Ze zegt: ‘Zie me hier:
hoopje tranen,
zakje triest op het terras.’
Er rollen donderwolken
waar net nog licht, nog liefde was.
De zoute lucht, de zoute tranen.
En de jonge vrouw wil voor eens weer meisje zijn:
daar gaat het nog niet over leven, dood,
heelt moeder wonden met wat rood,
zacht een kus nog vlot de pijn:
het gekneusde hart, de geschaafde ziel.
En het leven heeft haar niet gespaard
als Artispunten,
niet gekoesterd als plakprentjes van oude meesters,
maar het is net haar zelfredzaamheid die altijd heeft begeesterd.
Zelfredzaamheid waaraan ze nu twijfelt.
‘Ben ik dom, misschien naïef?
De wereld harder dan vermoed?
Ik te lief?’
Ze twijfelt, twijfelt weer.
Ik zeg: ‘Kijk gewoon naar dat donker dek van wolken,
naar de gaten waardoor het licht al priemt,
naar de gaten in de vloer van de hemel.
Naar waar
– zelfs in dit donkerste uur -
alweer het licht, het leven kiemt.’
