Scheefgetrokken
Op het bed liggen we,
Een nieuwe versie van onszelf
Wetend dat we niet langer dezelfde naam dragen als die van gisteren.
Ik houd je lijf dat starrig wegkijkt stevig vast
in het mijne zo omgeven dat je
Moeilijk draaien kan, moeilijk aarzelen kan.
In ons bed liggen we,
menen we een kuil te vinden,
Waar we zwaar begonnen door te wegen,
In de huid van dit bed de doorligwonde van ons zwijgen,
Wij twee het anker dat niet meer wordt opgehaald.
Op ons gezicht vinden we strepen,
steeds weer dezelfde woordenwisseling met onze handen over elkaars huid uitgestreken.
Oorlogsstrepen of uitgelopen ogen,
Weten we niet
Hoe we hier liggen net
Nog geland op rechte stroken laken,
Maar nu toch scheefgetrokken in de plooien van dit bed.