Jeroen V

Gebruikersnaam Jeroen V

Teksten

Un jour à Hannut (Nederlands)

Betta   Betta nam niet op. De regengod, die al de hele middag op de loer lag, had tien minuten geleden de stop uit zijn bad getrokken en het fietsende wij naar een overdekte inrijpoort tussen de huizen gedreven. Ik besloot nogmaals het rode verbodsteken bij de tuin van het kasteel te negeren, want Betta vinden was een must. We hadden daarvóór eerst aangebeld bij het kasteel zelf, maar Milo, de hoorbare viervoeter, wou niet opendoen. Het is geen zicht om te overleggen voor een kasteeldeur in de gietende regen, dus zoek je maar een schuilplaats. Maar daar stond natuurlijk bed noch magnetron. We móesten wel actie ondernemen!   Ik reed Dons park terug binnen. Don zelf had ik nog niet ontmoet, en ik wist evenmin dat Don daar zou rondlopen en eigenlijk al helemaal niet dat ik hem later op de avond Don zou noemen. Maar Don was wel de papa van Betta. Dus het kon in principe. Dus reed ik Dons park een tweede keer in, en deze keer was mijn penetratie van het park gevoelig dieper, omdat de regen mijn denken had gestimuleerd dat castle view cottage echt wel in dat park móest liggen.    Ha, daar zag ik het. Het leek op zo’n knus oud treingebouw waar je vroeger via de kaartjesknipper aan de uitgang van de loketten toegang tot het perron kreeg. Enkel de kaartjesknipper ontbrak. En zijn hokje. En het spoor. Nou ja, bijna alles ontbrak, maar toch blijf ik vinden dat daar perfect een kaartjesknipper had kunnen zitten.    Er was een afdakje voor de fiets. Er was een bel. Ik dingdongde. Niets. Maar de klink ging naar beneden en ik was binnen. Het was mooier dan verwacht. Ruim. Er lagen boekjes over de deelgemeenten waar alleen geotechneuten als ik superwarm van werden. Toch weerstond ik de verleiding van het lezen. Mijn vriendin diende immers nog uit haar netelige situatie geëvacueerd. Ik had uit vorige relaties geleerd dat je maar beter prioriteiten kon stellen, en een vrouw was zoiets.    Zíj nam gelukkig wel haar mobieltje op. En toen ze de halve kilometer overbrugde moet de regengod nog een eitje met haar te pellen hebben gehad. Ja, ze is knap, maar ze viel voor mijn charmes. Pech voor hem.    We trokken onze bagage op het droge binnen. Omdat het sluitingsuur van de supermarkten naderde, zwom ik nog snel naar de dichtst bijzijnde. Onder druk verzamelde ik wat lactosevrije diepvriesmaaltijden en sap, maar de snacks bleken onvindbaar. Het licht werd gedoofd en ik vreesde de toorn van mijn eega: ze had heel grote, en diverse, honger.   Vlaamse spraak trok mijn aandacht, en ik zag twee charmante gezichtjes. Ze schoven aan om netjes te betalen. Ze hadden kwaliteitschips gekocht. En ja, ze waren bereid me tegen een mooie glimlach te verklappen waar ze waren verstopt. Ik zou het alleen nooit gevonden hebben.    Terug thuis monsterde mijn vriendin de buit. Ze apprecieerde zeker mijn inspanningen om ons niet te laten verhongeren, en was ontzettend dankbaar dat ik het enige paar schoenen dat ik bij had, had willen verzuipen daarvoor (ik had nu enkel nog zeesloefen om de komende fietsritten af te werken). Maar wist ik na anderhalf jaar nog steeds niet dat appelsap drinken echt alleen gebeurde als het niet anders kon? En of ik al eens aan de geur van de rijst en noedels had geroken?   Dan denk je, maar je zegt het niet: 1. “Het was een noodsituatie, liefje!” en 2. “Ik had geen schaar bij om in de winkel eens te ruiken”.    En om haar aandacht af te leiden haalde ik dan maar de zakken witmerk-chips boven. Ze kwam me kussen, en ik denk dat ze me probeerde te paaien en te zeggen: “Jij kan daar toch wel tegen dat ik een beetje commentaar geef, hé?”    Toen stopte er een suv in kakkleur vóór onze cottage. Het was niet Betta, tenzij ze samen met twee dames en een jongen de incheck deed. Neen heus, het waren de Vlaamse studentes van de chips.   Toen hoorde ik mijn vriendin op de achtergrond mompelen: “Zoeteke, dat huisje hier lijkt toch eigenlijk niet zo goed op wat wij boekten...”   Ah nee?   Daar stonden vier Vlaamse twintigers voor de deur. En dus geen Betta.   “Zijn jullie Betta?”, klonk het in koor. “Wij zeiden van niet, en keken elkaar voor de zekerheid toch maar eens aan. “Zijn jullie hier... ook?”, vervolgden ze. “Nou, daar lijkt het wel op,” probeerde ik te grapjurken, terwijl het lachen steeds groener werd.  “Wij zitten vast verkeerd”, probeerde mijn vriendin de situatie te vatten. “We dachten al dat we een upgrade hadden gekregen, maar dat lijkt nu wel niet meer zo. Toch, zoeteke?”   Ze liep kwaad weg, haar boeltje inpakkend, toen ik haar met mijn dwingende blik duidelijk maakte dat dit niet de goede strategie was. Ik wou niet terug naar die onderdoorgang in de hoofdstraat waar we hadden geschuild. Ik zou mijn eerlijk veroverde cottage niet zonder slag of stoot opgeven! Hier moest onze verwijdering politiek en diplomatiek slim gespeeld worden!   “Maar allez, dan slapen we hier gewoon met zijn zessen,” kwam de dikste van de bende zich moeien. Ik bedacht dat ik nog geeneens wist welk bed het beste was en waar ik nu snel heen moest voor een slaapclaim – had mijn liefje niet net iets gezegd over een kingsize bed? “Nou, met de chips lukt het wel,” zei ik. “Je weet wel,” knipoogde ik naar de twee slankere versies,” deze die ik in de winkel dankzij jullie vond.”   Op de een of andere manier was mijn vriendin intussen toch naar buiten geslopen en had ze een eigen zoektocht ondernomen. Een vierde deur in het gebouw ging wel open. Ik zag de idee van het sextet binnen de minuut oplossen toen ze met een dikke grijns wenkte en me bij mijn revers vastpakte: “Jij gaat daarheen,” zei ze poeslief maar ik voelde heel goed de weerhaakjes van haar spinnenpoten op me. En tegen de dames: “Ik verkas heel even mijn vriend met bagage, dames, en breng een verse vervanghanddoek. Het spijt ons zó van deze vervelende situatie!”   Ik wuifde nog eens zwak naar de tweede smalste, maar werd ruw voortgetrokken. Gelukkig klopte het wat ze beweerde: er was wel degelijk een tweede, iets soberder cottage, maar voor een man met honger naar streekinfo was het een mager beestje: buiten een folder voor het West-Vlaamse Bulskampveld en wat lokale pizzeria’s, was er niks voorhanden. Ik zou het echt met mijn vriendin alleen moeten doen.      Don   Er kwam ter hoogte van halftien ’s avonds plots onverwacht een kleine kink in de kabel van de relatie met mijn vriendin. Plots stokte een conversatie, of misschien was het wel eerder een discussie. Hoe dan ook kon ik dit keer niet teren op mijn relationele ervaring; soms heb je van die momenten dat ze je in de steek laat, of dat je net de leerstof van dat hoofdstuk van die levenscursus nog niet verwerkt hebt. Ik besloot dus zonder communicatie de benen te nemen om ze even te strekken in Dons park. Dat was foute boel, bleek later. En ik ben zover geraakt dat ik het ook nog helemaal ging snappen. Maar dat was dan alweer ná mijn babbeltje met Don.    Ik slofte dus op mijn slippers door het park. Een van de Vlaamse meiden zat op een bankje, ineengepakt tegen de natte koude. Ik besloot echter éérder rechtsaf te draaien dan mijn weg langs haar bank te vervolgen, en me volop te concentreren op het park. Bovendien was ik in overgangsmodus: ik moest onder het bladerdak volop nadenken hoe ik mezelf weer aan de praat kreeg tegen mijn partner. Maar het is een beetje zoals twijfelen op de snelweg: als je verkeerd zit, kan je alleen maar verder verkeerd blijven rijden. Want vóór me zag ik jandorie Don, wild plukkend tussen zijn klimop. Een gesprekje met Don paste evenmin in het concept! Maar het was onvermijdelijk. Ik wandelde gewoon recht op Don af. Die bleef maar maaien met zijn handen als zeisen.   “Als je ze laat staan, dan zijn dat volgend jaar zo’n bomen,” begon hij vol overtuiging, terwijl blijvend oorlog voeren met zijn handen om zich heen slaand. Stukken volledig en half uitgetrokken nieuwe paardenkastanjeboompjes dwarrelden rond hem neer. Het verwonderde me dat hij me in zijn concentratie had opgemerkt. Ik besloot hem te kalmeren door hem op andere gedachten te brengen. Ik kan dat goed, naar het schijnt.   “Waar kom je vandaan?” vroeg ik hem rechttoe-rechtaan. “Amerika, Cincinnati,” en hij keek schuin naar me op. Ik schrok aangenaam. Dit was een lookalike van mijn favoriet acteur Woody Harrelson, besefte ik plots!   Hij bleek hier nu zeven jaar te wonen na doortochten in Monte Carlo, Milaan en Brussel. Dit was perfect, zijn château, hier in Hannut – een stadje waar hij alles had wat nodig was. Vooral rust. Alleen had corona mist geschapen in zijn hoofd. Hij vreesde dat het nooit meer zijn zou zoals voordien. “Testen, vaccins, weet je wel. Allemaal gedoe om te kunnen reizen.” Het leek erop alsof zijn wereld aan het vergaan was. Het werd allemaal zó ingewikkeld voor de globetrotter die hij placht te zijn. “De wereld gaat op slot,” bekende hij mij zijn diepste angst. Ik dacht: “Nou Don, te veel Armaggeddon gezien, jong?”   Hij vertrouwde me toe dat hij op een breekpunt stond in zijn leven: teruggaan of hier blijven. Ik fronste mijn ogen (en oren, want dat kan ik). Hoorde ik hem daarnet niet zeggen dat dit kasteel zijn álles was? Zijn plekje waar hij thuishoorde? En zette hij de eenheid van zijn gezin op het spel om met de helft van zijn kinderen terug te gaan naar Cincinnati, en de helft ervan achter te laten bij zijn (Amerikaanse) vrouw, die hier wou blijven?   Terwijl ik becijferde hoeveel kinderen hij dan mogelijks moest hebben (minder dan vier kon niet, rekende ik uit; ik hoopte dat het er geen vijf of zeven waren; stel je voor dat een kind half mee moest en half blijven moest!), kreeg ik plots medelijden met deze selfmade kasteelheer/filmster lookalike. Het leek me dat deze man naar iets op zoek was wat hij al had gevonden, maar dat zich niet meer herinnerde. Omdat mijn therapeutische gave in het verleden al zijn beperkingen had getoond en meer kwaad dan goed had gedaan, in het bijzonder ten aanzien van vrouwen die mijn echte ik als de emanatie van ‘perfecte vriend’ niet scherpgesteld kregen en me lieten zitten, begon ik over zijn grasperk. Ik zei dat ik het mooi egaal en proper afgereden vond, maar dat er ook... andere manieren waren om het af te rijden – of net niet.   Ik verwees hier heel even naar mijn Vlaamse vrienden van groen- en parkbeheerders, gezien ik de Waalse praktijk onvoldoende kende. Of Don er al eens aan gedacht had om meer bloemen in zijn gazon te krijgen?  “Yeah, de biodiversiteit, jaja dat ken ik wel,” beaamde hij. “Heel belangrijk, maar... Ach,” bekende hij, “weet je dat ik niet kan rondlopen met mijn hemd úit mijn broeksriem?” Ik keek hem vragend aan. “Het moet erin, mijn hemd. Ín mijn broek. Altijd.” (Het stond hem wel, vond ik, en ik vroeg me af of Harrelson dat ook zo deed) “Anders voel ik me, je weet wel, zo...” Ik knikte heel hard zodat hij zeker wist dat we elkaar verstonden.  “Wel, zo is het dus ook met dat gras. Weet je, daarbóven (en hij wees naar een slaapkamer in zijn kasteel), als ik opsta, dan wil ik een biljartvlak grasveld zien – dat gaat niet anders. Biodiversiteit is belangrijk, for sure, maar niet hier in mijn gras...” Ik zei opnieuw dat ik het wel begreep en dat ik de discussie heel fijn vond. Dat ik zijn argumentatie ernstig nam en blablabla.   “Soms maak ik weleens een foutje in mijn grasbeheer”, besloot hij zalvend. Hij wees op kale plekken. “Ach, het verkeerde gif,” bekende hij. Ik bedacht dat zijn type beheer toch echt wel enkele pijnpunten kende, maar gaf geen kik. “Gewoon terug gras zaaien, daar,” zei ik als een kenner, waarop hij zei: “Is al gebeurd.”   Maar toen moest hij dringend zijn trouwe viervoeter Milo gaan zoeken – die zwierf ergens doelloos door het park (dat hij al zeven jaar kende) en dreigde niet bij het avondmaal te kunnen aansluiten. “Ik kom graag in mijn park,” besloot hij samenzweerderig. “Dat komt omdat Milo drie keer plassen moet, en dat doet hij enkel als ik in de buurt ben.” Ik wenste hem veel succes in zijn zoektocht toe, en dacht aan de inbreng van mezelf in het volgende gesprek met mijn vriendin, die vast heel erg in Don geïnteresseerd zou zijn. Ik dacht ook aan Dons vrouw, die hij af en toe leek te moeten ontvluchten. Blijkbaar was zijn kasteel daar nog niet groot genoeg voor.    Ik keek nog even om, maar Don was al verdwenen.      Terug Betta, en terug Don   We weten in elk geval dat Betta bestaat, alive and kicking. Met haar glimmend bolzwarte Dr. Martens-boots en jasje met print erop van vast een heel chique school, stond ze plots in de keuken van ons treinstation. Ik was blij dat mijn vriendin de honneurs waarnam. Ze kon goed onze opgelopen ergernis van het zoeken wegstoppen en tegelijk een punt maken dat het toch allemaal wel een beetje onduidelijk was, een diplomatieke gave die ik soms heel hard ontbeer.   Het kwam er op neer dat het volgens Betta allemaal zo’n beetje een samenloop van omstandigheden was geweest. Het kind – volgens mijn vriendin net haasje over de achttien, ik schatte haar zes halve jaren jonger (zo gedroeg ze zich toch, al gebiedt de eerlijkheid me te zeggen dat ik niet weet hoe een vijftienjarig meisje zich gedraagt) -   was één lange stralende glimlach van tien dikke minuten; je zou haar net niet nog een beetje zakgeld geven daarvoor, tot je zou beseffen dat ze jou drie uur daarvoor in de gietende regen voor haar voordeur had laten staan.   We vermoedden dat onze centen voor het logeren in de B-coupé van het treinstation, naar Betta’s spaarvarken werden afgeleid. Dochterlief die wat kan bijverdienen, zolang ze de onzichtbare moeder en de parkplukkende vader maar niet te veel benaderde voor logieskwesties. En toch was de eerste praktische vraag (de tweede eigenlijk; de eerste was het huisje vinden, en daarvoor had ze al een slecht cijfer laten optekenen) al meteen een onvoldoende: hoe zette je die uit een 19de-eeuws huis verloren gelopen gaskachel toch ook al weer aan? Want mijn vriendin begon een koutje te pakken.    Don zou het komen fixen.   De wegen van Don en de gaskachel slaagden er het hele weekend eigenlijk niet in om samen te komen. En toen we hem dan toch eens zelf uit zijn park plukten, kreeg hij het ding ook niet aan de praat. Plots rinkelde zijn mobiel: hij werd dringend bij het avondmaal op het château verwacht. Don sprintte naar het huis. Mijn vriendin keek hem achterna, draaide haar hoofd om, en pruilde haar mond tot een zacht goedkeurend en waarderend geklik met haar lippen. Dat moest ik onthouden.    Op zaterdagavond, nog voor mijn terreinbabbel met hem, was Don nabij ons treinstation gepasseerd met enkele esdoornscheuten in de hand die hij ergens kwijt moest. Milo volgde met een lege pindakaaspot in zijn bek. De oude hond, genre golden retriever waarvan alles tot bijna tegen de grond hing door de levenszwaarte der dagen, vormde een uitstekend duo met zijn baasje. Wat voor Milo opging, ging eigenlijk ook op voor Don (en omgekeerd). Wie wie naäapte, was niet duidelijk, maar wat we wel wisten was dat ze elkaar doorheen de jaren hadden gevonden; ik hoopte dat hij meemocht naar Cincinnati, met Don, zijn levensmaatje, en niet gevierendeeld werd en Don alleen twee poten en een kop meekreeg in zijn vlucht terug naar de States.    Zondagmorgen begon met een lekke band. Dat vond ik fijn, want het was de beloning voor het meesleuren van een grote fietspomp en herstelgerief. Later bleek de beloning dubbel. We gingen nogmaals samen als koppel herstellend aan de slag. Een nieuwe ervaring! Toen ontdekten we ook de boosdoener: een scherp steentje dat zich genesteld had in de band van vrouwlief. We keilden het achteloos weg op de oude trambaan even buiten Hannut. Van dan af werd het saai: we fietsten enkel nog.    Toen we het park uitreden, grofweg te situeren tussen bandhersteloperatie deel I en deel II, dreven we de bende Engelse kippen en hanen uiteen op de kasteeldreef. Ik kon niet nalaten naar de derde verdieping te kijken, of Don al wakker was. De gordijnen waren in elk geval nog toe. Maar toen we later die middag terugkeerden om de bagage op te halen, was er nog geen verandering. Volgens mijn vriendin had Don die nacht gewoon op de zetel moeten slapen.    En zo eindigt dan ons piepkleine fietsavontuur in de coulissen van een château met bijzondere bewoners. Het is fijn toch even een kijkje te kunnen nemen in de wereld van de rijken. Al herinneren we ons vooral een sympathieke man in witte kleren met het hemd ín de broek, werkend in zijn parktuin, vol raadsels, die in een veranderende wereld nog steeds naar zijn eigen plekje op de wereld op zoek is.    Het had mijn maat kunnen zijn. We gingen elkaar zeker verstaan. Behalve dan over gazonnen.     Ik ben vergeten zijn naam te vragen. Maar misschien maar best ook. Voor mij blijft hij Don. Altijd. Waar hij ook heen gaat. 

Jeroen V
0 0

Gedoogbeleid voor een kat

Sinds een half jaar heb ik een kat geadopteerd. Enfin, het is meer een stilzwijgende overeenkomst tussen kat en man in die zin dat ze er mag zijn onder een aantal voorwaarden.   De eerste is dat ze haar eigen haar opkuist. Nou, dat doet ze niet. Overal waar het warm óp zitten is, is een potentiële pleisterplek. Ik zou het fijn vinden als ze altijd op de zetelrug van mijn oma zaliger zou rusten en slapen, onder mijn palmboom, maar de oude doos versmaadt ook mijn éigen zetel niet. Gezien ik een punctuele haarvermijder ben, is een klein aandeel haartjes dus al ruimschoots genoeg om een paar keer na elkaar heel diep te zuchten. Ik kijk haar dan aan, maar meer dan wat gespleten oogblikken gunt ze me niet. Alsof ze wil zeggen: “ik had het veel erger kunnen maken – weet je nog hoe ik het vroeger deed?”   Dat weet ik nog. Tijdens haar puberjaren en nog lang daarna, krabde ze kale plekken op haar rug. Een jaar of twee terug hield ze daarmee op. Ik besloot dat zelfs katten het op hun eigen zenuwen kunnen krijgen.   Dus ik verdraag ze. Zolang ze maar aan voorwaarde twee voldoet: ze dient proper te eten. Brokjes eet ze mooi volledig op en spatten niet bij elke kraak van het bordje af. Ze maakt er helaas een potje van. Je kan altijd zien wanneer ze gegeten heeft. Onlangs heb ik haar een kommetje gegeven met hoge randjes. Ik denk dat ze me dat al de hele tijd probeerde wijs te maken – dat ze nood had aan extra structuur. Ze klaagmiauwde altijd zo vaak. Maar nu het experiment met het diepe potje lijkt te lukken, merk ik een vredige rust opduiken in de zone van haar eetbak. We hebben elkaar begrepen.   Toch zijn er nog voorwaarden. Ik had misschien met deze moeten beginnen, want het is een basale: ze zit ’s nachts binnen als het koud is. Maar ze heeft dat eigenlijk al van voor de winter begon, een beetje heel breed geïnterpreteerd. Die “’s nachts” heeft ze geschrapt uit onze overeenkomst. En “koud” vond ze ook te eng geformuleerd: ze is wel een elfjarige kat, en geen jong kneusje meer voor wie een beetje koude geen zorg is! Kan ik ze ongelijk geven? Durf jij dat? Had jij dan geen bomma die met zo’n vintage gehaakt dekbed als sjaal rond haar hals geslagen zat te koukleumen bij 23° kamertemperatuur in zo’n zetel die de kringwinkels nu steevast weigeren?   Wel, ik denk dus dat ik me in de derde leeftijd beter moet inleven (telkens ik mijn lief-met-kinderen zie smeekt ze me dat ook te doen voor de eerste leeftijd – werk zat dus!). Dat zal me niet slecht uitkomen, want met mijn 45 lentes sta ik ook al zowat op die poort te kloppen. Nou nou.   Voorwaarde vier is momenteel compleet ontspoord en ik heb bij de minister van Dierenwelzijn om een bemiddelaar gevraagd. Áls ze binnenzit, houdt ze haar plas óp. Ik had gedacht dat dat een heel duidelijke regel was (bij hondjes lukt dat toch!), maar gaandeweg is ze beginnen gaan als ze goesting had. Ik zou echt niet in de voeten van mijn mini-yuca willen staan. De plant hangt troosteloos met de oortjes naar beneden en dat zou wel eens door een overdosis kattensappen kunnen komen. Mijn grote palmboom stalkt ze ook. Vooralsnog blijft hij groeien – misschien heeft hij al die pis wel net nodig. Beneden de enorme pot verraadt een hoop bloemaarde haar zondige actie. “Een kattenbak zetten?”, hoor ik je opperen? Neen, daar begin ik niet aan. Dat trekt alleen maar andere katten aan, als die horen dat je je etablissement van te veel faciliteiten voorziet. Ik wil mijn poezenonderdak voorbehouden aan slechts één gedoogkat. Trouwens, ik heb maar één omazetel om op te zitten. Het is mijn week hartje dat de deur heeft opengezet voor die bejaarde kat. Bij de buurvrouw kwam er een jonge knappe kater en twee stevige honden. Maar Simba, want zo heet ze, had geen zin om op haar oude dag nog nieuwe maten te maken. Weet je wel: dat is zoals een bommaake in het appartement boven de bank aan de overkant van de kerk: soortgenoten zien vanuit het raam één hoog is best voldoende, als de seldersoep met vermicelli maar op tijd wordt geserveerd. En  dus ben ik, dierenliefhebber in de theorie, maar in de feiten eerder een dierenafstoter, al ongeveer zes maanden een liefdadigheid aan het doen: een dakloze kat van haar basisnoden voorzien. O, we hebben al eens woorden, redelijk vaak zelfs: ik wil bijvoorbeeld dat ze haar bord leegeet. Maar steevast blijft nog een kattenportie liggen en vraagt ze nieuw voer. Dan gaan we in discussie. Ik win altijd, behalve als ze heel zielig begint te doen. In feite wint zij dus altijd. Het is een ros-wit-zwarte kattin. Het is nog steeds een schoonheid, maar katers heeft ze nooit rond zich geduld. Elegantie is haar vreemd; daarvoor heeft ze te veel marginale straatmaniertjes. Neen, Simba is geen katje om zonder handschoenen aan te pakken – al is het veel geblaas en eerder tandengeknars. Want als de nieuwe jonge buurkat haar opzoekt, blijkt ze toch hulpeloos en in het nauw gedreven. En laat ik haar binnen. Ook al is het niet koud, en is het nog geen nacht.

Jeroen V
0 0

De mol is dood

De mol is dood. Jaja, hij is echt dood. Het was een mannetje. Toen ik hem daarnet een struikenbegrafenis gaf (want hij is gevallen op een grassig slagveld), zag ik zijn piemeltje. Het was redelijk indrukwekkend voor zo’n beestje, en dan was ook dat piemeltje al dood. Mijn buurvrouw met wie ik de tuin deel, heeft me verteld over de veldslag. Ze is trots op haar hond en kat die in een gezamenlijke alliantie tegenover het leger van de mol stonden. De samenzweerders hadden eerst heel lang stilgelegen rond een plek waar de mol (overdag, de domkop) aan het graven was. Ze hadden naar elkaar gekeken en samengespannen voor een hinderlaag. Plots was de hond opgesprongen en beginnen graven. De mol had zich er laten instinken! Hij heeft nog gekrijst, naar ik hoorde zeggen, terwijl hond en kat hem zijn nederlaag zo lang mogelijk wilden herinneren. Ik weet niet zo goed of ik nu mijn blijdschap mag tonen. Per slot van rekening reken ik me bij de groene jongens. Geen donkergroene versie, maar ook geen appelblauwzeegroene. Ooit horen zeggen van een opportunistische politieker met een hoofdstadnaam dat hij groenrechts was. Ex-coryfee Jan Peumans heeft die gladde jongen eens goed uitgelachen waar hij bij zat. Ik wil niet uitgelachen worden door Jan Peumans, die tot mijn kennissen behoort als hij eens een goede dag in zijn herinnering heeft, weet je wel. Als redelijk groene jongen zou ik deze lafhartige aanslag moeten veroordelen. Hond en kat zijn exoten die al vele slachtoffers maakten in de tuin. Vooral de kat is een echte moordmachine. Dat hij nu ook de dociele hond voor zijn kar spande op zijn seriemoordenaarspad, kan enkel op mijn gemeende afkeuring rekening. Zo hoort het, als politiek correcte groenling. Behalve als het een mol is. Want die mol daagt me al jaren uit. Een drietal jaar, als ik precies mag zijn. Mijn leven van die tijd, herinner ik me, zwiept van de ene emotie ten gevolge van de terreinrealisaties van de mol, naar de andere. Het is zo’n beetje de lijm geweest van mijn leven in die tijd, denk ik. Het is ook een beetje een vreemde mol. Zo wou hij niet in winterslaap. Dat vond ik straf! Zelfs dan groef hij mijn ecologisch beheerde pelouse om! Ik lees vandaag dat een mol geen winterslaap houdt. Dus mijn mol is dan toch al een beetje minder vreemd dan ik dacht. Maar toch niet helemaal on-vreemd ook, hoor. Zo groef hij heel oppervlakkig. Zijn gangen liepen echt aan de oppervlakte – zo’n gevaarlijk spel speelde hij! Ik sneed PET-flessen middendoor en stak ze in een mollenpijp. Ik drenkte vodden in benzine en stak ze eveneens in zo’n gat. Ik stak een mollenvangkoker tussen twee gangen. Ik stond ’s morgens vroeg op om hem uit te graven waar hij aarde naar boven duwde (maar hij tekende nooit present). Het hielp allemaal niet. Mijn mol was een doorgewinterd strateeg: míj kreeg hij klein. Soms verhuisde hij voor een paar maand. Een andere keer ploegde hij in de winter een kwart van mijn bos om. Toen dacht ik: zo kunnen we samenleven, vriend. In mijn bos mogen ook de honden schijten; dus jij doet hier ook maar je ding! Toen er honden kwamen, dacht ik: die zien we niet meer terug. Twee maand terug boekte hij opnieuw voor een paar maanden, met open optie. Ik vond dat sneu, dat hij geen plannen had om definitief weg te gaan. Je zou toch denken dat mijn mol intussen die hondenstront moet geroken hebben, en zijn lessen had getrokken. Maar neen. Ik zie op het gras van mijn gedeelde tuin een volwassen mollenlijk. De doders hebben hem vanbuiten intact gelaten, je ziet geen wonden. Het opbaren in een molllenkist zou dus niet veel moeite hebben gekost. Toch heb ik hem ledemaatloos in de struiken gekeild. In oorlogstijd ben je wat harder, wat nijdiger, wat minder begaan met sentimentele zaken zoals een mollenbegrafenis met gepaste teksten en muziek. Nu de begrafenis achter de rug is, de eerste emoties gezakt, de hond en de kat een ereteken kregen opgespeld (wat de kat heel vervelend vond; de hond liet begaan, de sukkel), denk ik terug aan het tragische leven van de mol. En dat van mij. Nu de mol er niet meer is, me geen richting meer geven kan, moet ik op zoek naar een nieuwe levensbegeleider. Elk probleem schept dus een nieuw. Al moet ik het misschien relativeren: mensen struikelen niet over bergen, maar over molshopen. Als mens dien ik de gezamenlijke traditie van spreekwoordelijke wijsheid te onderschrijven. Dus doe ik dat maar: we maken iets niet erger dan het maar is. Ik lees dat mollenpoten geluk brengen en helpen bij het dóórbreken van kindertanden. Mijn zus heeft nog peuters lopen en een baby maakt zijn opwachting. Het wordt een goedkoop cadeautjesjaar.

Jeroen V
2 0

Een Eiffeltoren op een top

“Dáár”, wees mijn jongste de hoogte in, vanop de schaars romantisch verlichte Karelsbrug, boven de donkere schaduw van de beboste Petřínheuvel. “Zie je dat, Jeroen?” Mijn kinderen vinden het leuk hun vader met hun voornaam aan te spreken. Dat voelt soms wat raar aan, maar voor hen is het een spel. Dus spelen we mee: “Ik luister, zoon!” “Daar wil ik morgen graag heen,” zei hij. Ik knikte. We hadden iets om onze Praagse vierdaagse mee te beginnen. Tegen dat we boven aankwamen, waren we al een uur verder, en als ik er nog een leuke omweg vóórzette, misschien al twee. Dan nog drie andere dagen vol zien te krijgen. Het zou wel loslopen. Er was immers nu al één idee, drie uur na het landen en na de tweede van uiteindelijk zeven overtochten over de lange Karelwandelbrug.  Wat boven de heuvel uitstak leek op een moderne uitkijktoren. Het was roze en paars verlicht, toch wel bijzondere kleuren voor een toren die in het donker daardoor dildo-uitstraling had. We wisten van een typisch Oost-Europese TV-toren in de stad (steevast te beklimmen), maar deze op Petřín zei ons (mij dus) nog niets.  Op woensdagmiddag, kort na enen, bereikten we de top waarop een kleine Eiffeltoren stond. We hadden inderdaad ruim twee uren van ons beperkt lichturenaantal (het werd al donker rond halfvijf) besteed aan een omweg via de Praagse Burcht en het Strahovklooster. Er stond best een lange wachtrij die ontmoedigender leek dan hij was. Na nauwelijks tien minuutjes wachten konden we naar boven met een familieticket, dat tot puberale, en dus momentane ontgoocheling leidde bij mijn jongste zoon omdat het niet geldig was om daarmee de lift naar boven te nemen. We moesten met de trap, 58 meter hoog. De trappen liepen buitenom en liepen vlot, perfect gemaakt voor wie tussen 1,70 en 1,90 meter groot was. Daar pasten we alle drie tussen, ik tussen mijn twee bodyguards. Het trappenprotest werd daarmee door de feiten gesmoord nog voor het enige proportie had kunnen aannemen. Gelukkig had mijn oudste zoon de jongste kordaat tot de orde geroepen: “Zaag niet, doe gewóón.” Ik knikte goedkeurend, zo doe je dat. Van dichtbij wás het inderdaad een stijlvolle kleine replica van de drie jaar eerder gebouwde echte Eiffeltoren. Alhoewel. Mijn vriendin was het daar grondig mee oneens toen ze een foto zag. “Dus je vindt de echte Eiffeltoren dan ook maar niets?”, vroeg ik verwonderd, want buiten size zag ik niet echt het verschil. Ik herinner me niet meer wat de grote Eiffeltoren nu net tot een schone Eiffeltoren maakte en deze kleine opdonder tot een lelijke, maar de schone mocht blijven en de lelijke niet. Ik berustte.  Boven was het uitzicht natuurlijk spectaculair. Dat was het al zonder de toren. Onder mij speelden geel, gelig, geliger, bruin, bruinig, bruiniger, oranje, oranjeachtig, vuilgroen, geelgroen – enfin verzin het maar – in het patchwork van boomkruinen. Enkel rood ontbrak. Geen roodkleurende bomen in Tsjechië, toch niet op de vier begindagen van november. Tussen de bomen verrees nog het Spiegelpaleis van diezelfde wereldtentoonstelling die de Petřín-Eiffeltoren in 1891 had gebaard, gevat in de vorm van een houten kasteel met ophaalbrug. We haalden er ons neus voor op want we hebben zelfrespect.    We daalden af naar onze wijk Malá Strana terwijl het bos een uitgestrekte boomgaard werd. Mijn ene zoon verkoos op eigen kracht uit te bollen tot ons appartement voor een broodnodige pitstop op de Karelsbrugappartementensofa, de ander kon ik overhalen vier kilometer boodschappen te dragen. Hij wou koekjes – tja, dan ben je met corvee gejost.  

Jeroen V
5 0

Finn McCool

Op een dag was Schotland voor Benandonner te klein. Hij wou expansie! Benandonner ging op de kust staan van het North Channel dat hem scheidde van Noord-Ierland, en ging wat schelden, tieren en roepen op die onderontwikkelden aan de andere kant van het water.   We zijn 2023 en het ging toen ook al niet anders.   Op die andere kant van de zee wist Finn McCool zich uit zijn geriefelijke schommelstoel gelokt, tooide zich in oorlogskleed en wette zijn dubbele aks. Dat varken zou hij wel eens wassen! Bovendien had hij nu eindelijk een aanleiding om Schotland aan te vallen en in te lijven. Hij had gehoord dat daar wel nog erwten en bonen te kweken waren - broodnodig als die waren voor zijn dagelijkste stew die sinds de bonenpest op zijn eiland nooit meer dezelfde was.   Oonagh, zijn vrouw, vulde twee ossenbesparde karren met picknickmanden, en Finn vertrok voor actie.   Ter hoogte van Aird Snout ging hij basalt uit de rotsen houwen. Dat ging makkelijk: de zes-, zeven- en achthoekige platte stenen die kolommen vormden tegen de kliffen leenden er zich uitstekend voor. Hij gooide ze gedecideerd in zee en creëerde een heuse dam richting Schotland. Benandonners tirades zorgden intussen voor een ritmische cadans in zijn werk en elke dag kwam er een mijl nieuw vasteland bij.   Toen er nog twee mijl te gaan was, was het ook tijd voor de ossen om te gaan. Het oppeuzelen ervan gaf Finn de energie om de laatste blokken te hakken en uit te spreiden over de zee. Benandonner was dat wachten op Finn wat moe en laste een break in. Omdat Finn voor de laatste mijlen haast had gemaakt, had hij hem niet zien komen.   Finn trof een tien meter lange, snurkende reus aan in zijn enorme hangmat op Islay Mountain. Eensklaps werd hij door angst overmand. Die Benandonner was goddorie twee meter groter dan hem!   In paniek vluchtte hij zijn dam over, terug naar Ierland. En waar ga je dan zitten grienen?   Juist. Bij je vrouw.   En dus ving Oonagh hem op, sprak hem toe met koosnaampjes à la 'hottie', 'peppie', 'beerke' en 'spetter' en woelde door zijn lange, blonde lokken. Het hielp een heel stuk, maar al snel daarna blokkeerde Finn alsnog. Hij kwam niet tot een oplossing hoe Benandonner aan te pakken en te verslaan.   En dus schakelde Oonagh een versnelling hoger. Ze diepte een oude wieg op, verpakte Finn in kinderkleding en maande hem aan met opgetrokken knieën erin te gaan liggen. Een reuzenfopspeen maakte het helemaal af.   Wakker geworden, stoof Benandonner de volgende dag op Ierland af. Oonagh stond intussen in moederschapskleding onderaan Aird Snout en wiegde de kindermand.   "How you are doing, son?", zei Oonagh, die met aangebonden kussens ook nog eens een volgende zwangerschap simuleerde, "wanna see my new baby?"   Benandonner schrok zich een hoedje en vergat elk beleefd fatsoen. Zonder de vrouw te groeten vielen de schellen van zijn ogen. Als dít al de zoon was van die Finn die hij zo graag als beleg op zijn sandwichen zou leggen, hoe reusachtig moest die vader dan wel niet zijn?   In geen tijd verbrak hij het wereldrecord damlopen-tussen-Ierland-en-Schotland en gooide daarna vanaf de Schotse oever met rotsblokken de dam stuk.   Finn klom nu uit de wieg en zou zes maanden lang de afwas doen en om de drie dagen stofzuigen. De dam verdween in de plooien van de vergetelheid.   Maar toch bestaat er nog een klein stukje van die dam! Nu is het vredevol gebied, en zeker 's morgens vroeg, is het er goed toeven. De platte stenen zijn goede stoeltjes om te beseffen dat roepen en tieren hier helemaal niet passen en dat het fijner is te luisteren naar de geluiden van golven en meeuwen.   Pas omstreeks de negentiende eeuw ontdekt het grote publiek de basaltformaties. Een stoomtram erheen vanuit een badplaats maakt het plaatje compleet. Een Noord-Iers Han-sur-Lesse is geboren. Vandaag is het de drukst bezochte plek in Noord-Ierland.   Het is avond en beneden me zijn alle toeristen al even vertrokken. De Causeway is van bovenaf een vinger van de kust die de zee insteekt en erin verdwijnt. Enkele locals rijden met hun auto's tot tegen de dam. Ook dat is Ierland.   De ondergaande zon en dreigende doch regenloze wolken realiseren een zeldzame harmonie boven de Dam van de Reus. Een border collie, los van de lijn, komt zijn natte snoet in mijn hand steken en gaat dan verder, snuffelend zijn krant van de dag lezend. Een jonge vrouw volgt enkele seconden later met een werkloze leiband. Nergens meer dan in Ierland zag ik al zoveel bordjes hangen met 'honden aan de leiband'.   Maar als ze beginnen fietsen, die Ieren, dan gaan ze vast ook merken waar leibanden voor dienen!

Jeroen V
0 1

Mussenden Temple, Derry

Heer-bisschop Hervey was naast een man van de Kerk, zeker ook een man van deze wereld. Of beter van een wereld uit lang vervlogen tijden. Want de man zou de toestand van zijn paradijs vandaag maar matig kunnen appreciëren.   Helemaal anders is het gesteld met het gemoed van ondergetekende. Die was in de wolken van zoveel vergane, maar desondanks blijvend indrukwekkende schoonheid, en dat op Downhill Demesne.   Het landgoed rijst vandaag op uit een boomloze boterbloemenberg boven het landschap van Downhill op de noordkust van Ierland. De perfecte plek om zijn wereldlijke ambities in de praktijk te brengen, had Hervey omstreeks 1780 bedacht.   U hebt vast lak aan architecturale beschrijvingen - ik bespaar ze u. En als dat niet zo is, dan is dat omdat ik daar zeer zeker zelf lak aan heb. Bovendien is het nu toch een ruïne. Dat zou toch een beetje dubbel op zijn - u beschrijven hoe het wás, om dan doodleuk te zeggen dat men het gebouw na de Tweede Wereldoorlog gewoon gestript heeft en het aan de overheid verkocht?   Soit, mede daardoor is het nu toegankelijk en kan ik me een beetje inleven in die mijnheer Hervey. Al is dat inleven relatief: de lord bishop kon immers uit een soort vaatjes tappen waar ik zelf slechts alleen kan van dromen (en helemaal niet zeker of ik dat ook allemaal wel zou willen). Hervey had veel geld om de steentjes van zijn huis te leggen zoals hij wou. Hervey was getrouwd (perfect combineerbaar met een mandaat binnen de anglicaanse Church of Ireland) en had nageslacht maar kon zich tegelijk vrijelijk op glad ijs begeven om goed scheef te gaan schaatsen. Hervey liet zijn ondergeschikte geestelijken haasje-over doen op het strand beneden om titels en postjes te verdelen. Maar bovenal kon Hervey een grote ronde, maar lage, tempelachtige toren bouwen van waaruit hij de wedstrijdjes beneden kon volgen. In de begintijden kon de heer-bisschop er met zijn koets rondjes rond rijden - iets wat nu zou eindigen met een onvervalste crash op de klippen vijftig meter lager - gezien die afkalven.   En hier komt dan dat lieve kind Frideswinde Mussenden op de voorgrond. Hervey had een zwak voor zijn nicht, die zelf een deplorabele gezondheid meezeulde. Speciaal voor haar was Mussenden Temple opgericht (en dus naar haar vernoemd): een ode aan de klassieke kunsten. Ook dáár was Hervey als kunstverzamelaar mee bezig - je zou je afvragen wanneer hij de tijd vond voor spirituele arbeid. Binnenin de tempel waren de ronde wanden bekleed met schappen vol boeken. In de kelder werd gestookt en een schouw verdeelde de warmte zodat de geschriften niet vergeelden.   Maar Mussenden Temple was bovenal ook wat ze in het Engels zo mooi benoemen en waar West-Vlamingen alleen al van smelten als het woord hun oorholtes streelt: a dovecote. Hoewel er maar één prijsduif getolereerd werd: zijn nicht Frideswinde (Jazeker, het kon zelfs de naam van een vredesduif geweest zijn).   Hoe dan ook, lang heeft Frideswinde niet van haar tempel kunnen genieten. In de kronieken valt te lezen dat ze zwaar afzag van de vernedering der geruchten als zou ze ook lekker van bil gegaan zijn met haar oom. Of híj met haar - gezien de lord bishop eerder in de positie was om zaken te willen waar anderen niet noodzakelijk voor openstonden.   Maar dus: de kronieken. Ik probeer gewoon neutraal een stuk boeiende geschiedenis voor u, naar objectiviteit snakkende facebooklezer, toegankelijk te maken.   De tempel overleefde, waar het landgoed sneuvelde. En om dan toch al eens wat persoonlijker te gaan: ik heb mij hier een halfuur op mijn gat gezet. Kijkend over de zee, tussen de wuivende grashalmen, vanaf mijn klip. Links van mij de tempel, waarvan de fundering nu een duivenkot is geworden voor boerenzwaluwen die er kinderkamers in maakten.   Ik zie in een flits Frideswinde voor het raam staan, die vanuit haar paleisje/keurslijf naar me staart, worstelend met taai Lidl-stokbrood en koude, gemarineerde lapjes kip, later in de maag geshaked met melk en mangosap.   Frideswinde-het-arme-kind stierf twee jaar na de bouw van de tempel. Maar haar verhaal en dát van Hervey sterven echter nooit. Excentrieke rijke mensen oogsten dan wel kritiek met hun zotternijen zoals het landgoed met zijn tempel - maar vandaag is het van iedereen: gratis en een inspiratieplek, verpakt in een immense schoonheid. Hier heb ik mijn hart voor Noord-Ierland gevonden, hier klopt het stevig op de golven van de wind. Dit gevoel van dankbaarheid, dat gaat écht nooit meer weg.

Jeroen V
0 0

Een morgen in een hostel

De eetplank was gemiddeld vijftig centimeter breed en golfde langs de zijkanten. Links vóór mij zat een blond krullende dame in bloedoranje jas in stilte en voor zich uit kijkend haar toast naar binnen te werken. Rechts vóór mij zat een gedrongen Spaansachtige jongere vrouw haar smartphone te koesteren. Recht vóór mij zat niemand; dat kon ook niet, anders zaten ze met hun benen in mijn kruis.   Als je de plank naar links en naar rechts volgde, zag je gelijkaardige taferelen, maar dan met mannen. Gezegd werd er niet. En dus typte ik maar.    Plots werd de stilte verscheurd door een uiterst compact gehouden conversatie tussen de twee vrouwen die enige sociale betrokkenheid op elkaar verraadde, minstens opgebouwd de voorbije dag. Ik kon het moeilijk verstaan. Het was Engels met haar op, het ging snel en ik was bovendien verrast door de snelheid waarmee het gesprek startte en ook weer eindigde.   ‘Met haar op’ bedoel ik zeker niet dat míjn Engels haarloos is, wel integendeel. Deze dames waren het gewoon hun harig Engels dagelijks te spreken, vermoedelijk van kleinsaf. Dat kon je niet zeggen van het gros van de andere gasten in dit backpackershostel. Het Engels niveau onder de tijdelijke bevolking van het hostel bleek gisteravond (toen er nog gesproken werd) van een dermate amateuristisch gehalte en goedaardige simpliciteit. Dat was ik van hippe, jonge anderstalige mensen niet zo gewoon. Om maar te zeggen: veel van dat Engels was eigenlijk gelijkaardig aan mijn Engels. Maar je beseft pas hoe erg je eigen Engels is als je het herkent bij een ander. Dat is wat ik zo een beetje bedoel te zeggen.   Maar dus temidden van die Noord-Ierse stilte vraagt de ene (oudere) vrouw van boven haar toast aan de andere dame wat ze in godsnaam vandaag op de planning staan heeft. Ik begrijp niet wat ze antwoordt (omwille van ‘dat haar’ dus), maar wel dat ze zéker de Titanic Experience wil doen. Ze zegt het alsof ze dat aan haarzelf verplicht is. Gevolgd door:”En jij?” Zegt de krullenbol: “De straten afdweilen en wat shoppen”. Het klinkt spannend maar het is vooral de meelijwekkende toon waarop ze het zegt. Alsof ze gevangen zit in een kakstad waar haar man haar pas na veertien dagen terug wil uithalen. Intussen kamperend in slaapzakken tussen luid snurkende jeugd, zweetvoeteigenaars, nachtelijke schetenlucht en een bijna-vijftiger die zijn spullen uit zijn valies haalt rond halfzeven ‘s morgens.   “Klinkt goed”, zegt de jongere griet nog tegen haar, en dan is de praatbatterij van beide vrouwen voor deze ochtend alweer op. Ik wens de krullenbol veel shoppingplezier toe om kwart na acht ‘s morgens.   Intussen kan een van de vele buitenlandse jobstudenten die het management van dit hostel overeind houden, het serene karakter van het ochtendgebeuren niet meer aan en zet de radio op. Nu hebben we zeker geen reden meer om te beginnen met praten, want anders horen we de muziek niet meer.    Het is acht juni, op een donderdagmorgen in Belfast. Dertig jaar geleden had ik kunnen gewekt worden door een bom. In zekere zin gebeurde dat vanmorgen ook. De bommendropster was een Rubensiaans geproportioneerde jongedame die ik vanuit mijn stapelbed op ooghoogte op een ander bed zie liggen en die omstreeks zessen snurkgeluiden maakte waar die binnenin een Kempense megavarkensstal bij verbleken. Het was écht indrukwekkend, toch op een bepaalde manier. Ik hoop dat ze later een vriendje vindt.   En dus ging ik maar wat in mijn valies rommelen, plastic zakjes nodeloos verfrommelen - om mijn punt te maken, maar het kind vertrok geen spier. Behalve die van haar kaken.

Jeroen V
5 0