Nancy Del Fuego-Costales

Gebruikersnaam Nancy Del Fuego-Costales

Teksten

Der Königstiger

“Als je in de modelbouw een uitdaging zoekt moet je bij de boten zijn. Vaartuigen met alles erop en eraan: Masten, zeilen, vaandels, touwwerk, kanonnen. Dan heb je waar voor je geld. Houten schepen met tuigage, dat is voor mij het einde. Meer dan plastieken. Hoewel er daar ook mooie te vinden zijn. Als je maanden aan zo’n fregat geplakt, gesneden, geschaafd, gezaagd, geknoopt, genaaid en geverfd hebt, als je dat hoopje hout, koord, stof en koperwerk tussen je vingers ziet groeien tot een gedetailleerde replica van een historische viermaster, dan heb je pas iets waardevols geconstrueerd. Bij ons thuis kregen die kunstwerken een ereplaats op de schouw van de salon of op de buffetkast van de eetplaats. Ik kon er uren naar kijken naar die boten. Ze konden zo wegvaren, de oceaan over naar Amerika of Indië of naar streken waar nog geen mens geweest was. De scherpe boeg klievend door de baren en een wit schuimend spoor trekkend in een azuurblauwe zee. Net echt, maar dan in het klein. Een tank vind ik maar niks, een tank is een tank nietwaar. Als je er één gezien hebt heb je ze allemaal gezien. En het is niet mooi, zie je al een gepantserd voertuig naast een porseleinen vaas op het dressoir in de eetkamer staan? De Mayflower integendeel, of de Prince, of de San Mateo, of de Friesland, daar wordt naar gekeken. Dat zijn stukken die direct de aandacht trekken van je bezoekers. Maar pantsers? Dan nog liever een vliegtuig denk ik dan. De Concorde, of de nieuwe Airbus van Tamiya, prachtig model, mooi gedetailleerd maar niet goedkoop. Het is dan ook Tamiya, dan spreek je over kwaliteit en dat heeft zijn prijs. Een collectie tanks in een vitrinekast, dat zou nog kunnen. Als je het als een historisch overzicht beschouwt tenminste. Maar dan nog. Geef mij toch maar houten klippers waarbij ik kan wegdromen over deinende zeeën, piraten en bruingebrande matrozen.” Ik heb het begrepen. In deze zaak voor modelbouwbenodigdheden zal ik op niet op veel begrip kunnen rekenen voor mijn fascinatie voor brommende vuurspuwende ijzeren gedrochten. Terwijl de winkelierster vanachter haar geïmproviseerde rommelige toonbank voortratelt over de charme van de houten modelbouw wurm ik me tussen de overvolle tot aan het plafond met nieuwe en oude bouwdozen volgestouwde rekken verder het winkeltje in. Ze zijn er allemaal, en dikwijls in verschillende uitvoeringen, de Sherman’s, Panthers, Tigers, Churchill’s, T-34’s, Leopard’s, Merkava’s en consorten. In de schijnbare wanorde gaat een logica schuil. Wereldoorlog I, Wereldoorlog II, de tanks van na 1945 en pantsers die een rol gespeeld hebben in Golfoorlog één en twee en tijdens de Irakoorlog. De pantsers bekleden drie muren van de winkelruimte. Dwars in het lokaal staan schappen met vliegtuigen. Aan de straatkant, net achter het uitstalraam, prijken de schepen en de auto’s. Achter de toonbank, naast de deur naar een keukentje, liggen benodigdheden voor de modelbouwer in vuilwitte ijzeren rekjes. Verfpotjes, spuitbussen, lijmtubes, messen, zagen, tangen, boren, penselen, afplakband en koperbeslag om de maquettes tot in het detail af te werken. Wat niet in de overvolle bakjes in metaaldraad kan en waarvoor ook geen plaats meer vrij is om ze ergens aan op te hangen staat op de grond in kartonnen dozen of in plastieken bakken. In een hoek vind ik in een bruine doos met vochtvlekken wat ik zoek: Obersturmbannführer Joachim Peiper van de Schwere SS-PanzerAbteilung 501. Althans zijn door Dragon vervaardigde vaalgrijze plastieken lichaamsdelen op schaal 1/16, inclusief zijn favoriete Roth-Handle sigaret nonchalant geklemd tussen midden- en wijsvinger van de gehandschoende linkerhand. Als ik hem met zorg en oog voor het detail beschilder is hij bruikbaar om naast een Panzerkampfwagen VI Königstiger post te vatten. Het verhaal dat ik na de dood van mijn vader tussen zijn paperassen vond, schiet me te binnen als ik de op het deksel van de doos geschilderde Joachim bestudeer. In een avontuurlijke bui was papa voor het uitbreken van de oorlog naar Duitsland getrokken om er aan de universiteit geschiedenis te studeren. Bij het begin van de vijandelijkheden was hij niet naar België teruggekeerd. Toen de Duitsers inzagen dat ze op een nederlaag afstevenden werd hij van de universiteitsbanken geplukt. Hij kreeg het bevel zich in te lijven bij Hitlers troepen om de oprukkende Russen een halt toe te roepen maar vluchtte naar België. De verloren zoon werd niet met open armen ontvangen en belandde in een cel. Een militaire rechtbank hechtte weinig geloof aan zijn bewering dat de Duitsers hem al die jaren gevangen gehouden hadden. Een hele tijd na zijn vrijlating probeerde hij de oorlogsperiode van zich af te schrijven. Verhalen over mensen die hij in het Reich had leren kennen, Otto Hilpert onder andere. Samen met zowat achthonderd lotgenoten was soldaat Hilpert zijn bloeddorstige hoofdman jankend achternagerend door de ondergesneeuwde Ardense bossen. Terug naar de Heimat, op de loop voor de oprukkende yankees. Alles achterlatend wat te zwaar was om te dragen. De door brandstoftekort en een gebrekkige terreinkennis geïmmobiliseerde pantserwagens incluis. Hij is niet moeten verschijnen voor het tribunaal bij het Dachauproces in 1946. Een over het hoofd geziene kleine garnaal. Niemand zal ooit weten of ook hij als een waanzinnige door een modderig patattenveld in Baugnez baggerde om gevangen genomen Amerikanen een kogel door het hoofd te jagen. Had hij in Noord-Italië meegeholpen aan het oppakken van joden en de wrede, uit wraaklust ingegeven, executie van weerloze boeren? Naar zijn aandeel in het bloedspoor dat SS Obersturmbannführer Joachim Peiper doorheen Europa trok kan ik enkel gissen. Otto Hilpert was lader in Panzer 339. Hij nam op bevel van de tankcommandant de obussen en granaten uit de rekken in de buik van het monster en duwde ze in het 88 mm Lang 71 kanon. Toen ze weer eens opgehouden werden omdat de wegen naar het strijdtoneel dichtgeslibd waren met vijandige en bevriende colonnes had hij, om de tijd te doden, al zijn creativiteit aangesproken en met een stuk krijt een boodschap gekrabbeld op het gebogen, koperen oppervlak van een obus. Een anatomisch totaal fout getekend doodshoofd en de woorden “with love”. Otto had zo zijn gevoel voor humor. Hij werd door de commandant betrapt bij zijn artistieke bezigheid en kreeg, in de plaats van enige aanmoediging of blijk van waardering, ongenadig op zijn kop. Op de koop toe moest hij een preek over de gevaren van het prutsen met springstof aanhoren en werd hem gesuggereerd overplaatsing te vragen naar de "Hanswursten” van de Luftwaffe die, volgens zijn chef, toch tijd zat hadden voor zo’n kinderachtige “Spielereien". Als SS-Panzerschütze was Otto de minste van de vijfkoppige Tiger-bemanning. De anderen waren minstens Rotterführer. Hij stuurde niet, koos geen doelwitten uit, verzorgde geen radioverbindingen en vuurde het kanon geen enkele keer af. Hij was een simpel magazijniertje wroetend in de, door een zwak peertje beschenen, enge donkere binnenruimte van een vervaarlijk grommend tuig dat dreigend door het landschap kroop en iedereen die het tegenkwam de stuipen op het lijf joeg. Hilpert werd niet geboren als een verwaarloosbaar stuk kanonnenvoer. Dat is hij pas geworden toen een waanzinnig staatshoofd hem nodig had bij een macaber spel. Voor de aanvang van de oorlog was Otto de belangrijkste mens op aarde. Toch voor zijn geliefde. Want Otto was verliefd en het onderwerp van zijn hartstocht was al even stapel op hem. In het idyllische boerendorp waar hij het levenslicht zag, ergens tussen Trier en Mainz, zouden ze niets van hun passie begrepen hebben. De bruinhemden al zeker niet. Zijn lief was dan ook geen blonde, blozende troela. Ze droegen beiden de Führer een warm hart toe, maar dat was niet voldoende om hun liefde aanvaardbaar te maken voor de goegemeente. Elkaar zien en liefhebben gebeurde daarom in het geheim, in de betrekkelijke anonimiteit van de stad, na valavond, in verlaten stegen, op een bank in een park of in een verscholen kroeg. Plaatsen waar ze veilig waren voor de Gestapo en de Kripo. Dat moest ook wel want op een zachte lentenacht hadden die een verliefd stel op heterdaad betrapt tussen de bloeiende rododendronstruiken van het stadspark. ’s Morgens bengelden die twee aan een overhangende dikke tak van een lindeboom, de broek hangend op de enkels en een afgebroken bezemsteel in hun witte kont. Otto had romantischere perspectieven voor ogen als hij over hun relatie dagdroomde. Dan ging het over trouwen en kinderen, over een huisje in het Schwarzwald, over een goede baan bij Volkswagen of Mercedes waar hij auto’s zou bouwen voor de burgers van de nieuwe wereldorde. Na gedane arbeid zou hij huiswaarts keren om van zijn vrijheid te genieten in de armen van zijn hartendiefje. Dat alles zat er niet onmiddellijk aan te komen, zeker niet toen de brief in de bus viel die hem aanmaande zijn militair verlof te onderbreken en zich te melden bij het 2de SS-pantserkorps. De daarop volgende odyssee zou hem eerst naar Rusland en later naar Italië, België, Hongarije en Oostenrijk leiden. Was er bij de herovering van Kharkov nog sprake van enige glorie dan was die bij de slag om de Ardennen in de omgeving van het winterse La Gleize omgeslagen in doffe ellende en pijnlijke vernedering. Weg hoop op een zonnige toekomst. De bevoorrading vanuit Duitsland liep zo mank dat Otto geen brieven meer ontving van het thuisfront waar zijn beminde het Reich diende door dwangarbeiders ontstekingsmechanismen voor granaten te laten fabriceren. Hij zou hem niet meer terugzien zijn teerbeminde Helmut. Enkele maanden na zijn vlucht uit België werd Otto ingezet in Hongarije om een Sovjetbruggenhoofd te vernietigen. Na de chaotische terugtrekking naar Oostenrijk vernam hij dat het lichaam van zijn Schatz vanonder het puin van het platgebombardeerde Pforzheim gehaald was. Hij durfde er in iemands gezelschap geen traan om te laten, bang als hij was dat het openbaren van zijn geaardheid hem met een opgespelde roze driehoek in een concentratiekamp van het agoniserende Derde Rijk zou doen belanden. Helmut was dood en Otto gaf zich met andere overblijvers van de Leibstandarte-SS Adolf Hitler over aan de Amerikanen. Liever gevangen genomen worden door die decadente bende dan in handen te vallen van de Russische barbaren, al was dat een beslissing van zijn wapenmakkers die hij, zoals het hem eigen was, volgzaam achternaliep. Zijn geheim was door Britse Avro Lancaster bommenwerpers voor eeuwig veilig gesteld, een zekerheid die hem nooit zielenrust zou brengen. Angst weerhield Otto ervan ook maar iets aan zijn huichelachtigheid te veranderen en Gretchen, met wie hij vier jaar later trouwde, zal nooit geweten hebben aan wie hij dacht toen hij de tweeling Claus en Dietmar bij haar verwekte. Ik rommel nog wat in de verfrekken, speurend naar feldgrau voor Joachims uniform.“Droegen die van de SS-panzers geen zwart?” vraag ik me luidop af.“Aan het begin van de oorlog wel, later grijs.” klinkt het vanachter de toonbank.“Echt?” De evolutie van de SS-mode kan mij niet echt schelen maar ik koop voor alle zekerheid een potje zwart en een potje middle grey nr. 43 van Revell. De kleur van het uniform, dat op de Dragondoos afgebeeld wordt, is ondefinieerbaar, iets tussen zwart, grijs en donkergroen. Om die vieze tint na te bootsen zullen er kleuren gemengd moeten worden, vermoed ik. Peiper wordt met zijn verfpotjes respectloos in een gerecupereerde groentezak gedropt.“Een gevernist houten voetstuk om hem op te plaatsen kunt ge afzonderlijk kopen. Ik heb ze juist binnen, zo goed als gratis, twee euro per stuk“.Een piëddestalleke voor die schurk? Dat zou erover zijn. Ik ga met plaaster, zand en verf een bloederige, modderige ondergrond fabriceren. Daar kan hij met zijn botten in gaan staan, meer iets voor hem me dunkt.“Die zeilschepen waar ik het over had. Als ge wilt zal ik een doos voor u openmaken dan kunt ge zien hoe gedetailleerd dat allemaal is.”“Neen, dank u, een andere keer misschien.” Ik mompel het terwijl ik de over de dorpel krassende winkeldeur achter mij dichttrek. De gezellige sfeer van de de modelbouwzaak uit een verloren epoque maakt plaats voor de kilte van de straat. Het lawaai en de drukte van voorbij razende auto's en gehaaste voorbijgangers slaan mij om de oren. In mijn handtas weerklinkt een ergerlijk elektronisch deuntje. De gsm sleurt me onverbiddelijk naar het heden. Otto vliegt terug naar een achterkamer van mijn brein waar hij, samen met andere spoken, onrustig kan ronddwalen, tevergeefs zoekend naar rust en sereniteit.

Nancy Del Fuego-Costales
0 0

Wellness

Een groepje luidruchtige dames van middelbare leeftijd maakt kennis met de saunacultuur in het thermen- en wellness centrum. Ze slaken gilletjes van verwondering en opwinding omdat het in de zweetcabines warm is en het water in het afkoel bad ijskoud aanvoelt. In die ambiance waag ik een poging om zen te worden. Het zwembad, dat er dampend bijligt op deze winterse dag, lijkt rust te kunnen bieden. De kin steunend op de handen hang ik aan de scherpe rand van het bassin naar de wit berijmde dennen te staren. Mensen lopen in en uit de Keno, de Himalaya Grötte en de Finse sauna. De nep grot met de zoutkristallen is het meest in trek. De ruwhouten deur zwaait onophoudend open en dicht alsof er zich het toilet van een druk bezochte discotheek achter bevindt. Of je in deze kunstmatig paradijselijke omgeving tot innerlijke rust kunt komen is weinig plausibel, mijmer ik. Veel tijd krijgt ik niet om daarover door te bomen want ergens schijnt er een appelsien, munt, perzik of limoen opgietsessie afgelopen te zijn. Op zoek naar verkoeling komen rood aangelopen gezichten vanachter de plastieken lamellen, die het binnen- van het buitengedeelte van het zwembad afscheiden, te voorschijn. Een trio dertigers doet zich opmerken. Luidruchtige kerels met bruine basten en kitscherige tattoos op armen en rug. Twee patsers zwemmen vlot naar de verste kant, de derde vordert traag. Zich aan de boord krampachtig vasthoudend, beweegt hij zich naar zijn kameraden. Hij kan niet zwemmen, stel ik vast. Als hij hen eindelijk vervoegt zijn ze al druk bezig, met andere ploeteraars als ongewilde toehoorders, elkaar te overtroeven met namen van skistations waar nu zeker nog geen sneeuw ligt. Hij mengt zich in het gesprek en blijkt ook twee plaatsnamen te kennen waar al evenmin sneeuw ligt. “Het is de opwarming van de aarde”, concludeert er één. Hij heeft thuis een “digibakske van Telenet”, en heeft het gezien en gehoord op National Geographic, “Zelfs de gletsjers zijn aan het smelten.” De deur van de Kelo blijft lang dicht hetgeen me doet vermoeden dat er niet veel volk binnen zit. Ik hijs me uit het water, droog me oppervlakkig af en stap de, met 300 jaar oude Scandinavische vurenhouten bomen opgetrokken, constructie binnen. Twee vrouwen liggen op de bovenste banken. Voor de rest is de grote ruimte rond het knetterende haardvuur uitnodigend leeg. Ik kies een hoekje uit dat ver verwijderd is van beide vriendinnen, draai de zandloper om en ga met één been opgetrokken op de rug liggen. Met gesloten ogen laat ik de behaaglijk droge hitte bezit van mijn lijf nemen. Het piepend geluid van de deur verstoort het zalig soezen. De drie lawaaierige musketiers doen hun intrede. Op de laagste bankenrij gaan ze zitten, zuchtend en blazend. Hij-die-niet-kan-zwemmen kijkt rusteloos rond zijn schichtige blikken afwisselend richtend op mij, de twee jonge schoonheden en zijn maatjes. Door mijn wimpers loerend veins ik te dutten, vrezend dat hij het onzalige idee zou kunnen hebben een gesprek te willen aanknopen. In het oranje licht van de vlammen, die wapperende figuren op het schuine houten plafond tekenen, wrijven zijn beide handen onophoudend over zijn bovenbenen, knieën en buik. Hij lijkt niet in harmonie met zichzelf en schijnt nauwelijks innerlijke rust in deze isotone atmosfeer, te zoeken. De beide gratiën houden het voor bekeken, ze knopen hun handdoek rond de verleidelijke heupen en verdwijnen door de donkere deuropening. Je zou denken dat hij daar heeft op zitten wachten. Over zijn schouder heen monstert hij mij, net alsof hij zich er van wil vergewissen of ik wel echt slaap. Ik blijf doen alsof. Door de spleetjes van mijn oogleden sla ik een merkwaardig tafereel gade. Het drietal wisselt, nu enkele decibels zachter, natuurkundige gegevens uit. “Warm hé, ik zweet nogal.” “Ik ook, komt door dat vuur.” “Ja, mannekes, zie dat eens hier.” Hij wijst met de kin naar zijn onderbuik, de twee spitsbroeders volgen zijn blik, hoofdschuddend grimlachend. Zijn rechterarm maakt ritmische op- en neergaande bewegingen. Verdraaid, die vetzak zit zich hier af te trekken, daagt het mij. Om de zoveel rukbewegingen onderbreekt hij de activiteiten en bouwt hij een rustpauze in. De handen zijdelings achter de rug op de bank geplaatst leunt hij puffend en briesend achterover. De cyclus herhaalt zich enkele malen. Ik heb er genoeg van. Met gewild opvallend misbaar kom ik recht uit mijn horizontale positie, pak de haarklem die aan de bandhanddoek geklemd zit, steek mijn vochtige rode haren op en verlaat haastig, met grote schreden de sauna. Tien minuten later, rustend in een relaxzetel, hoor ik hen langskomen, richting Brasserie. “Een Leffe, dat zal deugd doen“, kan ik opvangen.   “48.000 Euro, dat is wat John Cleese vraagt voor een lezing plus acte de présence van 2 uur op een managers event. En hij wordt druk gesolliciteerd.” Twee high level leidinggevenden kennen de prijzen en openbaren ze, of die dat willen of niet, aan de andere bezoekers van het Turks stoombad. In een bizarre mengeling van Engels en pseudo Nederlands begeven ze zich in de betegelde ruimte op het modieuze pad van brainstorming en experience sharing. “Waar ik nu mee bezig ben is het zoeken naar een goede invalshoek. ” “Hoe ben je op dat idee gekomen?“ “Op een avond, ik was op een beurs, heb ik deelgenomen aan een work-shop over self-coaching en time management. In wat die Tine Walravens daar zegde over ayuverda heb ik direct onontgonnen opportunity’s gezien. Zeker als je dat specifiek uitwerkt voor hr afdelingen, die zijn gevoelig voor alles wat met absenteïsme te maken heeft.” “Ja, dat speelt mee voor hun bonus, vertel me wat. Maar dan kunt ge niet short term gaan denken vermoed ik. Zijt ge nog in de pre study phase of doe je al aan commercial development?“ “Als ik de topic aan een goede case kan linken begint de machine volop te draaien.” “Weet je dat ik jaloers op jou ben? Ik vind het razend interessant met wat je daar bezig bent. Ik Heb al spijt dat ik mijn sabbatical year niet voor zoiets gebruikt heb.” “In het begin heb je natuurlijk een try out nodig, zien of het werkt.” “Snap ik, maar dat zit je al direct in een scenario van “no cure no pay” en dan moet ge wel een risk-factor gaan incalculeren.“ “Je moet een financiële basis hebben, maar overschat dat niet, de investeringen zijn klein. Als ik een bedrijfje op naam van mijn vrouw zet kan ze fiscale voordelen krijgen en mij op de payroll zetten.” “Je kan je als kleine ondernemer flexibel opstellen en werken op a.w. basis, dat is een service die de groten niet kunnen bieden.” “a-w?“ “As wish, ken je dat niet?” “Oppassen daarmee, het wordt al snel bekeken als een “nice to have” hebbedingetje en zoiets geven ze wel eens in handen van een uitgerangeerde die veel tijd heeft maar niets kan beslissen.“ “Ik weet het, dat sneuvelt uiteindelijk bij de senior business controller. Niet bij de bc op een lager niveau, daar kan je al eens met gaan eten, maar op een hoger level pakt dat niet meer.“ “Neen, daar lukt dat niet, die zijn te veel met hun bonus bezig.” “Ben je nu al zelfstandig bezig? “ “Neen, ik sta nog op de payroll, mijn opzeg zogezegd.“ “Bij ons is business development bezig met een studie om te bekijken of er op de markt behoefte is aan een synergie tussen technieken voor transport en networking.” “Dat kan natuurlijk altijd maar ik denk dat het een kleine niche is, als die er al is.“ “Maar daar moet je het nu juist van hebben. Het is dikwijls zo dat die behoefte er wel is maar dat de consumer er nog geen weet van heeft. In feite moet je de markt boetseren naar je product, eens dat uw challenge is wordt het boeiend.” “Dan kom je op het terrein van sales, not my cup of thea, je moet het idee, het concept en uiteindelijk ook het product verkopen.” “Je zegt dat nu wel maar at the end moeten we onszelf toch ook altijd verkopen, Je employability moet van je uitstralen of je valt uit de boot.” “Daar heb je een punt, dikwijls komt het daar op neer, de perceptie die ze van je hebben geeft de doorslag.” “Het is psychologie en daar zitten ze bij ons slecht. Te veel oude universitairen. Daar kan je niet veel mee doen, zeker niet bij de commercials en in feite nergens.” “Ze hebben wel ervaring.” “Dat telt niet, het is eerder een weakness die als een rem op nieuwe ontwikkelingen werkt dan een uitdaging voor vernieuwing.” “Kan je volgen hoor, maar neem nu de Guy Vernoppen bij mijn bedrijf, die is toch al 49 en hij kan nog echt mee.” “Maar die heeft geen pedagogisch inzicht en voor onze doelgroep heb je dat juist nodig. Die mannen zitten vast in hun voorbijgestreefde cursussen. Ik ben sociaalvoelend en zeker geen liberaal van de harde lijn, maar bij downsizing moet er te veel rekening gehouden worden met de unions.” ”Zeg, heb je dat boek “self coaching” van Dimitri Pieters?” “Ja, Dimitri Pieters is voor het moment hot en sexy. Absoluut incontournable als je mee wilt zijn. Ik heb vorige week nog een artikel over hem gelezen in BusinessWeek.” ,,Als je het kunt missen zou ik het willen lezen.” “Dan voor een week of zo, want voor mij is dat een werkdocument.” “Dat is ok. Ik heb al twee boeken gekocht voor de vakantie, ik weet nu al dat ik er één op het vliegtuig zal uitgelezen hebben. Normaal is mijn ritme één boek per week.” “Dat haal ik niet, maar bij mij is het dan ook meer in de diepte lezen dat ik doe.” “Ik kan er wel niet meer zoveel kopen via de job, tenzij het boeken zijn die ik direct the day after kan gebruiken voor een practical use, een seminarie bijvoorbeeld. Anders wordt het te moeilijk om die aankopen te verantwoorden op de expense account.” “Jan Meyers is nog zo een kei, in network coaching dan. Een referentie dezer dagen, je met zo iemand associëren opent veel deuren.” “Networking is uiteindelijk mijn ding niet.” “Het is een openliggende markt, je kan me geloven. Ik zie dat in de bedrijven en op events, veel managers zijn overgekomen vanuit een kleinere field-unit en hebben de backgound en de ability niet om hun contacten tot een win win situatie uit te bouwen.” “Van het Peter principe vind je overal voorbeelden.” “Coaching, dat is de key, ze worden niet goed gecoacht en bij elke re-engineering duikt dat op als een negatieve factor.“ “Er zijn er genoeg die “het” niet hebben, bij screenings komt dat naar boven.” “Onderschat ambitie ook niet, veel mensen hebben te veel schroom. De ingesteldheid waarmee je aan networking doet moet zijn: Hoe kom ik met drie kruiwagens en niet met één kruiwagen contacten naar huis. “ “En dat bereik je niet met een meet and greet. Als je de lat niet hoog legt kom je er niet.” “Mij met enkele rake key-words duidelijk profileren bij de end-user is mijn belangrijkste target.” “Heb je daar een deadline opgeplakt?” “Voor ik op vakantie vertrek moet dat duidelijk zijn, ik wil met een gerust gemoed kunnen herbronnen en de batterijen opladen.” De rest van de verhelderende conversatie gaat verloren in het gekletter van de koude douchestralen tegen de betegelde vloer.   Een half uur later lig ik op de massagetafel, een luxe die ik me regelmatig veroorloof. De knedende en strelende handen wisselen fluwelen zachtheid af met gedoseerde stevigheid. Ik geef me over en geniet.   In de kleedkamer doe ik een poging om mijn haren te fatsoeneren. Het lukt niet echt. “Het viel me al op in het restaurant, hoe kom jij aan zo’n mooie, stevig gespierde benen?” De vraag wordt gesteld door de glimlachende vrouw in de lichtblauwe badjas die uit de cabine met het zonnekanon komt. Onzekerheid, gêne, gevoel van ontmaskering, betrapping. Ik voel hoe ik begin te blozen. “Goh, dat is omdat ik vroeger een man geweest ben, het zijn mannenbenen”. Meer is er niet nodig om de schenkster van het compliment op haar beurt met een ongemakkelijk gevoel op te zadelen. “Oei, sorry, dat wist ik niet, excuseer.” Ik stamel een flauw “Het is niets hoor, toch lief van jou.” en maak me, bijna vluchtend, uit de voeten. Mijn haarspeld vergeet ik op het tafeltje aan de spiegel.

Nancy Del Fuego-Costales
11 0

Opleiding

Publicaties

De uilenberg (roman)
Durf je ? Of durf je niet ? (kort verhaal)
De Belgacom-man (kort verhaal)

Prijzen