Lezen

De zetel

Ronnie keek haar aan met nieuwsgierige ogen. Het was de eerste keer in drie maanden dat ze Netflix op pauze zette en zich uit de zetel hees. Ze liep in zijn jogging de voordeur uit om de post te halen, want mensen die hun post bijhouden hebben het voor mekaar. De pakjesbrievenbus was gedegradeerd tot een dit-huis-is-onbewoonbaar-verklaarde brievenbus omdat de kubus tot de nok was volgepropt. Ze wrikte de zware stapel halfnatte post uit de brievenbus en slofte in zijn teenslippers naar de voordeur. Met een zucht slenterde ze door de hal de witte trap op naar haar werkkamer. Ronnie spurtte haar achterna om het opnieuw tot leven gekomen baasje aan te moedigen. Het baasje vond het belangrijk om bij iedere nieuwe ontmoeting te benadrukken dat het “Ronnie met ie-ee en niet met een ypsilon was”. Het was haar man die vorig jaar de oprit opreed en haar onhandig een handdoek overhandigde met daarin een klein bolletje wol, haar nieuwe vriend met pluimstaart maar zonder ypsilon.Ze opende de deur naar haar werkkamer. De avond viel en ze wist dat het warme avondlicht zich langzaam zou verplaatsen over de fristiroze muur met de zandkleurige zetel waar hij uren had gekletst met haar. Haar man had er geen problemen mee dat ze op de bovenverdieping in elke kamer minstens één muur in het fristiroze liet schilderen. Ze voelde zich schuldig. Alsof zijn dood de roze muren plots rechtvaardigde. Ze plofte de berg post op het bureau, tegenover de zetel waar hij zat. De zetel waar hij met de handen achter het hoofd zorgeloos en langgerekt lag te kletsen met haar. De zetel was er nog. Ze hoorde het ene lachsalvo na het andere bij de buren. De buren die ze niet kende maar ze kende wel hun gesprekken. Over hoe bitcoin de beste investering is, dat we straks kleren kopen in de metaverse en Tesla, omdat het Tesla is. Ronnie brieste misnoegd wanneer ze te luid lachten. Even snel sprong hij op de zetel, snuffelend naar verdwenen geuren en begon te knikkebollen. Ze scande de post: een eerste herinnering, allerlaatste herinnering, geboortekaartje en verschillende oude nummers van De Tijd die meer weg hadden van een aquarel dan een krant. Ze keek zoekend rond in de kamer, hoorde enkel nog hem lachen en besloot dat de post en het leven nog even konden wachten. Ze opende haar laptop en begon te schrijven aan een brief naar de man op de zetel. 

Astrid T
4 2

De wonderbaarlijkste begroeting

Helaba, hoi, goeiendag, hallo, goedemorgen, goedemiddag. Ik weet niet wat uw begroeting naar de medemens is, maar mogelijkheden zijn er genoeg. De naam uitspreken van de persoon die je tegenkomt kan altijd. Gesteld natuurlijk dat je de naam nog weet. Zo is er de mogelijkheid om de naam van de mensen die je ontmoet niet uit te spreken, maar toch uitermate beleefd te zijn. Het is, vind ik persoonlijk, de wonderbaarlijkste begroeting. De formule is geniaal eenvoudig. Je zegt gewoon 'allebei' als je een koppel tegenkomt. Het moet zelfs geen koppel zijn, het mag ook broer en zus zijn. Of moeder en dochter. In al die gevallen is 'allebei' perfect. Het kan ook voorafgegaan worden door 'dag', zodat je 'dag allebei' krijgt. Heel vriendelijk en de mensen die je begroet zullen je even vriendelijk teruggroeten. Problematisch wordt het als het meer dan twee personen zijn. Je zegt niet 'alle drie', dat bekt voor geen meter. Laat staan 'alle vier'. Het zou zomaar kunnen dat je er in het voorbijgaan eentje hebt gemist, want het gaat soms snel, zodat ze eigenlijk met vijf waren. Je moet al echt met je vinger beginnen tellen, zoals de juf of meester bij een uitstapje de kinderen van de klas telt, of ze er nog allemaal bij zijn. Eén persoon van het gezelschap zou verontwaardigd zijn, maar niemand weet welke persoon je vergeten bent. Dus opgepast, je zou nog ruzie veroorzaken. Nee, ‘allebei’ is prima. Wel oppassen dat je het gebruikt bij mensen die samen horen. Zo sprak ik onze oud-buurman Martin en zijn echtgenote Lucienne ooit aan met ‘allebei’. Maar de vrouw bleek niet Lucienne te zijn, gewoon iemand die toevallig naast Martin liep. “Ik vond al dat ze fel was veranderd”, zei ik achteraf tegen mijn vrouw, die me behoorlijk boos aankeek.

Rudi Lavreysen
35 1

Ernstig in gebreke

Soms loopt een planning niet hoe je het jezelf had voorgesteld. Sterker nog, dat is eigenlijk een belangrijke eigenschap van de meeste planningen. Ze lopen nooit volgens plan. Daarom was ik niet in de gelegenheid om mijn bestelling van 100 varkensoren op te halen bij het DHL punt. Ach en wee. Want de dag ervoor had ik Stef het laatste exemplaar gegeven. Dus nu had hij niks. Nou ja, dacht ik, dan krijgt hij wel een extra snoepje. Die ene keer, dat zal zo erg wel niet zijn. Nou, dat was een misrekening. Om acht uur precies meldde Stef zich bij mijn stoel. Zijn horloge gaf het aan, het was tijd voor zijn oor. Hij ging vast bij de garagedeur staan. Maar ja, wat je niet hebt, kun je niet geven, dus ik bleef maar zitten. Dat was niet helemaal de bedoeling. Hij kwam maar eens kijken waar ik bleef. De kleine snoepjes die ik hem gaf werden genadig aanvaard maar dat oor, dat was toch wel het doel.  Ik vertelde mijn bezoek natuurlijk over het drama en met zijn drieën kwamen we tot de conclusie dat het toch een bepaalde vorm van verwaarlozing was. Die arme Stef. Het was alsof hij in de gaten had dat hij werd uitgelachen, hij stond ons echt verwijtend aan te kijken. En dat bleef hij doen. Normaal kruipt hij na de begroeting en het opeten van de meegebrachte snoepjes tevreden op de bank maar nu niet. Hij bleef alert en in de buurt. Pas toen ze naar huis gingen, en hij bedacht dat hij nu echt geen oor meer zou krijgen, ging hij verongelijkt liggen. Nee, het vrouwtje kreeg geen knuffel, hij was toch zeker niet gek. Ondanks dat ik heel zeker weet dat Stef helemaal niks tekortkomt, dat hij zelfs een van de meest verwende hondjes van het oostelijk halfrond is, voelde ik me toch een beetje schuldig. En ik legde een briefje neer, ik moest niet vergeten de oren op te halen. Toen ik de dag erna de enorme doos mee naar binnen bracht, stond die kleine stinkerd natuurlijk enthousiast te springen. Ik breng na het boodschappen doen altijd wat voor hem mee, maar nu had hij wel erg veel om te snoepen. En natuurlijk kreeg hij een oor, hij liep er immers één achter. Tevreden viel hij eropaan. Tot hij in de gaten kreeg dat ik bezig was met het uitpakken van de boodschappentassen. Het oor bleef eenzaam liggen en Stef kwam eens kijken of ik toch wel aan dat andere wekelijkse snoepje had gedacht. Wat een verwend ventje. Mijn moeder zei vroeger altijd, als ik liep te klagen dat ik honger had, “de kindjes in Afrika hebben honger....” Ik voel toch een variant op het thema opkomen.        

Machteld
9 0