Elke de Echte

Gebruikersnaam Elke de Echte

Teksten

Escapade (werktitel)

Proloog   De enige kunst die me ligt, stijgt op vanuit onrust en neigt naar sereniteit. — Andre Gide   Mijn naam is Luna. Ik woon op de tweede verdieping. Ik woon boven u. Ja hoor, ik denk dat u me al gezien heeft. In de vlucht. U met de deur nog in de hand. Ik met de lange haren flapperend uit de douche. Opgewekt en fris. En evenzeer weer weg in een oogwenk. Want zo ben ik wel: ik heb nooit tijd. Geloof me: nooit! Als eenieder moet ook ik het doen met die 24 uurtjes per dag, waarvan een 1/3 plichtsgetrouw in bed. Een ganzenverenwarm bed, maar toch. Het cijferscenario is onwrikbaar. Ik bots en bots en kan er maar niet bij hoe diezelfde ieder een het klaarspeelt. Hoe zij doen wat ze doen en laten wat ze laten. Hoe ze knopen ontwarren waar ze ontwarren en doorhakken waar ze doorhakken. Mijn exacte IQ van 123 snapt het ook niet. En mijn zoetzeme EQ zwijgt liever in al haar talen. Kwestie van niet te moeten stilstaan bij de tijd die dat zelf nooit doet. 5840 wakkere uren per jaar lang. En geen schrikkelseconde meer.   Onbewust zet ik in op inhaalmanoeuvres tijdens het traject van A naar B en van B naar C. Hangt het van mijn lijf af, dan ga ik snel, vaak zwevend op de energie van B en nadien C. Zo loop je trappen het snelst af met het bovenlichaam onbeweeglijk, de inspanning beperkend tot een automatische voetopvolging die het trapgewelf streelt. Bij het oplopen steun je met de volle handpalm op de trapleuning om zo telkens één trap te kunnen overslaan. Zich haasten op publieke plekken vergt andere fijngevoeligheden. Beleefdheid mag altijd voor: haast is nooit een passe-partout. De oprechte glimlach kan dat wel wezen, soms zeer expliciet toe te dienen aan nieuwsgierige voorbijgangers. Tenminste, als je wil dat het getokkel van fijne hakjes jouw medemens niet onnodig aanzet om de handtassendief te spotten. Nergens voor nodig. Op met die colgate smile.   Ik geef toe: ik ga soms oefenen aan het kanaal. Ik camoufleer me in volledige sporttenue, in zo’n tweedelig en gesponsord pakje van Jako, en trotseer de straat. Net echt. Oefenen biedt ruimte voor experiment. Daar maak ik ten volle gebruik van: vertragen en versnellen, snelwandelen en sprinten, behoedzaam uitwijken, duwen op de armen, luidop zingen, enz. Soms ga ik zelfs voor dat willekeurige vreugdepasje. Menig omstaander heeft al moeten vaststellen dat mijn zogenaamde verticaliteit niet in verhouding staat tegenover mijn horizontaliteit. Voor de niet-ingewijden zie ik eruit als een zwangere vrouw die zorgvuldig haar prenatale ademhalingsoefeningetjes doet, terwijl ze lekker op en neer huppelt. Een duim omhoog voor deze juffrouw. En die krijg ik ook vaak. Beeld zonder klank… maar mét muzikale filter. Die dicteert. De rest maakt me niet uit. Ik hou mijn elegantie in vorm, daar langs het kanaal. Maar vooral voor mijn versnelde tussentrajecten.   Een tijdlang durfde ik de weg van A naar B niet af te leggen alvorens bestemming C vastlag. Dat leverde een ernstig logistiek probleem op. B moest nog maar in het zicht verschijnen of de paniek sloeg al om me heen. Een zuiver geval van horror finem, het minder gekende, doch oudere broertje van horror vacui. Automatisch ging ik vertragen, zo subtiel dat ik het zelf amper opmerkte. Ik moest en zou het zogenaamde noodlot – die loerende eindbestemming – uitstellen. Manipulatieve kneepjes uit ‘creatief wezen binnen de wondere wereld van de artificiële vertraging’ werden vakkundig bovengehaald. Ik schreef me vol overtuiging in voor een nieuwe cursus (bedenk het zo gek nog niet), vond allerlei superdringende huiselijke taakjes uit, liet die laatste pagina’s van dat spannende boek ongelezen, sloeg uitbundig aan het socialiseren, kocht verrassende bus-, trein- en vliegtickets en liet ‘het einde’ verwateren.   Die tijd is gelukkig voorbij. Dergelijke psychologische creativiteit is ook eindig… al speel ik het spel als een kind en ondermijn ik vervolgens de nieuwe realiteit als een meester. Enfin. Dat was toen. Fini is gedaan. Nu lopen we, de Koninklijke me, myself and I. Met ons drietjes is het altijd feest. Lopen, lopen, lopen. We kunnen er niet snel genoeg wezen. We moesten er al zijn! Met dit eigentijdse adagium op zak loopt alles ook lekker. Er is per slot van rekening genoeg voor iedereen. Iedereen druk! Heerlijk toch. Elke bestemming is provisoir. En terplekke rekken we de tijd tot opperverfijnde kwali-tijd om dan opnieuw, gulzig als geen ander, af te stevenen op het volgende avontuur. Ja, met z’n allen hebben we het felle licht gezien. Halleluja!   En ik? Ik loop recht op die lamp af. De lamp verliest. Klets de grond op. Maar ik ook. Half been in het gips. Meer bepaald fluogroen gips dat licht geeft in het donker. Zodat ik niet van het pad afdwaal. Of beter: zodat ik het pad vind! De goden hebben inderdaad mijn klaagzang aanhoord: ‘Geef die juffrouw toch een beetje respijt.’ Ze duwen vastberaden de pauzeknop in. Een beetje bedenktijd. Tijd voor strategie en aanpak. Tijd voor inzicht… en zicht in de tijd. Tijd voor een gepermitteerde en grondige psychologische selfie. Zodat ik met beide voeten op de grond terechtkom. Weliswaar na de volbrachte gipstijd.     Onze gedragslijn wordt niet door onze ervaring bepaald, maar door onze verwachtingen. — George Bernard Shaw   I.    De ketel staat op het vuur. Pruttelend tegen de sterren op. Snelkook, dat spreekt voor zich. Alsof ‘traagkook’ ooit een marketingoptie was? Hoewel… als in een hip en organisch verantwoord alternatief misschien. Vandaag smaakt immers alles, als het maar lekker wordt ingepakt. Komaan, niet treuzelen: het eten dient opgediend. De magen grommen. De dorstigen dienen gestild en de hongeren gelaafd. Snelsnel. Neen Luna, je hebt geen tijd om dit artificieel te overpeinzen. Het heeft ook geen zin. Dit is basis. Soep, mens! Al goed: juliennesoep is verwennerij voor fijnproevers. Luciferdunne repen groentjes gaan in eigen sop lekker uit de bol (of net niet). Elk reepje behoudt daarbij liefst eigen geur en kleur, maar samen rocken ze de pan uit (of net niet). It’s all in the mix. Dat is de kunst. Liefst stomend heet opgediend.   De goden hebben mooi leuteren. Hemel en aarde vol, zo existentieel zijn ze wel. Me hier zo eventjes ‘immobiliseren’ om het rustig aan te doen en van dergelijke curiositeiten meer. Fantastisch. Waar halen ze het toch? Of groeit rust in de hemel wel aan de bomen? Zo tussen de appel- en de perenboom. ‘Mmm… wat is het rustfruit dit jaar toch weer heerlijk hé?’ smikkelt Atlas. Het sap van het vers geplukt exemplaar druipt zijn kin af. ‘Ja,’ knikt Demeter, ‘haar smaak is onovertrefbaar. Ook die ronding, die pit, … goddelijk!’ Of, voor de ondergrondse goden in het hemelrijk klinkt het eerder als: ‘Zeg Artemis, breng je me daar een bakje rustfruit mee vanuit de BE express (Bazar Eternel)?’’Apollo-man, waar vind ik die dan?’ ‘Bij het hemels fruit, hé miss. Achter de rayon met tijd in alle maten en gewichten.’   Mijn ketel kan het niet aan. Hij weet evenmin of hij nu op ontploffen staat of volledig weg wil smelten. Uit besluiteloosheid slaat hij langzaam blauw en vierkant uit… en dreigt hij faliekant en protserig te bezwijken onder zoveel druk. Mijn soep schreeuwt vuur en vlam. Alsof alle fijngereepte groensels in koor mopperen: ‘Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, wij hebben ongelofelijke haast.’ Duwen en trekken, boksen en stampen: alle fysieke registers worden opengetrokken. Geen reepje blijft gespaard. Geen reepje spaart een ander. Reep om reep, tand om tand. Tot het soepcanon haar climax bereikt en moet rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan. Roeren en roeren, zo maar door en door en door… en zonder oppepmiddel. Overkoken die handel.   Mijn gedachten razen door. Onder, boven, naast en op elkaar. Tot ze elkaar een voor een verpletteren, door en door verpletteren als in een eindeloze verpletpartij. Weliswaar wonderbaarlijk in evenwicht gehouden door een eindeloze ontspringpartij van nieuwtjes. Plet, spring, spring, plet. Allemaal geheel bewust. Onbewust spelen er stunts van een geheel ander kaliber. De dagelijkse fysieke passiviteit spat er vanaf en doodt elk spoor van dat blok aan mijn been. Dromen lijken communicerende vaten vol gemiste prikkelingen uit de wakkere uren. Ik heb ze wel door: ze compenseren. Quintuple. Hele constructies worden opgezet, volledig buiten mijn controle om. Intens en reëel, maar vooral ongelooflijk fysiek. Mijn lijf smeekt erom… om te zien, horen, ruiken, smaken, tasten. En te voelen dat het leeft! En het krijgt wat het wil. Of toch de illusie. Body, mind and soul: het scenario verweeft ze alle drie. Hoe zou het ook anders.

Elke de Echte
0 0

Opleiding

Publicaties

Prijzen