Gerard van de Schootbrugge

Gebruikersnaam Gerard van de Schootbrugge

Teksten

Een deuvels kerstverhaal

 Het was K-I-avond, nou dan wist je het wel. Dan gierden bij ons kinderen de zenuwen door het lijf. We zaten aan het K-I-diner. Vader, moeder, de vriendin van vader en de vriendin van moeder. Vader met drie vriendinnen. Hij glom tegen beter weten in. Even waren we allemaal samen. Het gebeurde te weinig, maar daarom was het ook bijzonder. Mijn vader had echt zijn best gedaan. Hij had een groot deel van de dag in onze nieuwe keuken doorgebracht. Maar wij kinderen kregen geen hap door onze keel. We konden niet wachten op het vertrek naar K-IEA, het heiligdom waar we jaarlijks op 21 december K-I vierden. Het feest van De Nieuwe Zending. Vader stelde plechtig vast dat de tijd gekomen was om op weg te gaan. Het was altijd dringen om een goed plekje te veroveren.   De massa schuifelde naar binnen. Bij de ingang van bloK-I kreeg iedereen een fraai boekwerk in zijn handen gedrukt. ‘De Catalochismus,’ fluisterde vader. In de grote hal was het een drukte van belang. Middenin de enorme ruimte stond een imposante boom: De Den van de Nieuwe Zending, ook wel de ZenDen genoemd. Wij maakten een eerbiedige hoofdknik toen we de bosreus passeerden en namen plaats op een van de duizenden driezitters. Wij met vader op een gele. De drie vriendinnen op een blauwe. We zaten in het Karlstad-segment. Dat zat goed en was toch betaalbaar.   Precies om middernacht werden alle lichten gedoofd en werd het Rocke-Billy-lied ingezet. Zoals ieder jaar was ook nu weer iedereen na het meerstemmige slotakkoord diep ontroerd. Jongelingen met zilverglanzende vleugelmoeren op hun rug verspreidden met gouden spuitbussen de adembenemende geur van vers gezaagd spaanplaat. Terwijl we onze longen volzogen met de etherische damp van middelen waarvan vader zei dat ze vetvlekken oplosten, zeg maar alle zonden van ons wegnamen, klonk het schrikwekkende maar ook langverwachte geluid van een inslaande bliksem. De ZenDen werd tot vlak boven de vloer gespleten. Beide helften van de machtige stam weken uiteen.   Er ging een siddering door de massa. Want daar was Billy. De nieuwe Billy. Opnieuw had het arme Smăland, die verre plek in Zweden, een van zijn beste zonen bereid gevonden om ons een jaar lang in en uit te richten. Halleheia, klonk het. En nog eens, en nog eens. Er kwam geen eind aan. Halleheia, halleheia, halleheia, Frees the Board. Wij stonden op, en al halleheia-swingend liepen wij eerbiedig naar de gespleten ZenDen waar wij door Billy de Heialige Imbussleutel kregen uitgereikt. De meeste gelovigen strekten eerbiedig hun geopende hand, een enkele oudere kreeg het waardevolle kleinood op de uitgestoken tong. Een grappig gezicht. Volgens vader een restgebruik uit heidense tijden.   Terwijl wij zo onze verbondenheid vierden, zong het Imbusielenkoor het getoonzette epos van Billy en de Deuvel. Het verhaal was ons bekend maar het bleef mooi. Billy die op het eind moet toegeven dat het zonder de Deuvel nooit wat kan worden En zoals ieder jaar eindigde de plechtigheid met het uit het hoofd leren van het boek dat we bij de ingang hadden ontvangen: de Heialige Catalochismus.   Toen het moment van de Heenzending was gekomen, nodigde Billy ons uit om de Zevende Hemel van de Nieuwe Zending te betreden. “Let vooral op het nieuwe laminaat van klikspaan,” gaf Hij ons als goede raad nog mee. Twee dagen liepen we met onze bijbel en ons Blijde-Boodschapkarretje door de Zevende Hemel en kwamen toen weer samen rond de Den van de Nieuwe Zending. Dat wil zeggen, in plaats van de Den stond er nu een fraaie boekenkast. Wij beseften dat de transsubstantiatie had plaatsgevonden. Billy was getransformeerd. Hij had een nieuwe vorm aangenomen. Hij was in de kast gekomen. Wij voelden dankbaarheid en beloofden eeuwige trouw. Ja K-I was het mooiste feest. K-II was natuurlijk ook leuk. Op de zondag na de eerste volle maan in de lente. Dan stonden de keukens centraal. En K-III? Dat vierden ze volgens vader alleen nog in België. Hij wilde niet zeggen waarom. 'Ik heb aan mijn eigen K3 mijn handen vol,' placht hij te zeggen. Helemaal begrijpen deden wij het niet.

Gerard van de Schootbrugge
2 0

Het vlooiencircus 2 (slot)

‘Beste Alfons, ik zou...' begon de koningin, maar zij werd onderbroken. 'Alfons de Tweede, liefste, dat weet je heel goed,' sprak de koning vermanend. 'Je hebt gelijk, mijn heer, maar nu terzake. Ik zou het op prijs stellen als je eens met je dochter gaat praten. Ze wil mij niet zeggen wat er is, maar ik heb wel mijn vermoedens.’ ‘O ja,’ zei de koning, ‘en wil je die soms met mij delen?’ ‘Ach, waarom ook niet,’ sikkeneurde de koningin. ‘Ik vermoed dat het iets met die korte rokjes te maken heeft.’ ‘Verklaar je nader, liefste,’ sprak de koning liefdevol maar niet vrijblijvend. ‘Wat is er met die korte rokjes?’ ‘Ze kunnen niet korter,’ fluisterde de koningin zwaar ademend. ‘Ze kunnen niet korter meer en daarom is onze dochter in een zwart gat terecht gekomen. Er vallen geen grenzen meer te verleggen. De spanning is er af. De jongens hebben alles gezien en zijn niet langer geïnteresseerd. Ze boeken op grote schaal vakanties in het land waar het te warm is, ookal dragen de meisjes daar lange rokken.’ Misschien wel juist daarom, bedacht de koning. Hij begreep dat er iets moest gebeuren. De impasse was trouwens ook tijdens de afgelopen kabinetsvergaderingen al aan de orde geweest. Kort na het begin van ‘Zoomrevolutie’  was de actuele roklengte punt 1 van de agenda geworden. Volgens de minister van Relaties bestond er een invers, zo niet pervers, verband tussen de roklengte en het consumentenvertrouwen. Zijn stelling was: hoe korter de rok, hoe vetter de kok. Hoe korter de rok, hoe geiler de bok, wist de minister van Dierenwelzijn sinds kort. Een hoop gedoe dus. Maar wel leven in de saaie ministerbrouwerij. Maar intussen zat de roklengte al een tijdje tegen zijn grens aan. Webeschouwd een dubbele grens. Bovengrens: bilnaad. Ondergrens: lengte nul. Een negatieve lengte was volgens de minister van Kleding niet mogelijk. Als economische indicator had je aan de roklengte dus niks meer. ‘Logisch,’ bedacht de koning, ‘als je niks meer aan hebt.’ Iedereen was het erover eens dat er een nieuwe dynamiek nodig was. De slinger moest de andere kant op. De rokzoom moest weer omlaag. Maar hoe?   De ministers kwamen er niet uit en dus moest de koning het zelf doen. En zo geschiedde. Omdat Sarabande deelde in de algemene roklengtemalaise was ze gelijk enthousiast toen haar vader suggereerde dat het misschien leuk was om het vlooiencircus weer eens te laten optreden. Even de zinnen verzetten.  Hij had vernomen dat er een geheel nieuwe voorstelling op het programma stond. De kleine artiestjes traden nu op in een soort mini-Olympische Spelen. Vooral de springnummers moesten spectaculair zijn. Wat te denken van een wedstrijd hink-stap-sprong voor vlooien waarbij een van de pootjes op het ruggetje was vastgelijmd. Sarabande vrolijkte zienderogen op. En voor beten op haar armen hoefde ze niet bang te zijn. De mode schreef al geruime tijd lange mouwen voor. De dag na de voorstelling was Sarabande wakker geworden van de jeuk. Op haar rechter bovenbeen. En dus begon de zoom landelijk, en wat later ook internationaal, snel te zakken.  Nu begreep de schone prinses ook waarom de circusdirecteur deze keer in een korte broek afscheid van haar had genomen. De spiegel had het laatste zetje gegeven. De koning had te doen met zijn dochter maar het landsbelang ging nu eenmaal altijd voor. De beloning voor de circusdirecteur was riant.

Gerard van de Schootbrugge
12 0

Het vlooiencircus

Koning Alfons II zat net even bij te komen van een oersaaie vergadering met zijn ministers, toen zijn echtgenote, koningin Tiamaria binnenkwam. Rood aangelopen en zonder kloppen. De koning schrok op en zei: ‘Maar mijn liefste…’ Verder kwam hij niet, want de koningin onderbrak hem. Verder kwam hij eigenlijk nooit. ‘Kom eens van die troon en ga naar je dochter. Nu! Naar mij luistert ze niet meer. Het is ook jouw dochter. Bemoei jij je er nu ook maar eens mee. Laat maar eens zien hoe goed je bent in regeren.’ Nadat ze dit had gezegd, vertrok de koningin weer, bijna  zoals ze was gekomen: zonder kloppen maar wel een beetje roder.  De koning zuchtte diep, schudde zijn hoofd en zei tegen zijn kleine gebochelde kamerheer die nooit ver weg was: ‘Ik ben even weg. Alles schuift een half uur op.’   Onderweg naar zijn dochter, de mooie prinses Sarabande, had de koning even tijd om zijn gedachten te ordenen. Morgen werd zijn dochter 18 jaar.  De leeftijd waarop jonge vrouwen op hun mooist zijn. En zij was de mooiste van allemaal. Mooier dan welk meisje ook in het land. Heel het koninkrijk hoopte dat er spoedig een prins zou verschijnen die haar hart zou stelen, of veroveren, dat past beter bij een prins. Misschien morgenavond wel. Tijdens het bal. Want er hadden zich veel adellijke jongemannen gemeld en de een stond nog moediger aangeschreven dan de ander. En onbemiddeld waren ze geen van allen. Direct na haar zeventiende verjaardag was koningin Tiamaria met de voorbereidingen begonnen. De organisatie liep op rolletjes. De lichtgeparfumeerde uitnodigingen waren ruim op tijd verzonden. Niets leek een succes nog in de weg te kunnen staan. Maar juist dan moet je voorzichtig zijn. Overmoed maakt blind. En er zijn altijd geheime machten die er een genoegen in scheppen om het feestje van een mooie prinses in het honderd te laten lopen. En ook nu was dat het geval. Hoe het complot in elkaar zat, wist niemand. Het was zelfs niet zeker of er wel sprake was van een complot. Maar feit was wel dat er een lelijke kink in de kabel was opgetreden. Dat zat zo.   Een maand of twee geleden was er voornaam bezoek gearriveerd uit een land waar de koning niet zo veel me op had. Het was er volgens hem te warm. En dan verweekt het brein. Hij was zo onvoorzichtig geweest om dat een keer uit te spreken terwijl er een persmuskiet in de buurt was. En toen duurde het niet lang of de koninklijke mening was ook in het te warme land doorgedrongen. Met alle vervelende diplomatieke gevolgen van dien. Het voorname bezoek was door de koning uitgenodigd om, zoals hij tijdens een persconferentie opmerkte:  de kou uit de lucht te halen. Dit nu betekende voor het te warme land opnieuw olie op het vuur en dat was wel het laatste waar ze op zaten te wachten. Het bezoek begon dan ook wat stroef maar van lieverlee werd het toch nog gezellig. Op de laatste avond was er een intiem onderonsje om de laatste plooien glad te strijken. Ook koningin Tiamaria en prinses Sarabande waren hierbij aanwezig. Tijdens dit samenzijn vertelde een van de voorname gasten vol verve over het circus en hoe gek zijn landgenoten daar op waren. En het allerleukste vonden ze het vlooiencircus. Daar konden ze niet genoeg van krijgen. Het verbaasde de koning niet, maar hij liet niets merken. Terwijl de koning en de koningin probeerden het gesprek in een andere richting te leiden, wilde prinses Sarabande  alles van dit wonderlijke fenomeen weten. Vlooien, beestjes van niks, die allerlei acrobatische toeren uithaalden en elkaar in piepkleine karretjes door een piepkleine piste voorttrokken. Het leek haar enig. Sterker nog, ze bleef net zo lang aan het hoofd van haar vader zeuren tot deze toestemming gaf voor een voorstelling ten paleize. De voorname gasten juichten het besluit toe. Het zou de betrekkingen tussen beide landen ongetwijfeld verbeteren.  En voor Sarabande zou het een bijzonder verjaardagsgeschenk zijn. De koning bedacht dat de nadelen, het verzet van zijn vrouw, niet opwogen tegen de voordelen. Niet zo vreemd dat hij geroemd werd om zijn wijsheid.   Dit alles had zich dus al wat eerder afgespeeld. Gisteren had zich een wonderlijk gezelschap bij de poort van het paleis gemeld. Ruw volk in twee woonwagens en een tolk van de ambassade om het gesprek enigszins op gang te houden.  In de eerste woonwagen woonde het ruwe, slecht geschoren volkje, in de tweede huisde het circus. De circusartiesten zelf reisden mee op een aantal ondervoede katten in evenzovele kooien.  Op de zijkant van de woonwagens stond in felle kleuren geschilderd: Circus Go With The Vlo. De ontvangst van het wat morsige gezelschap was even slikken voor de hofhouding maar het ging om de internationale betrekkingen. En daarbij kwam een groeiende nieuwsgierigheid naar deze onbekende vorm van variëté. En het moet gezegd, de voorstelling was zeer verfijnd. Dat wil zeggen, je had een flinke loep nodig om de verschillende acts goed te kunnen volgen. De nietige bloedzuigertjes trokken elkaar voort in gouden koetsjes, wat tot ingehouden hilariteit bij de lakeien leidde, ze maakten koprolletjes en er werd zelfs gevoetbald met kleine vlierballetjes.  Iedereen was het er over eens dat de show goed was geweest voor de relatie tussen beide volken. Na afloop omhelsde Sarabande dan ook spontaan de wat nurkse circusdirecteur. Deze beantwoordde de hartelijke geste door de prinses krachtig tegen zich aan te drukken. Een liefkozing van het complete circus want zijn gespierde, blote armen boden plaats aan de voltallige artistieke bezetting van zijn circus. De voorstelling had veel van ze gevergd zodat bijvoeding geen overbodige luxe was. De koning had het allemaal glimlachend aanschouwd, niet beseffend wat de mogelijke consequenties konden zijn. Welnu, die waren vanochtend in volle omvang duidelijk geworden. Zijn dochter had een rood pikje op haar linker bovenarm ontdekt. En omdat het pikje nogal jeukte, had ze er ook aan gekrabd waardoor het kleine pikje veranderd was in een flinke rode vlek. Gevolg: totale paniek voor de spiegel omdat haar volmaakte schoonheid was geschonden, en het dringende verzoek aan haar moeder om het bal uit te stellen of af te gelasten. Er was voor Sarabande een jurk gemaakt die de armen bloot liet. Een jurk van een hemelse schoonheid, vervaardigd van bijzondere zijde. Voor de zijde waren speciaal gekweekte zijderupsen gebruikt die na het spinnen van hun sprookjesdraden gedood waren om te voorkomen dat er ooit nog een vergelijkbare jurk zou opduiken. Sarabande was ten einde raad. Koningin Tiamaria begreep het probleem maar hield haar dochter voor dat de adel haar steun aan het koningshuis wel eens kon intrekken als nu nog, terwijl alle prinsen met hun gevolgen onderweg waren, het bal werd afgelast. Sarabande was in het geheel niet gevoelig voor dit argument. Het enige waar zij gevoelig, zo niet overgevoelig voor was, was het gif dat een vlo uit een te warm land bij haar had achtergelaten. De rode vlek leek groter te worden. Nu was het aan de koning om te laten zien wat hij waard was. Dus zei de koning tegen zijn dochter die zich achter het omhangsel van haar hemelbed had teruggetrokken: ‘Sarabande, lief kind van me, wat ik nu ga zeggen is geboren uit liefde voor jou.’ Hij wachtte even. Hij had een sterke band met zijn dochter. Er klonken een paar snikken en een diepe zucht en toen schoof de voorhang open en verscheen zijn grote schat, zijn prachtige dochter. Ze zag er niet uit met haar rooddoorlopen, amandelvormige ogen, maar dat zei hij niet. ‘Ik heb een oplossing.’ Deze belangrijke uitspraak van haar vader leek nauwelijks tot het fraaie schepsel door te dringen. ‘We gaan de jurk aanpassen zodat de onregelmatigheid niet meer te zien is.’ Nu kwam de prinses weer enigszins bij haar positieven. ‘Ja maar vader, hoe dan?’ zei ze nog wat zwakjes. ‘De jurk krijgt mouwen, wat dacht je daarvan? Het hoeft allemaal niet zo moeilijk te zijn.’ De koning had duidelijk moeite een gevoel van zelfvoldaanheid te onderdrukken. ‘Ja maar, pap, hoe dan? Extra zijde is er niet. Waar moeten we de mouwen van maken?’ De koning schrok even, omdat hij hier niet aan had gedacht, maar hij voelde ook opluchting omdat zijn dochter de suggestie niet direct, hysterisch had verworpen. Nu kwam het er op aan. Zijn koninklijke brein werkte in de hoogste versnelling. En niet tevergeefs. ‘Daar heb ik natuurlijk aan gedacht. De oplossing is simpel. We halen een reep van de zoom en daar maken we de mouwen van. De kleermaker is al onderweg.’ Sarabande wist niet wat ze hoorde. ‘Maar pappa, weet je wel wat dat betekent?’ ‘Wat bedoel je?’ hield de koning zich groot. ‘Nou, dat iedereen morgen mijn enkels kan zien?’ Ze kreeg er een kleur van omdat ze eigenlijk niets liever wilde. Maar haar vader was in zijn nationale kledingvoorschriften nooit verdergegaan dan blote armen. Bij feestelijke gelegenheden mochten de ongetrouwde meisjes hun blote armen laten zien. En dat gaf al opwinding genoeg. Vooral op het platteland wilden de boerendeernes de armgatopeningen nog wel eens extra ruim laten uitvallen. De koning moest even slikken, maar hij kon niet meer terug. Hij had het beleid uitgezet. En slecht beleid was altijd nog beter dan helemaal geen beleid of zwalkend beleid. Dus zei hij: ‘Ja, dat is waar. Maar het moest er toch een keer van komen. In het buitenland zijn ook al vrouwenenkels waargenomen. Een leider die de tekenen des tijds niet verstaat, eindigt op het schavot. En als het dan toch moet gebeuren, dan maar gelijk met de mooiste enkels die er zijn.’ Hij gaf zijn dochter een knipoog. Zij op haar beurt vloog haar vader om zijn nek en kuste hem vol overgave vlak boven zijn baard. De koning voelde zich zeer opgelucht en zei: ‘Ik regel het verder wel met je moeder.’   Het bal werd een regelrechte sensatie. De kranten en tijdschriften stonden er vol van. De groepsfoto op de verlichte trappen van het paleis lieten niets aan duidelijkheid te wensen over. Vooraan in het midden stond de beeldschone prinses. Met bedekte armen en ontblote enkels.  18 jaar jong en wat een enkels! Het nieuwe modebeeld verspreidde zich razendsnel door het land. De meisjes waren niet meer te houden. De schaar ging in de zoom, de enkel mocht eindelijk gezien worden. Maar de geest was uit de fles, of liever: de schaar was uit de mand. Waarom stoppen bij de enkel? Was de kuit minder dan de enkel? En waarom mocht de knie niet getoond worden? En binnen een verrassend korte tijd kon de schaar weer in de mand. Er was niets meer te knippen, er viel niets meer te raden. De koning had deze bevrijdingsbeweging aanvankelijk met een zekere ingehouden voldoening geobserveerd. Het streelde zijn ego dat de ideeën die ooit in zijn brein waren geboren, nu ook in het buitenland navolging kregen. Het was een komen en gaan van delegaties die met eigen ogen wilden zien hoe eeuwenoude zeden in korte tijd omver werden geblazen door een storm van vrijzinnigheid. Even was er een gevoel van euforie, van totale vrijheid. In het land en in het paleis. Maar op een dag kwam de koningin rood aangelopen en zonder kloppen bij de koning die net zat bij te komen van een oersaaie vergadering met zijn ministers, binnenvallen. Slot: Het vlooiencircus 2 (slot)  

Gerard van de Schootbrugge
0 0

Drie keer spek kost je de nek

  Er was eens een arme boerenknecht. Door hard te werken en zuinig te leven had hij wat geld opzij kunnen leggen om een eigen boerderijtje te bouwen. Een rijke heer was bereid hem een stukje land te verkopen. Nat veen waar niemand wilde boeren omdat het vocht en de kou in je lijf kropen zodat je van de reuma al gauw geen schop meer kon vasthouden. Maar wie wil zijn hele leven knecht blijven?. En toen er eenmaal een boerderijtje stond met plek voor een koetje, een varkentje en wat kippetjes duurde het niet lang of er verscheen een pronte meid die bereid was haar leven met hem te delen. Want alles was beter dan je hele leven boerenmeid blijven.   Niet lang daarna klonken er nieuwe geluidjes in en om het boerderijtje. Het was een meisje en ze leek op haar moeder. Hoewel het sappelen was in het veen voelde de boer zich rijk als zijn vrouw met de kleine meid op haar arm naar hem zwaaide wanneer hij op het zompige land bezig was. Toen de kleine van de borst af was, werd ze ziekelijk. Aanvankelijk dachten de boer en zijn vrouw dat het de verandering van voeding was. Maar toen er na enige tijd geen verbetering optrad besloten ze om toch de dokter te raadplegen. Die kon niets vinden en adviseerde om het nog even aan te zien. De winter was bijna voorbij. Als het meiske straks lekker naar buiten kon, zou ze ongetwijfeld snel opknappen. Maar ze knapte niet op. Wat eerder als zuigeling nog Hollands glorie was, oogde nu als een bleek scharminkeltje dat met holle oogjes en knokige knietjes rondscharrelde en snel vermoeid raakte. Ze werd hangerig en begon lelijk te hoesten. De boer en zijn vrouw maakten zich grote zorgen. Er moest iets gebeuren. Maar wat? Voor het eerst was er nu soms ruzie in het boerderijtje. De boerin vond dat ze terug moesten naar de dokter. De boer had daar geen vertrouwen meer in. Hij zag meer in het kruidenvrouwtje dat aan de bosrand woonde. Maar uiteindelijk legde hij zich neer bij de keuze van zijn vrouw.   De druppels van de dokter haalden niets uit. Dus gingen ze alsnog naar het kruidenvrouwtje. Dat zat voor haar huisje op een bankje te dutten en schrok wakker toen de kleine meid een hoestbui kreeg. ‘Kom binnen,’ zei het oude vrouwtje, ‘dan zal ik zien wat ik voor jullie kan doen.’ Eenmaal binnen werden ze bijna bedwelmd door een melange van kruidengeuren. Op tafel glazen potten gevuld met stampsel van geneeskrachtige planten. Overal hingen en lagen stengels, bladeren en vruchtbeginselen te drogen. Aan de wand een tegel met de spreuk: Drie keer spek kost je de nek. De boer vroeg zich af wat dat te beteken had. Het oude mensje nam alle tijd om het meisje te bekloppen, te beluisteren en te besnuffelen. Ook stelde zij de boer en zijn vrouw allerlei vragen. Toen zei ze: ‘Ik denk dat ik het weet.’ De boer en zijn vrouw zaten op hete kolen. Vertel op, wat is er met ons kindje aan de hand, zag je ze denken. Het oude kruidenvrouwtje zei: ‘Waar halen jullie het drinkwater vandaan?’ ‘Uit de sloot,’ zei de boer, ‘waar anders?’ ‘Dat kan niet meer,’ zei het vrouwtje, ‘jullie meisje kan niet tegen het zure veenwater.’ ‘En dus?’ zei de boer. ‘Het beste is om op een goeie plek een put te graven,’ zei het vrouwtje. ‘Jullie kindje heeft water uit het zand nodig, niet uit het veen.’ Toen ze naar huis liepen zei de boerin: ‘Had je dat vrouwtje niet moeten vragen wat haar goede raad kostte?’ ‘Je hebt gelijk,’ zei de boer, dat was beter geweest. Om een of andere reden dacht hij aan de spreuk op het tegeltje.   Het was een hele toer om een goeie plek voor de put te vinden. Er lagen oude strandwallen onder het veen dat was bekend. Maar hoe vond je die? Dus groef de boer op goed geluk zo hier en daar een gat. Maar zand, ho maar. Opnieuw moest het kruidenvrouwtje er aan te pas komen. Met haar wichelroede van wilgenhout. Omdat ze slecht ter been was, werd ze al wichelend door de boer rondgereden in de kruiwagen. Na een middagje wichelen was het duidelijk waar de put moest komen. De boer en zijn vrouw bedankten het oude vrouwtje hartelijk en gaven haar een mooi stuk spek waar ze geen nee tegen zei ook al keek ze bedenkelijk. De boer ging direct aan de slag. Een waterput aanleggen was een hele klus en het andere werk ging gewoon door. Maar de smartelijke aanblik van zijn lijdende dochtertje gaf hem extra energie. Zij was aan het eind van haar krachten. Er was geen tijd te verliezen. Er kwam heerlijk koel, helder water uit de put. Een heel verschil met het bruinige drab uit de sloot. En jawel hoor, de gezondheid van de kleine meid verbeterde zienderogen. Er kwam weer een gezond kleurtje op haar wangetjes en de akelige blafhoest verdween. Het geluk keerde terug in het kleine boerderijtje in het veen. En toen duurde het niet zo lang meer voor zich een nieuwe wereldburger meldde. Een manneke, dit keer. Een opvolger! De boer dankte God op zijn knieën. Hij was de koning te rijk.   Maar toen het kereltje van de borst werd gehaald, ging het opnieuw mis. Erger nog, ook zijn zusje kreeg weer last van allerlei kwaaltjes. De boer mompelde: dit gaat boven mijn pet. Zijn vrouw zat de hele dag met de handen in het haar. Al snel was duidelijk dat er niets anders op zat. Ze moesten opnieuw naar het kruidenvrouwtje. Die bekeek, beluisterde en besnuffelde beide kindjes en zei: ‘Het is duidelijk.’ Zeg het alsjeblieft, zag je de boer denken. Wat moeten we doen, zag je zijn vrouw denken. ‘Hebben jullie vis in de put?’ vroeg het vrouwtje. Vis? De boer schudde van nee en dacht: vis in die kleine, diepe put? Waar zou die vandaan moeten komen? ‘Hoe zou er vis in de put kunnen komen?’ vroeg de boer. Het oude vrouwtje keek hem hoofdschuddend aan. Je moest die boeren van tegenwoordig ook alles leren. ‘Je moet die vis er zelf in doen,’ zei ze. ‘Waar is dat goed voor?’ zei de boer. ‘Die vis houdt het water schoon,’ zei het vrouwtje een beetje kortaf. ‘Jullie kinderen zijn nu eenmaal gevoelig voor vuil water.’ ‘Wat voor vis heb ik nodig?’ vroeg de boer. ‘Een blei,’ zei het vrouwtje. ‘Die zijn het beste en ze gaan lang mee.’ De boer bedankte het vrouwtje en gaf haar een mooi stuk spek. ‘Heb je niks anders?’ vroeg het vrouwtje. ‘Julie boeren met jullie eeuwige spek.’ ‘Hij is goed gerookt,’ zei de boer een beetje geschrokken. ‘Je kunt hem volgend jaar ook nog eten.’ ‘Vooruit dan maar,’ zei het oude vrouwtje en hing het stuk spek naast een heleboel andere stukken spek aan een balk boven de haard. Bij het weggaan wierp de boer nog schielijk een blik op het tegeltje.   De dagen daarna stond de boer vroeg op om een blei te verschalken. Omdat hij alleen karpers ving en zo nu en dan een zeelt, werd hij steeds onrustiger. Zijn kinderen raakten iedere dag een beetje meer achterop. Eindelijk, na vijf dagen, had hij een blei te pakken. Dat wil zeggen, daar leek het op. Maar volgens een buurman was het een misvormde graskarper, dat zag je aan de schubben. En een andere buurman hield het op een verdwaalde brasem. Goede raad was duur. Dus toch maar weer naar het kruidenvrouwtje. Met de blei in een emmer met water. Het kruidenvrouwtje had er duidelijk genoeg van. ‘Wat nu weer?’ snerpte ze toen ze de boer zag aankomen. ‘Toch niet weer een stuk spek?’ ‘Nee, nee,’ haastte de boer zich te zeggen, ‘ik heb nu heerlijke vis bij me.’ Hij dacht aan de spreuk op de tegel: Drie keer spek kost je nek. ‘Dat ziet er al een stuk beter uit,’ zei het kruidenvrouwtje terwijl ze in de emmer loerde. ‘Een mooie blei. Die zijn zeldzaam tegenwoordig.’ Ze pakte de emmer aan en op dat moment besefte de boer dat er iets helemaal verkeerd ging. Had hij eindelijk een blei, was ie hem gelijk weer kwijt. Het kruidenvrouwtje legde de vette vis in de keuken, gaf de kat die een feestmaal rook, een schop en bedankte de boer hartelijk. ‘Nee, u bedankt voor alles,’ mompelde de boer. Hij draaide zich om en sjokte terug naar huis. Onderweg probeerde hij zichzelf moed in te praten. Ik weet nu in ieder geval dat het een blei was, dacht de boer. Maar een stukje verderop dacht hij: maar wat heb ik daar aan?   Toen de boerin het verhaal hoorde, kon zij haar emoties niet langer bedwingen. Huilend van wanhoop en boosheid maakte zij haar man duidelijk dat hij een onnozele slapjanus was. Tussen haar snikken door kon je de blafhoest van de kleintjes duidelijk horen. ‘Ga terug naar het kruidenvrouwtje,’ beval ze haar man, ‘en kom terug met die blei. En haast je want die vis ligt misschien al in de pan te pruttelen. O, mijn God, waar heb ik zo’n man aan verdiend?’ Met het lood in zijn klompen keerde de boer terug naar de bosrand waar het kruidenvrouwtje woonde. Onderweg werd zijn aandacht getrokken door het angstige gemiauw van een kat. Al snel was duidelijk wat er aan de hand was. In het struikgewas zat de kat van het kruidenvrouwtje met de blei in zijn bek. Het beestje had zich verkeken op de omvang van de blei en op de scherpe vinnen die in zijn lip waren blijven steken. Aan de bewegingen van de staart te zien, was de blei nog niet dood. De boer greep de kat bij zijn nekvel, trok zijn bek wijd open en trok de vis voorzichtig naar buiten. In de verte hoorde hij het kruidenvrouwtje krijsen: ‘Waar zit dat ellendige beest. Ik zal hem. Met de bezem.’ Toen de boer de blei had bevrijd, rende hij weg. Onderweg dompelde hij het beest zo nu en dan even in een sloot om hem in leven te houden. De blei had een paar lelijke krassen over zijn kop. En toen de boer goed keek, zag hij dat de ontmoeting met de kat een oog had gekost. Het zag er allemaal niet best uit. ‘Volhouden,’ zei de boer zonder veel overtuiging tegen de blei. ‘Nog even, dan mag je in de put. Dan kun je weer een beetje op verhaal komen.’ En opnieuw hield hij de blei even onder water in een veenpoeltje. Het beest gaf een klap met zijn staart. Er zit nog heel wat leven in, dacht de boer en zette het weer op een rennen.   Buiten adem kwam hij terug bij het boerderijtje. De vis werd voorzichtig in een mandje naar beneden gelaten. Zou hij overleven? Zou het water schoner worden? Zouden de kinderen opknappen? Die nacht deden de boer en zijn vrouw geen oog dicht. Voor dag en dauw sprong de boer in zijn overall en haastte zich naar de put. Daar beneden het water, zwart en stil. Hij haalde opgelucht adem. Geen dode blei die met zijn buik omhoog rond dreef. Dat was een goed teken. Terwijl de zon langzaam opkwam bleef de boer roerloos bij de put staan. De vis moest toch een keer een teken van leven geven. Maar de blei liet zich niet zien. Er werd water uit de put gehaald, zoals altijd. En langzaam maar zeker knapten de kinderen op. De raad van het kruidenvrouwtje werkte. De blei deed zijn heilzame werk. En ’s avonds, voor het slapen gaan, vertelde de boer het verhaal van de onzichtbare blei met het ene oog. De kinderen konden er niet genoeg van krijgen. Ze vonden het wel een beetje zielig voor die ene blei. Altijd maar rondjes zwemmen in die donkere put. Altijd maar alleen. Maar volgens hun vader had een blei daar geen last van. De blei was volgens hem het enige dier dat ook als hij diep in de put zat altijd blei bleef. En daarom was de blei zo bijzonder. ‘En deze blei is helemaal bijzonder,’ voegde de boer er dan aan toe. En jullie zijn de enige kinderen in de wereld die dat weten.’ En dan klonk het uit twee mondjes tegelijk: ‘Omdat ie maar één oog heeft.’ ‘En dat is niet leuk,’ zei het meisje dan. ‘Maar wel handig, hè pap,’ zei haar broertje dan. ‘Heel handig,’ zei de boer dan. ‘En weet je ook waarom?’ Ja, dat wisten ze wel, hoewel ze er elke keer weer even over moesten nadenken. ‘Omdat ie dan maar één kant op hoeft te zwemmen,’ zei het jongetje. ‘Dat wist ik ook wel hoor,’ zei het meisje dan. ‘Heel goed,’ zei de boer. ‘De blei moet de wand van de put in de gaten houden, anders knalt ie er elke keer tegenaan. Dus zorgt ie dat zijn ene oog altijd aan de kant van de wand zit. En dus hoeft ie ook nooit na te denken welke kant ie op moet zwemmen.’   Toen de kinderen van de boer het verhaal van de eenogige blei later aan hun eigen kinderen gingen vertellen, werd dit bijzondere verhaal een echt sprookje. Want intussen waren er overal kranen waar schoon water uit kwam. Die kinderen hadden nog nooit een waterput gezien. En ook geen blei. En ook geen kruidenvrouwtje. Tja, dan kan een bijzonder verhaal zo maar een sprookje worden.

Gerard van de Schootbrugge
16 0

Sparen voor later

‘Je vader is weer laat,’ moppert mijn moeder. ‘Alles staat te verpieteren. Ik zal jullie maar vast opscheppen.’ ‘Ik lus geen asjee,’ dreint mijn broertje. ‘Je eet wat de pot schaft,’ zegt mijn moeder kortaf. ‘Anders ga je maar zonder eten naar bed.’ Het dreigement maakt weinig indruk. We weten dat er altijd nog een bord griesmeelpap achter de hand is. Ook geen traktatie maar altijd beter dan een lege maag, die we alleen van horen zeggen kennen maar waar we toch beducht voor zijn. Veel arme kindjes in Afrika gaan volgens mijn moeder iedere dag met een lege maag naar bed. Het gekke is wel dat je daar blijkbaar een dikke buik van krijgt. De plaatjes in de Katholieke Illustratie, door mijn opa de veeverloskundige steevast met de KI aangeduid, laten het bijna wekelijks zien. Het duurt nog jaren voor ik begrijp waarom hij altijd even grinnikt als hij K I zegt. Zo lang, dat de KI intussen is verdwenen en ki gemeengoed is geworden. ‘Waarom is papa zo laat?’ wil ik weten. ‘Zeur niet. Eten,’ commandeert mijn moeder. Op dat moment horen we de achterdeur open gaan. ‘Papa,’ gilt mijn broertje. Na de knuffels die voor ons de harmonie herstellen, heeft mijn vader nog even wat uit te leggen. Het lijkt wel een goedkope goocheltruc. Maar daarom niet minder spannend. Er komen twee zakjes uit zijn portefeuille. Eerst een grote, daarna een kleintje. Beide worden met een weids gebaar voor mijn moeder op tafel gelegd. De grote is geel en ondoorzichtig. Door de kleine kan je heen kijken. Er zitten postzegels in. ‘Nee, hè. Was het weer zo ver?’ zegt mijn moeder een beetje sarrend. ‘Allemaal voor jullie,’ zegt mijn vader veelbelovend. ‘Wat dacht je hier van?’ zegt hij terwijl hij de grote enveloppe naar mijn moeder schuift. ‘Niet schrikken. Het vakantiegeld zit erbij.’ ‘En dit is voor jullie,’ zegt mijn vader tegen mijn broertje en mij, terwijl hij zijn hand op het kleine zakje legt. ‘Als het een beetje meezit kunnen jullie hier later van studeren. Wat wilde jij ook weer worden, Daan?’ ‘Astronoom,’ zeg ik zonder aarzeling. ‘Ik ook,’ zegt mijn kleine broertje. ‘Kijk, dat bedoel ik nou,’ zegt mijn vader tegen mijn moeder. ‘Twee astronomen. Wat denk je dat dat gaat kosten? Dat gaat alleen lukken als de verzameling straks veel geld waard is. En dat is ie alleen als ie compleet is.’ Mijn moeder laat haar boosheid varen. Er verschijnt een glimlach die de hele kamer verlicht. Voor mijn vader het moment om haar een stevige pakkerd te geven. ‘Wil assistent-hulpastronoom Daan even de pincet pakken? In het kastje onder de trap.’ ‘Nee,’ zegt mijn moeder, ‘we gaan nu eerst eten, anders kan ik zo alles in de kiepelton mikken. Die pincet komt straks.’ ‘Ik lus geen asjee,’ herinnert mijn broertje zich ineens weer. ‘Zonder asjee geen astronoom,’ zegt mijn vader. ‘Wat is een astronoom?’ wil mijn broertje weten. ‘Zeg jij het maar, Daan,’ zegt mijn vader. ‘Iemand die alles van de sterren weet,’ houd ik mijn broertje voor. Van die hachee was voor mij ook nieuw. Mijn vader stopt het kleine zakje voorzichtig tussen zijn portefeuille. De grote gele envelop verdwijnt in de schort van mijn moeder.    Zondag. De tafel ligt bezaaid met postzegeldingen. Postzegels, albums, supplementen, insteekboekjes voor de dubbelen, eerste-dag-enveloppen, de catalogus van Nederland en de Overzeese Gebiedsdelen, twee pincetten, een rechte en een die een beetje omgebogen is, en een vergrootglas. Ik zit naast mijn vader, klaar om de kruimels op te vangen die hij laat vallen. De kreupelen, de rafelgevallen, de gehandicapten. Omgevouwen hoekjes, ontbrekende tandjes, verwaterde kleurtjes, verknipte ansichtkaartslachtoffers, vreemdelingen die er niet bij horen, in mijn sigarendoosjes is plaats voor velen. Al mijn zegels krijgen na enige tijd een lichte restgeur van Willem II Senoritas. Mijn sigarenbandjes bewaar ik in een Elisabeth Bas kistje van opa. Zo kan ik nooit in de war raken. ‘Zo, Daan, daar gaan we dan,’ zegt mijn vader en hij begint het groene album waar Holland op staat voorzichtig open te schroeven. ‘Ik wil ook mee,’ roept mijn broertje, dat vaak aan een half woord genoeg heeft, en hij begint zich aan mijn vaders colbert op te trekken. ‘We gaan niet weg, Wim,’ zeg ik, ‘we gaan alleen het nieuwe supplement in papa’s album doen. Voor als we later astronoom worden, weet je wel.’ ‘Kom maar Wim,’ zegt mijn moeder, terwijl ze haar vuurrode afwashanden aan een theedoek afdroogt, ‘dan gaan wij even bij de geitjes kijken. Kunnen de grote jongens rustig spelen.’ ‘Je bent een schat,’ zegt mijn vader tegen mijn moeder en ik weet zeker dat hij het meent. ‘Ja, mam, je bent echt een schat,’ zeg ik uit solidariteit met mijn vader maar ook wel omdat ik het meen. ‘Denk in het vervolg wel even na voor je wat zegt. Begrijpt zo’n mannetje veel! Pak je laarsjes maar, Wim.’  Mijn vader verankert zijn nieuwe aanwinsten met plakkertjes op de supplementbladen. Ik krijg een blad van vorig jaar dat overbodig is geworden. Voor mijn vader het moment om mij in te wijden in de geheimen van het plakkertje zodat ik op het afgedankte albumblad kan oefenen. ‘Kijk,’ zegt mijn vader terwijl hij een plakkertje naar zijn mond brengt, ‘met je tong. Eerst de ene kant.’ Mijn vader steekt zijn tong uit, gek gezicht voor een politieagent, laat het puntje voor de grap even wapperen, en haalt zijn tong dan een paar keer langs zijn lippen. ‘Let op. Niet te veel en niet te weinig.’ Ik vraag me af wat hij daarmee bedoelt. Hij plakt het kleine, gehoekte stripje op een donkergroene zegel en belikt vervolgens het tweede stukje van de strip. Dan laat hij de zegel met plakker en al voorzichtig in het daarvoor aangegeven vakje op het supplementblad landen. ‘Zo, dat was de Jan van Riebeeck van 6 cent met 4 cent bijslag. Probeer maar. Hier heb je een paar plakkertjes. Maar let op: niet te veel en niet te weinig.’ Ik buig me over het blad waar mijn vader net zijn groene Jan van Riebeeck op heeft geplakt. Naast de grijze Jan van Riebeeck. Er zijn nog twee vakjes open. Boven de vakjes staat: JAN VAN RIEBEECK HERDENKING. ‘Waar gaat dit over, pap?’ wil ik weten. Mijn vader pakt zijn vergrootglas, waar ik soms stiekem het celluloid mee van zijn fietsstuur brand, maar dat weet ie niet, en leest: ‘1652 KAAPSTAD 1952. Ja, jongen, in 1952 was het driehonderd jaar geleden dat we in Zuid-Afrika aan land gingen. Jan van Riebeeck werd de baas. Een held. Zo’n postzegel is nodig om held te blijven; de mensen vergeten zo gauw. Ze praten daar nog steeds Hollands. Moet je nagaan. Dat krijg je allemaal nog op school. Maar dan weet je het vast. Je kunt van postzegels verdraaid veel leren. En nou plakken, jij. En niet al mijn plakkertjes verknoeien. Begin maar eens met drie.’ Mijn vader zingt: Rij maar an, ossewa, rij maar an. Een raar liedje als je het mij vraagt. Ik heb al twee keer om nieuwe plakkertjes gevraagd. Die rotzegels willen gewoon niet blijven zitten. En ik doe het toch precies zo als mijn vader. Op een gegeven moment zegt hij: ‘Zet de radio eens wat harder. Even horen wat Hiltermann te zeggen heeft over Korea. Als we ze niet tegenhouden staan ze hier straks op de stoep.’ ‘Wie staan er straks op de stoep, pap?’ vraag ik en ik voel dat het helemaal niet lekker zit met Korea. ‘De communisten, jongen. Het rooie gevaar. Als je hun postzegels hebt gezien weet je genoeg. Communisten lachen nooit. Gezellig toch?’   Onlangs, ruim een halve eeuw later dus, liep ik in Utrecht door de Zadelstraat richting Domplein, op weg naar de reünie van mijn oude studentenvereniging. Voor wie het precies wil weten: het was zaterdag 23 mei 2015, half elf. Het was zonnig maar fris en ik was wat aan de vroege kant. Zo kon het gebeuren dat ik vooraan in de Zadelstraat een winkeltje opmerkte dat bij eerdere gelegenheden aan mijn aandacht was ontsnapt. Een postzegelwinkeltje! Ik verkeerde al geruime tijd in de overtuiging dat dergelijke winkeltjes niet meer bestonden of in ieder geval uiterst zeldzaam waren geworden. Maar hier was er nog een, de deur stond open en ik had nog tijd genoeg. Toen ik over de drempel stapte, kreeg ik het gevoel dat ik ook had bij het binnengaan van Teyler’s Museum in Haarlem. Alsof ik in een time-warp terecht kwam. En dat gevoel werd nog aanzienlijk versterkt toen ik aan de praat raakte met de eigenaar, William van der Bijl, uitbundig bebaard en blijmoedig genesteld tussen zijn verzamelwaar. En alsof dat nog niet genoeg was, vetrouwde William mij, nadat we in een vrijmoedig gesprek verzeild waren geraakt over de waarde van mijn vaders verzameling, plotseling toe dat hij al vele jaren postzegelzaken met Noord-Korea deed, er regelmatig heen ging, en er nog niet zo lang geleden een tijdje had vastgezeten op verdenking van spionage omdat de Grote Leider toch wat begon te twijfelen aan zijn eerzame, filatelistische bedoelingen. Eenmaal weer buiten bedacht ik dat er in een halve eeuw een hoop kan veranderen, zoals de waarde van mijn vaders verzameling die al weer vele jaren bij mij op zolder lag, maar gelukkig niet alles. De Domtoren was er nog. En William van der Bijl. Hoe zou het met mijn oude studentenvriendjes en -vriendinnetjes zijn?

Gerard van de Schootbrugge
3 0