Guido De Schrijver

Gebruikersnaam Guido De Schrijver

Teksten

Geen ersatz gewenst

Ik kwam binnen, keek rond en zoals altijd zag ik het eerste ogenblik niemand, verblind door de collectief op mij gerichte ogen. Dan heb ik altijd de neiging om het heel stil uit te schreeuwen: ‘Ik heb jullie niets gevraagd!’ Ik voel me dan een indringer die binnenvalt in een groep onbekenden en als een vreemd element het biologische systeem van hun biotoop uit zijn evenwicht brengt. Ik probeerde me duidelijk voor ogen te houden dat ik omringd was door patiënten en dat die met verdubbelde spontaneïteit de wereld inkijken. Zo rustig mogelijk hield ik dus de blikken van mijn lijf tot ikzelf op een stoel zat, zij mij integreerden als deel van het verstoord interieur, de ogen van mij wegdraaiden en ik op mijn beurt kon meekijken naar diegenen die binnen en buiten liepen. Wel ging er op dat ogenblik niemand binnen of buiten. De muren waren hardblauw geschilderd om je in de diepste kelders van de oceaan te wanen. Een plafond zo hoog dat de afgebladderde verfkrullen nauwelijks opvielen. Stevige tafels en stoelen, bestand tegen een dreun.   'Ze is gedempt blond en niet onaardig. Haar leeftijd? Veertig, ze verjaart in juni. Een gemiddelde gestalte. Mollig, maar niet wat men dik kan noemen. Geëpileerde wenkbrauwen, althans toen ze nog thuis was. Naast de mond heeft ze een verbleekt, haast onopvallend litteken. Zelf denkt ze dat het van de waterpokken is die ze als kind had.' Met die signalementen moest ik het zien te rooien. Om te beginnen was er niemand onder de vier aanwezige vrouwen die niet onaardig was. Buiten die ene ginder, die hád wel iets. Waren het hun jaarringen? Ik zag een floers hun gezichten bedekken, die de versheid aantast. Misschien was de stroming in de bloedbaan gaan vertragen. Of zat het in het hoofd? Goed mogelijk dat ze zich tussen de stangen van vicieuze cirkels ingekooid voelden, gegijzeld in eigen lichaam met soms heftige dromen om er uit te stappen. Waanzin puilt langs de ogen naar buiten, wordt beweerd. Aan een van de tafels zat een dame, het haar vlekkeloos zwart als de nacht en keurig gekapt rond de oren. Ze had een lieflijk gezicht, geteisterd door de zenuwen en de medicamenten. Ze had gezelschap van een man die zijn uitstraling haalde uit zijn lederen laarzen waarvan de schachten tot aan de knieën reikten. Zij glimlachte sporadisch. Maar die emoties welden niet uit haar binnenste op. Het waren de spieren van de mondhoeken die zich verplaatsten. Ik hoorde hen gedempt praten. ‘Heb je nog problemen met de stoelgang?’ ‘Vorige week produceerde ik iets dat met het blote oog nauwelijks te onderscheiden viel van de omgeving,’ zuchtte ze. ‘En gisteren?’  ‘Jawel, met mondjesmaat.’ ‘En vandaag?’ ‘Er komt schot in.’  Van de drie overigen zou je kunnen zeggen dat hun haar laveerde tussen blond en afgeleefd. Die ginder tegen de muur was eerder oud te noemen, door de jaren latachtig verdund. Haar kin en de klep van een baseballmuts concurreerden in het verst vooruit steken. Een elleboog op tafel, arm en hand verticaal opgericht, scheen ze een heilgroet te brengen, met tussen de vingers een sigaret, langdradig onder de opstijgende rooksliert uitgerekt. Ze gaf  zichzelf een omslachtige uitleg en luisterde daar aandachtig naar.   De vrouw met de rug tegen de ramen van de binnentuin had mooi kunnen zijn, ware het niet dat ze ingepakt zat in te veel vlees. Ze was bezig haar buitenmuren nog aan te dikken met sukadekoek. Tamelijk blond omkranst hoofd, door de muren heen kijkend, zat ze kennelijk op niemand te wachten. De vierde, levenloos haar in pieken, had een slobberig trainingspak aan en converseerde zwijgend met een mannelijke patiënt. Geen van hen zat op mij te wachten, ze keken me niet aan. Dan ineens kwam ze binnen. Ze was inderdaad niet onaardig, het meisjesachtige snijwerk van haar trekken was nog niet aangetast door het slijten van de jaren. Ofschoon haar blond haar een grijze schijn begon te krijgen, was ze toch nog jong genoeg om mijn kandidate te zijn. Pauserend bij elke aanwezige, ook bij mij, keek ze de zaal rond en nam een stoel. Ze droeg een zwarte spannende kousenbroek en elegante riemschoenen. Met die mantel strak rond haar lichaam vroeg ik me af of ze van ergens uit haar kamer gekomen was en na nog een blik op de algemene situatie op het punt stond de ontmoetingszaal te verlaten en de straat op te gaan. Zou wel niet lukken met die bewakingscabine naast de ingangspoort. Ze begroef haar neus in de haren van de pelsen kraag, een mink, of gewoon een konijn of synthetische rommel, trachtte ik te raden. Allicht strelingen over wangen en neus die ze elders niet meer te goed had. Ze sloeg de benen over elkaar en duwde haar handen in de met pelsomzoomde zakken. Dus ze wachtte. Het duurde geen vijf minuten. Gehaast stond ze op en liep de deur uit. Alles bij elkaar kon die blonde niet onaardige vrouw mij natuurlijk onmogelijk kennen. Ik vroeg me af welke beschrijving mijn collega van de dagelijkse treinreis naar het kantoor in de stad haar van mij gegeven had en hoe ze mij van daaruit kon identificeren. Kijk nu, daar was ze ineens weer. Ze keek de zaal rond, met gecontroleerd ongeduld. Ik was er zeker van dat ze iemand zocht of verwachtte. Ze zette zich neer en drukte de handen in de zakken van haar mantel. Niets hield haar vast aan de tafel, zelfs niet aan de stoel, geen wiebelende benen, maar de voeten tegen de tegels gedrukt, startblokken om recht te veren van zohaast de bekende bezoeker opdaagde. Het duurde weer niet lang of ze kwam inderdaad met een schok recht en ijlde naar buiten. Ik keek nog eens rondom mij. Als zij het niet zou zijn, waar bleef dan mijn blonde niet onaardige vrouw, begon ik zelf ongeduldig te worden. Tot de mink verkleed in vrouw alweer in het deurgat kwam staan. Ze overschouwde nu ronduit berispend de zaal. Is zij nu mijn kandidate of niet, groeide mijn twijfel. Weer eens de stoel op, stijfjes, armen tegen het lijf gedrukt en wachten. Ik waag het er op, besliste ik.   In de vroege ochtend geperst tussen de rechtopstaande pendelaars thuis-werk-thuis in de middengang van de treincoupé ontmoeten we elkaar haast dagelijks. Van ver een groet met een handzwaai. Als we dicht genoeg bij elkaar staan, lanceren we al eens over de koppen van de andere forensen heen een machteloos gemopper over het hardnekkige slechte weer. ‘De politie moest er maar eens naar kijken,’ vind ik dan en hij beaamt. Dus een kennis, mag ik zeggen, die net als ik het beste van zijn leven slijt in een kantoor in de hoofdstad. Wederzijdse sympathisanten van het zelfde beschoren lot. Op de duur zijn we met elkaar zo vertrouwd als waren we familieleden, terwijl je nauwelijks weet waar de andere woont. Die keer was het op zijn gezicht te lezen. Hij wrong zich tussen de schouders en de armen van de reizigers en kwam er helemaal voor bij mij staan. ‘Ik heb met haar definitief gebroken. Het was al een hele tijd aan de gang. Voor de kleinste onbenulligheid maakten we slaande ruzie zonder ook maar een woord te zeggen. Maar zij wil er niet van weten, ze heeft het in haar hoofd gestoken en is opgenomen in de psychiatrische. Ik kan haar niet onder ogen komen, maar blijf bezorgd om haar. Ik ben geen onmens. Ik weet niet hoe ze zou reageren: me krijsend naar de keel grijpen of op de knieën vallen en smekend janken om de hele instelling op te schrikken. Doe me een lol en ga eens kijken hoe ze het stelt. Gewoon eens polsen. Ik zorg er voor dat ze weet van je komst.’   Ik stond op en ging naar haar toe. Aan haar ogen te zien was ik een inter-oceanisch containerschip dat op het punt stond haar roeiboot te rammen. Ik dacht alsnog rechtsomkeer te maken, maar vermande me en ging voor haar staan. ‘Excuseer, kijkt u naar iemand uit?’ ‘Ja.’ ‘Ik heb een ontmoeting met Ofelia. Bent u Ofelia?’ ‘Dat gaat jou niks aan.’ ‘Tja, u hebt beslist iemand anders op het oog. Maar hoe weet u dat u op mij niet wacht?’ ‘Ik wacht al twee maanden, elk uur, op mijn vriend en die heeft bepaald een andere smoel dan jij. Ik hoef geen ersatz.’ Ze drukte haar neus in de mink, sprong op en liep naar buiten.   Guido De Schrijver

Guido De Schrijver
0 0

Vriendengesprek

De cafetaria is bekleed met een brede laag sleet en om aan een koffie in een wegwerpbekertje te geraken duw ik de muntstukken herhaalde malen opnieuw in de gleuf, ze vallen er zo door. Ik weet dat Sandra lang naar mijn bezoek heeft uitgekeken. 'De dokter heeft mij het moederschap ontnomen.' 'Met een operatie?' schrik ik ongelovig. 'Ik bedoel, afgeraden. Hij beweert dat, moest ik kinderen hebben, ik gevaar loop ze tijdens een van mijn agressieve aanvallen dood te slaan,' zegt ze intriest, komt uit haar stoel en gaat een wafel uit de automaat trekken. Aan haar slome tred te zien zit ze onder straffe medicatie. Ze keert terug, kiest eender welke stoel uit, wankelt onopvallend en komt toch nog bij mij terecht. Haar cake met chocoladekorst naar binnen schrokken en honderduit praten, het gaat allemaal tegelijkertijd. 'Nu willen die gekken beletten dat ook ik echt vrouw mag zijn. Met welk recht?' fulmineert ze sloom. Terwijl ze aan het praten is, vallen mijn ogen op een man, een veertiger die er hoogst waarschijnlijk dertig is. Hij zit in de andere hoek, de rug gekeerd naar de vensters en de open deur die uitgeven op een geschoren binnentuin met opgebonden stokrozen en een rij chamaecyparis die met hun streuvelgedraaide bladen een afgeleefde muur verdoezelen. De benen gekruist, twee blikjes frisdrank op tafel, rookt hij uit het openliggend pakje voor hem de ene sigaret na de andere. Zonder er nog deugd aan te hebben, gewoon omdat hij niet meer tevreden is met alleen maar lucht, die is leeg, niet de moeite om in te ademen, hij wil lucht met een smaakje. 'Marcel, heet hij,' zegt Sandra mijn blik volgend. De omstanders die aan hem voorbijkomen, rakelings, met een  geplastificeerde wafel, een reep chocola, bruisend water, ze bestaan niet. Heel aandachtig luistert hij naar de andere tegenover hem. Ik zit in het verlengde enkele meters achter de rug van zijn gesprekspartner, die weet net als Sandra ook van geen ophouden. Maar Marcel zuigt alsmaar aan zijn rookstok, laat die andere doordrammen en praat niet. 'Misschien is dat wel zijn ziekte,' denk ik. Hoe moet dat immers in zijn werk gaan tijdens de dagelijkse sessies met de psychiater? Als hij zijn mond niet opentrekt, wie doet dan wat? En erger nog: wie is wie? Beamen, daarin is hij royaal, met schokbewegingen, afgewisseld door de schouders en de elleboog, het snokken van de nek, een trok aan de sigaret, een been opnieuw gekruist. Met dat mager scheenbeen en een te hoog opgetrokken broekspijp gaat de omslachtige tennisschoen als een botsauto op de kermis te keer. Het relaas dat hij beluistert, dat hebben ze kennelijk samen beleefd, een avontuur waar hij nu met een verholen glimlach van verre op terugkijkt, zo van nu zou ik het toch helemaal anders aanpakken. Zijn wenkbrauwen, twee triomfbogen in een vermoeid gezicht, verraden zijn verrassing, gebiologeerd als hij is door de  waarheidsgetrouwe biografie die de onvermoeibare verteller over hem weggeeft. Soms lijkt het er op of zijn blik verder reikt, langs of over de kop heen van de wauwelaar die voor hem aan het tafeltje zit en hij pal in mijn gezicht belandt, mentaal op adem komend om die tijd, die episode, dat epos klaarder voor de geest te halen en de beslagen details op te helderen. Want die klapekster ging er nogal lichtvoetig over, niet bewust van de gaten in zijn kaas. Maar hoe hij ook in mijn gezicht valt, hij ziet me niet. Ben ik voor hem decor, behangpapier? Maar dan wordt het verhaal echt spannend, ik zelf ga er helemaal in op en hoor Sandra, die alsmaar voort kankert, niet meer. Hij is volledig in de ban. Zijn autoscooter botst tegen een metalen tafelpoot, de schouder schokt, het been gaat de lucht in, de nek rekt zich uit en met de elleboog verricht hij emotioneel weerwerk, want de fabulant doet er blijkbaar een epische schep bovenop. Enkele aanwezige koffieslurpers kijken een moment  gefascineerd het gesprek aan. Dan komt er een ontlading, innemend knikken. Ja, hij weet het nog, zonder de gekruide details natuurlijk. Maar ja, blijkt hij de andere gerust te stellen, 't Is ook al weer zo lang geleden. Of niet soms? Want af en toe betrapt hij er zich op dat hij de zin voor de tijd aan het verliezen is. Hoe lang hij nu al in dit centrum zit? Daar kan hij niet meteen op antwoorden. Hij kijkt weer even naar mij, ziet me niet en begint met de vlakke handpalm de as van zijn sigaretten van het tafelblad te vegen, verplaatst met neerhangende pols een van de lege busjes prikdrank, kijkt geïntrigeerd  naar het verleden en schuift dan het andere blikje opzij, denkwerk van een schaakspeler. Dan steekt hij met de gloeiende peuk van de vorige een nieuwe sigaret aan, opgelucht, want zijn gesprekspartner is allang met zijn relaas verder gegaan, zonder een antwoord af te wachten. De groeven rond de mond trekken zich langzaam open. De glimlach die hij te voorschijn tovert is zo fijnzinnig dat hij zelfs de verteller die verder dreint ontgaat. Dan beginnen waarachtig haast wulps zijn ogen te wentelen om onmiddellijk daarna te  verharden. Ruzie om een vrouw?, daar lijkt het sterk op. Een tijdlang staart hij diep nadenkend voor zich uit, niet begrijpend hoe zo iets kon gebeuren. Hij wil een verklaring, verstart, kromt zijn handen tot vraagtekens. Zijn metgezel zet zich schrap. Wat gebeurd is staat op rekening van beiden. Ze zijn er met haar samen op uitgetrokken. En zo’n aanbod kon ze niet afslaan. Onrustig begint hij in de metalen kom van de zitting heen en weer te schuiven, hij lijkt wel last te hebben van madenkriebels in de aars, verwisselt voortdurend de benen over elkaar, haalt de chipszak naar zich toe die al leeg was voor ik hem in de gaten kreeg en wimpelt hem weer weg. Dan richt hij een arm dreigend naar de andere kant van de tafel. Toch dramatischer dan ik dacht? Is ze niet op hun aanbod willen ingaan? En heeft de andere haar daarom… Of is ze juist wel meegegaan en hebben ze haar onderweg…? Ze geven elkaar de schuld. Opgeladen met een overdosis agressie richt hij zich half uit zijn stoel en buigt zich over de tafel. Hij maakt aanstalten om zich op zijn maat te werpen. Een ogenblik denk ik er aan een verpleger te roepen vooraleer het gevecht uit de hand loopt. Op dit ogenblik zit er niemand meer in de zaal behalve hij en zijn metgezel, Sandra en ik. Maar dan kalmeert hij plots alsof hij een injectie gekregen heeft. Toch blijft hij gespannen de tegenstrever tegenover hem aanstaren. Ondubbelzinnig ziet hij uit naar een afrekening. Dat wordt dan een kluif voor de psychiater in de volgende uren, voorzie ik. Opeens schrik ik op. Het gerinkel van een bel scheurt als een alarmsignaal door de cafetaria van het psychiatrisch centrum.     'Tijd voor het avondmaal,' zucht Sandra gelaten. De man in de hoek veert recht, verward, betrapt op een recidiverende overtreding, een dwangbuis waard. Hij kijkt rondom zich. Nu pas is hij zich bewust van onze aanwezigheid. Voor de eerste keer hoor ik hem spreken. 'Het zijn jullie zaken niet.' Haastig loopt hij naar de deur en beent naar buiten. Sandra en ik blijven helemaal alleen achter. 'De dokter gokt maar. Met welk recht? Een kind zou misschien juist mijn vlagen van agressie kunnen intomen,' insisteert ze.

Guido De Schrijver
0 0

De Zanger

In heel de stad hing zijn affiche, zelfs tegen afgebrokkelde gevels, klaar voor de sloophamer. Ook onder de grond. De metrotrein stopte, ik stapte uit en zag zijn figuur achter glas tegen de muren geplakt. De ar­tiest, schitterend in glitter, beroemd tot ver buiten de grenzen van het land, kondigde naast zijn uitgebreid repertorium een gloednieuwe song aan, pas enkele dagen tevoren ontworpen. Hij wou de titel niet kwijt. Het moest een verrassing blijven. Ik was erg nieuwsgierig en terwijl ik door de lange tunnelgang stapte om bovengronds te komen ver­heugde ik me al op een weergaloos spektakel later op de avond in de grootste schouwburg van de stad,. Van ver vloeiden  gitaarklanken me tegemoet. De haveloze straatzanger stond zoals gewoonlijk tegen de witbetegelde wand van de tunnel, blootgesteld aan de niet-aflatende kille trekwind en lastige politieagenten. Zijn hond draaide voor de zoveelste keer achter zijn staart aan op zoek naar een zachte plek op de stenen vloer. De instrumentenkast stond te midden van de gang, opengeklapt, ik struikelde er haast over. Op het loshangend rood fluweel lagen geldstukken verspreid, door voorbijgangers van op afstand neergeworpen, haast verontschuldigend. Een deel ervan had hij er zeker zelf ingelegd, om zijn succes bij het publiek te laten blijken. Vlak voor hem bleef ik luisteren. Misschien was ik deze avond zijn laat­ste toehoorder. Hij had een wollen muts op, een flanellen bouwvakkerhemd en daarboven een dikke grijze overjas van het soort dat uitge­deeld wordt door het Leger des Heils. Aan zijn voeten stond een fles bier. Zijn lange haren hingen in reepjes en maskeerden zijn gezicht bij elke schokkende beweging. Als hij zijn ogen oprichtte, staarde hij vlak naast mij naar de muur tegenover hem. Bij het nazinderen van de laatste akkoorden keek hij verzaligd op, hij ontwaakte uit een droom.    ‘Fenomenaal, talent te over,’ riep ik hem verrast toe.   Alvorens aan het einde van de tunnel de trap naar de uitgang te nemen, draaide ik me nog even om. Buiten de straatar­tiest die ongestoord verder zong was er niemand in de hele ruimte te bespeuren. ‘Voor wie staat hij nu muziek te maken?’ dacht ik bij mezelf. Misschien ziet hij, zonder zijn blik van een onbestemd punt op de witbetegelde tunnelmuur af te­ wenden, voor zich een barstensvolle zaal met een lange rij toeschouwers die tot op de trottoirs staan aan te schuiven.             Ik repte me naar huis. Uit voorzorg nam ik het avondmaal vroeger dan gewoonlijk. Ik had nog geen ticket en trok ruim op tijd de stad weer in. Ik kwam inderdaad een uur te vroeg voor de aanvang van de voorstelling, maar er stond een onoverzienbare rij voor de ingang van de zaal aan te schuiven. Eindelijk kwam ik aan de beurt. Pal voor mij stond nog een zestigplusser hardnekkig te vechten om korting op het dure ingangsticket te krijgen. Het leek hem of de kassierster door haar weigerachtige houding een hold-up op zijn portefeuille pleegde. Dankzij de elektronische uitreiking aan vijf  parallelle kassa’s zat de zaal een kwartier vóór de aanvang afgeladen vol en waren de zijgangen met staande toeschouwers dichtgeslibd. Primai­re kleurenbundels dwarsten het duistere podium, doorboord door melkwitte transparante lichtbalken die rook, textielpluisjes en aan de huid geplakt vuil leken op te slorpen. Ineens daverde de ruimte onder een lawine. De wereldberoemde artiest kwam te voorschijn en huppelde in drie elegante sprongen naar het midden van de scène. Daarna werd het stil als in een onderaardse grot. Toen viel er een klank naar beneden, een kristallen druppel van een stalactiet die in een duizendjarig meer plenst. En dan nog een. Aan de manier waarop hij de snaren aansloeg om een laatste keer zijn instrument in overeenstemming met zichzelf en de kosmos te brengen, wisten zijn aanbidders welk lied hij zou aanhef­fen. Een kort zinsverbijsterend gejuich vulde de zaal. Nog voor de snaren het voorspel konden beëindigen, had de zaal reeds de eerste verzen ingezet. De cadans van de muziek regelde als een pacemaker de collectieve hartenklop en verdichtte de opgepakte lijven tot een monsterlijk lichaam dat hevig ging transpireren en zwalpen. Naakte armen aangedreven door de adem van de melodieën, maaiden gelijk wieren in de zeestroming van een mistige oceaan. Plots krulde damp uit de grond en onder een spot bloedrood licht steeg lava op uit de vulkanische bodem. De massa tilde de schouders op en huppelde op het ritme. De artiest wipte hoger en dreigde op een bepaald ogenblik uit zichzelf te springen. In de cimbalen en in de slurven van de saxofoons flikkerden izabelkleurige venussterren. Plots maakte de voetschijf van de microfoonstang zich los en rolde over de vloer de menigte in. Het gejoel werd hard als een muur. De artiest voelde dat het ogenblik gekomen was om zijn splinternieuwe song los te laten. ‘De Gebroken Vlerk,’ bulderde hij de titel door de microfoon. Meteen hield de zaal de adem in, de stilte van de oceaanbodem. Spontaan begon ik mee te neuriën. Verbaasd stelde ik vast dat hij de klanken zo uit mijn oren haalde. Ik kon zelf de muziek geschreven hebben. Na het slotakkoord hief hij de arm in de lucht en zijn hand viel theatraal opzij over de pols, een dode vogel. De menigte was niet meer te houden. Tieners zakten in elkaar, het hart gesmolten. Het buigend fenomeen vreesde voor opstootjes, indien hij naliet tot driemaal toe zijn nieuwste creatie te herhalen. Uit duizend ventielen huilde het collectief monster mee.             Verhit stond ik weer op de straatstenen. Binnen in mij echoden de klanken luidruchtig na. Het kwam mij voor dat aan de overkant de gevels en die enkele schrale boom op een schildersdoek geborsteld waren en daar oud geworden, zo onwezenlijk verstild. De enkele mensen die me voorbijliepen keken me niet eens verrast aan. En ik die dacht dat ik nog nahuppelde. Naarmate ik de ingang van de metro naderde, stierf de wereld helemaal uit. Ik dook de grond in. Een lege grafkelder om mijn eigen begrafenis te beleven, godverlaten. Maar dan klonk bij het begin van de tunnel ineens de bekende melodie. Een paar meters voor hem bleef ik staan. Hij zong met de ogen dicht. Hij leed er kennelijk onder. Ik mikte het wisselgeld dat ik terugkreeg bij de aankoop van het ticket op het rood fluweel van de instrumentenkast. Glijmiddel om hem te benaderen en even zijn leven binnen te vallen. ‘Hoe lang sta je hier al op deze plek?’ vroeg ik hem. ‘Een halve eeuw’, antwoordde hij moe. ‘Ik moet ook pissen, daarvoor ga ik even naar boven. De stank die je waarneemt, ik zie het aan je neus, is niet van mij.’ ‘Hoelang zing je dit lied al?’ ‘Enkele jaren met tussentijdse onderbrekingen. Ik wissel af. Als ik mijn repertorium niet regelmatig verander, geven mijn vaste metropendelaars niet meer.’ ‘Waar haalde je de muziek vandaan?’ ‘Zoals ik zei, enkele jaren geleden. Ik hoorde de melodie in de tuin van een vriend. Ze viel samen met een vogel uit een boom.’ ‘En de titel?’ ‘De Gebroken vlerk.’                                                                                    

Guido De Schrijver
0 0

Vreemd land

Er gaat geen nacht voorbij of ik geraak hopeloos in allerlei dromen verward. Nu echter ontwaakte ik uit een niet alledaagse zinsbegoocheling. Ik had er de eerste dag een lange voetmars opzitten. Ik vond, in het donker en bek af, een hotel. Maar, zoals dikwijls in dromen gebeurt, wist ik langs geen kanten waar ik terecht gekomen was. Toen ik wakker werd, was het met een schok en pijnlijk helder, want ik lag effectief in een onbekende hotelkamer, echter niet dat onbekende dat elke hotelkamer heeft als je er voor de eerste keer binnenstapt. Het was wel identiek dezelfde kamer waarin ik de avond tevoren of enkele seconden geleden (een droom duurt maar een tijdsfractie, liet ik me eens gezeggen) mijn intrek genomen had, doodmoe. Het raam omvatte de totale muuroppervlakte van plafond tot vloer en van de linker tot de rechter zijmuur. Dat merkte ik aan het protserig gordijn dat over de hele breedte van de kamer dichtgeschoven was en zich gedwee in een flauw licht liet drenken, haast zeker ochtendlicht. De spierpijnen van de tocht de dag te voren die me uit mijn slaap geroepen hadden, waren plots verdwenen. Ik zal dan toch nog aan het dromen zijn, probeerde ik me gerust te stellen. Meteen wilde ik het weten, met zekerheid. Opzij vond ik het touwtje en begon er aan te hijsen. Het gordijn week plechtig zwaar uit elkaar, ik moest denken aan het doek van een toneelzaal. Een mijlenver landschap kwam te voorschijn, een authentiek toneeldecor. Het panorama was kris kras met opgeschoten betonstaven, masten en staken bezaaid. Opzij lag een korenveld. Tussenin liepen rechtlijnige en verreikende rijen van naar boven gekromde palen voorzien van TL-buislampen. Het leken wel gestroomlijnde walviskarkassen, gepolijste visgraten in sierlijke bochten, spietsende spanten van een schip in aanmaak op de werf. Tientallen Eiffeltorens volgden keurig achter elkaar in het gelid, ze droegen kilometers lange hoogspanningskabels. Een mast stak rode lichtjes op zijn top in een voorbijzeilende wolk. De hoogste van de sensorische schelpen die een andere toren schraagde bereikte ongetwijfeld de donkere kant van de maan, berekende ik benauwd. Aan de horizon rees een verbrandingsoven uit de grond. Bovenop zijn schouw ruste een witte slaapmuts, een roerloze schuine wolk in evenwicht. Hijskranen winkelhaakten de lucht in driehoeken en trapeziums. Bij gebrek aan voldoende plaats verrezen nieuwe masten gemonteerd op deze die er al stonden. Gespannen keek ik toe en zag een constructie van ijzerspaken en balken uit het midden van een paardenstal de hoogte inrijzen. Het hele arsenaal van lansen, speren en spiesen liep verder dan het blote oog zien kon. Het was duidelijk dat de bewoners een titanisch gevecht tegen de wildgroei leverden. Hier en daar waren ze er in geslaagd terrein te winnen op de in de zon blikkerende palissaden, hekken en afsluitingen. Een woning in opbouw was ver klaar. Ook de boom die ze ernaast kweekten gedijde weelderig. Er waren zelfs plekken te bespeuren waar een onvervalst bosje, bij nader toezien van zwarte elzen, essen en sleedoorn, op heldhaftige wijze tussen de PVC-gelederen overleefde. Op sommige locaties waren palen omgegooid en lagen roemloos te roesten. Een sliert populieren verving vermoedelijk een vroegere rij telefoonpalen. Dan weer zag ik hoe het metaal terrein probeerde te heroveren en torenhoge antennes zich als parasieten aan de schoorstenen op de daken van de huizen vasthechtten.       Een droom, dacht ik opnieuw. Toen viel het mij in, hoogst waarschijnlijk had ik mijn verrekijker bij me. Tijdens het opensjorren van mijn rugzak bekeek ik de wanden van de kamer. Ook die konden me niet helpen om uit te maken waar ik aan toe was. Er hing een foto die veel weg had van het Himalayagebergte, ingekaderd en achter glas. Daarnaast hing een aquarel die een groep Afrikaanse dansers voorstelde, benen haaks als sprinkhanen, voeten plat tegen de grond. Na wat rommelen tussen spullen die ik herkende als de mijne, maar waar ik verder niets mee te maken had, vond ik hem. Meestal moest ik wat prutsen om de lenzen scherp te stellen, nu vlogen de beelden er zo in. Meteen kreeg ik de verre asfaltlinten in zicht. Ze slingerden zich als slangen tussen de pijlers door. En jawel, honderden wagens die zich voortbewogen, achteraan, traag als pissebedden. En anderen die vooruitschoten, dicht onder mij, als schichtige kakkerlakken. Ik schrok en voelde het in mijn maag, ze bewogen. Alles zette zich in beweging. De rode lichten in de toppen van de masten flitsten aan en uit en de witte wolk werd in gecondenseerde lagen uit de schouw van de verbrandingsoven geperst en klom verder de lucht in. Door terug naar beneden te focussen kwam een meisje in zicht. Ook zij bewoog. Met wippende haarstaarten zwierde ze in een schommel die aan de dwarse stangen van een van die Eifeltorens achter in haar tuin ophing. Het was dus geen toneeldecor en geen droom, besloot ik paniekerig. Weer probeerde ik mijn onrust te sussen. Dat het echt was wat ik meemaakte was nog niet bewezen, want ook in mijn dromen bewogen de dingen, traag, zo droomtraag als de man, die nu een metershoge beuk aan het planten was tussen metaal afval. Plots brak een stem de alomtegenwoordige stilte. Ik verschoot me een ongeluk, tot ik merkte dat de klank uit het luidsprekertje van een radio in de muur kwam. 'Er ligt een betonnen paal over het hele wegdek van de autosnelweg, alle rijstroken zijn voor onbepaalde tijd afgesloten,' waarschuwde een donkere mannenstem. Ik probeerde ergens een knop te vinden om meer nieuws te krijgen, maar nergens was er een te bespeuren. Eindelijk moest ik maar eens weten waar ik terecht gekomen was. Beducht stapte ik naar de kamerdeur. Onderweg merkte ik dat er aan de zijkant van mijn schoenzolen opgesteven modder kleefde. Die tocht van gisteren was dus wel degelijk reëel, zonk de akelige gedachte in mijn knieën. Ik wikkelde aan de klink. Dat was toch al iets: ik was tenminste niet opgesloten. Blohartig stak ik mijn hoofd door de opening. Voor mij zag ik een lege traphall, voltapijt op de treden met blikken stootranden, proper gestofzuigd en versleten. Doodse stilte. Ik riep iets, en nog eens, veel luider. Maar alles bleef hersenschimmig stil. Hoe moet het nu verder? Vertwijfeld trok ik me terug. Naast de deur stond een schrijftafel, onder het blad vond ik een schuif. Daarin trof ik een toeristenfolder aan. Ik las: ‘Welcome! Visit Flanders, zijn huizen, zijn bomen!’     

Guido De Schrijver
0 0

TERUG NAAR DE GEBOORTEPLEK

Het vliegtuig maakte een tussenlanding. Hij zat achter een glas pure rum met ijs op een Caribisch eiland te wachten. Een jonge vrouw in witte schort, achtervolgd door een zanikende hummel, liep in het restaurant van tafel naar tafel en vroeg de reizigers of ze hun bloeddruk mocht nemen. Eén dollar. De associatie sloeg in als een snapshot. Als jonge kerel verliet hij Vlaanderen en voer haveloos met een vrachtschip naar de Verenigde Staten van Amerika. Begonnen als letterzetter in een drukkerij leerde hij zijn echtgenote tijdens een campagne voor bloedinzameling kennen. 'Je handen zijn warm', had hij gezegd. 'Je hebt goede aderen. Ik kan de naald er van verre ingooien', antwoordde ze verrast. 'Mag ik volgende week nog eens komen?' 'Je levenssappen moeten eerst terug aangroeien', had ze hem geamuseerd gewaarschuwd. De week nadien troffen ze elkaar in een bar op een vloer die zweette. 'Op de vampier en haar slachtoffer', hief hij schertsend het glas. Kon hij niet dansen zij des te beter. Tijdens de openingsdans op het huwelijksfeest zette hij zich voor de hele zaal te kakken. Naderhand ruilde hij de letters voor de grafische kunsten. Hij was specialist in lithografie toen hij op pensioen ging. 'Passagiers voor Brussel aanmelden aan poort B!'  hoorde hij de luidspreker pal boven zijn hoofd. Hij tuurde door het kleine venster. De boeing vloog een overdekte zaal binnen, wolken tegen het plafond, wolken tegen de vloer en tussenin een holle doorlopende tunnel. De leegte waarin hij terechtkwam na het auto-ongeval was afgrondelijk. Maar hij kon niet zeggen of het met ruimte te maken had dan wel met tijd. In feite was hij drie dagen en drie nachten in coma blijven zweven. Het duurde daarna nog tergend lang eer hij wist dat hij in het ziekenhuis lag en eer hij in staat was naar zijn vrouw, zijn zoon, schoondochter en hun kind te vragen. Een hele stamboom uitgeroeid, kreunde hij nog jaren nadien. De familiekelder waar ze samen gelegd werden noemde hij zijn massagraf. Zijn zoon en kleinzoon wedijverden met elkaar om hem door hun afwezigheid pijn te doen. Hij stond weer alleen in de Verenigde Staten, net als toen hij zoveel jaren terug uit het vrachtschip stapte. Nu pas werd hij er zich van bewust hoe oud hij wel geworden was. Veel tijd was hem niet meer gegund. Hij zat in een op hol geslagen trein, niet te stoppen en die reed met hem recht de dood in. En als hij er nu eens probeerde af te springen? Langzaam aan begon de drang in hem omhoog te kruipen, weg van die trein, teruggaan, in de tijd achteruitkrabbelen, weer kind zijn. Dat moest kunnen als hij maar naar de omgeving waar het allemaal begonnen was weerkeerde. Door op de plaatsen waar het eens gebeurde te gaan staan, zou hij alles opnieuw kunnen beleven.         Het was een klein huis, aan de kant van de straat de 'schone plaats' waar ze nooit inkwamen, daarnaast de eetplaats waar ze leefden, dan de keuken met de groene gietijzeren waterpomp en de kleverige sunlightzeep onder de pompsteen, de wc met het gat in de houten zitplank,  het kippenhok en twee slaapkamers boven. Achter het kriepend poortje van de binnenkoer dat uitgaf op de tuin stond de pruimenlaar. En van daaruit kon hij van de ene in de andere tuin bij de buren lopen. Het poortje van Jeanine stond altijd open. Zo gebeurde het dat hij regelmatig de penis van haar vader met de grijze stoppelsnor zag terwijl  hij stond te plassen. De witte pisbak hing in de bakstenen muur vast gevezen en door roestvlekken half opgevreten. De gele mortel, meer zavel dan cement, sijpelde vergruisd uit de voegen. In plaats van te blijven mikken deed de man zijn hand weg en piste er naast. Zo zag hij de groene ader die door het stijve lid van de vader van Jeanine kronkelde. De man keek niet naar hem, maar hief het hoofd op naar de duiven op het afdakje die vanuit Aras en Saint Quentin prijzen gevlogen hadden.   Aan de horizon zakten de korenvelden in een glooiing en in die gleuf bewoog een onzichtbare trein. Alleen de schouw die zwarte rook uitstootte schoof zichtbaar tussen de halmen voorbij. Vader ging op een bureau in Brussel schrijven, maar ’s avonds plantte hij achter de pruimenboom aardappelen. Als ze in bloei stonden zaten ze vergeven van de coloradokevers. Hij mocht van vader de beesten plukken. Samen met de broer van Jeanine gooide hij de kevers en de paarsbruine gekromde larven in een ovomaltine-doos, de handen vettig van de oranjekleurige ingewandensappen en toen ze vol was staken ze vuur onder de metalen doos. Jeanine was iets jonger dan hij en ze had krulletjes. Hij ging met haar naar het kippenhok. Daar scharrelden acht witte hennen op een weeïg tapijt van keutels met ingeplakte  schavelingen en donspluimen rond. Tussen de starkijkende beesten speelde hij met haar doktertje. Ze was ziek, in het begin niet zonder tegenstribbelen. Ze lichtte toch maar haar rok op. Hij keek in haar broekje en zag onderaan haar spleetje. Met de kurk van een oude  wijnfles, gedoopt in wonderwater, dat hij met een conservenblik uit de regenput vol rode slingerwormpjes geschept had, drukte hij het genezende stempel in haar zachte buik net onder de navel. Daarna mocht zij het bij hem doen. En dan hij weer bij haar, terwijl de kippen een poot halfweg ingetrokken hielden, de glazen ogen wijdopen van verstomming.   Het vliegtuig begon te zenuwtrekken. 'Veiligheidsgordels aangespen', klonk het door de luidsprekers. Spontaan keek hij door het raampje. Misschien viel er iets abnormaal te bespeuren dat de schokken kon verklaren. Maar de krant van de passagier naast hem belemmerde het zicht naar buiten. 'Leraren staken. Scholen staan leeg', las hij de titel van het artikel. En zijn gedachten gingen terug naar de school van zijn eerste levensjaren. Het gebouw stond in zijn herinnering nog vaag overeind: mauve bakstenen vermengd  met witgeblakerde assenschilfers. Arduinen sokkels tot boven zijn hoofd om er gedurende de speeltijd bang tegen aan te leunen wanneer hij een strafbriefje naar huis moest meenemen om te laten ondertekenen. De onderwijzer van het vierde studiejaar stond hem nog het klaarst voor de geest. Een gemoedelijke man, die ’s morgens niet van huis uit vertrok. Wanneer hij op school aanlandde had hij er al een paar uren lijnvissen opzitten. Hij kwam met zijn gerief de klas binnen en beval de leerlingen hun wereldatlas boven te halen. Als taak moesten ze een provincie met een moeilijke naam opzoeken die hij zelf nauwelijks kon uitspreken zonder dat hij bladzijde of werelddeel vermelde. Ondertussen had hij breeduit de tijd om de draden van zijn lijnen te ontwarren en op te bergen. Vis zagen ze nooit. En de provincie met de moeilijke naam ook niet. Hij was niet van de stomste onder de leerlingen en één trimester was ruimschoots voldoende om het hele atlasboek te doorpluizen. En toen begon hij te twijfelen of die provincie wel bestond. Hij had er later ook nooit nog over gehoord.   Op zijn vijftiende zei vader: 'We gaan naar de stad wonen'. Sindsdien was hij nog maar zelden naar het dorp teruggekeerd. Hij ontgroeide het. Je kon niet op je stappen terugkeren, was toen zijn gevoel. Zijn dorp had hij definitief achter zich gelaten. Het was iets voor kleine kinderen geworden, een nest waar hij uitgevlogen was en nooit terugkeerde. Maar nu wilde hij weer jong worden, achteruitkrabbelen om de dood te vlug af te zijn. Een onbekende neef stond hem op de luchthaven op te wachten, een naambordje voor de borst. Zijn voorstel om hem naar zijn geboorteplaats te vergezellen wees hij af. Hij kon moeilijk iemand naar vroegere tijden meenemen, iemand die meer dan een halve eeuw later dan hij geboren was.    'Er is geen station meer in het dorp. Die spoorlijn is jaren geleden afgeschaft. Er bolt wel vanuit de treinhalte van de naburige stad een bus,' waarschuwde de neef hem. Hij zag het stationnetje voor zich met zijn buizenkachel in de winter die tijdens het warme seizoen uitgebroken werd om meer ruimte in de wachtzaal te scheppen. Op de plaats waar hij het meende te situeren stapte hij uit de bus. Er was niets meer te zien. Toch stond hij op de juiste plek, stelde hij vast, want daar liep de oude spoorbedding, een rechtlijnig met asfalt overgoten fietspad. De straten lagen nog op de zelfde plaats, missen kon hij dus niet om het ouderlijk huis terug te vinden. Onderweg groetten de voorbijgangers hem, uit gewoonte, want geen mens kende hem. Hij alleszins geen van hen, hoe hij zich ook inspande om ergens een gelaatstrek te herkennen. Was dit nu zijn straat? Ze was kleiner geworden, nauwer. De tijd doet de dingen krimpen, dacht hij. Misschien kon hij er als kind beter in en uit. Of was het zijn blik die toen niet verder dan enkele huizen reikte waardoor de straat eindeloos leek? Zelfs de weg naar school in het centrum van het dorp was telkens een wereldreis. Het huis was niet te vinden. Er liepen haast geen mensen op straat. Enkelen hadden nog gehoord van de familie, maar waar het huis stond, geen idee. Toch wou hij het niet opgeven. Aan de overkant van de straat duwde een vrouw haar fiets naar buiten. Ja, ze wist er nog van en wees in de richting van een gevel die er niet op leek. Toch maar de kans wagen. De bel klonk luid in de gang.   'Is het voor een bestelling?' vroeg een jongetje van zeven.  Het leek hem of  die snotaap net met Jeanine uit het kippenhok gekropen was. Aandachtig keek hij toe of hij geen donspluimen aan zijn zolen meesleepte en voelde plots warmte van binnen.   'Ik kom van ver', antwoordde hij met zijn Engels accent. 'Mama, een vreemde meneer', riep het jongetje en liep terug naar binnen, een afgedane zaak voor hem. 'Als dit het juiste huis is, ben ik hierboven geboren', zei hij vol verwachting. De terughoudendheid van de dame maakte plaats voor nieuwsgierigheid. Ze bevestigde dat de naam haar bekend voorkwam, uit de akte. 'We hebben het afgekocht van een eigenaar die het van uw familie zal gekocht hebben.' Ze liet hem binnen. Hij voelde de neiging om zich te bukken. Het interieur was niet meer te herkennen. 'Toen we het aanschaften was het nagenoeg een krot. We hebben muren uitgeslagen en de hele woning gerenoveerd'. 'Het kippenhok', zei hij bijna fluisterend.   'Nooit gekend. Kom maar mee', zei ze en stootte een metalen deur open, waar vroeger de keuken was. In plaats van op het binnenkoertje uit te komen stapte hij een ruime zaal vol tekentafels in. 'Het architectenbureau van mijn man', legde ze uit. Hij liep naar het einde van de zaal. 'Hier moet de pruimenlaar gestaan hebben', mat hij met de ogen en keek naar de blinkende tegels. Door een venster aan de zijkant probeerde hij de korenvelden met de glooiing terug te vinden. 'Daar beneden reed vroeger een trein, maar ze hebben de spoorlijn uitgebroken', zei ze. 'Weet ik', antwoordde hij en zijn stem klonk nu indroef, want ook de korenvelden waren verdwenen. Er stond een indrukwekkend plat gebouw. 'Een grootwarenhuis. Voeding,' verduidelijkte ze. Opeens werd het hem te machtig. Hij moest er bij gaan zitten om niet weg te draaien. De vrouw haastte zich om een frisdrankje te halen. 'De plek waar ik geboren ben en als kind rondgelopen heb, bestaat niet meer,' wist hij nu. Zijn ouders zijn er ook niet meer. Die liggen begraven in de stad. En Jeanine en haar vader met de stijve penis en de coloradokevers en de schouw van de trein tussen de halmen. 'Het is er allemaal niet, hier toch niet,' kreunde hij met de handen stevig op de knieën steunend. 'Waar dan wel? Wat maakt dan dat dit terrein mijn bakermat zou zijn? Het staat zelfs niet meer op de zelfde plaats als toen, want de aarde is intussen al miljarden kilometers verderop geschoven in het heelal. Is er dan nog iets dat maakt dat dit het stuk aarde is waar ik begonnen ben? Er moet toch ergens een referentiepunt zijn. Alleen maar het feit dat deze grond op de aardkorst toen en nog vandaag even veel kilometers van mijn villa in de Verenigde Staten verwijderd ligt? Of zou het toch de tijd zijn die mijn geboorteplek verplaatst heeft? Maar waarheen dan? Naar tachtig jaar verderop?' De vrouw schrok toen ze hem zag. 'Je ziet er verschrikkelijk beroerd uit. Zal ik een ziekenwagen opbellen?' riep ze. 'Niet meer nodig,' hijgde hij en zakte door zijn schouders. Hij probeerde haar aan te kijken, maar kon nauwelijks zijn hoofd oplichten. 'Ik ga sterven. Ik heb het willen uitstellen, terug van voor af aan beginnen. Maar het lukt niet,' murmelde hij en viel opzij aan de voet van de pruimenlaar.

Guido De Schrijver
0 1