Lezen

In de supermarkt.

In een vorig leven, werkte ik voor de GB-groep. Het was mijn eerste job, ik had er verantwoordelijkheden, ik was tweetalig, ik zag er best knap uit in dat uniformpje, presentabel zeg maar, in de lijn van wat verwacht werd van een GB-medewerker. Stiptheid was belangrijk, zeer zeker klantvriendelijkheid en ik heb nog steeds in gedachten de tien geboden naar de klant toe. Het was nog geen tijdperk van ‘de supermarkt beleven’ als in een ‘aah-Erlebnis’, als in een retail-orgasme. Klantvriendelijkheid werd verwacht maar je deed het ook omdat in contact zijn met elkaar des mensens is. Niet alleen tijden maar ook de wereld en de wereld van GB – Carrefour is veranderd en lijkt vandaag op niets meer op wat we vroeger zonder morren deden. De supermarkt heeft zijn mojo verloren en het personeel loopt er wat somber bij. Ik stelde me onlangs de vraag: waarom ga ik naar de kassa waar steevast een oudere kassierster zit? Waarom ga ik naar de kassa waar een vrouw van kleur zit? En waarom ga ik niet meer naar de kassa waar een blonde gespierde jongen of een Kardashian-lookalike werken? Ik ken de antwoorden. De oudere kassiersters hebben het nog. Het wat? Hét? Dat contact met de klant, oogcontact ook, die feeling, een woordje over een product dat je koopt – “lekker, die verse kip curry!”, de vraag of je zegels wil voor de potten en pannenactie, zorg dragen voor de te scannen producten, wachten met scannen als de boodschappen niet snel genoeg opgeborgen gaan, het prettig weekend wensen – mét oogcontact dat een glimlach achter het lichtblauwe masker in coronatijden verbergt. De vrouw van kleur is een oase van rust. Omdat ze tweetalig is, rust uitstraalt en altijd een vriendelijk woord heeft. Een gemeend vriendelijk woord. De blonde gespierde jongen spreekt alleen maar Frans (als hij al spreekt) en de Kardashian-lookalike is meer op de gsm/Whatsapp bezig dan me echt op te merken. Echt waar serieus, tokkelen op de gsm én scannen. Is dat een doorslaggevend op sollicitatiegesprekken? Beide profielen scannen aan een allure dat om snelheidsbeperking vraagt. Alles wordt gescand en gescand en gescand – en alles beland in sneltempo via de rolband tegen elkaar opgepropt aan de andere kant. Een kettingbotsing van eieren, spinazie, Sheeba en cava flessen. Allemaal in, op, over en soms door elkaar.  Het zijn tijden! Het gebeurt ook bij Delhaize, iets minder bij Colruyt, en bij Lidl en Aldi is het nog erger maar daar kom ik niet meer. Carrefour zit ergens in het midden. Ik zal er mijn koopgedrag niet naar aanpassen – hoewel ik wel gemerkt heb dat ik al wat meer naar Delhaize ben gegaan. Dan voel ik me de ontrouwe echtgenoot en hoop ik dat mijn lief me niet betrapt op dat ene slippertje.  We zijn het verloren. Enfin, een generatie heeft het niet meer. Wie een beetje sociologie van het werken studeert, begrijpt de veranderingen. Technologie bestaat ook in de supermarkt en zeker ook aan de kassa. Maar ik kan het niet nalaten te denken dat Carrefour en Delhaize nog weinig investeren in het menselijke dat klanten nog zijn, ondanks apps en boodschappen van op afstand te kunnen doen. Een goede vriend die consultant is bij grote namen, beaamt het. “Het is tijd- en winstverlies om te focussen op de klanten.” Nog nooit heeft hij zoveel medewerkers moeten overtuigen om zin in hun werk te geven, iets wat de supermarkt in huisopleidingen hoort te doen, maar niet meer doet. In situ, op de werkvloer en tijdens de werk- en openingsuren, niet in aftandse opleidingslokalen waar talentvolle orators het vuile werk mogen opknappen. Boodschappen doen is een ergernis. Het is een vervelende wekelijkse sleur die ik zo snel mogelijk afwerk. Als ik dat enkel en uniek moment van vriendelijkheid krijg, maakt het mijn ochtend goed. Ik schat nog een 30-tal jaren zelf mijn boodschappen te doen, dan is het aan mensen die vandaag nog niet geboren zijn om mijn boodschappen te doen. Ik heb een compromis met mezelf gemaakt. Ik zal naar de winkel blijven gaan tot de oude kassiersters op pensioen zijn en tot de vrouw van kleur een andere carrière najaagt. Stuur de blonde gespierde jongen naar de Nederlandse les en vraag aan Kardashian de gsm in de omkleedkamer te houden. Het is irriterend, contraproductief, afstandelijk, snobistisch en zéér onbeleefd.

Erwin Abbeloos
0 0

Nog één stevige tak te gaan

Intro: onlangs waren we in het vogelopvangcentrum. Er was een eekhoorn voor verzorging binnen gebracht. Wat had het arme dier meegemaakt? Op de fiche las ik: uit een boom gevallen. Iemand uit de schrijfgroep stuurde een tekening door waarop je een eekhoorn boeken ziet dragen naar de holte in een boom. Het beeld inspireerde mij. Ik schreef deze tekst. Het wordt een verhaal, ik heb er nog werk aan.     Juul was al langer dan een uur bezig met het dragen van leesvoer. Hij bracht de dunne en ook de dikke boeken naar boven. Nog één stevige tak te gaan, dit was de veiligste weg naar de ingang. Dan uitrusten, het zweet van zich afschudden. Tuur had de hele tijd staan kijken zonder te helpen. --Overdrijf je niet een beetje? Juul schudde met z'n kop, hij kon goed ontkennen. --Ik wil dat je ermee stopt Juul, ik woon hier ook. --JIj woont boven, beet Juul. --Ik moet je wel passeren om naar buiten te gaan, verdedigde Tuur. Met al die rommel breek ik nog eens mijn nek! --Goed, zei Juul. En een ruzie werd vermeden. HIj schikte de boeken per onderwerp. Hij kon al een hele tijd lezen, en sinds hij las was hij niet meer van verhalen weg te slaan. Tuur daarentegen speelde spelletjes. Dat beweerde hij althans. Het was nooit bij Juul opgekomen om van dichtbij te gaan kijken wat al dat spellawaai betekende. Waar kwam het eigenlijk vandaan? De hele winter lang zochten ze elkaar niet op, hun kamer was privé. Tuur was een beetje overstuur met al die boeken op de vloer, en ging vroeger dan gewoonte naar boven. Juul wreef zijn pootjes warm aan een heimelijk plan. Het bos werd aan de randen donker, het maanlicht naderde. Juul kon het verlangen naar die ene bundel niet opzijzetten, maar hij had het wel geprobeerd. Hoe dan ook wilde hij die bundeling gedichten ook in zijn hol. Dat zou het verschil niet maken, zijn broer zou dat extra boekje niet eens opmerken. En bovendien; hij wilde zo graag leren dichten. Gedichten lezen was bijgevolg geen tijdverdrijf maar een noodzaak. Hij was er zeker van dat hij op de tast op die ene brede tak in evenwicht kon blijven. Hij knoopte zijn pels tot aan zijn kin dicht. Er stond wat wind. Vanop de hoger gelegen kamer kwamen meerdere knallen, alsof er iets afgevuurd werd. Juul zag beukennootjes door de lucht vliegen; een visioen in zijn blije geest. Tuur speelde door en daar kon zijn broer handig gebruik van maken. Om de uitgang van de boom te bereiken moest Juul voorzichtig over al de geschreven woorden, al de vermoeide zinnen, de geeuwende komma's, de in-de-ogen-wrijvende vraagtekens. Hij voelde de drang om even, heel even bij een openliggend boek te gaan zitten. Hij ging er zelfs bij liggen, op z'n zij, linker poot als steun onder z'n kop. Een droom zocht naarstig naar de slaperige geest van een dier, liefst van een eekhoorn. De heldere droom had daar zo zijn reden voor. Uitgedoste eekhoorns gaven hun ticket af aan de balie. Iedereen nam plaats, het licht werd gedimd, één spot vlammend op het podium. Juul nam zelfzeker de bundel, zijn eerste boekje poëzie in handen, las enkele gedichten voor. Het publiek vroeg om meer.

Ingrid Strobbe
43 0

Vol van genade

Het was al donker toen één van de politiemannen me vond. Ik had me verstopt omdat ik bang was en Hendrik niet meer bewoog. Ik kende ook de weg naar huis niet; Hendrik had me meegenomen naar het bos en me de klimboom laten zien. Toen de politieman en ik uit het bos kwamen, zag ik mama en papa. Mama zat te huilen in een politiewagen en papa liep rond met zijn handen achter zijn nek en was de hele tijd aan het uitademen. Een vrouw die bij de politie was, gaf me een flesje water en zei dat het niet erg was dat ik me verstopt had; ik had Hendrik toch niet meer kunnen helpen. Ik zei haar dat Hendrik uit de boom was gevallen. De vrouw knikte en zei: 'Dat weten we.' Daarna bracht ze me naar een ambulance en wachtte terwijl een dokter mij onderzocht. Toen de dokter klaar was, gaf de vrouw me een boterham met kaas uit haar brooddoos. Ik at de boterham op en ook de korsten en de graantjes erop. Mijn handen waren vuil.   Ik bleef logeren bij oma en opa. Ik moest niet naar school en mocht de hele dag met Lego spelen, opa helpen met werken en de hele dag koeken eten. Af en toe kwamen mama en papa langs, om te praten met oma en opa. Dan zette oma de televisie voor me op. Wanneer mama en papa weer weggingen zeiden ze dat ik weer naar huis mocht komen als ze met alles klaar waren.  Wanneer ik opa hielp in de tuin of in de schuur, begon ik soms te huilen. Ik huilde om wat er met Hendrik gebeurd was of omdat ik mama en papa miste en soms zomaar. Opa zei dan dat ik naar oma moest gaan. Oma knuffelde me dan tot ik geen tranen meer voelde en opa weer kon gaan helpen. Wanneer ik ’s avonds niet kon slapen, kwam oma bij me in bed zitten en bad stilletjes een rozenkrans terwijl ze door m’n haren wreef. Dan sloot ik mijn ogen en luisterde hoe ze 'wees gegroet Maria, vol van genade, de heer is met u,' fluisterde, tot ik in slaap viel.   Op de begrafenis voor Hendrik waren veel mensen en ook de school was er. In de kerk moest ik vooraan naast mama en papa gaan zitten. Toen ik op het podium aan de microfoon iets moest vertellen, ging papa met mij vooraan staan. Oma had me gezegd dat ik geen slechte dingen mocht vertellen, dus vertelde ik hoe Hendrik me leerde voetballen en niet over hoe we vaak ruziemaakten omdat ik altijd in het doel moest staan en Hendrik veel te hard op mij probeerde te trappen. Ik vertelde dat ik Hendrik miste, maar dat ik ook een beetje blij was omdat hij nu andere kinderen in de hemel kon leren voetballen.  Toen we naar buiten gingen, zei mijn juf dat ik mooie dingen had gezegd en kreeg ik van de kinderen uit mijn klas een grote tekening. ’s Avonds spreidde ik de tekening uit op de tafel en raadde ik wie wat had getekend.   ’s Nachts stond ik bij oma en opa in de slaapkamer omdat ik weer niet kon slapen. Oma stond op terwijl opa luid verder snurkte. Oma veegde mijn tranen weg en stopte me weer in bed. Ze kwam naast me zitten,  wreef door mijn haren, liet de kralen van haar rozenkrans tegen elkaar tikken en begon stil te bidden. Toen zei ik dat ik Hendrik uit de boom had geduwd. Oma stopte even met haar rozenkrans en zei: '’ts niet erg, jongen. ’t Is niet erg.' Daarna bad ze verder en viel ik in slaap.  De volgende ochtend aten opa en ik om ter meest pannenkoeken met suiker. Ik at er vijf en ik won. Daarna kwamen mama en papa mij halen. Ze waren klaar.

Levi Heusdens
0 2