Sofie Rycken

· Redacteur

Gebruikersnaam Sofie Rycken

Teksten

Shanti special

Dat ik ondanks alles nog steeds een grote dosis naïviteit in mij heb, werd vanavond alweer duidelijk. Ik dacht echt dat prenatale yoga massaal veel leuker zou zijn dan de gewone yoga waar ik mij de voorbije jaren af en toe aan heb gewaagd. Iets met gezellige massages, lekkere muziek en vooral veel stretches. Een soort chill theekransje in lycra waarin we elkaar allemaal zouden steunen en bewieroken, aanstaande moeders onder elkaar. Turns out: het is gewoon yoga. Met matjes, blote voeten, adem-instructies, een grote spiegelwand (LOVE those, immer flatterend) en met die godgeklaagde zonnegroet die ik nog nooit helemaal onder (achter? naast?) mijn stijve knie heb gekregen. Het enige verschil? Elke yogadocent heeft wel zo’n zinnetje om te zeggen “de losers die niet kunnen volgen, mogen hun arm ook gewoon laten hangen” en dit is de eerste keer dat ik de vrouw volledig geloofde. Ze leek oprecht en zonder stiekem superioriteitsgevoel bezorgd om ons fysiek welzijn. Met succes. We deden allemaal flink mee: ook de vrouwen die echt al een gigantische buik hadden gingen fluks op hun schouders staan met hun voeten recht in de lucht.   Zoals in ongeveer elke cursus die ik al heb gevolgd (en dat zijn er véél. Ik blijf koppig geloven dat ik mezelf kan heruitvinden in 6 lessen, om keer op keer gedesillusioneerd af te haken) had ik ook hier binnen de eerste 10 minuten al doemgedachten. Waarom ben ik hier? Ga ik dit echt volhouden? Zou ik straks al de volle pot moeten betalen of telt dit nog als proefles? Eigenlijk is het wel goed dat ik dit doe, voor mijn lichaam. Maar anderzijds moet ik toch niks tegen mijn zin doen? Dat is sowieso slecht voor de baby. Ik ben toch volwassen, zeker. Ik kan na het werk ook gewoon naar huis gaan, waar mijn stoere, onuitputtelijke man ons nieuwe huis kamer per kamer aan het verfraaien is. Maar ik doe al niks van sport, dus misschien moet ik het toch maar doen. En een quitter wil ik ook niet zijn, wat voor voorbeeld stel ik dan. Ow, ben ik nu weer aan het exhalen terwijl we eigenlijk moeten inhalen? En zei ze net dat we de “the skin of your buttocks” moesten ontspannen? Hoe precies? Bleh, ik ga yoga echt nooit superleuk vinden. Het stretchen en het liggen wel, maar al die andere dingen… Wow, die andere vrouw is veel ronder dan ik, maar ook veel leniger – hoe doet die dat? Ik heb nu al moeite om mijn veters te binden en ik heb nog maar een penske van niks. Zouden die ook niet allemaal veel protten moeten laten? Ik ga gewoon langs een kinesist, dat zal ook wel goed zijn. En misschien zelfs efficiënter. Uiteindelijk moeten we toch ook een beetje zuinig zijn, met al die kosten aan het huis. Ik moet trouwens nog iets vragen aan Simon over die offerte. Ah, toch iemand die één oefening aan zich laat voorbijgaan. Altijd leuk als niet iedereen flinker-dan-flink staat te wezen. Mijn borsten zijn echt serieus gegroeid. Mijn heupen misschien ook, of lijkt dat gewoon zo omdat ik een oude joggingbroek aan heb? Oei, kwam ik nu te dicht bij die naast mij? Die had anders ook haar kussen aan de andere kant van haar matje kunnen leggen, daar is nog keiveel plaats.      Alsof ze mijn innnerlijk gebrom tot vooraan kon horen, kondigde de docente naar het einde van de les toe aan dat we even tijd gingen maken voor positive thoughts. Die bestonden er vooral uit om onze buik aan te raken en tapas (ik verzin dit niet: http://yogashanti.com/focus/tapas-riding-the-heat/#.Wa8JDIpLe1s) naar onze baby te sturen.   Ik mocht gewoon 10 euro betalen voor de proefles en later beslissen of ik nog eens kom. Wat tapas precies is/zijn is me nog niet volledig duidelijk. Ik nam de metro naar huis en ging snel frietjes halen om de hoek voor mijn noeste arbeider. Shanti special, moet kunnen.

Sofie Rycken
0 0

Hoe van Brussel te houden

Er zijn van die dingen waar jij op mag spuwen, maar anderen niet. Dingen waarop je kankert tot het schuim je op de lippen staat, maar waarvan je moeilijk kan verdragen dat andere mensen er laatdunkend over doen. Leuven, waar ik opgroeide, is zoiets. Dirty Dancing is zoiets (behalve dat ik nooit zou spuwen noch kankeren op Dirty Dancing). En Brussel. Zeker Brussel. Mijn pleidooi voor een hellhole met weinig vrienden. Stap 1: Niet. U bent hiermee waarschijnlijk in de meerderheid. U haalt de vuile straten aan, het kamikaze-verkeer, de verloederde buurten, het “Is-dit-nog-wel-België-gevoel” (looking at you, Sally van Blind Getrouwd), de ingeslagen ruiten, de urinegeur in de trein- en metrostations, het dubbelparkeren, de dealers, het gebrekkige Nederlands (maar wel massa’s Arabisch), de onzinnige politieke spelletjes, de rottende tunnels en ga zo maar door. En op veel punten heeft u ronduit gelijk. Ik droom zelf ook van een hutje aan de zee.   Stap 2: Geef het tijd. Ik wist niet zeker of ik naar hier wou komen. Collega’s die hier woonden vertelden zonder verpinken gruwelijke anekdotes over hoe ze overvallen, beroofd en gevierendeeld waren maar zeiden in dezelfde adem “topstad, gewoon doen”. Heel verwarrend. Een beetje zoals jonge ouders je vertellen dat ze niet meer weten wat seks is, geen tijd hebben om met hun ogen te knipperen en twijfelen aan elke levenskeuze die ze ooit maakten maar afsluiten met “baby’s zijn 24 karaats goud met hersenkwabben van pure engel, gewoon doen”. Niet te snappen tot je het zelf probeert, vermoed ik.   Toen ik hier de eerste keer naartoe kwam, sprintte ik snel weer weg. Een beetje geclaxonneer en ik verschrompelde als een slak. (Anno 2017 zou ik zonder verpinken “gore fuckhond” roepen of komt die claxon gewoon van mij, omdat die onnozelaar daar niet moet oversteken).   Toen ik hier de tweede keer naartoe kwam en wel bleef, vertelde iemand mij “Er zijn twee scenario’s. Ofwel loop je na één jaar gillend weg en kijk je nooit meer om. Ofwel word je verliefd en hang je er voor tien jaar aan.” Puur op koppigheid hield ik na dat eerste jaar vol. Ik woonde niet meer samen met de jongen die mijn hand vasthield bij de verhuis naar Brussel. Over mijn lijk dat ik zonder zijn handje meteen weer zou afdruipen. Ik had verdorie in Toronto gewoond, wat zou het Brussels Gewest mij dan plots te veel worden?   Blijkt dat verhuizen binnen je eigen land best pittig kan zijn. Ik ging in Leuven naar de kapper, de tandarts en de oogarts. Ik ging er nog vaker naar mijn toenmalig lief. Ik miste zo weinig mogelijk, al voelde ik ook dat zo’n spreidstand niet te lang mag duren.   Met de jaren liet ik steeds meer de railing los en schuifelde ik stilaan naar het midden van de ijspiste. Een Brusselse kapper. Mijn 29ste verjaardag vieren in Brussel. Een ander lief, met een Brussels adres.   Ik keek verder dan het centrum en ontdekte, ik zeg maar iets, de hippodroom in Bosvoorde. Toen ik filmpjes maakte voor de Koningin Elisabethwedstrijd zoefde ik met de cameraploeg door de decadent dure wijken van Posh Bruxelles. Ik ging naar de film en belandde toevallig in de Grand Eldorado. Ik begon met Bruxelles A Font – een Instagramprojectje waarin ik letters, woorden en logo’s fotografeerde op straat. Ik nam een stratenplan en duidde met een roze fluostift alle straten aan waar ik ooit al had gewandeld, om mijn eigen blinde vlekken te kunnen localiseren. (Nee, het is nog niet vol, maar wel steeds rozer).   Stap 3: Wees eerlijk.   Er zijn massa’s mensen die niet houden van steden. En dat is helemaal ok. Er zijn naar het schijnt zelfs mensen die niet van Parijs houden. Maar Brussel afrekenen op shit die typisch is voor steden en net zo goed in Antwerpen gebeurt, vind ik niet kosjer.   Het is makkelijk om de hellhole-mythologie waarheid te laten worden – des te meer als je hier weinig tijd doorbrengt. Ik was in het begin een poster child van de Bange Buitenstaander Beweging. Ik hield mijn huissleutels klaar in mijn hand, ik durfde mijn iPod (ha! Ver Verleden) niet gebruiken. Ik zag zoveel mensen die er anders uitzagen dan ik (of zo weinig die er hetzelfde uitzagen), die luidkeels op straat dingen stonden te zeggen die ik niet verstond, en ook dat vond ik bedreigend. En opnieuw, dat mag. Ik laat die gevoelens bij mezelf gewoon toe, als ze er zijn. Ik heb niet zo lang geleden “ik haat Molenbeek” gesmst naar mijn lief, en al klinkt het nu knullig, ik meende het toen uit de grond van mijn hart (al weet ik niet meer concreet wat er aan de hand was). Ik stapte vorig jaar na de aanslagen met heel dubbele gevoelens de metro op en ik betrapte mezelf op tranen van woede, gericht op al die vreemde mensen om mij heen. Niets mis mee.   Maar niets houdt je tegen om af en toe bij jezelf af te checken wat je projecteert en wat er écht aan de hand is. Wat de ene percipieert als een louche en levensgevaarlijke straathoek/medepassagier/situatie, daar haalt een ander fluitend zijn schouders voor op. Je bepaalt voor een groot stuk je eigen comfort zone. (En als je écht gelooft dat al het Kwaad van de Wereld zich verzamelt op een paar vierkante kilometer rond de Zenne, dan heb ik slecht nieuws).   Stap 4: Luister, praat, kijk. Op de metro naar huis zat ik net naast een Italiaanse vrouw. Ze was aan het telefoneren en zei heel gemeend “Che bruto!”. Ging zeker over een fout vriendje. Zoiets vind ik leuk. De metro, zeker onder de Europese wijk, is altijd een beetje Babylon. (Een “Humans of Brussels”-fotoreeks zou er trouwens ogen te kort komen). Wat de kindjes van het Toekomstatelier allemaal vragen en zeggen, vind ik leuk. Dat er, toen ik laatst viel met de fiets omdat iemand zonder te kijken overstak en ik te bruusk moest remmen, twee zwarte meisjes vroegen of alles ok was, dat vind ik leuk. Dat mensen me vaak de weg vragen en dat ik hen meestal kan helpen, leuk. Dat de man die bedelt voor het wisselkantoor op de Gentsesteenweg en ik elke dag hallo tegen elkaar zeggen (en iets meer als we elkaar even niet gezien hebben), leuk. Het zero fucks-gehalte van Brussel is bijwijlen wraakroepend, maar het maakt tegelijkertijd dat mensen hier van weinig opkijken. De drempels zijn eigenlijk ontzettend laag.   Iedereen heeft bitchy resting face, ik in de eerste plaats. Niemand is Moeder Theresa, ik in de laatste plaats. Ik negeer heel veel mensen. Maar met je vizier op een kiertje ziet het landschap er al helemaal anders uit. We wonen in ons appartementsgebouw in Molenbeek onder één dak met Grieken, Turken, Congolezen, Marokkanen en van die Belgen – en we hebben met bijna iedereen een babbeltje (al vind ik die ene vrouw die alles over ons lijkt te weten en het zelfs merkt wanneer Simon een paar kilo is afgevallen wel stilaan een beetje akelig). Het is een petri-schaaltje. Soms gaat het stinken en schimmelen, maar soms is het ook geniaal. Of wist u niet dat dit allemaal één groot experiment was?   Stap 5: Relativeer. Het is hier Caracas niet. Ik ben één keer op mijn plaats gezet, toen ik aan het zagen was over het Brusselse verkeer, door iemand die net terugkwam van China. Dat kon ik niet zo waarderen (Mag ik mijn eigen levenspijn nog kiezen DANKUWEL), maar ze had natuurlijk een punt. In the larger scheme of things is Brussel, naast honderden mastodont-steden, een piepkuiken. Een piepkuiken met een rokershoestje en een scherpe R, maar desalniettemin een babydier – en daar doen we lief tegen.   Stap 6: Gewoon. Er wonen hier ongetwijfeld mensen die koekjes kakken, om even wat beeldspraak van mijn eindredacteur te lenen. En, aan het andere eind van het spectrum, is er sowieso ook een zeker quotiënt gore fuckhonden. Brussel is geen verre planeet. Het is gewoon een plek, met gebouwen en mensen, die meestal hun best doen, niet te vaak alleen willen zijn en wat geld willen verdienen. Een mindfuck van een mengelmoes, met mooie gevels. Bruut en oneindig zacht.

Sofie Rycken
43 1

Nooit meer dromen

“Ik droom eigenlijk nooit,” zegt hij. “Dan moet jij wel heel zen in het leven staan, als je ’s nachts niets te verwerken hebt.”   In mijn hoofd zie ik een oertriest dromen-coördinatie-lokaal, waarin één dof mannetje werkt met een knoert van een bore-out. Elke avond zet hij zich met een zucht achter zijn bureau, duwt hij zijn bril wat hoger op zijn bleke neus en legt zijn magere hand op een lege A4. Alweer niks. Geen angsten, geen frustraties. Traag neemt hij de rode stempel, drukt die zorgvuldig en gelijkmatig neer en zet bedachtzaam een krabbel met een glanzende, zilveren pen. Het lege blad komt in het uit-bakje, hij trekt zijn grijze regenjas aan en doet de deur stilletjes toe. De rest van zijn uren doodt hij dan maar in het stationsbuffet.   Bij mij krijgt de dromencoördinator – afgekloven nagels, rood aangelopen wangen, een wijde blouse waar ze om de 9 seconden aan pulkt – het amper gebolwerkt. Elke shift opnieuw stoot ze op een uitpuilende inbox, een verse stapel dossiers vol post-its en uitroeptekens en een genadeloos tikkende klok. Ze vloekt aan één stuk door omdat ze alweer een fucking nachtmerrie over “het is de avond van onze première en ik ben al mijn tekst vergeten” moet combineren met “vastzitten op een hoog platform dat steeds kleiner wordt”, terwijl er nog drie onzinnige dialogen liggen te wachten, een woeste kus, een fictief huisdier dat plots zoek is en, want dat kan er ook nog wel bij, een verse guts schuldgevoel, voor half zes. En dat is alleen de originele planning, he, dus daar komt sowieso nog iets tussen – je zal het godverdomme elke keer zien. Wanneer er een telefoontje binnenkomt met de vraag of die ene futiliteit die 11 jaar geleden fout liep niet nog eens aan bod kan komen, smijt ze de hoorn neer. Het bruistabletje plopt het glas koud water in. Het wordt een lange nacht.  

Sofie Rycken
17 0