Lezen

De colloscopie

Vanochtend om zes uur belt Oma me wakker. Ik neem de telefoon niet op en zet hem op vliegtuigmodus. Een half uurtje later wordt er aan de voordeur gebeld. Vliegensvlug doe ik een onderbroek aan en spurt naar beneden. Er staan twee politieagenten voor de deur. 'Goeiemorgen, iets met Oma?' 'Ja' 'Kom maar binnen. Het is veel te fris.' Oma is verward. Om 05uur30 heeft ze de psychiater gebeld, want ze is ongerust. Ze kon me niet bereiken. Vannacht droomde ze dat ik bij haar was geweest om afscheid te nemen. De politieagenten zijn vriendelijk. Ik vertel hen dat Oma met momenten flipt.  Ik eet tegen mijn zin een witte boterham, want volkorenbrood mag niet. Morgen heb ik een dikke darmonderzoek. Ik ben dus op dieet.  De volgende dag sta ik om kwart na zes op. Ik heb kou. Ik doe pipi. Ik neem mijn pilletjes. Ik rook. Ik drink één tas koffie, want ik moet nuchter blijven. Ik drink toch een tweede tas koffie. Zo'n groot probleem zal dat wel niet zijn. Ik hoest. Ik doe de gordijnen open. De iPhone laadt. Ik drink een glas foud'O. Ik twijfel of ik een Nicotine-klever zou meenemen. Ik twijfel ook of ik er niet naartoe zou fietsen en dan later mijn fiets terug op te pikken. Of toch gewoon te voet? Of toch de bus van de Lijn?  Twintig na zeven beslis ik om te voet te gaan. Daarvoor de informatiebrochure nog een keer doorgenomen. Ik rook nog een sigaret om het af te leren. Ik zie er tegenop om een ganse dag niet te kunnen roken.  Ik wandel via de nieuwe kaai richting steenweg op Merksplas. Het regent niet. Ik wandel op het fietspad. Nu en dan fietst er iemand op weg naar zijn werk voorbij. Aan het bord 'de campus Sint-Jozef is rookvrij.' steek ik een sigaretje op. De bus 43A richting Hoogstraten komt voorbijgereden. Aan de inkombalie neem ik een ticket en meld mij aan voor het daghospitaal. Ik begroet de straathoekwerker die zegt: 'Ik had u niet herkend.' Stipt om acht uur meld ik me aan op het vierde verdiep, route negenentachtig. Een verpleegkundige wijst me mijn kamer en vraagt: 'Heeft u nog papieren ingevuld?' 'Jazeker. Alsjeblief.' Ik geef haar de paperassen die ze snel bekijkt.' 'Gij hebt uw huiswerk goed gemaakt.' Ik krijg een éénpersoonskamer en moet daar niet voor bij betalen. De wandeling tot aan het ziekenhuis viel goed mee.  'Hier is de godendrank van vandaag.' zegt de verpleegster. Ze legt uit dat je elk kwartier twee glazen moet leegdrinken. Het beste is ook om op de gang wandelingetjes te maken, want dan 'zakt alles beter.' Om half negen drink ik mijn eerste glas Colofort. Op één uur is de eerste fles leeg. Ik moet nog niet naar het toilet. Ik doe blokjes rond in het dag hospitaal en kijk door de raam. De verpleegster heeft me ook geprikt en een infuusnaaldje gestoken waarlangs straks medicatie zal gegeven worden. Het volgende wandelingetje, na glas vijf en zes, blijf ik in de buurt van mijn WC-pot, want ik krijg het gevoel dat ik moet urineren. Mijn darmen maken een raar geluid. Het lijkt er op dat er allerhande sappen zich vrij maken. Mijn darmen borrelen, bruisen, pruttelen, knorren en kabbelen. Kortom: het rommelt. Mijn kamernummer is vierhonderd achttien. Glas zeven en acht, de tweede fles dus, gaan al iets moeizamer. Ik zet de timer van mijn iPhone weer op vijftien minuten. De verpleegster, een vrouw van middelbare leeftijd, vraagt: 'Lukt het? Gewoon verstand op nul en drinken, drinken. Daar moet je door.' Ik doe nog een kort wandelingetje op de gang. Ik krijg het gevoel dat die godendrank begint te werken.' Ik voeg het telefoonnummer van de CM-mobiel vrijwilliger toe aan mijn contacten. Om half tien moet ik naar het toilet. Durchfall. Het spuit eruit. Het stinkt naar rotte vis en giftige bospaddestoelen. Het maakt ook een hels kabaal. Ik doe de deur van het toilet toe om de vieze geur buiten de kamer te houden. Vijf minuten later moet ik een tweede maal. Het lijkt of ik urineer langs de aars. Vanaf nu geen wandelingetjes meer. Ik blijf in de buurt van de pot. Ik vermoed dat mijn darmen al leeg zijn. De tweede fles is op. Ik hoop dat de dokter de tijd vindt om me vroeger dan half vijf te onderzoeken. Zo niet wordt het een lange dag. Het is tien voor tien. Ik ga snel een derde fles halen. De verpleegster vraagt of ik de volgende keer niet wil doortrekken, zodat ze even kan komen kijken naar de helderheid van mijn losse stoelgang. Ik heb zin in een sigaret. Seffens ga ik op bed liggen voor een dutje. Het drinken gaat moeizamer en moeizamer. Er komt enkel nog vloeistof uit mijn darmen. De verpleegster komt kijken en zegt: 'Die kleine spetterkes hebben ze ook niet graag. Voor de rest ziet het er goed uit. Drink die derde fles nog leeg. Ik zal dokter Harlet bellen, misschien kan je dan vroeger naar het onderzoek.' 'Merci.' Ik ga op bed liggen. Vijf na elf. Nog drie glazen te gaan uit fles drie. Plots, zo rond vijf voor twaalf, staan er twee juffrouwen aan mijn bed. 'U mag meegaan richting OK' Ik vraag: 'Richting wat?' 'Operatie Kwartier.' 'Ah, uitstekend.' Ik overweeg nog even op het Wc te gaan zitten, maar volg de juffrouwen gedwee. We nemen de lift naar de eerste verdieping, slaan links af, en een keer rechts af. Ze zetten het bed voor een donkerrode deur. 'Ga hier maar op je bed zitten. Dokter Harlet komt zo.' Tien minuten later komt de gastro-enteroloog, helemaal in het zwart, op witte Zweedse klompen, aangewandeld. Hij zegt op vriendelijke toon: 'De verpleegster komt u direct halen.' Ik knik. Ik heb het gevoel dat ik pipi moet doen. In de verte komt een verpleegster op roze crocks met dekens en lakens op de arm naar me toe. Ze zegt dat ik kan binnenkomen in de kleedkamer. Ik moet mijn schoenen, broek, onderbroek uitdoen. Mijn bril heb ik ook niet nodig. Ik krijg een omslagdoek aangereikt en mag, als ik klaar ben binnenkomen. Ik moet op mijn linkerzijde op een laag bed gaan liggen. Dokter Harlet vraagt mijn naam en geboortedatum. 'Dan bent u de juiste,' zegt hij laconiek. Daarna stelt hij een vraag die ik vandaag al drie keer heb beantwoord: 'Neemt u bloedverdunners?' Neen.' Daarna geeft hij de verpleegkundig de opdracht mij de juiste dosis pijnstillende en kalmerende medicatie toe te dienen. Als ik me niet vergis onder andere Fentanyl van dokter Paul Janssen. Erg populair in de achterafstraten in de States. Ik ben suf, maar af en toe kan ik meekijken naar de beelden van mijn dikke darm. De zichtbaarheid is goed. De dokter blaast af en toe koolstofdioxide in de darm, hetgeen lichte krampen veroorzaakt. Ik slaap dus niet volkomen. Af en toe duwt de verpleegkundige op mijn buik om een vlottere passage van het onderzoeksinstrument doorheen de bochten van de darm mogelijk te maken.  Om tien voor één ben ik terug op kamer vierhonderd achttien. Ik doe een dutje van een uur. Er doet niks pijn. Om half twee ben ik nog wat suf. Ik ga eten vragen. Ik krijg twee pistolets en een tas koffie. Dat smaakt. Daarna doe ik mijn schoenen aan. Ik mag naar het kantoor van de dokter route D50. Die is kort en bondig: 'Enkel vier kleine poliepjes. Alles in orde.' Ik vraag: 'Kanker?' 'Neen, helemaal niks.' Hij vervolgt met 'de volgende colloscopie kunnen we over drie jaar doen.' En tot slot: 'U mag terug alles eten.'  In het gazettenwinkeltje in de inkomhal koop ik een bekertje koffie. Ik ga even naar de titels in de zwerfbibliotheek kijken en vergeet daar die koffie. Buiten steek ik meteen een sigaret op en bel de CM-mobielvrijwilliger op. Die me normaal gezien rond vijf uur ging komen oppikken. Hij is op weg naar Rijkevorsel en kan onmogelijk naar Turnhout komen. Ik heb geen keus. Ik wandel te voet naar huis. In de Aldi koop ik nog bakboter, eieren, Knoppers en ijsjes. Rond drie uur ben ik thuis. Drie uur vroeger dan gepland.  De secretaresse van de huisarts belt. Hij heeft het document van zorggroep Orion ingevuld en ik kan dat komen halen. Ik fiets naar de papenbruggenstraat. Daarna richting Oma en de verantwoordelijke van de serviceflat. Die eerste is thuis, de tweede zit niet op haar bureau. Oma is weer erg boos. Ik krijg opnieuw het deksel op de neus. 'Wat doet gij allemaal achter mijn rug?' Haar nieuwe TV heeft ze cadeau gedaan. Ik hou het kort. Om vijf uur drink ik thuis mijn eerste glas rode wijn, een gekoeld glas El Coto. Ik neem een tranxène en de antipsychotica. Ik ben van plan nog een tweede fles te gaan kopen, maar de Pakistani gaat pas om zes uur open. Ik zet Deezer op die klassieke muziek speelt. De Koe van de koestraat, mijn zus is daarstraks bij Oma geweest. Ik fantaseer dat het kutwijf van een rots valt in Portugal. Om half zes is de El Coto op. Ik moet nu een half uurtje vol maken tot de nachtwinkel opengaat. Ik overweeg nog op café te gaan, maar doe het niet want daar kost één glas evenveel als een hele fles. Mijn darmen geven opnieuw een concert. Ze borrelen, bruisen, pruttelen, knorren, kabbelen en worden overspoeld door koude, rode wijn. Eten doe ik niet. Ik doe een kort dutje in de antieke zetel en luister Leonard Cohen. Ik bedenk me dat dokter R. Harlet een competent geneesheer is. Even later fiets ik langs de parking van het station van de NMBS naar de merodelei en koop een fles El Coto. Acht euro en een half kost dat. Plots gaat de telefoon. Joop Plukkel uit Breda belt. Die gaat morgen naar Diest en vraagt zich af of hij bij mij op visite kan komen. 'Zeker Joop, kom maar langs.' Ik fantaseer nog steeds. Mijn darmen zijn gekalmeerd. Mijn brein nog niet. Ik steek een pastaplat in de microgolfoven. Ik ben van plan mijn zus en broer volkomen te negeren. Als dessert eet ik een Knoppers en drink een ayran. Om half elf kruip ik, straalbezopen, in bed.  De volgende ochtend ontwaak ik met een stevige kater. Ik doe pipi in de badkamer. Ik rook. Ik drink koffie. Mijn ingewanden zijn muisstil. Dit keer piept de ademhaling. Na de derde sigaret drink ik nog wat appelsap. Ik zie dat er in de pompbak een grote spin zit, die op mijn gemoed werkt. Ik ga opnieuw naar bed tot tien uur. Ik moet nog het een en het ander opruimen voor Joop komt. Ik rook mijn laatste sigaretje, dus ik moet een nieuw pakje gaan kopen. De zon schijnt. Ik zet de raam open om wat te verluchten. Ik ben moe. Ik eet een klein kommetje Kellogg's K met rode vruchten. Ik rommel wat op in de keuken. Ik vul de PMD zak. Daarna ga ik naar het toilet voor een grote boodschap. Eerst druppelt er wat urine uit mijn penis en dan plots een luide knal, alsof de knalpot van een Flandrien brommertje uit negentienzevenenzestig ontploft. Daarna vallen er geurloze, bruine keutels uit mijn aars. Plop! Plop! Plop! Dit alles wordt gevolgd door een maagkramp, alsof mijn verteringsstelsel wordt vacuüm gezogen. Het doet pijn, dus ik blijf rustig op de pot zitten. Om mijn gedachten te verzetten denk ik aan het bezoek van Joop. Ik hoop dat hij weer boekjes van Deelder bij heeft. Na tien minuten, die wel een eeuwigheid lijken, veeg ik mijn kont af en trek mijn broek op. Ik moet ook aan het Franse woord 'le transit intestinale' denken.  Ik wandel naar het gazettenwinkeltje waar ze ook een uitgebreid assortiment wijn, drank en sigaren hebben. Onderweg krijg ik een idee: 'Ik zou ook een fles Jack Daniels kunnen kopen; niet alleen sigaretten. Lust Joop dat? Schitterend idee.' Ik begroet de arrogante, Hollandse uitbater en koop een pakje Pall Mall red. Daarna informeer ik naar de prijzen van de Jack Daniels, want er staat een hele kast vol van dat merk. Ik twijfel tussen 'Sweet and Oakey' of 'Bold and Spicy'. Met mijn laatst honderd euro van de maand koop ik dan toch de flessen Bourbon Whiskey. Ik ga voor de Gentleman Jack van zeventig centiliter en de 'Sweet and Oakey' van vijftig centiliter. Thuis gekomen zet ik mijn aankoop in de koelkast. De keukentafel is nog steeds een puinhoop. Ik doe eerst een dutje, want ik ban moe van het wandelingetje en de keuzestress in de rook-en drankspeciaalzaak. Ik hoor de Braziliaanse buurvrouw vertrekken met haar zwarte Ford. Ik blijf in bed liggen tot kwart na twaalf. Joop verwacht ik rond één uur. Ik wil net de keukentafel opruimen als er aan de voordeur wordt gebeld. Joop is gearriveerd, drie kwartier te vroeg. 'Goedemiddag Joop. Hoe gaat ie?' 'Dag Felix, uitstekend. Is het hier betalend parkeren in de straat?' 'Geen idee. Ik parkeer mijn auto hier nooit' 'Doet je Saab 900 uit 1989 het nog steeds?' 'Vast en zeker. Die staat ondergronds.' 'Moet je wat drinken?' 'Koffie is goed.' 'Ik zal verse zetten.' Joop kijkt rond in de living en de keuken. 'Het lijkt wel een museum.' 'Neen, het is een puinhoop. Ik zal wat plaats maken aan de keukentafel. Melk? Suiker?' 'Neen, zwart.' We doen een praatje staand in de keuken. Hij begint, zoals verwacht, honderd uit te tetteren. Hij is op weg naar Diest. Hij heeft een tentje en een slaapzak gekocht. Hij wil een muziekgroepje zien en horen spelen op de ridderfeesten aldaar. Ze hebben de merkwaardige naam Roald Omar Oscar Dahl en zijn van Gent. Daarna haalt hij uit zijn armoedige totebag twee boekjes: ‘Gemengde Gevoelens’ en ‘Aforismen’. Eentje blijkt zelfs gesigneerd. ‘Daar ben ik blij mee, Joop. Merci.’ Joop vraagt of ik de monoloog met Bets heb gelezen. ‘Jazeker, ik vond die geweldig.’ Dan laat hij een foto op zijn gsm zien van tante Tettjes. Ja, in Nederland hebben mensen zo’n namen. Hij vertelt twintig minuten over wie er allemaal familie is en waar die allemaal wonen. Middelburg, Rotterdam, Hoorn, Vucht, Breda, Nijmegen, Leiden en ‘een stad in de polder boven.’ komen aan bod. Ik luister aandachtig, maar af en toe dwalen mijn gedachten af naar de flessen Jack Daniels in de koelkast, dus ik vraag: ‘Lust jij een borrel? Ik heb een fles bourbon whiskey in huis.’ Joop antwoordt ‘Ja, is goed. Wel maar eentje, want ik moet nog rijden. Ik wil wel proeven.’ We zijn alletwee de koffie moe. Ik haal twee glazen uit de keukenkast. Ik doe de Gentleman Jack open en giet de glazen vol. Ik ben echt benieuwd of dat goedje gaat smaken. ‘Uitstekend,’ zegt Joop ‘Goed idee ook om dat in de koelkast te zetten.’ Anderhalf uur later zijn de twee flessen op. Ikzelf ben al twee keer van mijn stoel gevallen. Joop is al drie keer tegen de deur van de woonkamer gelopen toen hij terugkwam van de WC. Hij tettert nog steeds. Het gaat over een deurklink in de vorm van een pik (werk van de lokale kunstenaar Ad Sierhuys of zoiets), een episcoop, weggegooide zelfportretten, een aap met een pistool in de mast van een piratenschip, Harry die vanop zijn bromfiets een brandbom heeft gegooid, notitieboekjes, het missiehuis, een kemping in Zuid Frankrijk, waarom je nooit een Renault mag kopen, de onroerend goed handelaar van Zadelhoff, oorlepels en kontlepels, blote-bolle-billen beuken, ‘ik kom hier nog op terug’ van collega schrijver Rob, The Buffoons, Mike Vaandrager, pony’s op de Faroereilanden, colloscopiën, een restaurant waar kinderen met het syndroom van Down opdienen, de laptop van Komrij in Oliviera do Hospital, de kleine gestalte van voetballer Gaston Grünberg, de nadelen van Facebook, de dooddoener ‘wie zal daar ooit het fijne van weten?’, het saboteren van een F16, Zweedse puzzels en Denksport in het algemeen, ‘Zit je te eten met je moeder?’, anagrammen als pseudoniem, titels van boeken voor pubers, een kopieerapparaat in het midden van de kerk, zwieren met een snorrebot uit vierhonderdvijfenzeventig na Christus, een ongeoorloofd wandelingetje op het terrein van de kerncentrale van Borssele met vrouwlief Marianne en de kinderen, het nut van lange opsommingen, de anekdote van Eduardo met tattoo artiest Schifmacher en diens vrouw op het graf van Herman Brood, de conclusie dat Old Number Seven waarschijnlijk toch nog de beste zal zijn, Els Dokter, de ‘S’ van Shell met stenen weggooien, inteelt op lokale poëziehappenings en oude vrouwtjes die Sinterklaas rijmpjes als slampoetry brengen, een gereformeerde die een zoektocht doet in het Antwerps schipperskwartier, hoe een ananas te slachten, de uiteenlopende kwaliteit van de  tandpasta’s in het Kruidvat, de pittige prijzen van passe-partouttickets van Photopfestival Breda, de basset Léon van een meter tien lang en zevenendertig hoog die enkel reageert op het woord ‘kroket’, wat de afkorting BDSM ook alweer betekent, … Aangezien alle alcohol op is, zijn we een beetje gefrustreerd. Ik stel voor een dutje te doen. Joop zet zich in de antieke zetel en valt meteen in slaap. Ik ga op bed liggen. Alles draait. Ik ben misselijk en dronken. Echt slapen lukt niet, maar ik ben enigszins opgelucht een tijdje niet te moeten luisteren. Ik hoor enkel gesnurk uit de woonkamer. Verbazingwekkend genoeg zijn mijn darmen en ingewanden oké. Ik duizel alleen maar. Het lijkt alsof ik op een vervelende kermisattractie zit. Ik blijf wel koppig op bed liggen in de hoop beter te worden.   Dag Joop, hoe gaat het verder?                                      

Hubert Grimmelt
0 0

Aan dhr. Georges-Louis Bouchez, voorzitter van de MR

Geachte heer Bouchez,  Dat u een fan bent van Napoleon Bonaparte, is al langer bekend. Zo organiseerde uw partij onlangs een familiedag bij de Leeuw van Waterloo, waar de kleine generaal de nederlaag der nederlagen leed. Sta me toe het een rare keuze te vinden. Maar kom, het is eens iets anders dan Plopsaland of Bellewaerde voor een familiedag.  In café De Kiezel wisten ze te vertellen dat u nog helden hebt. Zo kunt u zich vinden in Nicolas Sarkozy, Silvio Berlusconi en Bernard Tapie. Wat een fout gezelschap. Als jullie samen een kaartclubje in café De Kiezel zouden oprichten, zou er nogal gefoerteld worden. En gefoefeld, rekening houdend met de reputatie van deze heerschappen.  Er zijn natuurlijk meer politici met helden. Bart De Wever heeft het voor het oude Rome, dat is bekend. Zelfs zijn kat werd tot 'Maximus' gedoopt. Zijn idolen zijn onder meer keizer Augustus, Cicero en Julius Caesar. Maar hij pakt het iets slimmer aan. Hij gaat met zijn partijleden niet naar Circus Maximus in Rome, waar de Vlaamse leeuw enkele belgicistische gladiatoren oppeuzelt.  Mijn buurman Gust vertelde me dat er nog andere politici zijn die zich spiegelen aan een idool. "Wist je dat Conner Rousseau het voor de tennisser Roger Federer heeft?”, zei Gust. “Ik snap het wel, want die slaat ook alle kanten op. En je houdt het niet voor mogelijk, maar Frédéric De Gucht is een fan van Fidel Castro. Niet voor de politiek, maar wel voor de dikke sigaren van Fidel. Fredje is een verstokt roker. En bij de volgende verkiezingen zou hij wel eens de sigaar kunnen zijn."  Maar laat me tot de kern van deze brief komen, beste Georges-Louis. Ons vader had het vaak over 'de kleine man'. Nu, die 'kleine man' is niet Napoleon, maar wel de gewone hardwerkende burger die altijd en overal het onderspit moet delven. Ik zeg het graag met de woorden van Gust over de huidige regering. "Met dit hardvochtig beleid van de regering blijft de gewone man in de kou staan, maar hij heeft geen geld voor een nieuwe winterjas."  Trouwens, die bijnaam 'kleine generaal' kreeg Bonapartje omdat hij nogal klein van stuk was. Vandaar het bekende napoleoncomplex. Hij kende bovendien geen glorieus levenseinde. Ik heb ooit bij zijn graf in de Dôme des Invalides in Parijs gestaan. Op latere leeftijd werd hij verbannen naar Elba en hij blies zijn laatste zuchtje uit in Sint-Helena. Het is niet meteen iets om naar uit te kijken als u het mij vraagt. En er zijn nog van die dinges.  Tot slot nog dit. Ik heb Napoleon leren kennen dankzij het stripverhaal 'De hoed van Napoleon', een avontuur van Jommeke en zijn kornuiten. Daaruit heb ik geleerd dat de typische tweekantige hoed van Napoleon een 'steek' wordt genoemd. Het is een binnenkopper van jewelste, maar uw adoratie voor de kleine generaal houdt werkelijk geen steek.  Ik raad u dan ook aan om iemand anders te kiezen als held. Men vertelde me dat u nogal wat tatoeages hebt. Het is misschien een bijzondere keuze, maar wat denkt u van kempenzoon Tijs Vaneste als idool? Hij is zelf een tatoeëerder, maar het is vooral een eerlijke man met veel eerbied voor de echte kleine man.  Aan de andere kant van het Bouchez-spectrum is mediapersoonlijkheid en macho Fabrizio Tzinaridis (bekend van Temptation Island) een optie. Ik hoop dat men deze getatoeëerde kleurplaat in Franstalig België nog niet ontdekt heeft, maar als er bij hem iets uit zijn mond komt, doet het ook pijn aan de oren.  Afijn, u bekijkt het maar.  Ondertussen verblijf ik, met de meeste hoogachting,  Désiré Dinges

Désiré Dinges
9 1

Niemand heeft het gezien

De deur valt achter me in het slot. Mijn veilige ruimte waar ik steeds weer naar terugkeer is goed afgesloten. Deze keer verlaat ik mijn huis om me naar mijn werkplaats te begeven. Omdat die niet vlakbij ligt neem ik de auto. Mijn huis ligt weliswaar achter mij maar trekt nog aan me, de lekkende kraan in de badkamer bijvoorbeeld en de was die nog in de droogkast moet. Er zijn buiten echter ook verplichtingen.Hoe moe ik me ook nog voel, het maakt niet uit, ik stap met de autosleutel in de hand naar de overkant van de straat. De dag ervoor parkeerde ik er mijn auto.   Elke dag opnieuw plof ik me met dezelfde lichtheid neer, breng ik de bestuurderszetel in een comfortabele positie en zet ik de motor en de radio aan. De radio verbindt me met de mensheid terwijl ik alleen in de auto zit, net als al diegenen die achter, voor en naast me rijden, in bakken die in principe voor één persoon te groot zijn, in bakken waar een gans gezin in past.  Half zo brede wagens waarmee je met grote snelheid over de snelweg mag rijden bestaan niet. Een soort van overdekte motoren die over half zo brede rijstroken zouden mogen rijden. Een drievaksbaan zou dan een zesvaksbaan kunnen worden. Ik weet goed genoeg dat zoiets enkel in een wereld zonder vrachtwagens kan bestaan. Dat ik hun klevende bumpers niet meer zou zien in de achteruitkijkspiegel zou ik niet erg vinden. Om niet meer tussen die mastodonten die de helft van je uitzicht wegnemen te moeten laveren, zou ik niet missen. Om er niet meer achter te moeten hangen terwijl ze tergend traag elkaar proberen in te halen, om niet meer te moeten vrezen dat ik de afrit zal missen omdat ze me geen plaats gunnen, dat alles zou ik heerlijk ontspannend vinden. Nachtelijke dromen krijgen een vervolg in dagdromen terwijl ik de sleutel, die aan dezelfde sleutelhanger van de huissleutel hangt, in mijn hand houd. Ik steek de sleutel in het slot. Een handeling die ik talloze keren heb uitgevoerd. Ik krijg hem er niet in en dat stopt meteen de hele gedachtenstroom over vrachtwagenvrije snelwegen. De sleutel hapert en daarmee ook mijn hele timing! Ik weet perfect hoe lang ik over de weg doe en ook hoeveel tijd ik er moet aan toevoegen voor onvoorziene omstandigheden. Het mag dus niet te lang meer duren. Ik wrikkel nog even met de sleutel, hopend dat hij vlotjes in het slot wil glijden.  Het lukt me niet. In fracties van seconden verschijnen bij mij alle mogelijke fouten die ik bij deze eenvoudige handeling gemaakt kan hebben. Ik kijk of ik wel degelijk de autosleutel tussen mijn vingers heb en niet mijn huissleutel. Ik probeer opnieuw, zonder succes. Dan draai ik de sleutel om. Dat zal het zijn. Opnieuw krijg ik er hem niet in! De ontreddering slaat toe. Een handeling die me nooit enige moeite heeft gekost wordt een probleem. Een routine die soepel zou moeten verlopen blokkeert de rest van de dag en misschien wel de rest van mijn leven. Mijn reputatie van altijd stipte en betrouwbare werknemer wordt in luttele seconden vernietigd. Hoe moet ik dit gaan uitleggen? ‘Ik kreeg mijn sleutel niet in het slot’ . Het klinkt als de meest onnozele uitleg bij het te laat komen. ‘Het zal wel zijn dat je je sleutel er niet inkreeg’. Vóór mij staand zie ik ze al gniffelend naar elkaar kijken ‘Dat laatste slaapmutsje zal wel een shotje teveel geweest zijn ‘ . ‘Ze zal door haar wekker heen geslapen zijn.’ Ja, dat zullen ze denken.  Vanuit de spoeddienst in tranen bellen naar mijn werkgever omdat ik voor mijn deur zwaar ben aangereden door een bromfiets die blindelings vanachter de hoek is komen aanrijden, dat zou een goede reden zijn. Dat zou ook medelijden opwekken. Daar zouden mijn collega’s het er de hele dag over hebben, over de pech die ik heb gehad , over hoe ze het werk nu zullen moeten verdelen en of ze de geplande vergadering zonder mij wel kunnen laten doorgaan.  Maar nee, ik sta hier ongedeerd met een sleutel in mijn hand. Hoe kan ik dat straks geloofwaardig maken. Dat vraag ik me af terwijl ik nog een laatste poging doe om die verdomde sleutel erin te krijgen. Er moet iets mis zijn met dat slot. Het lijkt onmogelijk, maar het klinkt voorlopig als de meest logische verklaring. Ik trek nerveus aan de klink en kijk door het raam naar de bestuurderszetel waarop ik al had moeten zitten. Misschien heeft iemand aan mijn auto gezeten. Ik kijk door het achterste raam. Alles lijkt op het eerste zicht in orde te zijn. Op de achterbank staan drie kartonnen dozen. Ik herken deze dozen niet. Ik kijk nogmaals en probeer me te herinneren waar ze vandaan komen. Had ik iets gekocht en op de achterbank laten staan? Ik lees de teksten op de dozen voor zover ik ze in het donker kan zien. De afbeelding van een stofzuiger op de ene doos zag ik nooit eeder. Op de andere doos kleeft een etiket van een chinese leverancier. Op de derde doos zie ik boven een amper te lezen adres de naam van …. Mijn hoofd wordt licht, de diepe mist waar ik ondertussen in verzeild was geraakt klaart onmiddellijk op. De puzzelstukken vallen op hun plaats. Dit is niet mijn auto. Mijn auto staat achter deze auto geparkeerd! Er valt een ton ijsblokken smeltend neer op de straatstenen. Ik draai mijn hoofd discreet naar alle ramen en deuren vanwaaruit men mij had kunnen zien en stel vast dat er geen getuigen zijn geweest.  Niemand heeft het gezien. Ik open de deur en plof me neer op de bestuurdersstoel. Ik start de auto. De mensheid zal niet weten wat voor een drama ik heb meegemaakt deze ochtend. Voorlopig toch niet. Later misschien, wanneer ik op pensioen ben. Ik zal mooi op tijd aankomen op de werkplaats. Niemand zal aan mij twijfelen. De autozetel voelde nooit eerder zo relaxt. De radio op volle bak verbond me nooit eerder zo sterk met de mensheid. Ik kijk in de achteruitkijkspiegel, steek de lichten en richtingaanwijzer aan, rijd voorbij de auto die voor me geparkeerd staat en geef volle bak gas.      

Alma lavado
0 0

Snel rijk worden.

Mijn generatie, die opgroeide tijdens de jaren vijftig, werkte in de zomer als vakantiejob bij de plaatselijke boeren.Een generatie later werd de vakantiejob gecombineerd met een reis naar het zuiden voor de druivenpluk.Nog enkele generaties verder trok de Europese studerende jeugd naar Australië om er bij landbouwers te werken, gecombineerd met een reizende kennismaking met het continent.EN NU?U investeert in een brommer voor in de stad of een onopvallende auto voor op het platteland. Het is essentieel om te beschikken over goede, stabiele contacten en een uitstekende klantenservice te bieden. Op internet zijn er verschillende mogelijkheden om een betrouwbare leverancier te vinden, waarbij een gevarieerd productaanbod van drugs wordt aanbevolen. Houd echter rekening met de risico's: onbetrouwbare contacten kunnen levensgevaarlijk zijn, tot de dood leiden, en aanraking met justitie kan leiden tot jarenlange juridische problemen. Het kan u verdere leven verwoesten. "Er valt snel veel geld te verdienen door angst te zaaien over de toekomst en vervolgens een onderneming te starten in prepping- en survivalbenodigdheden. Succes gegarandeerd."   https://www.2dehands.be/q/verf+ed+cannabis+drugs/   ************************************************************************************ foto gallery verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+der+culturen/   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
112 0

Brugse schurken

We stappen door Brugge. Het is altijd fijn terugkomen in de stad van ridders, heiligen, schurken en ander geboefte. Er is veel volk op de been. Niet zozeer de mensen uit de vorige zin, dat is lang geleden, maar eerder toeristen uit alle windstreken. Wat ook opvalt? Het gemotoriseerd verkeer blijft samen met de koetsen door smalle straten rijden. Het is uitkijken geblazen, of ze maaien je van de weg. Een fietser zie ik ei zo na gekneld raken tussen een vrachtwagen en de rand van het voetpad. Moeilijk om te begrijpen, net zoals hun taaltje. Als we de volgende ochtend voor dag en dauw in de Wulfhagestraat wandelen, zien we voor ons door de ochtendmist de toren van de Sint-Salvathorskatedraal opduiken. Ik kan me voorstellen dat zoiets in de middeleeuwen een nog meer mystiek beeld was.  Iets later gaan we de supermarkt met de leeuw binnen, brullend van de honger bijna. Ik wacht in het portaal om de zaak wat af te kijken. Een afwijking van mezelf, genezing is niet nodig. Een man rekent af aan de kassa. Zijn boodschappentrolley staat naast hem. Hij ziet niet dat een binnenkomende man een ‘sssst’-gebaar maakt naar de kassière. Met zijn wijsvinger op de lippen. Hij neemt de trolley van de man en zet die opzij. De eerste man wil zijn portefeuille in de trolley steken en schrikt dat die niet op zijn plaats staat. Hij kijkt opzij en daar ziet hij de andere man lachend staan. Ze kennen elkaar. “Maar gij schurk”, zegt hij. Samen met de mevrouw aan de kassa lach ik met het vrolijke tafereel. Daarna zeggen ze iets dat ik niet begrijp, enkel ‘tot straks’ versta ik. Vervolgens gaan ze elk hun weg, met de trolley achter zich aan. Zoals moderne ridders in Brugge. Schurken zijn het niet.

Rudi Lavreysen
10 1

Wat kan het mij?

Ja, 't is waar. Ik heb succes bij de vrouwen. Ik ben geen opschepper, het is gewoon zo. Ze cirkelen bijna voortdurend rond me. Waarom, dat zou ik wel eens willen weten. Overdreven knap ben ik niet. En dan spreek ik over alle interpretaties van dat woord. Niet aantrekkelijk, niet intelligent, niet handig. Dan kan het bijna niets anders dan mijn goedlachsheid en humor zijn, misschien wel in combinatie met mijn gedrag en uiterlijk. Dat zullen ze grappig vinden. En heel aanstekelijk. In de vorige paragraaf had ik het over muggen, dat had je misschien wel begrepen. Ik ben de voorbije week herhaaldelijk gestoken en gebeten, op plaatsen die je niet wil weten. Door een aantal vrouwelijke exemplaren, want zij zijn de stekers, de wakkerhouders. Omdat ze bloed nodig hebben voor de ontwikkeling van hun eitjes, zegt Wikipedia. Wat kan het mij? (Tegenwoordig stel ik mezelf vragen, op zich al een vermoeiende bezigheid, zeker in deze periode van slapeloosheid, daarom laat ik doorgaans de vermoeiende werkwoorden achterwege.) Verrekken, schelen, fucken of verdommen, verdomme! Excuseer.  Mannelijke muggen daarentegen drinken alleen nectar en sapjes, planten zich in stilte voort en bemoeien zich verder nergens mee. Ik zou een goede mug zijn. Maar mensen zijn geen muggen, al komen muggenzifters in de buurt. Op zich is dat nog een troetelnaampje voor degenen die ik beoog. Ik heb het dan over de zogeheten klavierhelden of toetsenbordridders, de assertieven op azerty, de quertyquerulanten. De bijna ziekelijke klagers die voortdurend denken dat hen onrecht aangedaan is of zij die constant de behoefte voelen om anderen te schofferen.  Ik heb de indruk dat het bij mensen meestal over de mannetjes gaat. Zij steken. Cru gezegd geloof ik dat het vooral diegenen zijn die vroeger frequent de spade, borstel, hamer, schroevendraaier, biljartkeu of misschien wel de breinaald hanteerden, maar die tegenwoordig, uit professionele of vrijetijdsoverwegingen vooral in de buurt van hun toetsenbord vertoeven.  Hebben ze ongelijk? Schoenmakers die bij hun leest bleven, zijn inmiddels al lang failliet. Je moet mee met de moderne tijd, maar sommigen doen dat zo onbehouwen dat het lijkt alsof ze het idee hebben dat ze ongenaakbaar zijn. Het is niet omdat de kwaliteit en de waarde van schoeisel zo gezakt zijn, dat ze het niveau van het geschrevene daarom op evenredige wijze moeten neerhalen. 'De wereld zou doodvervelend zijn als niet ieder zich stiekem superieur achtte aan bijna ieder ander mens,' zei de Amerikaanse schrijver Don Marquis honderd jaar geleden al.  Dat het stiekeme, of beter gezegd het niet uitgesprokene of -geschrevene, steeds vaker achterwege blijft, is in dit geval erg jammer. Vooral omdat het superioriteitsgevoel van velen niet alleen overontwikkeld maar ook nog eens totaal misplaatst is. Het kwalijkste zijn de anoniemen, je weet wel, de geniepstypers. Die met de schuilnamen, die het met een walgelijke welwillendheid doen en zich op een laffe manier verstoppen achter namen à la Jan Oniem, Wim Cognito of iets dergelijks. Waar stiekem nog een luchtige bijklank heeft, iets 'om bestwillerigs', wordt het hier heimelijk en hatelijk. Ben ik dan zelf zonder zonden? Ik denk grotendeels van wel, eerlijk gezegd. Toegegeven, achter het scherm neem ik ook veel sneller het voortouw. Tijdens groepsbijeenkomsten voel ik me veel comfortabeler op de achtergrond. Toch kom ik zo nu en dan ad rem uit de hoek, op welke manier dan ook. Ook al ben ik, volgens sommigen, een babbelaar van jewelste, toch heb ik zelf altijd het gevoel gehad dat ik me al schrijvend heel wat gemakkelijker en genuanceerder uitdruk.  Wat Don Marquis zei, klopt volgens mij wel. In elk van ons schuilt effectief een soort superioriteitsgevoel ten opzichte van bijna ieder ander mens. Ik zou het zo gedaan hebben. Dat vind ik dom van haar. Wat heeft ze nu toch weer uitgestoken? Waarom heeft hij dat in hemelsnaam gekocht? Had hij niet beter twee keer nagedacht? Was dat nu echt nodig? We weten het allemaal, van bijna iedereen. De afstand tussen denken en zeggen is voor velen gelukkig groot. Dat voorkomt een hoop miserie. Maar de afstand tussen denken en schrijven is voor anderen veel te klein geworden omdat het toetsenbord een veel te grote rol is gaan spelen in hun bestaan. Wat gezegd wordt, vervliegt. Het geschrevene of getypte blijft je achtervolgen.  Als schrijver neem ik dat erbij. Omdat ik een schrijver ben. Ik kan niet anders. Vergelijk het met de vrouwtjesmug. Voor sommigen ben ik aanstekelijk, voor anderen houd ik geen steek. De mug doet het ook niet om irritant te zijn, maar omwille van haar voortbestaan en wat ze is. Zij heeft het bloed nodig, ik de inkt. Het zij zo. Ik schreef zo. En dat zal ik blijven doen. Toch mijn excuses aan eenieder die dit leest en opvat zoals het misschien niet bedoeld is, ook aan die eventueel geschoffeerde schoenmaker.  

Danny Vandenberk
2 1