Golfbreker
Op de golfbreker kwam hij naar mij, boog
over de grillen in mijn buik. Ik wil je wel.
Geselen, zei hij.
Zijn handen bonden mij; verder zei hij niets,
deed ook niets dan mijn ogen neerslaan.
Hij deed mij zinken, mijn hoofd in zijn schoot,
tot de bodem zouden we gaan, tot het
wegkrabben van zandbanken.
Ik had mijn ogen moeten afwenden
van die donkere zee, dan had ik
niet geweten: zout smaakt zo bitter.