Lezen

Maandpret

Het voelt alsof mijn baarmoeder elk moment uit mijn vagina, los in mijn met maandverband bedekte bomma-onderbroek gaat vallen. Misschien is wandelen aan een tempo van ongeveer vijf kilometer per uur op de eerste dag van je maandstonden toch niet zo'n fantastisch idee, maar ik zet door. De woorden van mijn mama, of 'Mutti' zoals ik haar noem, spoken door mijn hoofd. "Niet seuten, bewegen is het beste medicijn." Ik gaf het als zestienjarige niet graag toe, maar met de fiets naar de bushalte rijden bezorgde me destijds inderdaad vijftien pijnloze minuten.  Ik wandel verder, want wie weet zakt mijn baarmoeder echt uit mijn lijf en dan zou ik in één klap van een aantal kopzorgen verlost zijn. Om te beginnen de maandelijkse miserie die maandstonden zijn. Ondanks de punctualiteit waarmee Moeder Natuur langskomt, ik kan er letterlijk mijn klok op gelijk zetten, heb ik enorm hevige bloedingen die gepaard gaan met soms ondraaglijke buikkrampen en lage rugpijn. Oh en dan vergeet ik mijn gespannen en gevoelige borsten nog. Wat een gedoe is het ook met maandverband. Verder zou ik het heerlijk vinden om jaarlijks, in plaats van halfjaarlijks op controle te kunnen gaan bij de gynaecoloog. Geef nu zelf toe dat één keer per jaar met je ding bloot en benen in beugels liggen voor een man die met een dildo je binnenkant bekijkt beter is dan twee keer, om van dat verdomde uitstrijkje nog maar te zwijgen. Het enige ogenblik waarop ik graag met mijn vagina bloot voor een man lig, is voor seks. Dan mag het in geile en hitsige periodes zelfs twee keer per dag, in plaats van twee keer per jaar.Laat me even verduidelijken dat ik elke zes maanden naar de gynaecoloog moet gaan omdat mijn uitstrijkjes keer op keer verhoogde waarden aangeven, wat dus wijst op een verhoogde kans op baarmoederhalskanker. (Er zijn al verdere onderzoeken uitgevoerd om kanker uit te sluiten. So far, so good.)Ik vroeg al eerder aan mijn gynaecoloog om mijn baarmoeder preventief te verwijderen, maar stootte op: "zo'n schoon baarmoederke ga ik niet weghalen bij iemand van amper vierendertig jaar." Kinderen wil ik niet meer en ik liet me drie jaar geleden al steriliseren. Maar goed, tot nu toe is het een duidelijke no go. De volle kilometer lang (dat weet ik omdat mijn horloge elke kilometer trilt) fantaseer ik hoe het eraan toe zou gaan als mijn perfecte baarmoeder, om de woorden van mijn gynaecoloog te gebruiken, plots in mijn bomma-onderbroek met maandverband zou belanden. "112, Ambulance en brandweer, hoe kan ik u helpen?" "Goede avond, mijn naam is Joni en mijn baarmoeder is zopas letterlijk uit mijn foef gefloept." Zou er paniek in mijn stem weerklinken of zou ik de rust kunnen bewaren? "Blijf waar u bent mevrouw, onze diensten zijn onderweg." Waar denkt ze dat ik naartoe zou gaan met een baarmoeder die uit mijn lijf hangt te bengelen? Zou je een baarmoeder kunnen doneren? Aan een transvrouw bijvoorbeeld. Dat zou haar de mogelijkheid bieden om met een gedoneerd eitje zelf haar kind te dragen en op de wereld te zetten.  De neerwaartse druk in mijn buik wordt steeds groter. "Hou je vast Joni, ze is daar." Mijn rare gedachten stoppen abrupt als ik een dikke klodder bloed in mijn maandverband voel glijden. Mijn baarmoeder blijft dan toch nog even bij mij. 

Joni Motmans
9 1
Tip

De afspraak

De afspraak was vrij eenvoudig. Op het station van O. Ik was op de afgesproken tijd aanwezig en het leek die dag drukker dan gewoonlijk. De krioelende massa bewoog zich voort naar hun bestemming. Een klas gilde voorbij. De taxi draaide stationair voor een volgende klant. Een geur van vanille deed me denken aan het openbaar toilet waar de luchtverfrisser vers was achtergelaten. Melchior kwam maar niet. Inmiddels wachtte ik al twintig minuten en Melchior nam niet op. En nu? Ik besloot richting het centrum te wandelen. Eerder slenteren, de hitte van de middag werd verzengend, alsof het asfalt vastplakte aan mijn schoenen. Dorst had ik. Zal ik een muntthee bestellen bij dit café? Drie mannen keken achter hun koffie bedenkelijk naar mijn voorkomen. Zat mijn overhemd niet goed? Was het te frivool? De twijfel sloeg toe. Ik vermande me. Het zal mijn verbeelding wel zijn. De mannen doorbraken de stilte met een zacht Arabisch. Melchior belde. Waar ik was? Op een terras in het centrum van O. O? Ja, daar hadden we toch afgesproken? P.? Nee? P.? Ik weet zeker dat het O. was. Dat had je toch geappt? Niet? Je bent al in P.? Goed. Ik pak de volgende trein. Ja, ik kan er over drie kwartier zijn. Geen probleem. Kan gebeuren. Tot zo. Ik dronk mijn thee op. Betaalde en liet de goedlachse ober achter met het koekje nog onaangeroerd op het schoteltje. Adieu! De trein bood wat verkoeling. De airconditioning stond aan en de plakkerigheid maakte plaats voor comfort. De warmte had me slaperig gemaakt. Zou ik mijn ogen even sluiten? Een hazenslaapje? Ik had nog een half uur voordat de trein in P. zou arriveren. Het kon geen kwaad. De trein deed het terrein veranderen. Heuvels maakte plaats voor open velden vol hooibalen. Meneer? Abrupt kwam er een einde aan mijn gedoezelde staat van zijn. Meneer! We zijn aan het eindpunt van ons traject en gaan niet verder. De conducteur was een forse vrouw van middelbare leeftijd met een afgeleefde tas. Haastig pakte ik mijn spullen en stapte uit. Waar ben ik? R. R.? Op mijn telefoon stonden vier berichten van gemiste oproepen. Melchior en mijn moeder. Waar ik was, of ik hem wilde bellen, is er iets aan de hand?  En mijn moeder, of ik aanstaand weekend zin had om te helpen met het opruimen van de zolder. Het was al laat geworden. De volgende trein terug zou pas over een uur vertrekken. De zolder stond vol met spullen waar ik de confrontatie niet mee aan wil gaan. Het bericht van moeder deed me teruggaan naar mijn jeugd. De slepende ziekte van vader. De tijd die wegtikt in een kamer vol onuitgesproken woorden. De mooiste jaren van je leven zonder één reet te doen, behalve wachten. Op de volgende trein. Ik stapte uit in P. Geen Melchior. Met maar een paar procent in de batterij had ik nog net voldoende voor één belletje. Melchior nam op. Hij was weer huiswaarts gekeerd. Het maakte niet uit. Hij was wat gaan dwalen en had in een winkel nog een mooi boek gekocht. Daarin zou hij net gaan beginnen. Zullen we het anders volgende week dinsdag nog een keer proberen? Ik lachte. Het schuldgevoel viel als een last van mijn schouders. Dat is goed. Dit weekend ben ik bij mijn moeder en zondag ben ik waarschijnlijk kapot. Dinsdag was prima. Ik had immers toch niets te doen die dag.

Parbleu
180 5

Niet weer

Dinsdagochtend, 8.15 uur, tram 1.‘Wat denken jullie, een varken of een koe?’ Op mijn bankje achteraan krimp ik in elkaar. Niet weer, niet nog eens, niet nu ik me stilaan beter voel. Het groepje jongeren dat zopas opstapte, is enkele rijen voor mij gaan zitten en kijkt me aan. De vraagsteller heeft een grote grijns, een paar van zijn vrienden staren brutaal, twee meisjes kijken weg als ik hun blik vang. ‘Een dikke koe, absoluut’ besluiten ze. Ik plooi in mezelf, druk mijn oortjes dieper, zet de muziek luider en kijk in mijn boek. Lezen wil niet meer lukken, hoe spannend het daarnet ook was. Hoeveel haltes nog voor ik kan uitstappen? Vier…Van onder mijn pony bekijk ik ze stiekem. Het gaat nog steeds over mij; ik voel het. De vraagsteller staat recht, blaast zijn wangen op en maakt schommelbewegingen. Doorheen de muziek hoor ik een vaag geloei. Nog drie haltes. Er prikt iets achter mijn oogleden en ik bijt op de binnenkant van mijn wang. Ik gun ze geen traan. Die gast daar doet me terugdenken aan al mijn pesters, de luide en de stille, de hele schooltijd lang. Het openlijk uitlachen, het ‘vriendelijk’ afpakken van mijn koekjes, omdat ik maar beter niet kon snoepen. ‘Hey dikke, ga eens naar binnen, je schaduw valt over de hele speelplaats!’. Net als toen is er niemand die het voor me opneemt. De andere passagiers lijken niks te merken of durven niet te reageren. Nog twee haltes.De jongeren draaien zich om. Pestkop toont iets op zijn smartphone waar ze erg om moeten lachen. Hij steekt zijn toestel in de lucht en maakt een foto die blijkbaar meteen gepost wordt. Nog meer gelach. Ik denk aan alle kwetsende zaken die over mij geschreven zijn, meestal anoniem. Aan al het bodyshamen. Weten zij veel wat dat met mijn geest én mijn lichaam deed. Nog één halte.Het zweet breekt me uit. Ik bedenk dat ze pas na mij de tram moeten verlaten en dat ik langs hen moet om de deur te bereiken. Dat red ik niet, àls ze me al doorlaten. Waarschijnlijk maken ze de gangruimte zo smal dat er geen doorkomen aan is. Ik besluit om te blijven zitten tot ze uitgestapt zijn en dan een tram terug te nemen. Die gedachte doet me enigszins ontspannen. We rijden mijn halte voorbij en ik duik nog dieper in mijn boek.Ze staan recht. Grote mond hijst zijn rugzak op zijn rug en werpt me een kushandje toe. Dan gooit hij zijn hoofd in zijn nek en laat een luid geloei horen. Ik voel het resoneren tot in mijn maag. Er knapt iets binnen in mij. Joelend verlaten hij en zijn vrienden de tram. De groep negeert het rode voetgangerslicht en steekt de straat over. Pestkop blijft halverwege de straat staan om mij een laatste keer aan te kijken.En dan gebeurt het. Mijn jarenlange angst verlaat me en ik houd hem vast met mijn blik. Hij is voor mij de verpersoonlijking van al wie me pestte, al die jaren. Hij lijkt het te merken, kijkt eerst verbaasd en dan angstig. Zijn vrienden roepen hem maar ik houd hem vast, hypnotiseer hem. Hij en ik, we staan elk aan een eind van een tunnel, de blikken in elkaar gehaakt. Alle geluiden verstommen: het gegil van zijn vrienden, de piepende remmen van de naderende vrachtwagen. Langzaam til ik mijn hand op. En dan, wanneer ik voel dat hij niet meer kan ontsnappen, toon ik hem mijn middelvinger.

rmampuys
0 0

Inbreker

Ik word wakker. De zon schijnt op mijn gezicht via een scheur in mijn rolluik. Ik zet me recht, wrijf in mijn ogen en geeuw. Ik doe mijn rolluik naar boven. Ik draai me om en neem mijn bril van het nachtkastje. Hij is vuil, dus neem ik eert mijn brillendoekje uit mijn brillendoosje. Ik wrijf over mijn glazen, in cirkels, met mijn duim en wijsvinger. Ik doe mijn bril op en draai me terug naar het raam. Ik zet nog een stap dichter zodat ik goed kan kijken. De zon verblindt mijn zicht, maar het is duidelijk dat er iemand aan de overkant staat. Details zie ik niet, maar wel het silhouetten van wat ik denk een man te zijn. Ik blijf nog even staan kijken. In gedachten verzonken. Wat zou die man daar nu staan doen? Ik kijk nog eens goed, mijn had voor mij hoofd proberende de zonnestralen tegen te houden. De man heeft iets in zijn hand, ik kan niet zien wat, maar het lijkt op iets van een bakje. De man verzet twee stappen naar links. Ik zie het bakje in zijn hand nu beter en zie dat er een touw aanhangt. Mijn ogen proberen het touw te volgen, met nog steeds een teveel aan zonlicht om een duidelijk beeld te kunnen vormen. Het touw hangt ineens slapper dan het daarnet deed. Plots zie ik iets bewegen aan de voeten van het silhouetten. Het is een kleine hond die zorgvuldig de grond waar het op staat inspecteert. De meneer loopt ernaar toe en trekt het mee vooruit. Voor ik het weet is de mysterieuze man achter de hoek verdwenen, zonder enige weet dat hij een toeschouwer had. Ik wandel richting de deur en doe deze open. Ik neem nog snel een rekke van mijn bureau en doe mijn haar in een slordige doet. Ze is goed gelukt, dus deze laat ik waarschijnlijk een hele dag zitten. Wanneer ik binnenkom, merk ik op dat het koud is. Kouder dan ik zou gedacht hebben dat het was. Ik geef er niet te veel aandacht aan en wandel richting de keuken. Normaal komt Bic de kat van mijn broer me altijd tegemoet wanneer ik deze routine doorloop, maar vandaag is hij er niet. Ik denk bij mezelf dat hij wel ergens ligt te slapen en het niet de moeite vindt om op te staan. Eens in de keuken aangekomen zet ik de koffiemachine aan. Ik neem ook een tas uit de kast en draai de sterkte van de koffie naar het hoogste. Ondertussen is Bix me toch komen vergezellen. Ik merk op dat hij mankt en besluit er na mijn koffie naar te kijken. Ik moet eerst wakker worden. Ik neem een yoghurt uit de ijskast, doe deze in een kom en gooi er wat granola bij. Ik heb zin in een banaan, dus neem deze uit de fruitschaal die ik in de rechterhoek van de keuken aantref. Het is de laatste dus ik neem een briefje en schrijf er bananen op, zodat deze van de winkel kunnen meegebracht worden. Ik neem een mes uit de lade, snij de banaan in fijne schijfjes en doe deze bij de yoghurt. Ik neem het kommetje en wandel richting de woonkamer. Ik zie op de grond rode vlekken en denk bij mezelf dat mijn broer gisteren gemorst moet hebben met zijn aardbeienijs, ik ben geïrriteerd want ik mag altijd alles opkuisen voor die snotneus. Ik besluit eerst te eten, gewoon omdat ik koppig wil zijn. Hoe dichter ik bij de woonkamer kom, hoe kouder het wordt en hoe meer rode vlekken. De vlekken beginnen van vorm te veranderen en ik herken er iets in, pootafdrukjes. Alles begint op zijn plaats te vallen en ik draai me op, op zoek naar Bix. Ik zie hem uit de keuken komen, al mankend. Ik pak hem op en bekijk zijn pootjes. Eentje ervan ziet rood, wanneer ik er beter naar kijk zie ik dat er een snee is in één van zijn kussentjes. Ik besluit hem terug los te laten aangezien het niet meer aan het bloeden is. Ik kijk rond in de woonkamer, maar zie niets verdachts… buiten dat de deur richting de veranda op een kier staat. Dat is raar, want mama zorgt er altijd voor dat deze dicht is. Ik veronderstel dat daar de vaas met bloemen gesneuveld is door Bix zelf en dat hij zich dan pijn gedaan heeft aan het glas. Ik ga er naartoe. Ik doe de deur verder open en zie dat de vaas met bloemen nog heel is. Ik voel een trok wind over me heen komen en kijk in het rond. Nu zie ik het. Allemaal glasscherven op de grond en een raam die kapot is. Ik begin een lichte vorm van paniek te voelen en sta aan de grond genageld. Ik draai me terug naar de woonkamer en zie nu alles wat ontbreekt, de tv, de computer, mijn broer zijn PlayStation, mijn radio, de hoofdtelefoon van papa… we zijn beroofd. Ik loop als een gek terug naar boven om mama en papa wakker te maken. Jaro, mijn broer is vannacht bij een vriendje blijven slapen, dus die is niet thuis. Ik sta in de slaapkamer van mijn ouders en kijk op de klok. Het is 6u30. Ik ben altijd veel te vroeg wakker, een nachtmus noemt mijn mama me al vanaf mijn geboorte. Ik kijk rond in de kamer en besluit eerst mijn papa te wekken, de man des huizes. Ik ga naar zijn kant van het bed en schud met zijn schouders terwijl ik langzaam fluister: “Papa, wakker worden.” Hij kreunt en doet uiteindelijk zijn ogen open. Ik vertel hem het verhaal van mijn ochtendavontuur. Ik merk op dat hoe verder ik in mijn verhaal kom, hoe wakkerder hij wordt. Misschien had ik het moeten samenvatten tot: “Er heeft iemand ingebroken deze nacht.” Ik ben nogal een waterval van woorden dus kan moeilijk een verhaal beknopt vertellen. Papa schiet recht en beveelt me mama wakker te maken en de politie te bellen terwijl hij beneden de schade alvast gaat opmeten. Ik doe wat hij zegt en voor ik het goed en wel besef staat de politie aan onze deur. Ik moet uiteraard een verklaring afleggen en vertel het dan ook in geuren en kleuren. Toch nog een voordeel aan dat ik zo graag veel vertel. De politieagent zegt dat ik het goed gedaan heb en dat ik me nu geen zorgen meer moet maken. Maar hoe doe je dat? Wetende dat als ik misschien een half uur eerder wakker was geworden, ik de dief had betrapt? Ik ga terug naar binnen en vraag aan mijn ouders wat er nu gaat gebeuren. Ze vertellen me dat de verzekering nog gaat langskomen die dag, dus dat ik zeker thuis moet blijven voor moesten zij nog vragen hebben. Ik ga naar boven en kruip onder een lekker warme douche, in een poging wat tot rust te komen. Hier slaag ik eigenlijk niet in. Ik doe propere kleren aan en leg me op mijn bed. Mijn bed begint te trillen in mijn achterzak. Het is mijn broer Jaro die belt. Ik neem op en hij vraagt naar Bix. Mama had hem gewoon een bericht gestuurd, met daarin het hele verhaal dus ook dat ik het ontdekt heb. Maar mijn lieve broer die 8 jaar jonger is, denkt alleen aan zijn kat. Ik reageer: “Met mij gaat het prima, bedankt dat je het vraagt broeder, ik voel je steun helemaal tot hier. Bix zijn poot heeft een wondje. We gaan er straks mee naar de dierenarts.” “Oké, laat meer iets weten.” En zo eindigt hij zijn telefoontje. Ik hoor nu alleen nog maar een lange tuut omdat hij al heeft afgelegd. Ik ga terug naar beneden en zie dat mijn ontbijt nog altijd op de eettafel staat te wachten om opgegeten te worden. Ik gooi het in de afvalbak want heb nu geen honger meer. Ik stap naar mama en vraag wanneer we naar de dierenarts moeten. Ze zegt dat zij alleen gaat want dat ik moet thuisblijven voor die verzekeringsagent. Ik baal want de enige plaats waar ik nu even niet wil zijn, blijkt de plaats waar ik net wel moet blijven. Ik ga in de zetel naast papa zitten. Dichter dan dat ik normaal zou doen. Hij vraagt hoe het met me gaat en ik antwoord eerlijk. Ik voel me slecht, niet door onze spullen die weg zijn, maar doordat ik de dief evengoed had kunnen betrappen. Papa zegt dat ik er zo niet over mag nadenken want dat dit niet gebeurd is. Little did he know.  De uren strijken voorbij. Mama is ondertussen al lang terug van de dierenarts en de verzekeringsagent is er nog steeds niet. Bix zijn poot zit helemaal in het verband en mama geeft de rekening aan papa. Deze kunnen we ook aan de verzekering bezorgen. Mama en papa gaan in de keuken om bepaalde zaken te bespreken. Ik lig ondertussen languit in de zetel naar het plafond te starten. Ik zet me terug recht en hoor iets. Ik kijk in het rond en besluit dat het Bix moet zijn die ergens van alles zit uit te spoken.  De verzekeringsagent komt dan uiteindelijk toch opdagen en ik doe mijn verhaal voor een derde keer die dag. ze vult allemaal papierwerk in die mama en papa moeten handtekenen. Het is ondertussen avond en we besluiten van de frituur af te halen. Ik kan voor de eerste keer die dag iets eten met zin. Jaro is ondertussen ook terug thuisgekomen en ontfermt zich over Bix. We gaan allemaal slapen met een bijzonder gevoel. Ik heb die nacht alle uren gezien op mijn wekker en om 2 uur besluit ik naar de wc te gaan. Ik hoor geluid van beneden komen en denk terug dat het Bix is. Ik draai me om en zie Bix liggen op het bed bij mijn broer. Ik sla een hartslag over en voel de adrenaline door mijn bloedvaten gieren. Ik besluit stil de trap af te lopen en buk me op de 10e trede en kijk in de woonkamer. Ik zie een schaduw uit de keuken. Ik ga verder naar beneden. Ik loop richting de keuken, ik adem niet. De schaduw draait zich om en ik bevries. Ik wil luid gillen, maar het lukt niet. Ik denk dat mijn laatste seconde geslagen is en doe mijn ogen toe. Ik dacht altijd dat ik capabel was mijzelf te verdedigen, niet dus. Opeens hoor ik een bekende stem mijn naam zeggen: “Anna?”. Ik durf mijn ogen terug open te doen en sta oog in oog met Warre. Warre is een jongen uit mijn klas waar ik al enkele maanden goed bevriend mee ben. Ik kan hem alles vertellen en hij mij ook. Het duurt even voor ik alle puzzelstukjes in elkaar kan leggen en heb nu door dat Warre de inbreker is. Ik weet niet wat ik moet zeggen.  Warre staart mij aan. Hij weet denk ik zelf niet wat gezegd te hebben. Ik kijk in het rond om zeker te zijn dat hij niet terug dingen aan het stelen was. “Ik ging niets meer meenemen, ik wou gewoon wat water drinken en dan vertrekken.” Inbreken om water te dringen? “Heb jij thuis geen kraan?” vraag ik licht geïrriteerd over zijn excuus om in te breken. Hij staart naar de grond en antwoord niet meteen. “Ik… het spijt me.” Antwoordt Warre, bijna huilend. 

LoverLover
6 0

AloÏs

Aloïs werkt al achtien jaar tegen zijn zin als ingenieur in de koekjesfabriek van Herentals. Rond twintig voor acht staat hij op. Hij doet, zoals steeds elke ochtend, pipi. Hij moet vandaag enkel in de namiddag werken. Beneden in de living neemt hij zij medicatie, antidepressiva en antipsychotica, met een beetje koude koffie van gisteren. Daarna zet hij het koffieapparaat aan om nieuwe te maken. Hij steekt een sigaretje op en gaat in de antieke zetel zitten. Hij heeft, tegen de verwachting in, vrij goed geslapen. Hij legt de LP ‘Moondance’ van Van Morrison op de platenspeler en luistert wat.  Half negen begint hij aan de afwas. Hij zet de waterkoker op en organiseert het aanrecht. Het is weer veel, want hij heeft nooit de energie af te wassen, laat staan te koken. Een Bpost camionette bezorgt met zorg een pakketje bij de overbuurman. Aan het kapelletje staat een man stokstijf stil met zijn donkerbruine hondje. Misschien doet hij een gebedje?  Als hij het warm water in de pompbak giet ontdekt hij dat er ook nog een pot met onderin beschimmelde soep op het gasvuur staat. Hij giet de viezigheid in het toilet. Het stinkt. Zij zin om af te wassen is voorbij, dus gaat hij opnieuw in de antieke zetel zitten roken. ‘These dreams of you. So real and so true,’ zingt Van Morrison. Aloïs geniet van de mooie saxofoon solo. Dan start hij met de afwas die hij meteen onderbreekt om te ontbijten. Hij eet een oude boterham met een stukje salami. Een idiote buurman van verderop in de straat rijdt zijn gras af. De vuilkar komt langs om de blauwe zakken op te pikken. De ene doet al nuttiger werk dan de ander, bedenkt hij zich. Tien voor tien is de afwas gedaan. Hij rookt. Hij drinkt koffie. Het woordje ‘afwas’ kan hij van zijn To Do-lijstje schrappen. Op de slaapkamer doet hij proper kleren aan, in de badkamer verfrist hij zich en op het toilet doet hij pipi. Half elf vertrekt hij naar het postkantoor en de sigarettenwinkel. Hij moet een brief naar een bevriend kunstschilder op de bus doen en een enveloppe met negatieven afhalen. Hij heeft nog drie sigaretten. Alle mensen die hij tegenkomt op weg naar de post hebben een hondje bij. Onderweg doet hij nog stemopwarmingsoefeningetjes. In het postkantoor heeft hij nummertje zestig. Hij moet enkele minuutjes wachten, maar kan dan naar loket drie. Hij legt zijn brief op de balie en vraagt of die voldoende is gefrankeerd. De loketbediende legt de brief op de weegschaal en zegt: ‘Er moet maar één postzegel op.’ Hij heeft er gisteren drie postzegels opgekleefd. De juffrouw pulkt voorzichtig de postzegels van de brief. ‘Deze twee kun je de volgende keer opnieuw gebruiken als je ze opkleeft met een Pritt-stift.’ Ze geeft hem de zegels en hij frommelt ze in zijn portefeuille. Daarna legt ze hem het verschil uit tussen een prior-zegel en een gewone. ‘Bij deze komt het de volgende dag toe. Bij de andere duurt het drie dagen. Heeft u nog iets nodig?’ ‘Ja, ik wil er ook nog kopen. Heeft u speciallekes?’ ‘Ik heb hondjes, de dierentuin, … ‘ ‘Doe die maar,’ antwoordt hij meteen. ‘Is de postcode van Borgerhout juist?’ vraagt hij nog. De postbediende kijkt het even na en knikt bevestigend. Hij vindt het fijn behandeld te worden als een idioot. In het rusthuis naast de gazettenwinkel zijn ze in de cafetaria bingo aan het spelen. Op de terugweg komt hij twee Italiaans sprekende mannen tegen die goed doorstappen. In de straat is er één blauwe PMD-zak blijven staan. Thuisgekomen haalt hij de gerecupereerde postzegels, een met een portret van koning Flip en een met de afbeelding van twee hondjes, uit zijn portefeuille, kleeft ze op de achterkant van het kasticket en steekt het bij de zegels van de dierentuin. Hij legt ze op de hoek van zijn bureau waar de postzegels altijd liggen. Zittend in de antieke zetel doet hij de enveloppe van Foto Kromhout uit Antwerpen open. Hij is erg benieuwd naar het resultaat van zijn eerste rolletje met de Olympus Pen EE 3. Hij is blij, want de contactsheet ziet er veelbelovend uit. De conclusie is dat die camera perfect werkt. Hij rookt. Hij drinkt koffie. Hij luistert op zijn iPhone SE naar wat muziek. Zot Jefke, de overbuurman, parkeert zijn Hyundai Pony voor de deur. De logaritmes van de Deezer app werken weer niet. Hij ontdekt enkel één goed nieuw nummer. Hij bestudeert de contactsheet nog een keer aandachtiger en schrijft de markering op ‘Olympus PEN EE 3 001’ Ook de zelfportretten zijn goed gelukt. Kwart voor twaalf maakt hij zijn lunchpakketje. Zijn vrouw is nu twee maanden dood. Kanker. Botkanker. Erg pijnlijk. Eigenaardig genoeg is hij de eenzaamheid al gewoon. Hij gaat ook al terug werken. De dokter wou hem nog een briefje schrijven, maar dat vond hij niet nodig. Hij wil cornflakes eten en stelt vast dat die niet meer goed zijn. Ze ruiken naar urine. Op zijn werk valt de poetsvrouw hem lastig. Ze vertelt over haar valentijnscadeau namelijk een blok belegen kaas. In de bibliotheek had een vrijwilliger haar, na hetzelfde verhaal te hebben gehoord, haar een boek van Willem Elsschot meegegeven. Dat zit ze tijdens de werkuren te lezen, maar ze begrijpt er niks van. Tot vier uur zaagt ze de oren van zijn kop. Zij had haar vriendje shampoo cadeau gedaan. Ze dacht ook dat Elsschot een boek met de titel ‘Fonkelnieuw’ had geschreven. Hij heeft haar rond drie uur getrakteerd op een Knoppers wafeltje. Na zij werk gaat hij naar frituur Estrella. Hij heeft geluk want de man na hem besteld voor achtendertig euro. Buurvrouw Tinne zit op een kruk met een glas witte wijn voor haar neus. De curryworst speciale doorsnijden met het plastic vorkje gaat moeizaam. Het breekt dan ook, zodat hij de worst en de fritjes maar met zijn handen eet. Er zit ook een kind met een baby in de frituur. De baby huilt. De moeder tokkelt op haar telefoon. Rond zeven uur is hij thuis. Hij sluit meteen de gordijnen en de Luxaflex en doet het licht van de keuken aan. In de antieke zetel, fantaseert hij over zich verdrinken in de vaart, het Albertkanaal, maar dat vindt hij te omslachtig. Hij gaat naar de badkamer en bekijkt zijn verzameling medicatie. Er is Risperdal, Lorametazepam, Quetiapine, Aspirine, Paracetamol, Zolpidem, Fluanxol, … Aloïs neemt een lege zak van de Action, waarin hij normaal zijn vuile was verzamelt, en kiepert de hele handel er in. Hij daalt de trap af.  Aan de keukentafel stalt hij de collectie medicamenten uit en haalt glazen en glaasjes uit de keukenkast. De slaappilletjes gaan in twee glazen waar Amora mosterd in gezeten heeft. Het ene heeft Star Wars afbeeldingen, het andere tekeningetjes van Les Indestructibles 2. De eerste soort antipsychotica past in een klein jeneverglaasje. De Paracetamol zijn dikke pillen, dus die verdeelt hij over twee, grote wijnglazen. Het lijken wel mini-visbokalen op een pootje, een kerstcadeau van zijn idiote zuster toen er nog samen gevierd werd. Met zijn Leica M8 maakt hij een foto van het mooie stilleven, een verzameling glazen en medicatie. Aloïs gaat opnieuw in zijn antieke zetel zitten en drinkt een glas gin met bruiswater. Buiten is het donker. Hij probeert een inschatting te maken hoeveel vloeistof hij nodig heeft om dit goedje allemaal te kunnen inslikken. Hij schat vier bierglazen van vijfentwintig centiliter, dus hij neemt vier glazen, met reclame van Golding Campina op, uit de keukenkast. Hij heeft die lang geleden gekocht op de zondagse rommelmarkt. Hij vult ze alle vier met gin en bruiswater en zet één flesje Spa blauw als reserve, mocht hij een inschattingsfout gemaakt hebben. Ook de langwerpige fles gin, die bijna leeg is, van veertien euro uit de Delhaize zet hij op tafel.  Het inslikken kost moeite, omdat veel van de witte tabletjes in zijn mond aan elkaar gaan kleven. Af en toe spoelt hij door met de Spa blauw en gin. Na alle glazen te hebben geledigd maakt hij zich de bedenking dat hij vergeten is een afscheidsbriefje te schrijven.  Wat er daarna gebeurde weet Aloïs niet meer. 

Hubert Grimmelt
3 0