Lezen

Mijn mama is een taart

Iedere ochtend ontwaakt mijn mama, en start ze plichtsbewust aan haar dag. Ze kneedt zichzelf in de vorm waarin ze dient te passen, en kiest met welke vulling en toppings ze zichzelf versiert die dag. Appelen, peren, krieken, pruimen, wat meringue of amandel, en vergeet zeker niet een rijkelijke toets room! Ze geeft aandacht aan hoe het oog de maag verleidt, zodat de mensen een stap in haar richting zetten. Een eierwasje vormt een uitnodiging om de blik over haar gouden korst te laten glijden, haar essences en aroma’s dienen om de neus te bekoren, en het totaalplaatje verleidt om je tanden diep in haar kern te doen zinken. Haar liefde vloeit in de fluwelen siroop die haar doordrenkt. Fleurig, fruitig, zacht, en zoet, zo ken ik ze wel. Ze wil ons voeden, dat weet ik wel. Vreemd genoeg voel ik me nooit echt gevuld. Iedere ochtend biedt ze me een beet aan. Iedere ochtend zit ik op mijn honger. Hoe ouder ik word, hoe meer ik zie van de wereld, hoe meer ik ervan wil proeven, hoe meer de mogelijkheden me smaken, hoe slechter haar taart valt op mijn maag. Haar geglazuurde glans lijkt altijd meer te beloven dan dat ze ooit echt kan geven. Deze ochtend is een ochtend zoals een andere. Ik tref mijn mama op de vensterbank, afkoelend van haar harde werk. Ze begroet mij:   “Ach me jonk, zijt ge al do! Vergist u niet, al is wel kloar. Wa geduld, ‘kzènnekik nog te héjet. Mah bekans, joa bekans, krijg ge wel euw beet!”   Ik kijk naar mijn mama, en zie wie ze is vandaag. Karmijnrood vanbinnen, knalroze siroop rijkelijk besprenkeld bovenop, en romig wit helemaal rondom – ze is gelaagd maar gekend; Een klassieke aardbeientaart, zoals je ze alleen maar treft in de meest appetijtelijk ogende kookboeken. Als een hond bij de bel kwijl ik binnensmonds, maar mijn maag keert zich om. Ze wilt ons voeden, maar ik heb geen trek.   “Zo, me jonk, zedde gereed? Ge moet nog zo gruien, dus hier – neemt u e beet.”   “Wat hebben we nog?”   “Wasda nou? Zijde zeek? Neemt enkel e kletske, dan worde nie bleek.”   “Ik – ik voel me prima, mama. Ik heb gewoon niet zo’n goesting in een stuk taart.”   “Mah jonk toch! Wa zegde gij? Ge eet déés ieleke morgent, en ‘t maakt u altied zo blij!”   “Ik eet het iedere ochtend, omdat je nooit iets anders geeft! En ik wil het niet!”   “Zo’n attitude kan krei vertieren! Eet nu, en laat os hier nimmei over schmieren.”   De rommelende donder in mijn maag blijkt sterker dan de regenwolken en bliksemschichten in mijn ogen. Mijn mama, de prachtige aardbeientaart, werpt me een bezorgde blik.   “Ek em enkel ‘t beste met u voor. Iejen êtteleke hap, en ek geef u men oor.”   En hoewel mijn maag uit mijn lijf lijkt te willen kruipen, en iedere zenuw in mij smeekt om al dat spul buiten mij te houden, is die belofte van mijn mama te groot. Dus ik bijt op mijn tong, grijp de vork in mijn hand,breek de onberoerde oppervlakte van mijn mama,open mijn trillende lippen,neem de taart in mijn mond,en slik het door.   Iets is anders aan haar vandaag.Iets kleeft. Iets plakt.   Ik probeer te smakken, maar mijn kaken verstijven. Mijn kiezen kleven aan een. Mijn tong, dat dreunend en zwellend plak vlees, scheurt zich met moeite van mijn gehemelte, en klit zich aan de onderkant van mijn mond. Ik slik, het ongemak zo hopelijk weg, om alleen maar alles in mijn mond stroperiger te doen voelen. Dat siroop slibt dieper neerwaarts, ik voel het mijn keel dresseren, als friszoet pek dat alles overneemt.  Ik kijk naar mijn mama, de klassieke aardbeientaart, en voor ik zelfs maar kan proberen een klank van onrust en paniek te maken, spreekt ze:   “Ach me jonk, ge voelt nou gin glans. Mah voor u ligt er e hennige kans!Euw vieraars ginge ook over déés pad. Ook zij hemme dien hennige sjans gehad.Geloof me jonk, ‘t es plezeering om os te zeen. Ge gaat u dankbaar voelen, en ‘t houdt al aaneen.Wellie voeden, wellie vûlle, wellie maken den buiken vol. Vruger of loater wordt déés ook euw rol.Loat me u helpen, e vloai zeen is en eer. Déés lèèste beet doet et gerinste zeer.”   Mijn huid kraakt en krakelt. Mijn gewrichten lijken te verstijven. Ik stik en verslik in dit aarbeienslik. Ik zoek naar mijn eigen reflectie, en zie hoe dat mijn lichaam muteert in iets dat ik niet ben. Mijn huid meer en meer gouden gezwollen, mijn ogen bloesemend als verse bessen, mijn blik steeds rozer getint, mijn brein steeds meer dichtgeslibd, mijn stem steeds meer klevend versmacht, mijn hart steeds harder bonzend in mijn borstkas – ik staar naar dat groteske spel voor mij.   Wah is da da ek zien? Of is déés wah een wien?Wach, wah is déés afzichtelijk patroon?Ek klènk nimmei as me eigen persoon.Nei, déés kan neet, déés is neet wien ek zen!Loat ‘t stoppen vooraleer ek mezelf neet mier herken!Ek smeek naar al die me kunnen horen:Loat déés vlees mien geest neet versmoren!Is déés dan al? Met eeuwige zeer?Déés is den vrucht, ondanks mien afkeer.Wah ek ken, is neet mier. Wellie lopen déés pad.Alzelééven vur me leven, gelijk men monne ook betrad.       Men monne is e vloai, en ‘kzènnekik dat ook.E tradiese op generatie, zo zuut dat ek kook.Den zaolëgste vruchten en e kos vá goud.Ek smaak no woar gij ‘t mieste vá houd.‘t Is wêrreke al dagen, doch zènnekik zo froj.Want gij, den wereld, eist pertang die vloai.Me jonk, ge moet wete, den wereld is vrieët.Want bekans, joa bekans, krijgt ge ook wel euw beet.

Eden Oscar
6 1

Kropsla

‘Heb jij de sla mee in je rugzak? ‘ ‘Jaja, maar loop nu gewoon door!’ ‘Amai, dat is verder van aan het station dan dat ik had gedacht!’  ‘Kijk! Het is ons gelukt! We zijn net op tijd! Kijk,daar!’  Het vuurwerk knalt hard. De rode dotjes aan een lange lijn exploderen met veel lawaai. Ik duw mijn vingers tegen mijn oorlellen. Een wolk van rook stijgt op. De tip vanop de website om oordopjes mee te nemen was meer dan een warme suggestie.  De hele straat is gevuld met mensen. We schuifelen ons erbij. Ik zet me op de tippen van mijn tenen. Het geroffel van een grote trommel komt dichterbij. Gongs en cimbalen geven het  opjagende tempo mee aan. De menigte verdeelt zich in twee en kiest elk een kant van de straat. Twee kleurrijke rode leeuwen sluipen dichterbij. Hun kostuum is rijkelijk versierd met bontranden, spiegeltjes en gelimmende pailletten. De kop heeft grote knipperende ogen. Binnenin laat iemand de mond bewegen. Onder de lange kleurrijke mantel vormt een andere persoon de achterpoten en de staart.  De trommelaar slaat sneller en sneller. De leeuwen dansen energieker van het in midden van de straat tot aan de mensen op de stoeprand. De grootste van de twee leeuwen springt voor ons en stopt. Hij schudt met zijn hoofd van links naar rechts, kijkt naar mij en knipoogt guitig. Hij schudt met zijn achterwerk en legt zich neer zoals een hond in rust.  Het trommelgroffel bouwt verder op, harder en harder. Plots houdt het op. De leeuw staat op zijn achterste poten. De mantel van rode vacht en gouden randen aan de buik valt open. Er passen twee getrainde mannen in. De ene zit in de nek van de andere.   Jij kijkt naar mij en vraagt: ‘Durf jij de sla te geven?’  Ik schud vluchtig nee.  Jij moet lachen en geeft me een knuffel: ‘Wauw! Prachtig! Gelukkige nieuwjaar!’ De leeuwen schuddenbuiken verder door de straat. Het tromgeroffel dooft uit.  ‘Zin om nog naar het pleintje te gaan? Volgens mij, hebben ze in één van die kraampjes zo’n knuffelpaardje. Wil je graag eentje dat lacht of eentje dat huilt?’ ‘Euuh, of eten we anders samen eerst een baozi ?’ ‘Ja, dat is goed!’ 

Evelien Meulders
14 0

Ontmaskerd

Hij leunt tegen zijn bus. Ik zie het meteen. Waarom leunt hij? Zoekt hij steun? Kan hij niet meer op zijn benen staan? Als zijn bus hem moet dragen – hoe kan hij er dan mee rijden? Zijn gezicht helpt al evenmin. Je kan er zijn hele leven op aflezen. Zeker wie wat gevoel voor drama heeft. Ik dus. Zijn gelaat laat me tegenslag zien. Alsof er van alles tegen geslagen heeft. Drank, vermoedelijk. Te lange nachten. En … al wat het daglicht niet mag zien. Het soort gezicht dat aangetast wordt. Door slechte keuzes. Frustratie die nooit spijt wordt. Je ziet het in zijn mondhoeken. Zijn blik vertelt het: reken niet op mij – ik leun tegen mijn bus. Hij lijkt wel overreden. Onder zijn eigen bus beland. Hij rijdt, dus moet het iets anders zijn. Het leven, vermoedelijk. Zijn handen stellen me al evenmin gerust. Hij verstopt ze in zijn zakken. Het leven niet in zijn handen – hoe stuurt hij die bus de berg straks op. De andere ouders lijken het niet te zien. Zijn er helemaal gerust in – al heeft hij het lot van onze kinderen in handen.  Een luid skideuntje rukt me naar het hier. En nu.Een bende vrolijke kinderen – klaar hun berg te bestormen. Of hij de valies kan helpen dragen?  Ik schrik van zijn stem.  Hij heeft er zin in, zegt hij. Vrolijk, stemvast.  Hij is dus baas over zijn stem. Zijn bus luistert vast ook wel. Hij is best knap, zonder het masker van mijn angst. Ik haal mijn handen uit mijn zakken –  nu ik hen uit wil zwaaien.  

Lien Van Droogenbroeck (Pennig)✍️
112 10
Tip

Kaartenhuis

Ken je Spinvis, de Nederlandse zanger? Of band, daar is wat discussie over.  Ik ging naar een concert waar de band uit twee muzikanten bestond. De band bestond uit twee muzikanten, maar het was ongelooflijk hoeveel muziek ze maakten. Ken je Spinvis? Ik ging naar een concert waar ze met twee muzikanten een hele band leken. Ze werkten met loops. Ik ging naar een concert, waar ze met loops werkten. Ze speelden alles live, namen het ter plaatse op en maakten een loop. Waarna ze andere instrumenten namen en nieuwe lagen toevoegden. Echt knap. Ken je Spinvis? Ze werken met loops op hun concerten: eerst drums en bas, dan gitaar en keyboards. Twee muzikanten, maar ze spelen alles. Ze bouwen de muziek op in lagen. Je had erbij moeten zijn. Ik zat op de derde rij, ik kon het allemaal goed zien. Eerst speelden ze drums en bas, dat namen ze ter plaatse op en maakten zo een eerste laag. Ze werkten met loops. Daarna speelden ze andere instrumenten. Ze waren maar met twee muzikanten. Echt knap. Je had erbij moeten zijn. Hun teksten zijn ook bijzonder. Het lijken allemaal losse zinnetjes. Net zoals de muziek. De lagen en de loops. Ze bouwen het op met twee muzikanten. Het wordt telkens meer. Ik had twee tickets, maar ben uiteindelijk alleen gegaan.  Ken je Spinvis? Ik was graag met je naar hun concert gegaan. Het was echt knap. Ze bouwden hun muziek op met loops. Ze speelden met twee muzikanten alle instrumenten. Met pedalen en computers namen ze alles op. Ik kon het goed zien, ik zat op de derde rij. Je had erbij moeten zijn. De plek naast me was vrij. Ik had twee tickets. Ik hou ook van hun teksten. De teksten waren… hoe zeg je dat? Jij weet altijd het juiste woord. Associatief? Is het dat? Je had erbij moeten zijn. Ik had twee tickets. Ze waren maar met twee muzikanten, die alle instrumenten speelden. Ze bouwden de muziek op met loops. Laag na laag na laag. Echt knap. Als een kaartenhuis, een muzikaal kaartenhuis. Soms moesten ze opnieuw beginnen, als één van de loops niet goed zat. Als ze niet in hetzelfde ritme zaten. Maar ook dat opnieuw beginnen hoorde erbij. Het knapste nummer was Kom terug. Je kent het zeker, dat wordt ook op de radio gespeeld. Maar dan is het natuurlijk af. Terwijl op het concert… Ken je Spinvis? Weet je hoe ze het doen? Ze zijn maar met twee muzikanten, ze bouwen samen een huis, met loops. Eenvoudige melodieën, vaste ritmes, maar toch, samen wordt het… meer? Je had erbij moeten zijn. Ik had tickets op de derde rij. Je kon perfect zien hoe ze het deden met pedalen en computers. Alsof ze telkens opnieuw begonnen aan hetzelfde nummer, maar toch werd het groter en groter. Een huis, een kaartenhuis. Echt knap. Kom terug. De muziek is mooi maar op een bepaalde manier droevig. Ik weet niet hoe dat werkt, ik ken niets van muziek. Mineur-akkoorden of zo? Je had erbij moeten zijn. Ik zat op de derde rij. De stoel naast me was leeg. De muziek is heel… jij zou zeggen fragiel… ze bouwen het op met loops. Soms ging het mis. Misschien was het daarom een beetje droevig? Het is niet hetzelfde op de radio of cd of Spotify… Jij hebt natuurlijk de vinyl. Past er wel bij. Beetje retro, knutselmuziek. De teksten zijn ook erg knap. Net als de muziek. Ze bouwen op met laagjes, het lijkt niet samen te hangen en toch wordt het groot. Ze zijn maar met twee muzikanten, maar door alles juist te doen lijkt het een heel orkest. Eerst speelden ze gewoon drums en bas. Ritme, een eenvoudige melodie. Ze waren maar met twee. Toch lukte het. Ze werkten met loops, ik kon het perfect zien vanop de derde rij. Pedalen, computers, de stoel naast me was vrij. Alles moest kloppen. Als het misging begonnen ze opnieuw… en opnieuw… en nog eens als het moest. Tot de melodieën klopten met het ritme, en de teksten aansloten op de akkoorden. Droevig maar mooi. Mineur-akkoorden misschien. Ze speelden Kom terug. Je had erbij moeten zijn. De teksten zijn echt knap, echt iets voor jou. Zo subtiel, bijna onbegrijpelijk. Elke zin apart betekende niet veel, soms valt het zelfs in herhaling. Maar de opbouw, de herhaling, maakt er iets meer van, iets groter. Net zoals de muziek. Het is opgebouwd in lagen, zoals een kaartenhuis. Kom terug. Ken je Spinvis? Kom terug. Dat is hun mooiste nummer. Vind ik. Ik ging naar het concert, weet je, ik had twee tickets, maar je kon niet. Jammer, want het was echt knap. Ik zat op de derde rij. Ze werkten met loops. Ze bouwden hun muziek en teksten heel voorzichtig op, laagje per laagje. Ze lieten elkaar nooit los. Ze waren met twee muzikanten, ze namen de instrumenten live op. Je had erbij moeten zijn. Kom terug. 

R.F.G. Vandenhoeck
101 3

Waar is de andijvie?

"Kan u dat herhalen, meneer? Ik versta u niet zo goed". Opnieuw fluistert hij, ditmaal iets nadrukkelijker. ”Weet u waar de andijvie ligt, mevrouw?” We bevinden ons in de groenteafdeling van de supermarkt. Schouders opgetrokken, alsof dat de kou zou wegnemen. Het gefluister klinkt vreemd en komt ook van een vreemde man. Hij is het in alle betekenissen. Omdat ik hem niet ken, maar ook omdat hij onbekend aandoet. Ik herken hem nochtans. Ben hem al meermaals gekruist. Net als ik lijkt hij vrijdagavonden voor te behouden voor de supermarkt.  Hij beneemt me telkens de adem, zijn verschijning en wat hij uitschijnt - hopeloosheid. Hij lijkt zo grondeloos dat hij schuifelt, als wil hij grond zoeken - houvast. Een bergbeklimmer met hoogtevrees.  Een derde maal herhaalt hij zich, in een poging me uit mijn staren te verlossen. “De andijvie, mevrouw?” Een onhandige openingszin, gezien de andijvie schittert in zijn verder lege winkelkar. Ik besluit het spel mee te spelen. “Zelf ben ik geen fan van andijvie, meneer, maar ik vermoed dat u ze naast de kolen zal vinden.” Hij lijkt weinig moeite te doen richting kolen te stappen, schuifelt terplekke. Nog steeds bang voor zijn moeras. Het gesprek krijgt geen vervolg. Ik trek me uit het spel terug, nog voor de kaarten goed en wel geschud zijn. Ik knik vriendelijk en gebaar naar mijn boodschappenlijstje.  Toch voel ik me aangesproken. Het appèl vertraagt mijn winkelkar. De vreemde man zit in het moeras. Alleen dus. En schreeuwt op fluistertoon. “Waar is de andijvie, mevrouw?”   Hij voelt zich veilig bij me. En reikt uit. Hoewel het me ontroert, zet ik er de pas in.  Op naar de chocolade rayon, wat endorfines kunnen nooit kwaad.        

Lien Van Droogenbroeck (Pennig)✍️
31 3

Hannah in zwart en wit

Ken je dat gevoel, wanneer je een oude zwart-witfoto ziet en er een verhaal bij verzint? Bijvoorbeeld deze jonge vrouw op een fiets, lach op haar gezicht, haren in de wind terwijl ze door de velden rijdt. In het landschap staan verwoeste boerderijen en uitgebrande legervoertuigen. De hemel – op de foto grijs, maar daar kijk je doorheen – is stralend blauw.  Hannah is onderweg naar het dorp. Maar ze ziet iets tussen het puin: een prille lentebloem die zich omhoog worstelt alsof ook zij jaren in schuilkelders verborgen zat. Hannah wil haar niet plukken, nee, dat zou wreed zijn, maar ze vertraagt om de rozerode en vanillegele blaadjes te bekijken. Zo gebeurt het: wanneer haar fiets snelheid verliest, verliezen de banden hun grip op de stoffige weg. Hannah slipt, ze wankelt en moet voet aan de grond zetten. Nu ze stilstaat, ziet Hannah de bloem, of wat ze dacht dat een bloem was: een gescheurd stuk kleding dat ritselt in de wind die door de ruïne waait. Geen bloem. Ze is voor niets gestopt. Verlegen kijkt ze rond. Over de weg lopen mensen met een kar, getrokken door een oude ezel. Ze schudden hun hoofden. Meisje toch. Je moet niet stoppen, er is geen nu, voorwaarts! Hannah trekt haar jurk recht, zet zich terug in het zadel en trapt alweer de toekomst tegemoet. De mensen met de ezelkar fluiten haar na. Dat is goed, toch? De brug is verwoest, maar soldaten hebben een veer aangelegd en Hannah sluit aan bij de rij: kinderen in versleten maar vers gestreken uniform, vrouwen met lege tassen en vale lippen, oude boeren die niet durven mopperen in aanwezigheid van de jonge soldaten. Een gebruinde sergeant steekt zijn hand uit om Hannah op het veer te trekken. Ze kijkt over haar schouder, bang voor de blikken, maar de vrouwen en de boeren vinden het helemaal goed. Ga maar voor, meisje, laat de tijd niet ontsnappen! Enkel de kinderen staan wat bedremmeld rond te draaien, maar zij weten niet beter. Hebben zij het verleden wel meegemaakt? In geen tijd is Hannah aan de overkant. Als eerste verlaat ze het veer. Wanneer de sergeant haar naroept, wendt ze lachend het hoofd en mist de put in de weg. Ze schaaft haar knieën, scheurt haar jurk, stoot haar hoofd tegen het stuur. Ze valt en blijft liggen. De sergeant kijkt niet meer, hij helpt de andere passagiers van het veer. Zij lopen Hannah nu voorbij. De vrouwen met de lege tassen fluisteren terwijl ze Hannah sluiks bekijken. De kinderen hollen als gekken de weg af, een van hen trapt op Hannahs hand. Enkel de ezel van de boerenkar houdt even halt om haar te besnuffelen maar zijn meester slaat hem met een zweep.  Hannah slaat het stof van haar kleren, maakt haar vlecht opnieuw en wil verder fietsen. Maar de ketting is losgekomen. Ze raakt de schakels aan – haar vingers meteen zwart van de olie. Ze kijkt om, maar het veer is teruggekeerd. De mooie sergeant kan haar niet helpen. Met de fiets aan de hand loopt ze de weg af. Door tegen het stuur te stoten heeft ze hoofdpijn gekregen. Af en toe voelt ze een steek van pijn en lijkt alle kleur uit de wereld weg te trekken. Goed dat ze op haar fiets kan steunen.  Wanneer ze bijna bij het dorp is, valt de eerste druppel. Eerst is de regen verfrissend voor Hannahs bonzende hoofd, maar dan wordt haar vlecht zwaar en plakt de jurk aan haar magere lijf. Ze versnelt, natuurlijk versnelt ze. Als ze nooit gestopt was, nooit had omgekeken, was ze er al geweest. Ze rent, de fiets aan de hand, haar sandalen pletsen op de natte weg. De mensen voor haar kijken om. Ze moedigen Hannah aan. Komaan, meid, je kunt het. Versla de tijd en schuil in het dorp! Het rennen windt haar op, ze voelt een blos op haar wangen, haar opengesperde mond vormt een lach. De geüniformeerde kinderen zingen een lied – Nooit meer nu, altijd later! –, de boeren met de ezelkar roepen iets over een snelle meid met snelle benen, zelfs de oude vrouwen knikken goedkeurend. Je kunt het, Hannah, je zal het halen! Maar dan: opnieuw die pijn, de flits die de kleur wegneemt. Ze moet haar fiets loslaten en smakt neer in de modder. Ze hoort de donder die rolt en huilt, schudt en schatert. Voorzichtig opent ze haar ogen. Het is geen donder. Het zijn de mensen aan de dorpsrand. Ze lachen, ze wijzen naar Hannah en lachen. Ze kijken naar haar blote benen, haar vuile vlecht, haar onvermogen en bulderen. Tot de echte donder komt en boeren, vrouwen en kinderen het dorp in vluchten. Hannah klautert recht. De fiets is stuk. Het dorp is te ver. De regen wist alles uit. Dan is er het huis – Hannah kijkt op – het huis voorbij de openstaande poort – Hannah wandelt er doorheen – het huis aan het eind van het pad vol glimmende kasseien – Hannah doet haar sandalen uit om niet uit te glijden – het huis waarvan de voordeur op een kier staat – Hannah gluurt – het huis dat warm is – Hannah gaat binnen en trekt de deur achter zich dicht. Ze kijkt rond in de hal: de tegelvloer als een schaakbord, de in twee splitsende trap naar boven, de deuren met glas-in-lood decoraties, het modderige schoenspoor dat leidt naar een deurtje onder de trap. Hannah volgt het spoor en opent de deur: de keuken. In de hangende koperen pannen weerspiegelen vlammen. Ze gaat naar de haard en steekt haar handen uit. Langs haar vingers, polsen en ellebogen verspreidt de gloed zich door Hannah. Haar huid, haar haren, haar jurk, alles verdroogt en verhardt. Ze sluit haar ogen om het huis te horen. Regen en donder overstemmen het knetteren van de haard, het kraken van de houten kasten, het wiegen van de kroonluchter. Hannah opent de volgende deur en komt in een eetkamer. Op tafel staat een bord met broodkruimels en een kop met koffiedik. Hannah opent een kast. Geen eten, alleen dekens. Ze slaat er een om haar schouders en zoekt verder: een rode appel, blauwe druiven, een geel stuk kaas misschien? Maar er is geen kleur in de kamer. De grijze tafel staat op arduinen tegels, het servies is glansloos wit. Door een raampje ziet Hannah de tuin. Bomen worden door de storm heen en weer geslingerd en door de bliksem slechts af en toe belicht: een reeks onscherpe foto’s. Ze opent de volgende deur. Ze is nu in de gang tussen de achterdeur en de bediendentrap. Aan een haakje hangt een druipende regenjas, eronder staan vuile laarzen en versleten pantoffels. Hannah steekt haar klamme voeten in de pantoffels en gaat de trap op. Halverwege maakt de trap een bocht en vanaf hier is het donker. Op de tast waadt Hannah door duisternis en spinnenwebben. Het rag klit aan haar haren als een sluier. Op de overloop laat ze haar hand langs de muren glijden op zoek naar een lichtschakelaar, maar ze vindt enkel een deurklink. Ze drukt die naar beneden en betreedt een nauwe ruimte, niet meer dan een inloopkast. Ze stoot haar hoofd tegen het lage plafond. Vanaf nu moet ze voorovergebogen lopen. Door een vuile ruit werpt de storm nu en dan een bliksem. Bij elke flits staat ze dichter bij een stapel dozen. Ze opent de bovenste doos. Oude zwart-witfoto’s. Onbekende mensen in onbekende tijden. De foto’s hebben mooie gekartelde randen, als immense postzegels. Het licht in het kamertje wordt zachter, de storm buiten is geluwd. Het huis wordt stil. Hannah houdt de foto’s dicht bij haar ogen, op zoek naar herkenning. Een bloem, mensen op een boot, een paard – of een ezel? Kromgebogen schuift ze op de pantoffels, bibberend onder het omgeslagen deken, haar haren grijsdooraderd door het spinnenweb. Ze stopt wanneer ze iets hoort. Ze gooit de foto’s in de doos en kruipt weg in de donkerste hoek van het kamertje. Ik ga op mijn sokken de trap op. Hier kom ik niet graag: spinnen, de kapotte lamp, vocht in de muren. Maar juist daarom moet ik checken of de storm het niet erger heeft gemaakt. Het enkel glas moet ik eigenlijk laten vervangen. Straks eens kijken op de website van de jongens die het schuifraam in onze nieuwe keuken hebben gestoken. Voorlopig lijkt alles in orde. Die barst in het raam was er al, ik zie geen plassen op de vloer. Maar er moet toch wind zijn binnengekomen, want de deur van de berging staat open. Die oude fotodozen van moeder. Het deksel ligt op de grond, ik raap het op en hoor een kreun uit het donkere hoekje. Dat vond ik als kind de engste plek van het huis. Misschien is het maar vijf centimeter diep, maar evengoed is het een gat waarin je blijft vallen. Ik sta op met het deksel, stoot zoals steeds mijn hoofd en kijk dan in de doos. De wind heeft de foto’s door elkaar geschud. Bovenaan ligt een foto van een meisje op een fiets. 

R.F.G. Vandenhoeck
8 0

als vrienden (tekst 2)

Ik hou van je.  Onmiddellijk had ik spijt.De wereld stond enkele minuten stil.Je ogen stonden groot, wenkbrauwen hoog, je mond, lippen licht van elkaar.Ik keek weg. Schaamte.  We zaten in mijn favoriete kroeg. Weet je nog? Op het terras, ‘s avonds.Naast ons een tafel met vrienden. Met z’n allen onder de warmtelampen. Eén van de eerste koelere avonden na een zwoele zomer. Jij dronk een glas Ice Tea Green, geen bubbels voor je maag. Ik dronk routineus een pint en rookte een sigaret. Licht dronken.  Het gebeurde niet vaak dat wij met twee samen op café zaten, zonder andere kennissen of vrienden.Natuurlijk praatten we vaak. We noemden elkaar beste vrienden, maar dat was vooral via het scherm, de intimiteit van onze generatie; Nooit geleerd echt te praten. Enkele minuten ervoor was het gesprek stilgevallen. Ik was in gedachten verzonken. Dronk mezelf wat moed in en zei wat ik altijd al had willen zeggen.  Terwijl ik wist dat het nooit wederzijds zou zijn. Jij zou dat nooit zeggen. Net zoals je nu niet wist wat te zeggen.  In de verte briesde een auto voorbij.Ook de tafel naast ons was gestopt met praten, afwachtend hoe dit genant gedoe zou eindigen. Iets moest er gebeuren.  Ik denk dat we beiden wisten in dat moment dat de vriendschap voorbij zou zijn.Jij en ik, nooit meer op dezelfde golflengte.  Niets zou dit nog kunnen redden, maar iets moest wel nog gezegd worden.  Kom, iets, allez, iets, maar wat wat wat Allez bon, ik bedoel uh, als vrienden eh. Het lachen barstte uit.  

Wout
3 0

Pensioenleeftijd

Ik las in de krant een interview met de voorzitter van een politieke vereniging die zich anders wil opstellen. Hij stelde zelf een vraag. ‘Waarom bestaat er een pensioenleeftijd? Dat moeten ze me toch eens uitleggen.’ Ik begrijp wat hij bedoelt en ik zou daar samen met u een boom over kunnen opzetten, maar het nadeel van het opzetten van een boom is dat het nogal snel op ‘zagen’ uitdraait. Dat wil ik u niet aandoen beste lezer. Ook de boom niet. Ik heb, net zoals u, nogal wat gepensioneerden gekend in mijn leven. Mijn vader ging al op jonge leeftijd met brugpensioen en dat was nergens goed voor. Dan zou ik op mijn leeftijd nu ook al thuiszitten. Daar zie ik het nut niet van in. En iedereen werkt tegenwoordig toch zolang als hij of zij wil. Afijn, tot daar deze boom over het pensioen. Maar ik wil daar nog iets anders over kwijt. Daarvoor heb ik uw eerlijke mening nodig. De vraag is eenvoudig. Schat u me ouder in? Ik vraag het omdat ik – weeral eens – iemand tegenkwam die dacht dat ik al met pensioen was. Ik passeerde een oud-collega en het weerzien was hartelijk. “Ik ben blij je nog eens te zien”, zei ze. “Zo gepensioneerden onder elkaar.” Ik heb haar toch moeten overtuigen van het feit dat ik nog niet aan mijn pensioenleeftijd zit. Ze keek me ongelovig aan. Maar het moet dus iets te maken hebben met het feit dat mensen me ouder inschatten. De vorige keer dat het gebeurde is zelfs al enkele jaren geleden. Misschien ben ik oud geboren? Een oude ziel heb ik altijd gehad. Misschien uit zich die oude ziel nu ook aan de buitenzijde. Wie zal het zeggen? Misschien de voorzitter van de politieke vereniging die zich anders wil opstellen.

Rudi Lavreysen
0 0

Flitsverhaal over jou

Ze bewoog heen en weer als een strohalm in de wind. Ze leek wel te vliegen op een hemelse melodie. Het deed me denken aan een vogel, vrij in de hoge lucht. De felle pasteltinten in haar kledij in combinatie met haar mooie en ergens ook zuivere lach, herinnerden me aan een eenhoorn die ik als kind zag. Ze was één met de tijd, gaf antwoorden op vragen die het leven vergat te stellen, terwijl ik samen kon smelten met haar en haar passen. Ze danste zo prachtig dat ik bijna stopte met ademen en nog beter, ik zag dat zij reeds bij me hoorde, dat wij al een koppel waren. Ik keek en zag het publiek. Ook zij stonden verbijsterd. Ik kan me niet voorstellen dat ik me op dat moment afvroeg of iemand wenste om met haar naar huis te gaan. Ongetwijfeld en heel waarschijnlijk koesterden velen een droom over een vrouw als zij. Ik weet dat ik uitverkoren ben, alleen al voor vandaag en alle dagen dat ik bij haar ben en zij naast me loopt. Wanneer ze zo in de spotlights glundert, vergeet ook ik alles. Het is magisch wanneer zij danst. Klokken stoppen met tikken, hongerigen worden gespijsd en daklozen staan in de duurste kostuums te kijken wanneer zij ons op het podium ontroert. Er is geen moment, en het einde is altijd te vroeg terwijl ze meningen vervoert en ons gedachteloos aanschouwen verroert. Haar bewegingen zouden berekend zijn, maar noch ingewikkelde, noch gemakkelijke formules zijn de uitkomst. Het enige antwoord dat steek houdt, zou liefde zijn. Echter weet een onbekende dat niet. Ze vertelt wel eens over de sterkste kracht. Je kan het vinden in de donkerste zwaarte van het bestaan. Het is het stralende licht, wanneer je ontdekt dat niets is wat het lijkt, wanneer het tegenovergestelde klopt en alles is wat het was. Je kijkt naar haar en vraagt je af wat ze bedoelt. Haar heldere ogen kijken je aan en je weet dat ze gelijk heeft, je kan het voelen in je hart. Net dan legt ze haar hand op je borstkas en ze zegt zacht: “daar merk je dat”. Het is als thuiskomen na een ernstige ziekte. Het is als terug kunnen gaan naar je land waar oorlog woedde. Het is misschien als opstaan uit de dood of als herboren worden. Het is weten hoeveel geluk je hebt haar te kennen en de grote droefheid wanneer je beseft dat niet iedereen haar kent zoals jij. Het is je handen vouwen en dankbaar bidden in ongeloof. Het is ontvankelijk geven op het ritme van het leven dat niet bestond. Het is je verliezen in een eenvoudige aanraking met haar ziel. Het is onbeschrijflijk mooi. Het is iedereen en niemand, maar bovenal is het gewoon jij.     Céline M.

Céline M.
5 0

De Daktylovorax

“Mijn naam is Daktylovorax. Dat betekent ‘tenenverslinder’, maar eigenlijk is die naam een grove misvatting. Zie je, ik heb die naam ooit gekregen omdat ik nu eenmaal graag aan mensen hun tenen sabbel wanneer ze ‘s nachts hun voetjes nietsvermoedend over de rand van hun bed laten hangen. Ik kan je eerlijk zeggen dat ik werkelijk nog geen één keer een teen heb afgebeten en opgepeuzeld. Misschien ooit eens een kleintje, maar dat was echt waar per ongeluk. Mijn tanden zijn te scherp en daar kan ik persoonlijk niets aan doen.   Tegen het schemerdonker sluip ik muisstil naar dat donkere plekje onder je bed en dan ga ik daar klaarzitten; rillend, watertandend en handenwringend. Wanneer je de slaapkamer binnenkomt zit ik daar dan te wachten. Ik kauw gespannen op het uiteinde van mijn lange, harige staart tot die bloedig is, om maar geen geluid te maken. Je heerlijke voeten verschijnen aan het bed en ik houd mijn adem in. Het bed kraakt en piept wanneer je gaat liggen, de lakens ruisen zachtjes over je heen. Weldra zullen ze te warm worden, voel je je klamme lijf bezweten, en dan is het zo ver. Dan komt daar één voetje onschuldig van onder het laken uit piepen.   Onbewogen wacht ik tot je wegdommelt. Een waar engelengeduld leg ik hierbij aan de dag. Je kan niet geloven hoe zeer ik mezelf beheers. Ik ben de stilte en de sereniteit en de duisternis zelf. Ik ben onaandoenlijk. Ik ben het hoogtepunt van bedaardheid. Ik…   Het is zover!   Je snurkt. Ik likkebaard.   Je beweegt even in je slaap. Ik kwijl over je tapijt.   Je ronkt vredig verder. Ik krabbel aan mijn behaarde navel en negeer de golf van pluizen die eruit komt.   Je beweegt je voet nog verder van onder het laken vandaan. Ik kan het al bijna aanraken.   Nu kom ik langzaam tevoorschijn van onder je bed. Het maanlicht weerspiegelt kortstondig in de donkere poelen van mijn ogen, maar trekt zich even snel weer terug. Ik buig me over je uitgestrekte been en besnuffel voorzichtig alle kanten van je voet. Ik glijd met mijn tong over mijn scherpe tanden. Wat een heerlijke teentjes in het vooruitzicht! Voorzichtig steek ik mijn tong uit richting je grote teen. Wanneer je ademhaling stokt, houd ik halt. Mijn ogen schieten richting de grote slapende bult onder het laken, mijn tong nog uit mijn mond hangend. Dan adem je verder en adem ik ook geluidsloos uit.   Trillend van de anticipatie ga ik ervoor. Ik slurp de kwijl die van mijn tong hangt stilletjes terug op en lik aan je dikke teen. Je proeft heerlijk zout en aromatisch, als een lang gerijpte Parmezaanse kaas.      

LeenB
0 1