Der Königstiger

8 dec 2014 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

“Als je in de modelbouw een uitdaging zoekt moet je bij de boten zijn. Vaartuigen met alles erop en eraan: Masten, zeilen, vaandels, touwwerk, kanonnen. Dan heb je waar voor je geld. Houten schepen met tuigage, dat is voor mij het einde. Meer dan plastieken. Hoewel er daar ook mooie te vinden zijn. Als je maanden aan zo’n fregat geplakt, gesneden, geschaafd, gezaagd, geknoopt, genaaid en geverfd hebt, als je dat hoopje hout, koord, stof en koperwerk tussen je vingers ziet groeien tot een gedetailleerde replica van een historische viermaster, dan heb je pas iets waardevols geconstrueerd. Bij ons thuis kregen die kunstwerken een ereplaats op de schouw van de salon of op de buffetkast van de eetplaats. Ik kon er uren naar kijken naar die boten. Ze konden zo wegvaren, de oceaan over naar Amerika of Indië of naar streken waar nog geen mens geweest was. De scherpe boeg klievend door de baren en een wit schuimend spoor trekkend in een azuurblauwe zee. Net echt, maar dan in het klein. Een tank vind ik maar niks, een tank is een tank nietwaar. Als je er één gezien hebt heb je ze allemaal gezien. En het is niet mooi, zie je al een gepantserd voertuig naast een porseleinen vaas op het dressoir in de eetkamer staan? De Mayflower integendeel, of de Prince, of de San Mateo, of de Friesland, daar wordt naar gekeken. Dat zijn stukken die direct de aandacht trekken van je bezoekers. Maar pantsers? Dan nog liever een vliegtuig denk ik dan. De Concorde, of de nieuwe Airbus van Tamiya, prachtig model, mooi gedetailleerd maar niet goedkoop. Het is dan ook Tamiya, dan spreek je over kwaliteit en dat heeft zijn prijs. Een collectie tanks in een vitrinekast, dat zou nog kunnen. Als je het als een historisch overzicht beschouwt tenminste. Maar dan nog. Geef mij toch maar houten klippers waarbij ik kan wegdromen over deinende zeeën, piraten en bruingebrande matrozen.” Ik heb het begrepen. In deze zaak voor modelbouwbenodigdheden zal ik op niet op veel begrip kunnen rekenen voor mijn fascinatie voor brommende vuurspuwende ijzeren gedrochten.

Terwijl de winkelierster vanachter haar geïmproviseerde rommelige toonbank voortratelt over de charme van de houten modelbouw wurm ik me tussen de overvolle tot aan het plafond met nieuwe en oude bouwdozen volgestouwde rekken verder het winkeltje in. Ze zijn er allemaal, en dikwijls in verschillende uitvoeringen, de Sherman’s, Panthers, Tigers, Churchill’s, T-34’s, Leopard’s, Merkava’s en consorten. In de schijnbare wanorde gaat een logica schuil. Wereldoorlog I, Wereldoorlog II, de tanks van na 1945 en pantsers die een rol gespeeld hebben in Golfoorlog één en twee en tijdens de Irakoorlog. De pantsers bekleden drie muren van de winkelruimte. Dwars in het lokaal staan schappen met vliegtuigen. Aan de straatkant, net achter het uitstalraam, prijken de schepen en de auto’s. Achter de toonbank, naast de deur naar een keukentje, liggen benodigdheden voor de modelbouwer in vuilwitte ijzeren rekjes. Verfpotjes, spuitbussen, lijmtubes, messen, zagen, tangen, boren, penselen, afplakband en koperbeslag om de maquettes tot in het detail af te werken. Wat niet in de overvolle bakjes in metaaldraad kan en waarvoor ook geen plaats meer vrij is om ze ergens aan op te hangen staat op de grond in kartonnen dozen of in plastieken bakken.

In een hoek vind ik in een bruine doos met vochtvlekken wat ik zoek: Obersturmbannführer Joachim Peiper van de Schwere SS-PanzerAbteilung 501. Althans zijn door Dragon vervaardigde vaalgrijze plastieken lichaamsdelen op schaal 1/16, inclusief zijn favoriete Roth-Handle sigaret nonchalant geklemd tussen midden- en wijsvinger van de gehandschoende linkerhand. Als ik hem met zorg en oog voor het detail beschilder is hij bruikbaar om naast een Panzerkampfwagen VI Königstiger post te vatten.

Het verhaal dat ik na de dood van mijn vader tussen zijn paperassen vond, schiet me te binnen als ik de op het deksel van de doos geschilderde Joachim bestudeer. In een avontuurlijke bui was papa voor het uitbreken van de oorlog naar Duitsland getrokken om er aan de universiteit geschiedenis te studeren. Bij het begin van de vijandelijkheden was hij niet naar België teruggekeerd. Toen de Duitsers inzagen dat ze op een nederlaag afstevenden werd hij van de universiteitsbanken geplukt. Hij kreeg het bevel zich in te lijven bij Hitlers troepen om de oprukkende Russen een halt toe te roepen maar vluchtte naar België. De verloren zoon werd niet met open armen ontvangen en belandde in een cel. Een militaire rechtbank hechtte weinig geloof aan zijn bewering dat de Duitsers hem al die jaren gevangen gehouden hadden. Een hele tijd na zijn vrijlating probeerde hij de oorlogsperiode van zich af te schrijven. Verhalen over mensen die hij in het Reich had leren kennen, Otto Hilpert onder andere.

Samen met zowat achthonderd lotgenoten was soldaat Hilpert zijn bloeddorstige hoofdman jankend achternagerend door de ondergesneeuwde Ardense bossen. Terug naar de Heimat, op de loop voor de oprukkende yankees. Alles achterlatend wat te zwaar was om te dragen. De door brandstoftekort en een gebrekkige terreinkennis geïmmobiliseerde pantserwagens incluis. Hij is niet moeten verschijnen voor het tribunaal bij het Dachauproces in 1946. Een over het hoofd geziene kleine garnaal. Niemand zal ooit weten of ook hij als een waanzinnige door een modderig patattenveld in Baugnez baggerde om gevangen genomen Amerikanen een kogel door het hoofd te jagen. Had hij in Noord-Italië meegeholpen aan het oppakken van joden en de wrede, uit wraaklust ingegeven, executie van weerloze boeren? Naar zijn aandeel in het bloedspoor dat SS Obersturmbannführer Joachim Peiper doorheen Europa trok kan ik enkel gissen. Otto Hilpert was lader in Panzer 339. Hij nam op bevel van de tankcommandant de obussen en granaten uit de rekken in de buik van het monster en duwde ze in het 88 mm Lang 71 kanon. Toen ze weer eens opgehouden werden omdat de wegen naar het strijdtoneel dichtgeslibd waren met vijandige en bevriende colonnes had hij, om de tijd te doden, al zijn creativiteit aangesproken en met een stuk krijt een boodschap gekrabbeld op het gebogen, koperen oppervlak van een obus. Een anatomisch totaal fout getekend doodshoofd en de woorden “with love”. Otto had zo zijn gevoel voor humor. Hij werd door de commandant betrapt bij zijn artistieke bezigheid en kreeg, in de plaats van enige aanmoediging of blijk van waardering, ongenadig op zijn kop. Op de koop toe moest hij een preek over de gevaren van het prutsen met springstof aanhoren en werd hem gesuggereerd overplaatsing te vragen naar de "Hanswursten” van de Luftwaffe die, volgens zijn chef, toch tijd zat hadden voor zo’n kinderachtige “Spielereien".

Als SS-Panzerschütze was Otto de minste van de vijfkoppige Tiger-bemanning. De anderen waren minstens Rotterführer. Hij stuurde niet, koos geen doelwitten uit, verzorgde geen radioverbindingen en vuurde het kanon geen enkele keer af. Hij was een simpel magazijniertje wroetend in de, door een zwak peertje beschenen, enge donkere binnenruimte van een vervaarlijk grommend tuig dat dreigend door het landschap kroop en iedereen die het tegenkwam de stuipen op het lijf joeg.

Hilpert werd niet geboren als een verwaarloosbaar stuk kanonnenvoer. Dat is hij pas geworden toen een waanzinnig staatshoofd hem nodig had bij een macaber spel. Voor de aanvang van de oorlog was Otto de belangrijkste mens op aarde. Toch voor zijn geliefde. Want Otto was verliefd en het onderwerp van zijn hartstocht was al even stapel op hem. In het idyllische boerendorp waar hij het levenslicht zag, ergens tussen Trier en Mainz, zouden ze niets van hun passie begrepen hebben. De bruinhemden al zeker niet. Zijn lief was dan ook geen blonde, blozende troela. Ze droegen beiden de Führer een warm hart toe, maar dat was niet voldoende om hun liefde aanvaardbaar te maken voor de goegemeente. Elkaar zien en liefhebben gebeurde daarom in het geheim, in de betrekkelijke anonimiteit van de stad, na valavond, in verlaten stegen, op een bank in een park of in een verscholen kroeg. Plaatsen waar ze veilig waren voor de Gestapo en de Kripo. Dat moest ook wel want op een zachte lentenacht hadden die een verliefd stel op heterdaad betrapt tussen de bloeiende rododendronstruiken van het stadspark. ’s Morgens bengelden die twee aan een overhangende dikke tak van een lindeboom, de broek hangend op de enkels en een afgebroken bezemsteel in hun witte kont.

Otto had romantischere perspectieven voor ogen als hij over hun relatie dagdroomde. Dan ging het over trouwen en kinderen, over een huisje in het Schwarzwald, over een goede baan bij Volkswagen of Mercedes waar hij auto’s zou bouwen voor de burgers van de nieuwe wereldorde. Na gedane arbeid zou hij huiswaarts keren om van zijn vrijheid te genieten in de armen van zijn hartendiefje. Dat alles zat er niet onmiddellijk aan te komen, zeker niet toen de brief in de bus viel die hem aanmaande zijn militair verlof te onderbreken en zich te melden bij het 2de SS-pantserkorps. De daarop volgende odyssee zou hem eerst naar Rusland en later naar Italië, België, Hongarije en Oostenrijk leiden. Was er bij de herovering van Kharkov nog sprake van enige glorie dan was die bij de slag om de Ardennen in de omgeving van het winterse La Gleize omgeslagen in doffe ellende en pijnlijke vernedering. Weg hoop op een zonnige toekomst. De bevoorrading vanuit Duitsland liep zo mank dat Otto geen brieven meer ontving van het thuisfront waar zijn beminde het Reich diende door dwangarbeiders ontstekingsmechanismen voor granaten te laten fabriceren. Hij zou hem niet meer terugzien zijn teerbeminde Helmut. Enkele maanden na zijn vlucht uit België werd Otto ingezet in Hongarije om een Sovjetbruggenhoofd te vernietigen. Na de chaotische terugtrekking naar Oostenrijk vernam hij dat het lichaam van zijn Schatz vanonder het puin van het platgebombardeerde Pforzheim gehaald was. Hij durfde er in iemands gezelschap geen traan om te laten, bang als hij was dat het openbaren van zijn geaardheid hem met een opgespelde roze driehoek in een concentratiekamp van het agoniserende Derde Rijk zou doen belanden. Helmut was dood en Otto gaf zich met andere overblijvers van de Leibstandarte-SS Adolf Hitler over aan de Amerikanen. Liever gevangen genomen worden door die decadente bende dan in handen te vallen van de Russische barbaren, al was dat een beslissing van zijn wapenmakkers die hij, zoals het hem eigen was, volgzaam achternaliep. Zijn geheim was door Britse Avro Lancaster bommenwerpers voor eeuwig veilig gesteld, een zekerheid die hem nooit zielenrust zou brengen. Angst weerhield Otto ervan ook maar iets aan zijn huichelachtigheid te veranderen en Gretchen, met wie hij vier jaar later trouwde, zal nooit geweten hebben aan wie hij dacht toen hij de tweeling Claus en Dietmar bij haar verwekte.

Ik rommel nog wat in de verfrekken, speurend naar feldgrau voor Joachims uniform.“Droegen die van de SS-panzers geen zwart?” vraag ik me luidop af.“Aan het begin van de oorlog wel, later grijs.” klinkt het vanachter de toonbank.“Echt?” De evolutie van de SS-mode kan mij niet echt schelen maar ik koop voor alle zekerheid een potje zwart en een potje middle grey nr. 43 van Revell. De kleur van het uniform, dat op de Dragondoos afgebeeld wordt, is ondefinieerbaar, iets tussen zwart, grijs en donkergroen. Om die vieze tint na te bootsen zullen er kleuren gemengd moeten worden, vermoed ik. Peiper wordt met zijn verfpotjes respectloos in een gerecupereerde groentezak gedropt.“Een gevernist houten voetstuk om hem op te plaatsen kunt ge afzonderlijk kopen. Ik heb ze juist binnen, zo goed als gratis, twee euro per stuk“.Een piëddestalleke voor die schurk? Dat zou erover zijn. Ik ga met plaaster, zand en verf een bloederige, modderige ondergrond fabriceren. Daar kan hij met zijn botten in gaan staan, meer iets voor hem me dunkt.“Die zeilschepen waar ik het over had. Als ge wilt zal ik een doos voor u openmaken dan kunt ge zien hoe gedetailleerd dat allemaal is.”“Neen, dank u, een andere keer misschien.” Ik mompel het terwijl ik de over de dorpel krassende winkeldeur achter mij dichttrek.

De gezellige sfeer van de de modelbouwzaak uit een verloren epoque maakt plaats voor de kilte van de straat. Het lawaai en de drukte van voorbij razende auto's en gehaaste voorbijgangers slaan mij om de oren. In mijn handtas weerklinkt een ergerlijk elektronisch deuntje. De gsm sleurt me onverbiddelijk naar het heden. Otto vliegt terug naar een achterkamer van mijn brein waar hij, samen met andere spoken, onrustig kan ronddwalen, tevergeefs zoekend naar rust en sereniteit.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

8 dec 2014 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket