Lezen

Waarom ik (g)een rustpauze nodig heb

Waarom rusten wij eigenlijk? Mijn bestaan zou immers zoveel leuker zijn als mijn ogen niet om de zoveel tijd dichtvielen alsof er loodjes aan hingen, of als ik geen mentale mistbank achter mijn voorhoofd zag opdoemen. De waarheid is dat ik slapen enkel leuk vind omdat ik af en toe moe word en slaap is daar nu eenmaal de oplossing voor. Kortom, slaap boeit mij maar matig en ik krijg er dus ook veel te weinig van. Dat maakt mij uiteraard nog vermoeider dan ik al was, en zo schiet ik natuurlijk ook niet op. Als ik echt van iets een rustpauze wil inlassen, dan is het wel van werken en binnen zitten (omdat het buiten te koud is). Graag zou ik gewoon eens drie jaar lang in een landhuis zitten op een plek waar het altijd mooi weer is, en met een onbeperkte voorraad lekker eten, puppies (waarvan iemand anders de stront opkuist), boeken, muziek en mooie mannen binnen handbereik voor als ik echt eens afleiding nodig heb, want mijn doel is toch voornamelijk om gedurende die drie jaren constant te schrijven aan een tuintafeltje onder een notenboom, waar vogeltjes in nestelen en soms ook een eekhoorn. Ik ben er nog niet helemaal uit over wat ik dan zou schrijven: de aard van God, het lichaam-geestprobleem in de analytische filosofie, de consumptiemaatschappij, erotische ontmoetingen tussen mannen van zo'n 22 à 30 jaar oud, kabouterplagen in alternatieve universa of mijn voorliefde voor rockmuziek uit de jaren '90 (met uitzondering van Oasis, want mensenlief wat een kutgroep)? Waarschijnlijk over dat alles en veel meer, want ik ben een veelzijdig man en mijn geduld is even legendarisch als dat van de nieuwe Amerikaanse president, die al uit zijn krammen schiet als hij niet binnen de dertig seconden zijn favoriete hamburger in z'n Oval Office krijgt gepresenteerd. Maar vooral wil ik rust nemen van de behoefte aan rust, want na drie dagen heb ik het wel gehad met rusten. Niet dat ik mij verveel of zo. Ik begrijp niet goed waarom mensen zich echt kunnen vervelen. Beter gezegd: Ik begrijp wel waarom mensen iets beu worden (zelf ben ik namelijk altijd iets beu, deze week was ik bijvoorbeeld de winter en speedpedelecs beu). Wat ik daarentegen onverklaarbaar vind, is dat mensen klagen dat er niets te doen is. Je kan altijd iets doen en als dat iets er niet is, dan vind je het zelf maar uit. Misschien heb ik wel rust nodig van mezelf. Dat is nog eens een diepzinnige uitspraak; die zou zo uit de koker van een psychiater kunnen komen. Het klopt nog ook: Rusten gaat eerder over jezelf overstijgen, in plaats van tot jezelf komen. 'Tot jezelf komen' is ongeveer het grootste bullshit-advies dat je iemand kan geven, misschien met uitzondering van billenkletsers als 'wanneer je de trein moet halen, dan is het een goed idee om door een rood licht te fietsen' of 'DDT werkt ook tegen schaamluizen'. Ten eerste, wat betekent 'tot jezelf komen' eigenlijk? Waar zou ik immers anders zijn dan in mezelf? Hoe kan ik tot iets komen waar ik altijd al ben en moet zijn? Ben ik in het andere geval niet gewoon iemand anders? Ik kan uiteraard wel op mezelf komen, maar dat is een andere kwestie. Tot mezelf komen is bij mijn weten nog steeds een fysieke onmogelijkheid. Ten tweede, waarom zou het bij mezelf per se zo rustgevend en deugdzaam zijn? Dat is het enkel in het voornoemde geval wanneer ik op mezelf ben gekomen, maar zelfs dan erg kortstondig. Tot mezelf gereduceerd ben ik immers vooral een klein kind dat nog op zijn duim zuigt, de hele dag fastfood en chocolade eet, boeren laat als hij daar zin in heeft en liefst iedereen uitscheldt die toevallig in de weg staat. Dat maakt mij niet beter of slechter dan anderen, want 'tot zichzelf' gereduceerd is iedereen dat klein kind. Het enige wat ons weerhoudt om ons met die kleuter te identificeren is de discipline die ons de eerste jaren van ons bestaan heeft geleerd om onszelf te overstijgen. Als je rust zoekt, zoek het dan vooral niet bij jezelf. Misschien is dit wel de ware definitie van het woord: Rust is jezelf zo hard disciplineren dat je zelf de discipline wordt. Pieter Van der Schoot Deze tekst verscheen eerder op mijn blog Observaties uit het ondermaanse. 

Pieter Van der Schoot
1 0

Zon, zee en zalf.

  Zon, zee en zalf. Wat een weekend: mijn stafylokokken zijn in opstand gekomen en hebben zich tegen mij gekeerd. Tijd om mijn huisarts te raadplegen. Deze gaf mij een neuszalf met een hoog stafylokokkendodend middel. Moest met de zgn. pinktechniek worden ingebracht. Eerst pinkies wassen en dan op de top een plukje zalf ter grootte van een luciferkopje doen en hup het neusgat in . Zulks aan beide zijden. Dan in de neus knijpen voor een goede verdeling ( het neusje van de zalf ! ). En zo ging ik goed gesmeerd de nacht in. Klaar voor wat komen ging. En ja hoor. Al snel kwam ik in een ongeremde REMslaap die geheel aan de verwachting voldeed: veel gedoe en weinig lol. Klem zitten, de weg kwijt zijn, mijn vliegticket niet kunnen vinden, etc. En waarom staan al die spullen van anderen op mijn bed in mijn hotelkamer ( als ik die überhaupt kan vinden ? ). En nog van een onprettige familie ook. Maar dan wordt het anders, heel anders: ik droom van het strand in Bruinisse. En het is eb en speelse kokkels steken nieuwsgierig hun kopjes boven het natte zand. Lieve, zorgzame Aziatische vrouwtjes en kindjes verzamelen de kokkels in grote emmers die tot de rand gevuld worden. Ik ook, ik ook, hoor ik de kokkels in hun onschuld roepen. Het ziet er zo gezellig uit. De zee glinstert op afstand en rood wit blauwe kite zeilen passeren de stralende zon. Ik zit op het terras, wachtend op mijn pannetje met mosselen en friet. Ik raak niet uitgekeken. Aan de andere kant van de baai Bruinisse, dat nu de vorm heeft van een welwillende glimlach. Ik voel me goddelijk en besluit hier regelmatig terug te gaan keren. Ik wandel nu op blote voeten op het koele natte zand en adem licht, lucht en ruimte vol naar binnen. Mijn lijf, mijn hart, ja zelfs mijn geteisterde neusgaten gaan open. Wat een heerlijke droom, realiseer ik mij. Een droom ? Ineens lig ik op 8 hoog in mijn mosselbed. Toch wel teleurgesteld en vol verlangen breng ik opnieuw de zalf in mijn neus. Het werkt niet. Geen zon en zee meer. Wel zalf.  Henk van der Veen Rotterdam, 7 -2 – 2025.    

Artohotze.
1 0

Lambiorix (7)

  Wij lazen veel Ignace en ik. Toen wij in De Instelling verbleven klom de tijd immers op de muren om daar een gevecht te leveren met een wolfspin. Boeken die Ignace nooit zou lezen waren romans die in hun zielige tijd als shockerend beschouwd werden. Bij wie een Vrije Geest bezit, heeft dat geen enkel effect, zo zei hij. Dergelijke boeken zijn slechts aantrekkelijk voor zielen die lelijk genormeerd werden door joodse, christelijke of kleinburgerlijke gedachten. De motivatie van schrijvers om dergelijke flauwe schunnigheden op papier te zetten, is van povere oorsprong. De ontzetting die gezocht wordt bij een lezer, die dan verondersteld wordt preuts te zijn, is even banaal als de leefwereld die men probeert te ergeren. Igance vatte dit samen met de woorden: Het zou ridicuul zijn mocht een Vrije Geest dat steekspel met te vergeten middeleeuwse normen nog enigszins als verlichtend ervaren. Neem nu Mieke Maaike's obscene jeugd van Louis Paul Boon of Lolita van Vladimir Nabokov. Geen haar dat eraan dacht om dat te lezen. Voor Ignace was het uitgesloten dat een wezen met enige filosofische maturiteit daar tijd aan zou besteden. Het is slechts shockeren om te schockeren in een era dat al te preuts en benepen was. De gedachte dat zij noodgedwongen deel uitmaakten van een bekrompen gemeenschap, getuigde enkel van infantiele onmacht. De idee dat geesten die zich gevangen voelden dat betuttelende gedoe niet zomaar konden overstijgen, de noodzaak die zij voelden om zich daar tegen af te zetten, getuigden enkel van even grote bekrompenheid. Dixit Ignace, die in De Instelling danig mijn geestesbroeder werd dat ik hem citeren kan alsof hij in mijn hart kwam leven.     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
0 0

Vakantievrienden

Op tiendaags jeugdkamp in het noorden van Belgisch Limburg in ‘Bosland’, een wondermooi gebied van net geen vijfduizend hectare, leer ik Arnaud kennen. Net voor de grote vakantie zijn wij beiden dertien geworden.Wij slapen in tenten die door de nabijgelegen legerkazerne werden afgedankt. Vandaag trekken wij naar de Hechtelse Duinen. Sommigen noemen het de grootste zandbak van Vlaanderen.‘Waar kom jij vandaan?’ vraag ik Arnaud.‘Ik kom uit Duinbergen’, zegt hij.'O, woon jij daar? Duinen zijn toch geen bergen’, grap ik.‘Neen, maar onze duinen liggen aan de Noordzee en als je op de zee vaart lijken ze wel een beetje op bergen.’‘Ik ben nog nooit aan zee geweest. Ik kom uit Sint-Joost-ten-Node.’‘Dat dorp ken ik niet. Is het ver van hier?’‘Het is geen dorp. Het is een van de negentien gemeenten die samen de hoofdstad Brussel uitmaken.’‘Dan woon jij dus in een stad?’‘Jazeker. Het is er superdruk. Naar het schijnt zijn wij de kleinste maar tegelijkertijd de dichtstbevolkte en armste gemeente van het land.’‘Interessant om weten. Duinbergen ligt vlakbij Knokke, dat is denk ik wel een van de rijkste gemeenten. Weet je dat de duinen bij ons uit wit zand bestaan?’‘Hoezo, niet geel zoals hier in Hechtel?’‘Neen, het strand bij ons is wit, maar niet zo wit als de kusten die je soms in vakantiefolders ziet.’ Al snel worden wij boezemvrienden. De tien dagen vliegen voorbij en binnenkort is ook de vakantie om. Bij het afscheid zegt Arnaud dat ik hem snel eens aan zee moet komen opzoeken. Dan kan hij mij het witte zand van zijn bergen tonen. Zelf heb ik hem niet gevraagd naar Brussel te komen. De armtierige buurt waar ik woon is niet meteen de plaats om een vriend te ontvangen.

Vic de Bourg
17 1
Tip

Down under

Hij had het downsyndroom. Zij was een gewone vrouw. Sjiek gekleed, gouden ringen, dure tassen en exclusieve schoenen. Ze reisden net als wij, eerste klas. De trein van Brussel naar Eupen. Met half dichtgeknepen ogen observeerde ik het tafereeltje. Ik was moe van een weekendje overdadig eten in Brugge. Dus tijdens de rit naar huis, zweefde ik tussen waken en dromen.  Nu, een week later, vraag ik me nog steeds af of ik gehallucineerd had. Mijn eerste indruk was dat dit een begeleidster was met een mindervalide. Maar naarmate de reis vervolgde veranderde het beeld. Ze voerden een vrij normale conversatie, rustig, over koetjes en kalfjes. Hele simpele koeien en kalveren weliswaar. Op een gegeven moment viel mijn oog op de trouwring die hij droeg. Zij had dezelfde ring om. Onnodig te vermelden dat ik onmiddellijk klaarwakker was. Ik probeerde zo onopvallend mogelijk te kijken. Popcorn was het enige wat nog ontbrak. Ik ving op dat ze hem verzocht om haar de volgende ochtend te laten uitslapen, terwijl ze in haar tas dook en hem een fles champagne liet zien. ‘Die is voor jou’, zei ze.‘Mag ik er dan ook kaviaar bij’, vroeg hij lachend.Als je mij laat slapen morgen’ antwoordde ze, terwijl ze onderuit zakte en haar voeten naast hem op de bank legde. Enthousiast legde hij ze op z’n schoot en trok haar sokken uit. Met een hartstocht en toewijding die ik nooit eerder gezien had, begon hij haar voeten te masseren. Smakkend, bijna kwijlend wreef hij z’n vingers tussen haar tenen, waarna hij ze aflikte. Alle tien.‘Niet doen’, kirde de vrouw. Het soort nee die eigenlijk ja betekent… Ze sloot haar ogen en onderging het. ‘Mag ik naar het toilet’, vroeg hij ineens, waarmee zij instemde. Een beetje verwilderd kwam hij even later terug en pakte teder haar gezicht in z’n handen. Ze kusten elkaar innig. Een getrouwd koppel. Ik heb er een hele week over lopen piekeren…    

Heidi Schoefs
73 1

Wifi-slurpers

Daar zit hij dan. De wifi-slurfer. Zijn ogen verankerd aan het scherm, de blauwe gloed als een vloeibaar masker over zijn gelaat gegoten. Een nomade van de bandbreedte, een digitale schaduw zonder vaste grond. Hij zwijgt en zuigt, slikt en slurpt, een bedelaar zonder hoed, een dief zonder lockpick — een dwaalgast die leeft van signalen die niet de zijne zijn. Hij glijdt door de stad als een windvlaag zonder naam, tastend langs cafés, sluipend langs bibliotheken, snuffelend naar een zwak wachtwoord, een gastnetwerk dat zich argeloos opent als een deur op een kier. "Gratis wifi," mompelt hij, een mantra, een wichelroede die hem leidt. Zijn god? Een stroom van nullen en enen, onzichtbaar en alomtegenwoordig, een fluisterende geest die hem voedt, hem draagt, hem — ironisch genoeg — verbindt. Ik aanschouw hem en vraag me af: ben ik echt anders? Ook ik leef van etherische golven, ook ik klamp me vast aan onzichtbare netwerken om mijn stem de wereld in te sturen. Wie ben ik om te oordelen? Ik, die net als hij gevangen zit in de ongrijpbare draden van dit digitale web. Ik schrijf, knedend aan taal als aan deeg dat zichzelf opeet. Maar zonder wifi? Dan zouden deze woorden verdampen in de leegte. Misschien is hij geen parasiet. Wellicht is hij een pionier. Een zendeling van het informatietijdperk, een zwijgende sjamaan die slechts neemt, nooit geeft. Of — en dat ligt voor de hand — een schaduw die leeft van de kruimels van andermans data, zich vastklampend aan een illusie van toegang, een stille echo die niets creëert en alles consumeert. En toch, op een vreemde manier, ben ik jaloers. Waar hij enkel ontvangt, ben ik gedoemd te zenden. De wifi-slurfer slikt en zwijgt … en slurpt. Ik denk, ik schrijf — ik schep — en wat is vermoeiender dan scheppen in een wereld waar alles al geschapen is? Terwijl hij zwijgend slurpt, blijf ik schrijven. Misschien is hij de slimste van ons beiden — of is hij gewoon de vrijste. Mephis (aka) Evelyn Mérida 

Mephis
12 1

Lambiorix (5)

  Als er twee wezens zijn die mij, Roeland, recht houden, ook het gevoel geven dat ik echt besta, dan zijn dat Hannelore en Ignace. Als er twee plaatsen zijn, waar ik me echt thuis kan voelen, dan zijn dqt het huis, de tuin van Hannelore en dat frietkot te Sint-Michiels. Daarnaast ervaart elke ziel die zich wat ongedwongen probeert te voelen het al zeer snel: Vlaanderen is een uitermate enghartige streek, zo pietluttig en benepen dat het vaak aangenaam is om weg te kruipen in kleine paradijzen van vrijheid, in afzondering te gaan van die vastgeroeste menigte. Ignace en ik, wij hadden tijd zat om gedachten te wisselen toen wij samen in De Instelling zaten. Hij was wel meer een bron van inspiratie voor mij dan ik dat voor hem kon zijn. Zijn blik op de wereld is danig scherp dat velen zich gekwetst voelen wanneer hij ongeremd zijn mening geeft en die wereld waarin wij leven blijkt bij momentenn danig preuts dat men daardoor zelfs in de problemen kan geraken. Ignace kwam in De Instelling terecht na een Vonnis op basis van Middeleeuwse Gebruiken inzake Kuis Gedrag. Ik zat daar omdat ik nog geen achttien was en mijn ouders dat op een Zieke Zondag zo beslisten , nadat zij op een Zielige Vrijdag dat besproken hadden met een Dokter in Geesteswelzijn. Zij dachten met z'n drieën dat zo'n Opsluiting mij Goed zou doen. Zo ver is men geraakt, hier in dit Platte Land met zijn Moerassen uit 1302, met zijn Vlaamse Klei waarin het altijd ploeteren is om vooruit te geraken. Het is zoals Igance het zei. De Franse Revolutie is niet veel verder geraakt dan de Ridders in 1302. De Verlichting heeft de Vlaamse hoofden nooit gevonden. De vaardigheden in kritisch denken van die Noorderlingen, die wijzere Opstandelingen, zijn helaas nooit in de genen van de Vlaming verschenen. Het is al die tijd gebleven wat het al sinds mensenheugnis was, een lomp en bekrompen boerenvolk.     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
1 0