De engel
De engel
Traag keek ze naar het vodje naast de engel. En naar de klok. Haar handen zakten. Het tikken werd steeds luider. De engel steeds waziger.
“Ik weet niet meer,” klonk het.
“Maar lieve, je bent aan ’t afstoffen!” lachte Vera. “De kerstbeeldjes, moeke. Neem de vod en doe maar voort.”
De handen zweefden weer naar de vod. En de vod wreef traag langs de engel. Vera volgde de bewegingen en slikte. Moeke wist niet meer. Niet meer dan enkele minuten en dan was het weten weer weg.
“Ben jij de dokter?” Terwijl ze dit zei, lag de vod alweer naast de engel.
“Nee moeke, die komt straks. Ik ben het, Vera.”
“Iedereen legt zijn rommel maar in mijn kamer. Van wie is dat hier?” Ze greep de engel vast.
“Voorzichtig lieve. Hij is van ons. Kom, laat maar liggen. We zullen wat gaan wandelen.”
De vrouw schuifelde recht, nam de vod en gaf die aan Vera. “Voor de was. ’t Is vuil !”
“Ja moeke, ’t is vuil.” Vera hielp haar in de grijze jas. De mouw zwierde langs het tafelblad. De val van de engel brak de stilte in scherven.
“Zie je wel, overal rommel ! Ben jij de kuisvrouw?” klonk het boven de jas.
Mia De keersmaecker