wel begrijpen, dus wond ik er niet te veel doekjes om. Ik denk dat ik met haar eens een praatje ga slaan. ‘Ha-ha, masta! Ik zou het zelf doen indien mijn kont de bestuurderszit niet ingedraaid was. Zo is het, Carl! We zijn allemaal vissende vissers, zei ik tegen hem en wierp mijn hengel uit naar de achterbank.    3. Ga jij ook naar het plezierkwartier, vroeg ik aan de jonge vrouw met het Kim Wildekapsel. Ze knipperde met haar ogen en schudde wat onwennig het hoofd, zoals we allemaal wel neigen te doen indien we plots uit de lucht vallen. Vooraan hoorde ik Carl lachen om mijn vrijpostigheid. ‘Het plezierkwartier?’, herhaalde ze. Ja, je weet wel, ze noemen het ‘Vieux Carré’, dat vierkanten plein net voorbij Columbia Street waar de straatartiesten jurken, de bedlegerigen nooit snurken en de bezoekers zich laten ont... kurkdroge humor, beste lezer, ik laat het verder voor wat het is. Het plein met sierlijk fluorescente namen als Tarantula Arms, Love-Lace, Vertical Whorehouse en – uiteraard, als klap op de vuurpijl – Café Europa. Een flits van herkenning schitterde op haar gezicht. ‘Café Europa,’ zei ze, ‘zeg dat dan meteen’. Ze wierp me een ondeugende blik met dubbellaag coating toe en zei: ‘Dan blijf je toch hangen tot na mijn optreden, cowboy? Misschien staat Viola het toe dat je haar een drankje betaald – of twee, hangt af van je stamina’. Flap-flap, artificieel gewimper, alsof dat het doet – ja, natuurlijk. Beste lezer, nogmaals sorry voor de korte onderbreking maar ik wil even zeggen dat het niet noodzakelijk is om me op mijn woord te nemen: ga het gerust zelf na, maar volgens mij is er iets ernstig mis met vrouwen die over zichzelf in de derde persoon spreken. Ik herinner me nog hoe ik na die uiting haar nogmaals van kop tot teen onderzocht, en niet echt een bezwaar kon verzinnen om procrastinatie en abstinentie in te ruilen voor fornicatie – de tijd van monniken, religie en annalen ligt achter ons. En zelfs Orsino hoor ik geen commentaar leveren over het al dan niet neuken van zijn manwijf, wijfman of welk soort vaartuig Shakespeare ook voor ogen had. Ik lachte en vertelde haar dat het voor mij een genoegen zou zijn om de ‘belle of the ball’ te entertainen. Aan haar pretenties te oordelen was ze een vrij populaire attractie. Dat is goed mogelijk: het was eeuwen geleden dat ik in de sporen van Carls tramlijn had getreden. Wie weet hoe het er in Café Europa tegenwoordig aan toe gaat. Maar waarom ontkende ze dat ze tot Vieux Carré behoorde? Alsof het tegenwoordig nog een schande is! Ze zijn beter dan psychiaters… Deze vlinders die naast de nacht hun nectar delen met mannen wiens vrouwen zich godinnen voelen, een Tantalusillusie die jammer genoeg waanzinnig is. Is het niet zo dat de man die zich koning voelt – zoals Huey Long ooit zei – zich hier nooit zou vertonen? Al dat huidige, domme feminisme – het is immers weinig zinvol – waar vrouwen mannen tot schandknaapjes reduceren omdat er ooit een paar klootzakken – ween-ween – eens gemeen tegen hen waren. ‘Meester, hij heeft me gepest…’ Dat komt omdat hij een klootzak is, en hij het niet alleen voor jou, maar voor iedere goeie lobbes die ooit durft werkelijk van je te houden het inmiddels verpest heeft. Er is alsnog een niet onbelangrijke nuance bij deze redenering: het is de vrouw die de klootzak zijn macht geeft, zich nadien godin waant en met dit gedrag zelfs de mediaan-metaforische goeie lobbes de optie Vieux Carré doet overwegen. Vieux Carré is het Olympos voor eenzame, onverzadigde zielen. De prinsenplaats in Tartaros. Hell ain’t a bad place to be – tenminste, vanuit dit gemakzuchtige standpunt. En zolang mannen nood hebben aan hun portie nectar of ambrozijn om denkbaar goden te zijn, there’s no business like show-business! Wat ik hiermee bedoel ligt volkomen in het midden. Tussen jou en mij, lezer en schrijver, acteur tot acteur, in een ver-ziende plaats waar het tijdsconcept deels is opgeheven. You know someone said that life’s a stage and each must play a part…Viola speelt vergane Broadwayglorie op de podia van het plezierkwartier, ik de opportunistische avonturier met geld en tijd zat. Het stond in de sterren geschreven, zij en ik, achter de coulissen in Café Europa. Carl zou ons er wel brengen… Vieux Carré… Een hemel-bed lacht ons toe als een kolderkat. We raken er wel op tijd voor je act, meid, zei ik, en trok haar vervolgens wat dichter tegen me aan. Mijn vingers gleden over haar linkerborst en streken langs haar navel. Ze keek me aan met wijd-groene ogen, haar blik bevatte een mysterieuze, vreemd bekende ondertoon die ik niet kon plaatsen – een toets in het aroma die mystiek versmolten raakt met een vergeten herinnering. Herinneren is proeven, en proeven wakkert de honger aan. Het valse vuur, vanuit de diepte duikt het op uit het wrak. Het roept ons, vertroebelt de geest als spiritus sancti zonder ooit onze lusten te beantwoorden. In perpetuum. ‘Stop’, ze weerhield mijn hand om dieper te gaan en zei: ‘Niet zo vrijpostig, meneer, laten we vannacht vooral gentleman blijven’.    4. Vannacht in deze kamer draagt ze niets dan lakens en maanlicht. Mijn lakens in mijn bed aan mijn raam dat uitkijkt op het park en de stad. De engelen houden de wacht op het balkon, maar dat ziet ze niet: vanuit de penthouse torent ze uit boven Manhattan. Van hier kan je de Bethesdafontein niet zien, hoezeer zij en de engelen er ook naar uitkijken. ‘Over het uitzicht heb je niet gelogen, maar dit is nog niet de mooie kant van Central Park,’ zei ze. Mona, een kritisch, hooggeschoold, oerdom meisje dat nooit echt... weg is. Half in een roes droom ik naast haar en laat ik haar zeggen wat ze wil. In haar omhelzing ben ik ongenaakbaar naakt, onkwetsbaar. Een beeld van god is slechts half-god en half-tastbaar – één zijde van een zilveren dollar op zoek naar de andere. ‘Wat een stad,’ zegt ze, met fonkelende ogen als bij de eerste keer, ‘het is alsof je neerkijkt op de sterren’. Second to right, and straight on till morning, vertel ik haar. Maar dat begrijpt ze niet, zoals ik niet begreep waarom ze me toen plots naar zich toetrok, met haar hand doorheen mijn haar ging en met het topje van haar neus langs de mijne gleed. Ik keek haar vragend aan. Waarom loopt ze niet weg als ik zo dicht in de buurt kom? Misschien denkt ze niet langer aan morgen en denk ik morgen niet meer aan haar. Aan de gedachte dat ze me na de ochtend verlaat, dat ze vroeg of laat haar lichaam van het mijne ontdoet, en terug in haar kleren gaat verdwijnen. In tegenstelling tot engelen en goden ben ik nog niet van marmer of steen… ‘Kom hier, jij’, fluistert ze. Was this fair paper, this most goodly book, made to write…? De nacht valt met mij, achter het raam waaruit je Central Park kan zien, en met wat verbeelding boven de hemel uitzweeft. Maar we kijken niet meer, ik heb haar en zij… leunt voorover en kust me. Ooit, heel even, heeft zij met haar lippen… en ik geloof dat ik toen de rest deed. Toen geloofde ik… niet Mona, maar ik, dat zij het was. Alleen… ik niet.

Blikschade
0 0