Een lamp gaat branden
Schrijfopdracht 2 – Esther van der Werf - Een lamp gaat branden.
Verdiepen en uitbreiden scène tot kort verhaal
‘Hèhè, eindelijk zegt ze eens wat zij ervan vindt. Zie jij het ook? Heb je in de gaten dat ze niet meer bezig is met wat ik ervan vindt?’
‘Het werd verdorie ook eens tijd dat ze daar mee ophield, je gaf haar er nooit iets voor terug.’
‘Ja zeg, jij was perfect met al dat drinken van je.’
‘Ik weet het. Hadden we toen maar geweten wat we nu weten.’
‘Sja, het was voor haar beter geweest als wij wat minder met onszelf bezig waren geweest. Maar ja, wij ontworstelden ons aan het juk van onze tijd. Er moest hard gewerkt worden voor een nieuwe toekomst en we hadden de plicht meer uit ons leven te halen dan onze ouders. Meer materie en meer feesten, dat was onze missie. Ik heb er niet eens over nagedacht of ik haar gaf wat zij nodig had. Zo werkte dat niet. Wij gingen voor de zekerheid van de materie en de glorie van het moment. Dát weet je toch?’
‘Jaja de plicht meer uit ons leven te halen. Hou toch op. Leuk beredeneerd. Jij was alleen voor je eigen ego en plezier bezig, daar was alles op gericht.’
‘Ik meende toch dat ik het goed deed, omdat ik ook veel mensen hielp.’
‘Ik weet dat je dat dacht. Hebben we het verprutst? Ons leven?’
‘We kunnen er niets meer aan veranderen, het is water door de Maas. Blijven kijken en afwachten. Wie weet vraagt ze ons om hulp en kunnen we alsnog iets voor haar doen’
‘Denk je dat ze ons heeft vergeven?’
Beneden worstelt Esther. Moe, hondskapotmoe is ze van alle zorgen, van het zorgen. Opruimen van puinhopen die niet de hare zijn. Waarom ligt het dan toch op haar bord? Ze wil niet meer. Haar nog zo jonge moeder verliezen was hard. Toch had ze er vrede mee. Het leek alsof haar moeders leven klaar was. Pas 54 jaar en toch klaar. Bij haar vader lag dat anders. Op de een of andere manier was ze er altijd vanuit gegaan dat hij, ondanks zijn slechte leefgewoonten, toch de leeftijd van zijn eigen ouders zou bereiken. Maar ja, 72 jaar was lang geen 93 of 94. Opa en oma gingen toch verstandiger met hun lijf om. Of hadden zij gewoonweg meer geluk gehad? Zeker is dat haar vader meer zooi achterliet dan haar moeder. Bij haar moeder was het vooral verdriet om het leven dat zo jong al zo klaar was. Maar bij haar vader ligt het dieper. Heeft het verdriet om hem verliezen niet eens een kans. De resultaten van zijn manier van leven, de constructies die hij als kerstbomen optuigde in zijn ondernemen, het totaal zonder zorgen naar de dingen kijken: het laat allemaal zijn sporen na voor de generatie na hem. De financiële crisis die zich in de laatste jaren van zijn leven zich openbaarde, trok daardoor diepe sporen in zijn dood. Beleggen met geleend geld is zelfs zonder crisis geen handige zet op je 65e. Zijn gemakkelijke manier van zijn, levert nu veel op wat onduidelijk is, financieel tekort schiet en toch geregeld moet worden. Haar zus woont in Engeland, alle praktische zooi ligt op Esthers bord. Het is onvermijdelijk. Zij is weer de verantwoordelijke. Ze is het spuugzat, moe, zo ontzettend moe.
Gelukkig is vandaag de dag van de schrijfclub. Schrijven doet haar goed. De club kwam voort uit de schrijflessen die ze samen beleefden. Docent en vier cursisten gingen verder als schrijfclub. In de twee jaren die ze hen nu kent hebben ze veel verhalen uit eigen leven gedeeld. Dat brengt dichter tot elkaar. Vooral met Peter bouwde zij een speciale band. In de gesprekken in de auto heen en terug, houdt hij haar regelmatig een spiegel voor. Hij kan snoeihard analyseren, maar ook zeer ontroerd reageren op de dingen uit haar leven en haar teksten. Het is zijn open houding die ze zeer waardeert en waardoor ze ook zelf haar eigen mening geeft. Op haar beurt helpt zij hem met zijn levensthema’s. Het samen schrijven brengt hen tot luisteren en delen.
Ze praten na de bijeenkomst op het zonnige terras nog na. De anderen zijn al naar huis.
‘Pfoeh wiefke, jij kunt schrijven’
Esther lacht bij deze constatering. Ze kijkt hem aan en durft eindelijk eens onbescheiden ‘Ja’ te zeggen.
‘Waarom doe je daar niets mee?’
‘Ach, wie zit daar nou op te wachten? Het is goed zo, dit schrijven voor mezelf.’
‘Sjee, wat een onzin! Ik zou willen dat ik mijn emoties zo mooi kon verwoorden. Hoe doe je dat toch? Wil je het mij leren?’
‘Ja zeg, wie is hier de journalist, die dagelijks met woorden speelt?’
‘Ik meen het, ik weet feiten goed weer te geven maar mijn emoties verwoorden vind ik lastig. Ik heb het gevoel dat jij me dat kunt leren.’
‘Gekkie, hou op. Zo goed schrijf ik nou ook weer niet.’
‘Potverdorie! Wil je eens ophouden met dat belachelijke bescheiden gedoe. Ik wil dat jij me leert hoe ik bij mijn gevoel kom in het schrijven!’
‘Serieus?’
Een vette klap op de tafel volgt. Koffiekopjes rammelen, het lepeltje vliegt van de tafel. Verschrikte gezichten op het terras. Esther wordt rood van verlegenheid. Zijn woorden, zijn vuur-schietende ogen, de trilling in haar binnenste van de klap op de tafel wijzen haar haar weg. Het voelt bijna als hulp van boven. Een lamp gaat branden.
‘Wat denk je? Gaat ze hier nou eens iets mee doen, voor zichzelf?’
‘Ben je mal, ze gaat hem helpen, maar wat doet dat voor haarzelf?’
‘Wie weet, ik heb het gevoel dat deze vriendschap anders is, dat Peter haar teruggeeft wat ze zelf investeert in die vriendschap’
‘Mmm daar heb je gelijk in, ze luistert echt naar hem, doet er iets mee. Hoe zou dat komen?
‘Heeft dat iets met haar verlangen naar verbinding en open houding te maken?’ Dat schrijven en het met hem bespreken, doet haar daarom ook zo goed, denk ik.’
‘Mmm toch vaag gedoe hoor.’
Esther begint Peter te helpen. Ze ontdekt het plezier van hem helpen in zijn schrijven. Peter vraagt: ‘Waarom wordt jij niet schrijfdocent?’ Zo start Esther in het Belgische met haar opleiding. Ze helpt vele jaren erna met enthousiasme en intens plezier anderen op hun schrijfpad. De lamp blijft branden.
‘Kijk toch eens hoe ze alles weer aanpakt. Het doet me zo denken aan haar studententijd. We hoefden haar nooit aan haar huiswerk te manen. Enthousiast, gemotiveerd, voortvarend. Met haar kop door een muur als ze moet. Van wie heeft ze dat toch, die gedrevenheid?’
‘Hè vrouw, wat een vraag. Van mij natuurlijk! En ze wist altijd al hoe graag ik dat bij haar zag.’
‘Pfff jij. Ik ben blij dat zij wat beter om zich heen kijkt op haar pad. Die kleine en haar man zijn haar belangrijker dan haar schrijven en lesgeven, hoe enthousiast ze daarover ook is.’
‘Jaja, ik weet het nou onderhand wel. Dat had ik anders moeten doen. Leg je er nou maar bij neer dat we dat stuk niet meer kunnen veranderen. Wáter door de Maaaaaas!’
‘Ik weet het, ik weet het. Ik ben ook niet meer boos. Ik constateerde slechts dat zij iets gedaan heeft met onze fouten. Geleerd. Het is fijn dat we hier nu samen zijn, zonder ruzies.’
‘Och Wilma, konden we het haar maar vertellen.’
‘Wat?’
‘Nou, dat het goed komt. Dat uiteindelijk alles goed komt.’